Zie het bestreden arrest, p. 2.
HR, 01-07-2025, nr. 23/01845 P
ECLI:NL:HR:2025:1047
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-07-2025
- Zaaknummer
23/01845 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1047, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑07‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1413
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:464
ECLI:NL:PHR:2025:464, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑04‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1047
- Vindplaatsen
Uitspraak 01‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit andere strafbare feiten na veroordeling t.z.v. witwassen, art. 36e.3 Sr. Motivering schatting w.v.v. Is ’s hofs overweging dat “totaalbedrag van € 221.602,68 w.v.v. behelst uit andere strafbare feiten a.b.i. art. 36e.3 Sr” verenigbaar met hetgeen Rb in strafzaak heeft vastgesteld (medeplegen witwassen van geldbedrag van (slechts) € 102.037,90)? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/01846 P.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01845 P
Datum 1 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 april 2023, nummer 20-002328-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 110.801.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 105.801 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2025.
Conclusie 22‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. M1) Falende klachten over de vaststelling van de omvang van het w.v.v. M2) Slagende klacht over de inzendtermijn. Ambtshalve opmerking redelijke termijn. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 23/01846 P.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01845 P
Zitting 22 april 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de betrokkene
Het cassatieberoep
1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 28 april 2023 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 110.801,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 23/01846 P. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
De middelen
4. Het eerste middel komt met verschillende deelklachten op tegen de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het tweede middel bevat een klacht over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.
De strafzaak
5. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft de rechtbank de betrokkene op 28 juni 2019 (onder meer) veroordeeld voor “het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 102.037,90 in de periode van 25 januari 2015 tot en met 13 december 2017”.1.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
6. Het hof heeft het door de betrokkene en de medebetrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een totaalbedrag van € 221.602,68, en heeft deze vaststelling gebaseerd op drie bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de ‘Aanvulling bewijsmiddelen’ d.d. 28 april 2023 bij het bestreden arrest, naar de inhoud waarvan ik verwijs.2.
7. In het arrest heeft het hof met betrekking tot de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, voor zover relevant, daarnaast het volgende overwogen (met onderstrepingen mijnerzijds):
“De wettelijke grondslag
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat aan de toepasselijkheid van artikel 36e lid 3 Sr is voldaan nu het delict waarvoor betrokkene is veroordeeld een misdrijf is dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat aannemelijk is dat voormeld misdrijf of andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 3 Sr op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Schatting van het voordeel
Economische eenheid
Vooraleer toe te komen aan de schatting van het voordeel en de bespreking van de standpunten van de verdediging stelt het hof vast dat betrokkene en [medebetrokkene] op 23 oktober 2015 zijn gehuwd. Uit het huwelijk zijn een dochter en een zoon geboren. Betrokkene en de medebetrokkene hebben in dezelfde woning gewoond en hebben een gezamenlijke huishouding gevoerd. Hierom gaat het hof er vanuit dat betrokkene en [medebetrokkene] een economische eenheid vormen.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft het in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald en zich op het standpunt gesteld dat het geschatte voordeelsbedrag gematigd dient te worden tot een bedrag van € 102.037,90. Dit is het bedrag waarvan in de onderliggende strafzaak is bewezen verklaard dat dit door betrokkene en [medebetrokkene] is witgewassen. Voor het meerdere tot een bedrag van € 221.602,68 is niet aannemelijk geworden dat dit een criminele herkomst heeft, althans daartoe is door het openbaar ministerie onvoldoende onderzoek gedaan, aldus de verdediging.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De rechtbank heeft in de onderliggende strafzaak (pg. 2 en 3 van het vonnis) vastgesteld dat met een bitcoinkaart, eindigend op “ [nummer] ” in gebruik bij [medebetrokkene] in de periode van 3 juli 2017 tot en met 10 december 2017 voor een totaalbedrag van € 84.381,59 bij pinautomaten contant is opgenomen. Daarbij zijn zowel de betrokkene als [medebetrokkene] op camerabeelden herkend.
Verder heeft de rechtbank vastgesteld (pg. 3 van het vonnis) dat uit bankgegevens van betrokkene en [medebetrokkene] is gebleken dat er in de periode van 25 januari 2015 tot en met 4 juli 2016 een bedrag van € 17.656,31 door het bedrijf [A] op hun rekening is overgemaakt. Daarbij is gebleken dat met vrijwel alle uitgekeerde bitcoins direct dan wel indirect eerdere transacties hebben plaatsgevonden ten aanzien van zogenaamde mixingservices of darkweb marketplaces.
De rechtbank heeft vervolgens – kort gezegd – geoordeeld dat aannemelijk is dat voormelde contante opnamen en bijschrijvingen van enig misdrijf afkomstig zijn en daarmee zijn witgewassen.
In de ontnemingsrapportage is het voordeel als volgt bepaald.
Allereerst is vastgesteld dat het vermogen van betrokkene en [medebetrokkene] is toegenomen met de navolgende twee geldstromen:
1. Overboekingen van [A] op de bankrekeningen op naam van betrokkene en [medebetrokkene] voor een totaalbedrag van € 17.656,31 (periode, van 25 januari 2015 tot en met 4 juli 2016).
2. Stortingen van tegoeden op de bitcoinkaart die op naam staat van [medebetrokkene] voor een totaalbedrag van € 203.946,50 (periode 1 juli 2016 tot en met 10 december 2017).
Vervolgens is vastgesteld dat [medebetrokkene] in de periode van 2012 tot en met 2016 geen inkomsten heeft genoten uit loon of onderneming. De betrokkene heeft in de periode van 2012 tot en met 2017 gemiddeld ruim € 19.000,- per jaar verdiend, hetgeen neerkomt op € 1.600,- netto per maand. Verder is uit onderzoek gebleken dat betrokkene noch [medebetrokkene] onroerend goed in bezit heeft gehad dan wel erfenissen of schenkingen heeft ontvangen. Daarnaast hebben de banksaldi van betrokkene en de medebetrokkene in de jaren 2012 tot en met 2016 rondom nihil geschommeld.
Op grond van vorenstaande vaststellingen is in het ontnemingsrapport vastgesteld dat de twee beschreven geldstromen met een totaalbedrag van € 221.602,68 het wederrechtelijk verkregen voordeel behelst uit andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 3 Sr.
Het hof heeft geen reden anders te oordelen nu de totale vermogensvermeerdering van € 221.602,68 niet met de legale inkomsten kunnen worden verklaard en het mede in het licht daarvan aannemelijk is dat een of meer andere strafbare feiten ertoe hebben geleid dat genoemd wederrechtelijk voordeel op enigerlei wijze door betrokkene en de medebetrokkene is verkregen.
Bij dit oordeel betrekt het hof dat [medebetrokkene] ter gelegenheid van zijn politieverhoor heeft verklaard dat hij donaties via binaire opties heeft ontvangen waardoor – kort gezegd – de vermogensvermeerdering verklaard kan worden. Uit het onderzoek van de politie op internet is niet van de gestelde, hiermee verband staande, advertenties gebleken, noch is op andere wijze bevestiging van deze verklaring gevonden.
Verder heeft betrokkene zelf niets verklaard over de herkomst van de gelden en is zij – evenals [medebetrokkene] – ter zitting in eerste aanleg noch ter gelegenheid van de zitting in hoger beroep verschenen om een nadere toelichting te geven op voormelde vermogensvermeerdering.
Het hof gaat voorbij aan het standpunt van de verdediging dat nader onderzoek door politie naar de herkomst van de vermogensvermeerdering had dienen plaats te vinden. Naar aanleiding van de verklaring van [medebetrokkene] heeft de politie, zoals reeds opgemerkt, onderzoek verricht maar heeft geen enkel aanknopingspunt kunnen vinden. Het lag op de weg van betrokkene en de medebetrokkene om de politie zo mogelijk alsnog van die verifieerbare informatie te voorzien. Dergelijke informatie is evenwel uitgebleven waardoor de legale herkomst van de vermogensvermeerdering niet (alsnog) aannemelijk is geworden.
Overeenkomstig de rechtbank en het standpunt van de advocaat-generaal stelt het hof het voordeel vast overeenkomstig de ontnemingsrapportage op een bedrag van € 221.602,68.
Toerekening van het voordeel
De rechtbank heeft overeenkomstig de ontnemingsrapportage het geschatte voordeel hoofdelijk aan betrokkene en [medebetrokkene] toegerekend. De advocaat-generaal heeft zich achter dit oordeel geschaard.
Het hof volgt de rechtbank en daarmee de advocaat-generaal niet in deze toerekening omdat toepassing is gegeven aan artikel 36e lid 3 Sr waardoor oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting niet mogelijk is. Artikel 36e lid 7 Sr beperkt die mogelijkheid tot een betalingsverplichting die haar grondslag vindt in een vaststelling van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e leden 1 en 2 Sr.
Overeenkomstig het standpunt van de verdediging zal het hof het voordeel pondspondsgewijs verdelen zodat aan betrokkene wordt toegerekend een bedrag van (€ 221.602,68 : 2=) € 110.801,- (afgerond) op welk bedrag tevens het voordeel wordt geschat.
(…)
Tijdsverloop
Anders dan de verdediging ziet het hof in het enkele tijdsverloop geen reden de betalingsverplichting te matigen, nu van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM geen sprake is.”
8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 april 2023 heeft de raadsvrouw van de betrokkene, voor zover relevant, het volgende verweer gevoerd (onderstreping mijnerzijds):
“De ontnemingsvordering is gebaseerd op twee geldstromen. De eerste geldstroom is dat een bedrag van € 17.656,3.1 dat door het bedrijf [A] wordt overgemaakt op rekeningen van [medebetrokkene] en [betrokkene] . Dit geld zou een criminele herkomst hebben immers afkomstig van mixing services en darkwebmarkten. De tweede geldstroom is dat tegoeden ten bedrage van € 203.946,50 worden gestort op een bitcoinkaart op naam van [medebetrokkene] met welke bitcoinkaart vervolgens een bedrag van € 84.381,59 bij pinautomaten is opgenomen waarbij [medebetrokkene] en [betrokkene] op camerabeelden zijn herkend. De eerste geldstroom gevoegd bij de tweede geldstroom voor zover het betreft de contant gepinde bedragen zijn door de rechtbank als witwassen gekwalificeerd. Daarvan staat dus vast dat die van enig misdrijf afkomstig zijn, Dat geldt niet voor het resterende bedrag. Daarvan staat niet vast dat dit van enig geldbedrag afkomstig is. Gelet hierop dient het voordeelbedrag gelijk gesteld te worden aan het door de rechtbank in de onderliggende strafzaak bewezenverklaarde witgewassen geldbedrag van € 102.037,90. Voor wat betreft het overige gedeelte staat dus niet vast dat dit uit enig misdrijf afkomstig is en de politie had daar verder onderzoek naar moeten doen. De bal voor onderzoek naar de herkomst van dat vermogen ligt bij het openbaar ministerie en niet bij de verdediging.
(…)
Verder dient de betalingsverplichting gematigd te worden gelet op de geringe draagkracht en het tijdsverloop.”
Het eerste middel, de klacht onder (i)
9. In het middel wordt, blijkens de toelichting daarop, in de eerste plaats de stelling betrokken dat de overweging van het hof inhoudende dat het “(…) totaalbedrag van € 221.602,68 het wederrechtelijk verkregen voordeel behelst uit andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 3 Sr (onderstreping mijnerzijds)”, niet verenigbaar is met hetgeen de rechtbank in de – met de ontnemingszaak samenhangende – strafzaak heeft vastgesteld. In de onderliggende strafzaak is de betrokkene immers veroordeeld voor (onder meer) het in de periode van 25 januari 2015 tot en met 13 december 2017 medeplegen van witwassen van een geldbedrag van (slechts) € 102.037,90 (zie onder randnummer 5). Reeds om die reden kan het bestreden arrest niet in stand blijven.3.
De bespreking van de klacht onder (i)
10. Ik kan de stellers van het middel in hun klacht niet volgen. Het hof heeft (overeenkomstig de ontnemingsrapportage) vastgesteld dat de twee in dat rapport beschreven geldstromen van de betrokkene en de medebetrokkene – met een totaalbedrag van € 221.602,68 – het wederrechtelijk verkregen voordeel behelst uit andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 3 Sr (zie onder randnummer 7). Dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel slechts gedeeltelijk bestaat uit het bedrag waarop de bewezenverklaring in de hoofdzaak ziet (het witwassen van een geldbedrag van € 102.037,90) maakt de overweging van het hof (dat het totaalbedrag van € 221.602,68 voordeel behelst uit andere strafbare feiten) nog niet onbegrijpelijk en/of onverenigbaar met de vaststellingen in de strafzaak. Immers, het hof heeft in de ontnemingszaak niet geoordeeld – en m.i. ook niet hoeven oordelen – dat het wederrechtelijk verkregen voordeel (deels) is verkregen door het in de strafzaak bewezen verklaarde (medeplegen van) witwassen.4.
11. De klacht onder (i) faalt.
Het eerste middel, de klacht onder (ii)
12. Daarnaast behelst het middel de klacht dat “het onderzoek naar de financiële positie van de betrokkene (en de medebetrokkene) (…) zich (uitstrekte) over de jaren 2012 tot en met 2016, zodat (…) niet kan worden vastgesteld of de bedragen die ná 2016 zijn gestort geen legale bron hebben”, tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof dat de totale vermogensvermeerdering van € 221.602,68 (in de periode van 25 januari 2015 tot en met 10 december 2017) niet met legale inkomsten kan worden verklaard dan ook niet begrijpelijk, aldus de stellers van het middel.5.
De bespreking van de klacht onder (ii)
13. Het hof heeft (overeenkomstig de ontnemingsrapportage) vastgesteld dat uit het onderzoek naar de financiële positie van de betrokkene en de medebetrokkene naar voren is gekomen dat (i) de medebetrokkene in de periode van 2012 tot en met 2016 geen inkomsten heeft genoten uit loon of onderneming, (ii) de betrokkene in de periode van 2012 tot en met 2017 gemiddeld ruim € 19.000,- per jaar heeft verdiend, (iii) de betrokkene noch de medebetrokkene in de jaren 2012 tot en met 2016 onroerend goed in bezit heeft gehad, dan wel erfenissen of schenkingen heeft ontvangen, en (iv) de banksaldi van beiden in die periode rondom nihil hebben geschommeld.
14. De stellers van het middel merken terecht op dat het onderzoek naar de financiële positie van de betrokkene dat zich (behalve ten aanzien van haar inkomsten uit loon) uitstrekte over de jaren 2012 tot en met 2016 op zichzelf de mogelijkheid openlaat dat de betrokkene ná 2016 (dat wil zeggen: in de periode 1 januari 2017 tot en met 10 december 2017) andere legale inkomsten heeft gehad die de stortingen van de tegoeden op de bitcoinkaart op naam van de medebetrokkene voor een totaalbedrag van € 203.946,50 (gedeeltelijk) kunnen verklaren. Toch acht ik het kennelijke oordeel van het hof dat de betrokkene en de medebetrokkene óók in 2017 geen (andere) legale inkomsten hebben gehad die op een dusdanige vermogensvermeerdering kunnen duiden, niet onbegrijpelijk. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep – wetende van de berekeningswijze in het ontnemingsrapport en in het vonnis in de ontnemingszaak,6.waarbij is uitgegaan van stortingen van de tegoeden op de bitcoinkaart van de medebetrokkene van in totaal € 203.946,50 in de periode van 25 januari 2015 tot en met 10 december 2017 – niets heeft aangevoerd waaruit zou moeten blijken dat de betrokkene in 2017 nog een andere legale bron van inkomsten heeft gehad.7.Naar het mij voorkomt had het echter – mede gelet op de achtergrond van de zaak8.en de overige door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden – op de weg van de verdediging gelegen nader te onderbouwen dat (en op welke wijze) de betrokkene in de betreffende periode (naast haar salaris) méér legaal inkomen heeft gegenereerd. Nu uit de stukken van het geding niet blijkt dat een dergelijk verweer is gevoerd, ben ik van mening dat de klacht faalt.
15. Voor zover nog wordt betoogd dat het hof niet nader heeft gemotiveerd welk ander strafbaar feit het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft opgeleverd, wordt door de stellers van het middel miskend dat dit bij toepassing van artikel 36e lid 3 Sr ook niet is vereist.9.
16. Daarmee faalt de klacht in al zijn onderdelen.
Het eerste middel, de klacht onder (iii)
17. In het slot van de schriftuur wordt door de stellers van het middel nog de klacht opgeworpen dat ’s hofs oordeel – voor zover inhoudende dat van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM geen sprake is – onjuist, althans onbegrijpelijk is, zodat het bestreden arrest ook om die reden niet in stand kan blijven.10.
De bespreking van de klacht onder (iii)
18. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep géén beroep gedaan op een overschrijding van de redelijke termijn, maar heeft slechts een opmerking gemaakt over het ‘tijdversloop’ op grond waarvan zij meent dat de betalingsverplichting van de betrokkene dient te worden gematigd.11.De klacht stuit reeds daarop af.12.
19. Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld.
Het tweede middel
20. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
21. Namens de verdachte is op 10 mei 2023 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 9 februari 2024 bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met minder dan één maand overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.
22. Verder merk ik ambtshalve op dat de termijn van afdoening binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep niet zal worden gehaald. De overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting.
Slotsom
23. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging. Het tweede middel slaagt.
24. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑04‑2025
Deze ‘Aanvulling bewijsmiddelen’ d.d. 28 april 2023 is door het hof aangevuld en ondertekend op 1 februari 2024.
Zie de toelichting op het middel in de cassatieschriftuur, onder randnummer 1.4.
Op grond van artikel 36e lid 3 Sr kan een ontnemingsmaatregel mede worden opgelegd indien aannemelijk is dat de in die bepaling bedoelde “andere strafbare feiten” op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Artikel 36e lid 3 Sr stelt (anders dan artikel 36e lid 2 Sr) niet de eis dat die “andere strafbare feiten” door de betrokkene zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de betrokkene uit die strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.Als ook aan de overige toepassingsvoorwaarden van artikel 36e lid 3 Sr is voldaan, is het onder omstandigheden mogelijk om op grond van die bepaling wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen van een betrokkene die is veroordeeld wegens witwassen, bijvoorbeeld wanneer uit een kasopstelling blijkt dat de betrokkene in een bepaalde periode uitgaven heeft gedaan die niet met zijn legale inkomsten kunnen worden verklaard en het mede in het licht daarvan aannemelijk is dat het bewezenverklaarde misdrijf “of andere strafbare feiten” hebben geleid tot wederrechtelijk voordeel. Niet is vereist dat door de rechter wordt geconcretiseerd welke andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft gekregen.Vgl. bijv. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414, NJ 2017/151; HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:686, rov. 2.4.2; HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077, rov. 2.5.1, HR 10 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1821, NJ 2025/51 m.nt. Vellinga.Zie ook mijn conclusie van 16 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:426 (art. 81 RO).
Zie de toelichting op het middel in de cassatieschriftuur, onder randnummer 1.5.
Het vonnis in de ontnemingszaak d.d. 21 september 2021 houdt onder meer in: “In de ontnemingsrapportage is het totale bedrag ad € 221.602,68 gebaseerd op twee geconstateerde geldstromen (…) De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de berekening van deze bedragen en neemt daarom deze berekening onverkort over. (…) Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er voldoende aanwijzingen zijn dat (onbekende) strafbare feiten zijn begaan en ertoe hebben geleid dat [medebetrokkene] en [betrokkene] het bedrag van € 221.602,68 in gezamenlijkheid hebben verkregen.”
Zie het bestreden arrest, p. 4: “Verder heeft betrokkene zelf niets verklaard over de herkomst van de gelden en is zij (…) ter zitting in eerste aanleg noch ter gelegenheid van de zitting in hoger beroep verschenen om een nadere toelichting te geven op voormelde vermogensvermeerdering.”Volledigheidshalve wijs ik nog op de verklaring van de medebetrokkene, die tijdens zijn politieverhoor heeft verklaard dat hij een (kennelijk: enige) bron van legale inkomsten heeft gehad doordat hij donaties via binaire opties heeft ontvangen. De aannemelijkheid van dit verweer is door het hof echter gemotiveerd verworpen: “Uit het onderzoek van de politie op internet is niet van de gestelde, hiermee in verband staande, advertenties gebleken, noch is op andere wijze bevestiging van deze verklaring gevonden. (…) Het hof gaat voorbij aan het standpunt van de verdediging dat nader onderzoek door politie naar de herkomst van de vermogensvermeerdering had dienen plaats te vinden. Naar aanleiding van de verklaring van [medebetrokkene] heeft de politie (…) onderzoek verricht maar heeft geen enkel aanknopingspunt kunnen vinden. Het lag op de weg van de betrokkene en de medebetrokkene om de politie zo mogelijk alsnog van die verifieerbare informatie te voorzien. Dergelijke informatie is evenwel uitgebleven waardoor de legale herkomst van de vermogensvermeerdering niet (alsnog) aannemelijk is geworden.”
Ik wijs in dit verband op de ‘Aanvulling bewijsmiddelen’ d.d. 28 april 2023, onder bewijsmiddel 1, waaruit blijkt dat het in de onderhavige zaak gaat om stortingen van tegoeden op een bitcoinkaart – dat wil zeggen via een bitcoin-wallet (“Het opwaarderen van het tegoed verloopt via een bitcoin-wallet die aan de betreffende bitcoinkaart is gekoppeld” (bewijsmiddel 1)). Daarnaast wijs ik op de volgende overweging uit het vonnis in de ontnemingszaak (d.d. 21 september 2021, p. 3): “Verder is uit onderzoek van [A] BV naar voren gekomen dat de verrichtte transacties met de bitcoins via Bitcoinmixers of darkweb marketplaces plaatsvonden. Zo’n mixer bij de aan- en verkoop van virtuele betaalmiddelen is een door FIU-Nederland vastgestelde witwastypologie en het darkweb wordt, zo is algemeen bekend, veelal gebruikt voor het (ver)kopen van verboden goederen (zonder overname van de voetnoot)”, en op de overweging van het hof (arrest d.d. 28 april 2023, p. 3): “Daarbij is gebleken dat met vrijwel alle uitgekeerde bitcoins direct dan wel indirect eerdere transacties hebben plaatsgevonden ten aanzien van zogenaamde mixingservices of darkweb marketplaces.”
Zie voetnoot 4.
Zie de toelichting op het middel in de cassatieschriftuur, onder randnummer 1.6.De passage uit het bestreden arrest waarop de klacht ziet, houdt in: “Anders dan de verdediging ziet het hof in het enkele tijdsverloop geen reden de betalingsverplichting te matigen, nu van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM geen sprake is.”
Zie de opmerking van de raadsvrouw in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep (weergegeven onder randnummer 8): “Verder dient de betalingsverplichting gematigd te worden gelet op de geringe draagkracht en het tijdsverloop.”
Immers, als uitgangspunt heeft te gelden dat aan de stelplicht inzake de redelijke termijn niet eerder is voldaan dan wanneer de verdediging heeft aangevoerd (en onderbouwd) dat dit recht in de betreffende procesfase is geschonden.Vgl. de conclusie van Hofstee voor HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:247 (randnummers 50-59) en de conclusie van Spronken voor HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:464 (randnummers 8.6-8.11).Zie ook HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis; HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:169; HR 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:45, NJ 2025/48 m.nt. Vellinga; HR 13 februari 2024, ECLI:HR:2024:168, en HR 19 maart 2024, HR:2024:413.