Belastingadvies 2015/10.6
Van tevoren vaststaand verlies van dochter belemmert fiscale eenheid VPB
HR 17-04-2015, ECLI:NL:HR:2015:962
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17 april 2015
- Zaaknummer
14/00486
- JCDI
JCDI:ADS920848:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2015:962, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑04‑2015
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑04‑2015
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑05‑2014
- Wetingang
Art. 15 Wet VPB 1969
Essentie
De Hoge Raad oordeelt dat het economische belang in B BV niet bij X BV heeft berust. De Hoge Raad overweegt hierbij dat bij voorbaat vaststond dat B BV met de optiecontracten een aanzienlijk negatief resultaat zou behalen, en dat X BV zich tegen dit verlies heeft ingedekt.
Samenvatting
Belanghebbende, X BV, beheert en belegt in onder andere beursgenoteerde effecten. In 2005 valt een HIR van ruim € 2,4 miljoen vrij. De hierover verschuldigde vennootschapsbelasting bedraagt € 740.580. C BV stelt vervolgens voor om in 2006 een constructie met optietransacties op te tuigen, om een verlies te creëren ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.