NJB 2025/590
Verklaring tot ongewenst vreemdeling in de zin van art. 197 Sr en het vereiste van het vormen van ‘een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving’ in de zin van art. 27 Verblijfsrichtlijn 2004/38/EG: in casu is ’s hofs oordeel dat aan dit vereiste is voldaan niet zonder meer begrijpelijk, nu het hof geen voldoende precieze vaststellingen heeft gedaan over de gedragingen van de verdachte op de dag dat hij volgens de tenlastelegging ongewenst vreemdeling was en ook niet over de vraag hoe deze gedragingen zich verhouden tot de gedragingen van de verdachte die de aanleiding waren voor de ongewenstverklaring ongeveer twee jaar eerder.
HR 11-03-2025, ECLI:NL:HR:2025:325
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11 maart 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, R. Kuiper
- Zaaknummer
22/03410
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:325, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑03‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1428, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑12‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑11‑2023
- Wetingang
(art. 197 Sr; art. 27 Verblijfsrichtlijn 2004/38/ EG)
Essentie
Verklaring tot ongewenst vreemdeling in de zin van art. 197 Sr en het vereiste van het vormen van ‘een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving’ in de zin van art. 27 Verblijfsrichtlijn 2004/38/EG: in casu is ’s hofs oordeel dat aan dit vereiste is voldaan niet zonder meer begrijpelijk, nu het hof geen voldoende precieze vaststellingen heeft gedaan over de gedragingen van de verdachte op de dag dat hij volgens de tenlastelegging ongewenst vreemdeling was en ook niet over de vraag hoe deze gedragingen zich verhouden tot de gedragingen van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.