Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.9.2
1.9.2 Paulus over natrekking en afscheiding
mr. J.C.T.F. Lokin , datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644825:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
D. 6, 1, 23, 2 (Paulus): “Si quis rei suae alienam rem ita adiecerit, ut pars eius fieret, veluti si quis statuae suae bracchium aut pedem alienum adiecerit, aut scypho ansam vel fundum, vel candelabro sigillum, aut mensae pedem, dominum eius totius rei effici vereque statuam suam dicturum et scyphum plerique recte dicunt.”
D. 6, 1, 23, 3 (Paulus): “Sed et id, quod in charta mea scribitur aut in tabula pingitur, statim meum fit: licet de pictura quidam contra senserint propter pretium picturae: sed necesse est ei rei cedi, quod sine illa esse non potest.”
Inst. 2, 1, 34: “(…) sed nobis videtur melius esse, tabulam picturae cedere: ridiculum est enim picturam Apellis vel Parrhasii in accessionem vilissimae tabulae cedere (…).”
D. 6, 1, 23, 4 (Paulus): “In omnibus igitur istis, in quibus mea res per praevalentiam alienam rem trahit meamque efficit, si eam rem vindicem, per exceptionem doli mali cogar pretium eius quod accesserit dare.”
D. 6, 1, 23, 5 (Paulus): “Item quaecumque aliis iuncta sive adiecta accessionis loco cedunt, ea quamdiu cohaerent dominus vindicare non potest, sed ad exhibendum agere potest, ut separentur et tunc vindicentur:”
Demelius (1872), p. 103.
Vervolg D. 6, 1, 23, 5 (Paulus): “scilicet excepto eo, quod Cassius de ferruminatione scribit. Dicit enim, si statuae suae ferruminatione iunctum bracchium sit, unitate maioris partis consumi et quod semel alienum factum sit, etiamsi inde abruptum sit, redire ad priorem dominum non posse. Non idem in eo quod adplumbatum sit, quia ferruminatio per eandem materiam facit confusionem, plumbatura non idem efficit. Ideoque in omnibus his casibus, in quibus neque ad exhibendum neque in rem locum habet, in factum actio necessaria est.” Paulus maakt een subtiel onderscheid tussen verschillende wijzen van verbinding, namelijk de verbinding door “ferruminare” anderzijds. Over de betekenis van deze woorden is in de literatuur gediscussieerd. Volgens Dernburg (Dernburg (1902), p. 487- 488 en voetnoot 7 van §209) kan men met “ferruminare” verschillende manieren van verbindingen bedoelen, die alle met elkaar gemeen hebben dat het “bindmiddel” niet zichtbaar is. Dit is bijvoorbeeld het geval als twee zaken aan elkaar zijn gelast. De verbonden zaken zijn door deze wijze van verbinding geassimileerd. Van “ferruminare” te onderscheiden is de wijze van verbinding via “adplumbare”, waar dit “bindmiddel” wel zichtbaar blijft. Denk hierbij bijvoorbeeld aan solderen. Paulus maakt volgens Dernburg onder meer een onderscheid tussen deze twee wijzen van verbinding, omdat de ene manier (“ferruminatio”) een “vastere” verbinding teweegbrengt, dan de andere verbinding (“adplumbatio”). Dernburg spreekt in het eerste geval over een “Unifizierung” van zaken en in het laatste geval over een “bloβe Zusammenfügung”. Oftewel in het ene geval ontstaat een niet-samengestelde zaak en in het andere geval een samengestelde zaak. Zie ook: Windscheid (1891), p. 573-574, voetnoot 1 en Göppert (1869). Spruit c.s. heeft “ferruminare” in D. 6, 1, 23, 5 vertaald met “lassen” en “admplumbare” met “solderen”. Interessant is in dit opzicht de vertaling van Spruit c.s. van de tekst D. 41, 1, 27, 2 van Pomponius, waarin Spruit c.s. “ferruminare” heeft vertaald met “solderen”. Pomponius gaat in die tekst in op de juridische gevolgen van de verbinding van twee stukken metaal die aan twee verschillende eigenaren toebehoren. Anders dan Paulus rept Pomponius daarin slechts over de verbinding via “ferruminatio” en maakt hij dus niet het subtiele onderscheid met de “adplumbatio”. Zie hierover §1.3.1, voetnoot X)
D. 10, 4, 7, 1.
Zie bijvoorbeeld: D. 41, 1, 26, 1 (Paulus).
De jurist Paulus heeft zich bezig gehouden met de actio ad exhibendum als actie tot afscheiding van een nagetrokken zaak:
“Als iemand andermans zaak zodanig met de zijne heeft verbonden dat die daarvan een onderdeel is geworden, bijv. als iemand aan een hem toebehorend standbeeld een aan een ander toebehorende arm of voet heeft bevestigd of aan zijn bokaal een handvat of een bodem of aan zijn luchter een beeldje of aan zijn tafel een poot, zeggen de meeste juristen met recht dat hij eigenaar van die gehele zaak geworden is en dat hij naar waarheid kan stellen dat het beeld en de beker zijn eigendom is.”1
Paulus geeft in deze tekst de hoofdregel weer van natrekking: als een zaak van de één onderdeel was geworden van een zaak van de ander, verkreeg laatstgenoemde de gehele samengestelde zaak. Hij vervolgde:
“Maar ook hetgeen op mijn papyrusblad wordt geschreven of op mijn paneel wordt geschilderd, wordt terstond van mij, hoewel sommige juristen over de schildering een tegengestelde opvatting zijn toegedaan vanwege de waarde van de schildering. Maar het is noodzakelijk dat wat zonder zaak niet kan bestaan voor die zaak wijkt.”2
Indien iemand op andermans paneel schilderde, dan was volgens sommige juristen de schilder eigenaar van het paneel geworden. Dit had volgens Paulus te maken met de waarde die het paneel had gekregen door de schildering. Het paneel was meer waard geworden, doordat het was beschilderd, maar dit had volgens Paulus niet tot resultaat dat het paneel eigendom werd van de schilder. De regel was dat een zaak die zonder een andere zaak niet kon bestaan wijken moest voor die andere zaak. Paulus beantwoordde de vraag welke zaak de hoofdzaak was aan de hand van een fysiek criterium. Een schildering had allereerst een paneel nodig, dus het paneel was de hoofdzaak.
Deze opvatting van Paulus was – zoals wij hebben gezien – niet de oplossing van Justinianus. Die benaderde deze kwestie vanuit het perspectief van de waardestijging: “Naar Ons oordeel is het het beste dat het paneel de schildering volgt; het zou immers belachelijk zijn dat een schilderij van Apelles of Parrhasius door natrekking een volstrekt waardeloos paneel zou volgen.”3 Justinianus en Paulus maakten dus ieder een andere belangenafweging. Paulus gaat verder:
“In al deze gevallen, waarin mijn zaak door haar groter belang de zaak van een ander aan zich trekt en deze tot de mijne maakt, word ik, als ik de zaak opeis, met de exceptie wegens wangedrag gedwongen de waarde van hetgeen is toegevoegd te verrekenen.”4
Uit deze tekst blijkt dat de teksten in D. 6, 1, 23 niet op zichzelf stonden, maar dat ze met elkaar samenhingen. Paulus bundelde de gevallen die hij besproken had en gaf aan wat de eigenaar van de hoofdzaak moest doen, in het geval hij door natrekking eigenaar was geworden van andermans zaken. Daarnaast gaf hij aan wie eigenaar van de samengevoegde zaken was geworden, namelijk degene wiens zaak een groter belang had, met andere woorden: degene van wie de hoofdzaak was en daardoor een andere zaak aan zich trok (res per praevalentiam alienam rem trahit). Bevond de samengestelde zaak zich in de macht van degene wiens zaak was nagetrokken, dan was de eigenaar van de samengestelde zaak gehouden de toegevoegde waarde te vergoeden. Hij was immers verrijkt. Deed hij dit niet, dan was de zakelijke actie (de revindicatie) van de eigenaar af te weren met de exceptie wegens wangedrag (exceptio doli). De bezitter had in dat geval een soort retentierecht, aangezien de eigenaar onbehoorlijk gedrag vertoonde. De bezitter had zo een krachtig middel om af te dwingen dat hij in geld gecompenseerd werd voor het verlies van zijn zaak.
Verderop in de tekst zijn de rollen omgedraaid: de eigenaar van de hoofdzaak was nu de bezitter van de samengestelde zaak en de eigenaar van de nagetrokken zaak wilde een eis tegen eerstgenoemde instellen. De tekst van D. 6, 1, 23, 5 wordt vanwege haar lengte in stukken geknipt. Allereerst:
“Verder kan een eigenaar zaken die door vereniging of verbinding als gevolg van natrekking tot andere zaken zijn gaan behoren, niet revindiceren, zolang zij daaraan vastzitten. Wel kan hij een eis instellen tot productie van de zaak, opdat zij van elkaar worden gescheiden en vervolgens gerevindiceerd.”5
De nagetrokken zaak was een bestanddeel geworden van de hoofdzaak. De eiser kon derhalve niet in zijn intentio zetten: eam rem A. A. esse. De samengestelde zaak, dus inclusief de nagetrokken zaak, was immers niet van de eiser, maar van degene die eigenaar was van de hoofdzaak.6 Wel kon hij met de actio ad exhibendum procederen om afscheiding te bewerkstelligen. Als de zaak eenmaal was afgescheiden, dan kon hij wél de revindicatie instellen.
Uit het vervolg van de Paulustekst blijkt dat degene wiens zaak bestanddeel was geworden van een hoofdzaak niet altijd de actio ad exhibendum kon instellen. Of een zaak kon worden afgescheiden, hing af van de wijze van verbinding:
“Natuurlijk met uitzondering van hetgeen Cassius schrijft over een verbinding door lassen. Want hij merkt op dat als aan zijn standbeeld door te lassen een arm is gezet, deze in de eenheid van het grootste deel wordt opgenomen en dat wat aldus eenmaal van een ander is geworden – zelfs als het vervolgens is afgebroken – niet aan de vorige eigenaar kan terugvallen. Hetzelfde geldt niet voor hetgeen door soldering is samengevoegd, aangezien lassen een versmelting teweegbrengt met hetzelfde materiaal; solderen doet dat niet. En daarom is in al die gevallen waarin noch de actie tot productie van de zaak noch de zakelijke op haar plaats is, een op de feiten toegesneden actie nodig.”7
In het door Paulus besproken voorbeeld werd een (uit metaal gevormde) arm van de een gelast aan een (metalen) standbeeld van de ander, waardoor de arm een bestanddeel was geworden van het standbeeld. Hier was niet alleen sprake van een situatie waarin de ene zaak door haar grote belang de andere zaak natrok (res per praevalentiam alienam rem trahit), maar de ene zaak (de arm) werd door de andere zaak geconsumeerd (unitate maioris partis consumi). Anders dan bij de wielen die met de wagen waren verbonden en met de actie tot productie konden worden opgeëist,8 ging de arm door het lassen voorgoed/definitief op in de hoofdzaak. Vandaar “dat wat aldus eenmaal van een ander is geworden – zelfs als het vervolgens is afgebroken – niet aan de vorige eigenaar kan terugvallen.” Het eigendomsrecht dat rustte op de metalen arm, was door de verbinding definitief teniet gegaan. De eiser kreeg zoals wij zagen in dat geval een op de feiten toegesneden actie tot schadevergoeding, een actio in factum.
Een geval waarin een eigendomsrecht eveneens definitief tenietging, was dat waarbij bomen en planten wortel hadden geschoten in de grond.9 Een boom van A werd geplant in de grond van B. Het eigendomsrecht van A ging niet teniet op het ogenblik dat de boom in de grond was gezet, maar pas nadat de boom wortel had geschoten. Door het wortelschieten werd de boom één met de grond. Daarnaast werd de boom vanaf dat ogenblik door de nieuwe grond gevoed en was hij een andere boom geworden. Tot het ogenblik van wortelschieten kon de boom nog gerevindiceerd worden door A, daarna niet meer. Ook niet, als de boom later uit de grond werd gehaald. Van belang was kortom, dat de nagetrokken zaak (volledig) was opgegaan in de hoofdzaak. In dat geval was de actie tot productie niet mogelijk.
Anders lag de zaak, wanneer de arm niet aan het standbeeld was gelast, maar was gesoldeerd. Net als bij het lassen worden bij het solderen de arm en het standbeeld met elkaar verbonden door middel van een metaallegering. De arm en het standbeeld smelten echter niet samen. In het geval de gesoldeerde arm was afgebroken of losgemaakt van het standbeeld, kon de oorspronkelijke eigenaar de arm revindiceren. Kortom, verbinding met versmelting had andere rechtsgevolgen dan vereniging zonder versmelting.