Procestaal: Engels.
HvJ EU, 16-07-2015, nr. C-615/13 P
ECLI:EU:C:2015:489
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
16-07-2015
- Magistraten
R. Silva de Lapuerta, K. Lenaerts, A. Arabadjiev, J. L. da Cruz Vilaça, C. Lycourgos
- Zaaknummer
C-615/13 P
- Conclusie
P. Cruz Villalón
- Roepnaam
ClientEarth en PAN Europe/EFSA
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2015:489, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 16‑07‑2015
ECLI:EU:C:2015:219, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 14‑04‑2015
Uitspraak 16‑07‑2015
R. Silva de Lapuerta, K. Lenaerts, A. Arabadjiev, J. L. da Cruz Vilaça, C. Lycourgos
Partij(en)
In zaak C-615/13 P,*
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 27 november 2013,
ClientEarth, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
Pesticide Action Network Europe (PAN Europe), gevestigd te Brussel (België),
vertegenwoordigd door P. Kirch, avocat,
rekwirantes,
andere partijen in de procedure:
Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), vertegenwoordigd door D. Detken en C. Pintado als gemachtigden, bijgestaan door R. Van der Hout, advocaat,
verweerster in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Martenczuk en L. Pignataro-Nolin als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte in eerste aanleg,
ondersteund door:
Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS), vertegenwoordigd door A. Buchta en M. Pérez Asinari als gemachtigden,
interveniënt in hogere voorziening,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, K. Lenaerts (rapporteur), vicepresident van het Hof, A. Arabadjiev, J. L. da Cruz Vilaça en C. Lycourgos, rechters,
advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 januari 2015,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 april 2015,
het navolgende
Arrest
1
Met hun hogere voorziening verzoeken ClientEarth en Pesticide Action Network Europe (PAN Europe) (hierna: ‘PAN Europe’) om vernietiging van het arrest ClientEarth en PAN Europe/EFSA (T-214/11, EU:T:2013:483; hierna: ‘bestreden arrest’), waarbij het Gerecht van de Europese Unie hun beroep heeft verworpen dat aanvankelijk strekte tot nietigverklaring van het besluit van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) van 10 februari 2011 houdende weigering van toegang tot bepaalde werkdocumenten betreffende richtsnoeren die door de EFSA waren voorbereid voor de aanvragers van toelating om een gewasbeschermingsmiddel op de markt te brengen (hierna: ‘richtsnoeren’), en vervolgens tot nietigverklaring van het besluit van 12 december 2011 waarbij de EFSA het vorige besluit heeft ingetrokken en rekwirantes toegang heeft verleend tot alle gevraagde inlichtingen, met uitzondering van de namen van de externe deskundigen die bepaalde opmerkingen over het ontwerp van de richtsnoeren (hierna: ‘ontwerprichtsnoeren’) hadden gemaakt.
Toepasselijke bepalingen
2
Artikel 2 van verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 2001, L 8, blz. 1) bepaalt:
‘Voor de doeleinden van deze verordening wordt verstaan onder:
- a)
‘persoonsgegevens’, iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon, hierna ‘betrokkene’ genoemd; als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van een of meer specifieke elementen die voor zijn fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit kenmerkend zijn;
[…]’
3
Artikel 8, met het opschrift ‘Doorgifte van persoonsgegevens aan ontvangers die onder richtlijn 95/46/EG vallen, maar geen communautaire instellingen of organen zijn ’, luidt:
‘Onverminderd de artikelen 4, 5, 6 en 10 worden persoonsgegevens slechts aan onder de nationale wetgeving ter uitvoering van richtlijn 95/46/EG vallende ontvangers doorgegeven,
[…]
- b)
indien de ontvanger de noodzaak van de doorgifte aantoont en er geen reden bestaat om aan te nemen dat de rechtmatige belangen van de betrokkene worden geschaad.’
4
Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43) bepaalt de beginselen, de voorwaarden en de beperkingen van het recht van toegang tot documenten van deze instellingen.
5
Lid 1 van artikel 4 van die verordening, met als opschrift ‘Uitzonderingen’, bepaalt:
‘De instellingen weigeren de toegang tot een document wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van:
[…]
- b)
de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu, in het bijzonder gelet op de gemeenschapswetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens.’
Voorgeschiedenis van het geding
6 Artikel 8, lid 5, van verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309, blz. 1), bepaalt dat ‘[d]e aanvrager [van toelating voor het op de markt brengen van een gewasbeschermingsmiddel] […] het dossier vergezeld [doet] gaan van alle collegiaal getoetste wetenschappelijke open literatuur, zoals vastgesteld door de [EFSA], over de neveneffecten van de werkzame stof en de relevante metabolieten daarvan voor de gezondheid, het milieu en niet-doelsoorten’.
7
Op 25 september 2009 heeft de EFSA haar afdeling die is belast met de beoordelingsmethodologie de opdracht gegeven de richtsnoeren op te stellen, waarin de toepassing van deze bepaling wordt uitgewerkt. Die afdeling heeft daartoe een werkgroep (hierna: ‘werkgroep’) opgericht.
8
De werkgroep heeft ontwerprichtsnoeren overgelegd aan twee organen van de EFSA, waarvan bepaalde leden externe wetenschappelijke deskundigen waren, namelijk het Plant Protection Products and their Residues Panel (wetenschappelijk panel voor gewasbeschermingsmiddelen en de residuen daarvan; hierna: ‘PPR’) en de Pesticide Steering Committee (stuurgroep pesticiden; hierna: ‘PSC’). Deze externe deskundigen werden verzocht individuele opmerkingen over deze ontwerprichtsnoeren in te dienen.
9
Naar aanleiding van die opmerkingen heeft de werkgroep de betrokken ontwerprichtsnoeren gewijzigd. Van 23 juli tot 15 oktober 2010 is hierover een openbare raadpleging gehouden. Tal van personen en organisaties, waaronder PAN Europe, hebben opmerkingen over het ontwerp ingediend.
10
Op 10 november 2010 hebben ClientEarth en PAN Europe de EFSA gezamenlijk verzocht om toegang tot documenten op grond van onder meer verordening nr. 1049/2001. Dit verzoek betrof een aantal documenten of reeksen documenten over de voorbereiding van de ontwerprichtsnoeren, met inbegrip van de opmerkingen van de externe deskundigen die deel uitmaken van het PPR en de PSC.
11
Bij brief van 1 december 2010 heeft de EFSA ClientEarth en PAN Europe toegang verleend tot een deel van de betreffende documenten. Op grond van de in artikel 4, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1049/2001 neergelegde uitzondering inzake de bescherming van het besluitvormingsproces van de instellingen heeft zij echter geweigerd twee reeksen documenten openbaar te maken, namelijk de opeenvolgende versies van de ontwerprichtsnoeren en de opmerkingen over de ontwerprichtsnoeren van de externe deskundigen van het PPR en de PSC.
12
Op 23 december 2010 hebben ClientEarth en PAN Europe de EFSA verzocht haar standpunt in de brief van 1 december 2010 te herzien.
13
Bij besluit van 10 februari 2011 heeft de EFSA bevestigd dat toegang tot de niet openbaar gemaakte documenten moest worden geweigerd op grond van artikel 4, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1049/2001.
14
De richtsnoeren zijn vastgesteld op 28 februari 2011. Zij zijn dezelfde dag bekendgemaakt in het EFSA Journal.
15
Op 12 december 2011 heeft de EFSA, in antwoord op het verzoek van ClientEarth en PAN Europe van 23 december 2010, een nieuw besluit vastgesteld en aan hen meegedeeld. Zij verklaarde dat zij had besloten haar besluit van 10 februari 2011 ‘in te trekken’, ‘te annuleren’ en te ‘vervangen’. Op grond van dit nieuwe besluit heeft zij ClientEarth en PAN Europe onder meer toegang verleend tot de individuele opmerkingen over de ontwerprichtsnoeren van de externe deskundigen van het PPR en de PSC. Zij heeft evenwel aangegeven dat zij de namen van die deskundigen onleesbaar had gemaakt, overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 1049/2001 en de Uniewetgeving inzake bescherming van persoonsgegevens, met name verordening nr. 45/2001. Zij wees er in dat verband op dat openbaarmaking van de namen van die deskundigen een doorgifte van persoonsgegevens inhield in de zin van artikel 8 van verordening nr. 45/2001, en dat in casu niet was voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarden voor een dergelijke doorgifte.
Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest
16
Op 11 april 2011 hebben ClientEarth en PAN Europe een beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de EFSA van 10 februari 2011. Later werd het beroep geacht voortaan te strekken tot nietigverklaring van het besluit van de EFSA van 12 december 2011, voor zover de EFSA daarbij had geweigerd de namen van de externe deskundigen die opmerkingen over de ontwerprichtsnoeren hadden ingediend, aan ClientEarth en PAN Europe mee te delen.
17
Ter ondersteuning van hun beroep voerden ClientEarth en PAN Europe drie middelen aan.
18
Het Gerecht heeft de drie middelen afgewezen en het beroep derhalve verworpen.
Procesverloop voor het Hof en conclusies van partijen
19
ClientEarth en PAN Europe verzoeken het Hof het bestreden arrest te vernietigen en de EFSA te verwijzen in de kosten.
20
De EFSA en de Europese Commissie verzoeken het Hof de hogere voorziening af te wijzen en ClientEarth en PAN Europe te verwijzen in de kosten.
21
Bij beschikking van de president van het Hof van 18 juni 2014 is de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) toegelaten tot interventie aan de zijde van de EFSA en de Commissie.
Hogere voorziening
22
Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren ClientEarth en PAN Europe drie middelen aan.
Eerste middel
Argumenten van partijen
23
Met hun eerste middel, onjuiste toepassing van het begrip ‘persoonsgegevens’ in de zin van artikel 2, onder a), van verordening nr. 45/2001, komen ClientEarth en PAN Europe op tegen het oordeel van het Gerecht, met name in punt 46 van het bestreden arrest, dat de informatie die hen in staat zou hebben gesteld voor elk van de opmerkingen vast te stellen door welke externe deskundige zij was ingediend (hierna: ‘litigieuze informatie’), onder dit begrip valt.
24
Zij betwisten dat dit begrip zich kan uitstrekken tot de combinatie van gegevens betreffende wetenschappelijke adviezen die zijn verstrekt door deskundigen in het kader van hun deelname aan een commissie met een openbare taak in het belang van de burger. Zij voegen daaraan toe dat de namen van de betrokken deskundigen, alsook hun adviezen over de ontwerprichtsnoeren voor het publiek toegankelijk zijn op de website van de EFSA en dat de litigieuze informatie dus ook moet worden geacht tot het publieke domein te behoren. Zij merken op dat er geen reden is om aan te nemen dat de EFSA heeft getracht na te gaan of die deskundigen zich verzetten tegen openbaarmaking van die informatie.
25
Rekwirantes stellen voorts dat het begrip persoonlijke levenssfeer niet van toepassing is op een deskundige die beroepsmatig een wetenschappelijk advies verstrekt.
26
De EFSA en de Commissie, ondersteund door de EDPS, stellen dat deze argumenten ongegrond zijn.
Beoordeling door het Hof
27
Volgens artikel 2, onder a), van verordening nr. 45/2001 wordt voor de doeleinden van die verordening onder ‘persoonsgegevens’ verstaan ‘iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon’.
28
In casu wensen ClientEarth en PAN Europe, zoals uiteengezet in punt 43 van het bestreden arrest, met hun verzoek tot openbaarmaking van de litigieuze informatie te achterhalen welke externe deskundige welke opmerkingen heeft geformuleerd.
29
Voor zover die informatie het mogelijk zou maken een bepaalde deskundige met bepaalde opmerkingen in verband te brengen, heeft zij betrekking op geïdentificeerde natuurlijke personen en vormt zij dus een geheel van persoonsgegevens in de zin van artikel 2, onder a), van verordening nr. 45/2001.
30
Zoals het Gerecht terecht heeft geoordeeld in de punten 44 tot en met 46 van het bestreden arrest, doet de omstandigheid dat deze informatie behoort tot een professionele context niet af aan de kwalificatie ervan als een geheel van persoonsgegevens (zie in die zin arresten Österreichischer Rundfunk e.a., C-465/00, C-138/01 en C-139/01, EU:C:2003:294, punt 64; Commissie/Bavarian Lager, C-28/08 P, EU:C:2010:378, punten 66-70, en Worten, C-342/12, EU:C:2013:355, punten 19 en 22).
31
Evenzo betekent het feit dat zowel de identiteit van de betrokken deskundigen als de opmerkingen over de ontwerprichtsnoeren openbaar zijn gemaakt op de website van de EFSA niet dat de litigieuze informatie niet langer als dusdanig kan worden gekwalificeerd (zie in die zin arrest Satakunnan Markkinapörssi en Satamedia, C-73/07, EU:C:2008:727, punt 49).
32
Voorts mogen, zoals de EFSA, de Commissie en de EDPS hebben opgemerkt, de begrippen ‘persoonsgegevens’ in de zin van artikel 2, onder a), van verordening nr. 45/2001 en ‘gegevens betreffende de persoonlijke levenssfeer’ niet worden verward. De bewering van ClientEarth en PAN Europe dat de litigieuze informatie geen betrekking heeft op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken deskundigen is derhalve in casu niet ter zake dienend.
33
Tot slot heeft het Gerecht in punt 58 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat de kwalificatie van informatie betreffende een persoon als een persoonsgegeven niet afhangt van het verzet van de betrokken persoon tegen openbaarmaking van de betreffende informatie, aangezien dat verzet geen constitutief bestanddeel is van het begrip ‘persoonsgegevens’ in de zin van artikel 2, onder a), van verordening nr. 45/2001.
34
Gelet op een en ander heeft het Gerecht in punt 60 van het bestreden arrest terecht vastgesteld dat de EFSA van oordeel mocht zijn dat de litigieuze informatie een geheel van persoonsgegevens vormde.
35
Het eerste middel moet dus worden afgewezen.
36
Het tweede en het derde middel moeten thans samen worden onderzocht.
Tweede en derde middel
Argumenten van partijen
37
In het kader van hun tweede middel, onjuiste toepassing van artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 1049/2001 en artikel 8, onder b), van verordening nr. 45/2001, voeren ClientEarth en PAN Europe aan dat zowel het Gerecht als de EFSA geen afweging heeft gemaakt tussen alle belangen die door die twee bepalingen worden beschermd, te weten het ‘recht op transparantie’ en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van persoonsgegevens.
38
Zij bekritiseren met name dat het Gerecht enkel heeft onderzocht of zij de noodzaak van openbaarmaking van de litigieuze informatie hadden aangetoond, zonder de betrokken belangen op enige wijze tegen elkaar af te wegen.
39
In het kader van hun derde middel, schending van artikel 5 VEU, betogen ClientEarth en PAN Europe dat het Gerecht het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door de verschillende argumenten waarmee zij de noodzaak van openbaarmaking van de litigieuze informatie aantoonden, af te wijzen.
40
De EFSA en de Commissie, ondersteund door de EDPS, stellen dat de door ClientEarth en PAN Europe in het kader van hun tweede middel uiteengezette argumenten ongegrond zijn.
41
Wat het derde middel betreft, heeft de EFSA om te beginnen twijfels bij de ontvankelijkheid daarvan. In dit middel wordt onvoldoende gepreciseerd tegen welke onderdelen van het bestreden arrest wordt opgekomen. Voorts worden in dit middel enkel de argumenten herhaald die reeds bij het Gerecht tegen het besluit van de EFSA van 12 december 2011 waren aangevoerd, zodat het strekt tot een herbeoordeling van het in eerste aanleg ingediende verzoek, waarvoor het Hof niet bevoegd is in het kader van een hogere voorziening.
42
Voorts betoogt de EFSA, samen met de Commissie, dat het derde middel kennelijk ongegrond is, aangezien het Gerecht enkel overeenkomstig verordening nr. 45/2001 en de rechtspraak van het Hof van rekwirantes heeft verlangd dat zij aantonen een rechtmatig belang te hebben bij toegang tot de litigieuze informatie. Een dergelijk vereiste is niet onevenredig en waarborgt ten volle het vereiste evenwicht tussen de betrokken belangen.
Beoordeling door het Hof
— Ontvankelijkheid
43
Anders dan de EFSA stelt, kan het deel van het bestreden arrest waartegen het derde middel is gericht, worden geïdentificeerd aan de hand van de passages van het verzoekschrift in hogere voorziening betreffende dat middel. Voorts herhalen ClientEarth en PAN Europe in het kader daarvan niet louter de argumenten die zij eerder bij het Gerecht tegen het besluit van de EFSA van 12 december 2011 hebben aangevoerd, maar komen zij op tegen de onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht in casu blijk zou hebben gegeven bij de toepassing van artikel 8, onder b), van verordening nr. 45/2001. Het betrokken middel is dus ontvankelijk.
— Ten gronde
44
Wanneer een verzoek ertoe strekt toegang te krijgen tot persoonsgegevens in de zin van artikel 2, onder a), van verordening nr. 45/2001, worden de bepalingen van die verordening, met name artikel 8, onder b), in volle omvang van toepassing (zie arresten Commissie/Bavarian Lager, C-28/08 P, EU:C:2010:378, punt 63, en Strack/Commissie, C-127/13 P, EU:C:2014:2250, punt 101).
45
Volgens artikel 8, onder b), van verordening nr. 45/2001 mogen persoonsgegevens in beginsel enkel worden doorgegeven indien de ontvanger de noodzaak van hun doorgifte aantoont en er geen reden bestaat om aan te nemen dat de rechtmatige belangen van de betrokkene worden geschaad.
46
Uit die bewoordingen blijkt dat deze bepaling, zoals het Gerecht terecht heeft geoordeeld in punt 83 van het bestreden arrest, de doorgifte van persoonsgegevens afhankelijk stelt van twee cumulatieve voorwaarden.
47
Dienaangaande staat het eerst aan degene die om een dergelijke doorgifte verzoekt, aan te tonen dat deze noodzakelijk is. Indien dit is aangetoond, staat het vervolgens aan de betrokken instelling om na te gaan of er geen reden bestaat om aan te nemen dat de betrokken doorgifte de rechtmatige belangen van de betrokkene zou kunnen schaden. Bij ontbreken van een dergelijke reden moeten de gevraagde gegevens worden doorgegeven, terwijl in het andere geval de betrokken instelling de verschillende betrokken belangen moet afwegen om zich over het verzoek om toegang uit te kunnen spreken (zie in die zin arresten Commissie/Bavarian Lager, C-28/08 P, EU:C:2010:378, punten 77 en 78, en Strack/Commissie, C-127/13 P, EU:C:2014:2250, punten 107 en 108; zie in dezelfde zin ook arrest Volker und Markus Schecke en Eifert, C-92/09 en C-93/09, EU:C:2010:662, punt 85).
48
Daaruit volgt dat het Gerecht, anders dan ClientEarth en PAN Europe in het kader van hun tweede middel betogen, terecht eerst heeft onderzocht of de door hen aangevoerde argumenten de noodzaak van de doorgifte van de litigieuze informatie in de zin van artikel 8, onder b), van verordening nr. 45/2001 aantoonden.
49
Niettemin moet worden nagegaan of het Gerecht, zoals ClientEarth en PAN Europe in het kader van hun derde middel stellen, bij dat onderzoek de voorwaarde betreffende die noodzaak onjuist heeft toegepast.
50
Het eerste argument dat rekwirantes voor het Gerecht hadden aangevoerd en dat is weergegeven in punt 75 van het bestreden arrest, was gebaseerd op het bestaan van een algemene transparantieverplichting die voortvloeit uit de artikelen 1 VEU, 11, lid 2, VEU en 15 VWEU.
51
Dienaangaande heeft het Hof evenwel geoordeeld dat in het algemeen het doel van transparantie niet automatisch de voorrang mag krijgen op het recht op bescherming van persoonsgegevens (arrest Volker und Markus Schecke en Eifert, C-92/09 en C-93/09, EU:C:2010:662, punt 85).
52
Het Gerecht heeft in punt 78 van het bestreden arrest dus terecht geoordeeld dat rekwirantes met dat eerste argument niet hadden aangetoond dat openbaarmaking van de litigieuze informatie noodzakelijk was.
53
Het tweede argument — weergegeven in punt 79 van het bestreden arrest — was gebaseerd op het bestaan van een klimaat van wantrouwen ten aanzien van de EFSA, die vaak wordt beschuldigd van partijdigheid op grond dat zij een beroep doet op deskundigen die persoonlijke belangen hebben die zijn ingegeven door hun banden met de industrie, en op de noodzaak om de transparantie van het besluitvormingsproces van die autoriteit te waarborgen.
54
In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de litigieuze informatie betrekking heeft op personen die als betaalde deskundigen hebben deelgenomen aan de totstandkoming binnen de EFSA van richtsnoeren bestemd voor ondernemers die wensen te verzoeken om toelating voor het op de markt brengen van een gewasbeschermingsmiddel.
55
Zoals ClientEarth en PAN Europe stellen, was openbaarmaking van die informatie in een dergelijke context noodzakelijk om de transparantie te waarborgen van de procedure voor de vaststelling van een handeling die een weerslag zou hebben op de activiteiten van ondernemers, in het bijzonder om te beoordelen op welke wijze elke bij die procedure betrokken deskundige met zijn wetenschappelijk advies de inhoud van die handeling had kunnen beïnvloeden.
56
Transparantie van de procedure die een openbare autoriteit volgt voor de vaststelling van een dergelijke handeling draagt immers bij tot een grotere legitimiteit van die autoriteit in de ogen van de adressaten van die handeling en meer vertrouwen van hen in die autoriteit (zie in die zin arresten Zweden en Turco/Raad, C-39/05 P en C-52/05 P, EU:C:2008:374, punt 59, en Zweden/MyTravel en Commissie, C-506/08 P, EU:C:2011:496, punt 113), alsook tot een grotere verantwoording van die autoriteit ten opzichte van de burgers binnen een democratisch systeem (zie in die zin arresten Zweden en Turco/Raad, C-39/05 P en C-52/05 P, EU:C:2008:374, punt 45; Raad/Access Info Europe, C-280/11 P, EU:C:2013:671, punt 32, en Raad/In 't Veld, C-350/12 P, EU:C:2014:2039, punten 53, 106 en 107).
57
In de tweede plaats zij benadrukt dat het in punt 53 van het onderhavige arrest vermelde argument meer inhield dan algemene en abstracte overwegingen en werd gestaafd, zoals vermeld in punt 79 van het bestreden arrest, door een studie waarin was vastgesteld dat er banden bestonden tussen de meerderheid van de leden van een uit deskundigen samengestelde werkgroep van de EFSA en industriële belangengroepen.
58
Ofschoon aan ClientEarth en PAN Europe, zoals blijkt uit punt 80 van het bestreden arrest, de naam, de biografie en de belangenverklaringen zijn meegedeeld van de deskundigen die opmerkingen over de ontwerprichtsnoeren hebben gemaakt, was het verkrijgen van de litigieuze informatie nog steeds noodzakelijk om de onpartijdigheid van elke deskundige in de uitvoering van zijn wetenschappelijke taak ten dienste van de EFSA concreet na te kunnen gaan.
59
Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 80 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat het in punt 79 van dat arrest weergegeven argument van ClientEarth en PAN Europe niet volstond om aan te tonen dat de doorgifte van de litigieuze informatie noodzakelijk was.
60
De tegenwerping van het Gerecht in datzelfde punt 80 van het bestreden arrest dat ClientEarth en PAN Europe de onafhankelijkheid van geen van de betrokken deskundigen ter discussie hebben gesteld, komt neer op een onjuiste toepassing van de voorwaarde van de noodzaak van de doorgifte zoals neergelegd in artikel 8, onder b), van verordening nr. 45/2001. Bovendien is voor een dergelijk ter discussie stellen van de onafhankelijkheid grotendeels vereist dat ClientEarth en PAN Europe al van elk van de ingediende opmerkingen weten welke deskundige deze heeft gemaakt.
61
Bijgevolg is het derde middel gegrond en moet het bestreden arrest worden vernietigd.
Beroep bij het Gerecht
62
Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, tweede volzin, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van het bestreden arrest de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
63
In het onderhavige geval is het Hof van oordeel dat het door ClientEarth en PAN Europe ingestelde beroep tot nietigverklaring van het besluit van de EFSA van 12 december 2011 in staat van wijzen is en dus moet worden afgedaan.
64
In het kader van dat beroep stellen ClientEarth en PAN Europe met hun tweede middel dat een openbaar belang openbaarmaking van de litigieuze informatie overeenkomstig artikel 8, onder a) en b), van verordening nr. 45/2001 gebood.
65
Wat betreft artikel 8, onder b), van verordening nr. 45/2001, blijkt in dat verband uit de analyse in de punten 53 tot en met 61 van het onderhavige arrest dat het omstandige betoog van ClientEarth en PAN Europe betreffende de beschuldigingen dat de EFSA partijdig is bij de keuze van haar deskundigen en de noodzaak om de transparantie van het besluitvormingsproces van die openbare autoriteit te waarborgen, rechtens voldoende aantoont dat de doorgifte van de litigieuze informatie noodzakelijk was in de zin van die bepaling.
66
Aangezien de twee voorwaarden in die bepaling cumulatief zijn, moet om te beoordelen of het besluit van de EFSA van 12 december 2011 rechtmatig is, nog worden nagegaan of er een reden bestond om aan te nemen dat die doorgifte de rechtmatige belangen van de betrokkenen had kunnen schaden.
67
In dat verband heeft de EFSA gesteld, zoals blijkt uit haar antwoord op schriftelijke vragen van het Gerecht, dat een dergelijke reden bestond, door te benadrukken dat de litigieuze informatie bij openbaarmaking, als deze had plaatsgevonden, gebruikt had kunnen worden op een wijze die de integriteit en de persoonlijke levenssfeer van de betrokken deskundigen schaadt. Zij heeft in dat verband verwezen naar voorbeelden van individuele aanvallen op deskundigen die zij om ondersteuning had verzocht.
68
Opgemerkt zij echter dat die voorbeelden afkomstig zijn uit documenten die ClientEarth en PAN Europe zelf hebben overgelegd om hun beweringen betreffende banden tussen een aantal door de EFSA gekozen deskundigen en de industrie te staven. Die banden liggen juist aan de oorsprong van de beschuldigingen van partijdigheid aan het adres van die autoriteit en haar deskundigen. Die voorbeelden tonen daarentegen geenszins aan dat openbaarmaking van de litigieuze informatie een gevaar zou inhouden dat de persoonlijke levenssfeer of integriteit van de betrokken deskundigen zou worden geschaad.
69
Daaruit volgt dat de bewering van de EFSA dat openbaarmaking van de litigieuze informatie de persoonlijke levenssfeer en integriteit van die deskundigen had kunnen schaden, een algemene overweging betreft die voor het overige door geen enkel concreet gegeven wordt gestaafd, terwijl de betrokken autoriteit verplicht is te beoordelen of de gevraagde openbaarmaking concreet en daadwerkelijk afbreuk kan doen aan het beschermde belang (zie in die zin arrest Zweden en Turco/Raad, C-39/05 P en C-52/05 P, EU:C:2008:374, punt 49). Een dergelijke openbaarmaking had integendeel op zich de betreffende vermoedens van partijdigheid kunnen wegnemen of had de eventueel betrokken deskundigen de mogelijkheid geboden om, in voorkomend geval door middel van de beschikbare beroepswegen, de gegrondheid van die beschuldigingen van partijdigheid te betwisten.
70
Een dergelijke bewering van de EFSA, zonder bewijs, zou, indien aanvaard, in het algemeen van toepassing kunnen zijn op elke situatie waarin een autoriteit van de Europese Unie deskundigenadvies inwint vóór de vaststelling van een handeling met gevolgen voor de activiteiten van ondernemers die actief zijn in de door die handeling betroffen sector, welke dat ook is. Een dergelijke oplossing zou in strijd zijn met het vereiste dat de uitzonderingen op het recht van toegang tot documenten in het bezit van de instellingen restrictief worden uitgelegd, wat betekent dat het bestaan moet worden vastgesteld van een gevaar op een concrete en daadwerkelijke ondermijning van het beschermde belang.
71
Gelet op een en ander zijn, anders dan de EFSA in haar besluit van 12 december 2011 heeft overwogen, de in artikel 8, onder b), van verordening nr. 45/2001 neergelegde voorwaarden voor toelating van de doorgifte van de litigieuze informatie in casu vervuld.
72
Het tweede middel moet dan ook worden aanvaard.
73
Bijgevolg slaagt het beroep en moet het besluit van de EFSA van 12 december 2011 nietig worden verklaard.
Kosten
74
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof de zaak zelf afdoet, over de kosten. Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat ingevolge artikel 184, lid 1, ervan van overeenkomstige toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 140, lid 1, van dit Reglement dragen de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten en volgens artikel 140, lid 3, kan het Hof bepalen dat andere interveniënten dan de in de voorgaande leden bedoelde, hun eigen kosten zullen dragen.
75
Aangezien de hogere voorziening van ClientEarth en PAN Europe, alsook het door hen bij het Gerecht ingestelde beroep slagen, draagt de EFSA haar eigen kosten en wordt zij overeenkomstig de vordering van ClientEarth en PAN Europe verwezen in hun kosten van de hogere voorziening en de procedure in eerste aanleg. De Commissie draagt haar eigen kosten van beide procedures. De EDPS draagt zijn eigen kosten van de hogere voorziening.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart:
- 1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie ClientEarth en PAN Europe/EFSA (T-214/11, EU:T:2013:483) wordt vernietigd.
- 2)
Het besluit van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) van 12 december 2011 wordt nietig verklaard.
- 3)
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten die ClientEarth en Pesticide Action Network Europe (PAN Europe) hebben gemaakt in de hogere voorziening en de procedure in eerste aanleg.
- 4)
De Europese Commissie draagt haar eigen kosten van de hogere voorziening en de procedure in eerste aanleg.
- 5)
De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) draagt zijn eigen kosten van de hogere voorziening.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑07‑2015
Conclusie 14‑04‑2015
P. Cruz Villalón
Partij(en)
Zaak C-615/13 P1.
ClientEarth
Pesticide Action Network Europe
tegen
European Food Safe Authority
1.
Deze zaak biedt het Hof de mogelijkheid zich uit te spreken over een vraagstuk dat verwant is aan een in zijn rechtspraak steeds terugkerende kwestie, namelijk de verbinding tussen de in verordening (EG) nr. 1049/20012. vastgestelde algemene regeling voor toegang tot documenten van de instellingen, en de in andere Uniewetgeving neergelegde bijzondere regelingen.3. In dit geval gaat het echter niet zozeer om het harmoniseren van de bepalingen van verordening nr. 1049/2001 met die van een verordening die de toegang regelt tot documenten waarvoor bepaalde procedures gelden4., als wel, wat algemener gezegd, om het verbinden van het in verordening nr. 1049/2001 vastgestelde toegangsregime met de in verordening (EG) nr. 45/2001 neergelegde regeling inzake de verwerking van persoonsgegevens.5.
2.
Met name gaat het er hier om dat het Hof zich voor het eerst moet uitspreken over de eis dat ‘de ontvanger de noodzaak van de doorgifte [van de gegevens] aantoont’[6.] in de zin van artikel 8, sub b), van verordening nr. 45/2001, in een situatie waarin die gegevens, opgevraagd met een beroep op verordening nr. 1049/2001, betrekking hebben op de opstellers van een aantal voor een instelling vervaardigde wetenschappelijke rapporten.
I — Rechtskader
A — Verordening nr. 45/2001
3.
Artikel 2, sub a), van verordening nr. 45/2001 definieert het begrip ‘persoonsgegevens’ als ‘iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon’, en bepaalt dat ‘als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van een of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit’.
4.
In artikel 8 van deze verordening, met het opschrift ‘Doorgifte van persoonsgegevens aan ontvangers die onder richtlijn 95/46/EG vallen, maar geen communautaire instellingen of organen zijn’, wordt bepaald:
‘Onverminderd de artikelen 4, 5, 6 en 10 worden persoonsgegevens slechts aan onder de nationale wetgeving ter uitvoering van richtlijn 95/46/EG vallende ontvangers doorgegeven,
- a)
indien de ontvanger aantoont dat de gegevens nodig zijn voor de uitvoering van een taak die wordt verricht in het algemeen belang of ter uitoefening van het openbaar gezag, of
- b)
indien de ontvanger de noodzaak van de doorgifte aantoont en er geen reden bestaat om aan te nemen dat de rechtmatige belangen van de betrokkene worden geschaad.’
B — Verordening nr. 1049/2001
5.
Overeenkomstig artikel 2, lid 1 van verordening nr. 1049/2001 heeft ‘[i]edere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat […] een recht van toegang tot documenten van de instellingen, volgens de beginselen en onder de voorwaarden en beperkingen, die in deze verordening worden bepaald.’
6.
Artikel 4, lid 1 van deze verordening, met als opschrift ‘Uitzonderingen’, bepaalt dat ‘[d]e instellingen […] de toegang tot een document [weigeren] wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van: […] b) de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu, in het bijzonder gelet op de Gemeenschapswetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens. […]’.
7.
Artikel 4, lid 3 bepaalt:
‘De toegang tot een document dat door een instelling is opgesteld voor intern gebruik of door een instelling is ontvangen, en dat betrekking heeft op een aangelegenheid waarover de instelling nog geen besluit heeft genomen, wordt geweigerd, indien de openbaarmaking ervan het besluitvormingsproces van de instelling ernstig zou ondermijnen, tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt.
De toegang tot een document met standpunten voor intern gebruik in het kader van beraadslagingen en voorafgaand overleg binnen de betrokken instelling wordt ook geweigerd nadat het besluit genomen is, indien de openbaarmaking van het document het besluitvormingsproces van de instelling ernstig zou ondermijnen, tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt.’
II — Achtergrond
8.
Op 25 september 2009 heeft de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (hierna, overeenkomstig de Engelse benaming: EFSA) een van haar afdelingen verzocht om richtsnoeren voor het opstellen van de aanvragen bedoeld in artikel 8, lid 5, van verordening (EG) nr. 1107/2009.7. De betreffende afdeling heeft een werkgroep opgericht die uiteindelijk ontwerp-richtsnoeren heeft ingediend bij twee organen van de EFSA, waarvan enkele leden externe wetenschappelijke deskundigen waren, namelijk enerzijds het wetenschappelijk panel voor gewasbeschermingsmiddelen en de residuen daarvan (PPR) en anderzijds de Stuurgroep Pesticiden (PSC).
9.
Deze deskundigen werden uitgenodigd opmerkingen over de ontwerp-richtsnoeren in te dienen. Naar aanleiding van de gemaakte opmerkingen heeft de werkgroep een aantal wijzigingen opgenomen in het ontwerp. Tussen 23 juli en 15 oktober 2010 is hierover een openbare raadpleging gehouden, waarbij tal van personen opmerkingen hebben ingediend, waaronder Pesticide Action Network Europe (hierna: PAN Europe), een milieuorganisatie.
10.
Op 10 november 2010 hebben PAN Europe en ClientEarth — een andere milieubeschermingsorganisatie — gezamenlijk bij EFSA een verzoek ingediend voor toegang tot documenten op grond van verordening nr. 1049/2001 en verordening nr. 1367/2006.8. Dit verzoek betrof een aanzienlijk aantal documenten over de uitwerking van de ontwerp-richtsnoeren, met inbegrip van de opmerkingen van de externe deskundigen die deel uitmaken van de PPR en de PSC, en de naam van de indiener van iedere opmerking.
11.
Bij brief van 1 december 2010 heeft de EFSA de verzoekers toegang gegeven tot een deel van de gevraagde documentatie. Op grond van de uitzondering van artikel 4, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1049/2001 (bescherming besluitvormingsproces van de instellingen), werd hun de toegang tot twee groepen documenten echter geweigerd: enerzijds verschillende werkversies van de ontwerp-richtsnoeren, en anderzijds, de opmerkingen van de deskundigen van de PPR en de PSC.
12.
De EFSA heeft deze weigering bevestigd bij besluit van 10 februari 2011.
13.
De richtsnoeren werden op 28 februari 2011 aangenomen en officieel bekendgemaakt.
14.
Op 11 april 2011 hebben rekwiranten bij het Gerecht beroep ingesteld tot nietigverklaring van het bevestigende besluit van 10 februari 2011.
15.
De EFSA heeft op 12 december 2011 een nieuw besluit genomen, waarin ze rekwiranten meedeelde dat ze had besloten haar bevestigende besluit van 10 februari 2011 ‘in te trekken’, ‘te annuleren’ en te ‘vervangen’. Op grond van dit nieuwe besluit heeft de EFSA toegang verleend tot alle in het initiële verzoek gevraagde documenten, met uitzondering van een aantal documenten waarvan ze het bestaan niet had kunnen vaststellen.
16.
De namen van de externe deskundigen die opmerkingen hadden gemaakt, waren door de EFSA onleesbaar gemaakt op grond van de uitzondering van artikel 4, lid 1, sub b), van verordening nr. 1049/2001 (persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu) en de Uniewetgeving inzake bescherming van persoonsgegevens. De EFSA wees erop dat de openbaarmaking van de namen van de deskundigen beschouwd moest worden als doorgifte van persoonsgegevens in de zin van artikel 8 van verordening nr. 45/2001, en dat niet was voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarden voor doorgifte.
17.
Rekwiranten hebben het Gerecht verzocht om toestemming om hun verzoekschrift aan te passen aan de inhoud van het nieuwe besluit van de EFSA van 12 december 2011, waarmee er vervolgens van kon worden uitgegaan dat het verzoekschrift was gericht op de nietigverklaring van dit laatste besluit.
18.
In het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift werden drie middelen aangevoerd:
- (A)
niet-toepasselijkheid van artikel 4, lid 1, sub b), van verordening nr. 1049/2001, alsook van verordening nr. 45/2001;
- (B)
het bestaan van redenen van openbaar belang die openbaarmaking van de namen van de deskundigen rechtvaardigen, overeenkomstig artikel 8, sub a) en b) van verordening nr. 45/2001;
- (C)
schending van de motiveringsplicht.
III — Het arrest van het Gerecht
19.
Bij arrest van het Gerecht van 13 september 2013 (hierna: het bestreden arrest) werd het verzoek afgewezen.9.
20.
Ten aanzien van het eerste middel heeft het Gerecht geoordeeld dat de naam van de deskundigen een persoonsgegeven vormt in de zin van verordening nr. 45/2001, ook al had de EFSA de namen, biografieën en belangenverklaringen van de externe deskundigen al eerder openbaar gemaakt. Het Gerecht acht het irrelevant dat de EFSA geen bewijs heeft van de weigering van de deskundigen om hun identiteit openbaar te maken.
21.
Wat betreft het tweede middel acht het Gerecht het uitgesloten dat rekwiranten het bestaan van een hoger openbaar belang zouden hebben aangetoond, want de namen van de deskundigen waren hun bekend en hun onafhankelijkheid hebben ze niet in twijfel getrokken, en is het bovendien van mening dat zij de noodzaak van openbaarmaking niet hadden bewezen.
22.
Wat betreft het gebrek aan motivering, vindt het Gerecht dat de EFSA enkel had hoeven aantonen dat rekwiranten de noodzaak van doorgifte van de betrokken persoonsgegevens niet hadden bewezen.
IV — De hogere voorziening
23.
ClientEarth en PAN Europe voeren drie middelen aan:
24.
- (A)
Onjuiste toepassing van het begrip ‘persoonsgegevens’ in de zin van artikel 2 van verordening nr. 45/2001.
- (B)
Onjuiste toepassing van artikel 4, lid 1, sub b), van verordening nr. 1049/2001, en van artikel 8, sub b), van verordening nr. 45/2001, aangezien geen afweging is gemaakt van alle beschermde belangen.
- (C)
Schending van artikel 5 VEU, gezien de onevenredig zware bewijslast voor rekwiranten om aan te tonen dat de toegang tot de litigieuze informatie noodzakelijk is, zonder dat deze bewijslast naar behoren is afgewogen tegen het gewicht van de te beschermen rechtmatige belangen.
V — Procesverloop voor het Hof
A — Eerste middel
25.
ClientEarth en PAN Europe stellen, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, dat de gegevens die voorwerp zijn van geschil geen persoonsgegevens vormen in de zin van verordening nr. 45/2001, en wijzen erop dat het gaat om professionele gegevens die afzonderlijk op de website van EFSA vermeld staan.
26.
De EFSA en de Commissie, ondersteund door de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming (hierna: ETGB), pleiten voor een ruime interpretatie van het begrip ‘persoonsgegevens’, dat veel meer zou omvatten dan de aanduidingen, zoals de naam of het nummer van het nationaal identiteitsbewijs, waarmee een persoon direct geïdentificeerd kan worden. Anderzijds is het naar hun mening niet zo dat een persoonsgegeven, zoals bijvoorbeeld de naam, dit persoonlijke karakter verliest doordat het in combinatie met een ander element voorkomt zoals, in dit geval, een opmerking.
27.
De ETGB stelt bovendien dat de twee elementen van de litigieuze informatie persoonsgegevens vormen. Enerzijds, de naam van de deskundige, en anderzijds, de door hem geuite mening, die samenhangt met zijn activiteiten en met zijn gedrag als onafhankelijk wetenschapper, en waardoor hij identificeerbaar is voor iemand die over andere relevante informatie beschikt waarmee de juiste combinatie tot stand gebracht kan worden.
28.
Zowel de EFSA als de Commissie en de ETGB stellen dat het niet relevant is dat de identiteit van de deskundigen bekend is en dat de EFSA hun opmerkingen anoniem gepubliceerd heeft. Naar hun mening zou de omstandigheid dat de betreffende persoonsgegevens gekoppeld zouden zijn aan activiteiten op professioneel gebied, evenmin relevant zijn, want als persoonsgegevens zouden ze zeker beschermd zijn.
29.
Deze partijen voeren ten slotte aan dat de strikte uitlegging van de door rekwiranten voorgestane eerbiediging van het privéleven zich niet laat rijmen met de tekst van verordening nr. 45/2001, en dat de draagwijdte van artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) verder strekt dan die van artikel 7 EVRM, aangezien het betrekking heeft op alle informatie over een natuurlijke persoon, met inbegrip van die welke verbonden is met zijn beroepsactiviteit. In dat opzicht benadrukt de ETGB de verschillen die, ondanks eventuele overeenkomsten, bestaan tussen de begrippen privéleven en persoonsgegevens, terwijl de EFSA en de Commissie stellen dat zowel in de rechtspraak van het Hof als in die van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens wordt aanvaard dat gegevens betreffende beroepsactiviteiten kunnen worden opgevat als vallend onder het privéleven.
B — Tweede middel
30.
Rekwiranten komen met dit middel op tegen de redenen waarom het Gerecht hun tweede middel heeft afgewezen omdat het van mening was dat zij het bestaan van een hoger openbaar belang niet hadden aangetoond. Volgens ClientEarth en PAN Europe hebben noch het Gerecht noch de EFSA de zowel door artikel 4, lid 1, sub b), van verordening nr. 1049/2001 als door artikel 8, sub b), van verordening nr. 45/2001 beschermde belangen afgewogen, dat wil zeggen, het recht op transparantie enerzijds, en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, anderzijds.
31.
De EFSA en de Commissie, eveneens door de ETGB ondersteund, stellen dat als in een krachtens verordening nr. 1049/2001 ingediend verzoek verzocht wordt om toegang tot documenten die persoonsgegevens bevatten, de bepalingen van verordening nr. 45/2001, met inbegrip van de artikelen 8 en 18, volledig van toepassing zijn, zonder dat het nodig is de overige voorwaarden van artikel 4, lid 1, sub b), van verordening nr. 1049/2001 te onderzoeken. Rekwiranten waren aldus verplicht om ter rechtvaardiging van de doorgifte van de gevraagde persoonsgegevens het bestaan van een hoger openbaar belang aan te tonen, zodat de EFSA de verschillende betrokken belangen had kunnen afwegen. ClientEarth en PAN Europe leverden deze rechtvaardiging echter pas toen de gerechtelijke procedure al gestart was, waardoor de EFSA bij haar beslissing over het verzoek inzake toegang tot de documenten geen enkele afweging had kunnen maken.
C — Derde middel
32.
ClientEarth en PAN Europe stellen dat het Gerecht het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden, door de wijze waarop het de door rekwiranten aangevoerde argumenten voor het aantonen van de noodzaak van toegang tot de gevraagde informatie heeft afgewezen.
33.
Zij voeren hierbij aan dat, aangezien enerzijds het belang dat het Gerecht wilde beschermen in werkelijkheid niet bestond, daar de namen van de betrokken deskundigen toegankelijk waren voor het publiek, en, anderzijds, zij de noodzaak hadden aangetoond van doorgifte van de verzochte gegevens, het ingevolge artikel 8, lid 2 van het Handvest voor hen voldoende was het bestaan aan te tonen van een gerechtvaardigde wettelijke grondslag, wat zij gedaan zouden hebben door zich te beroepen op het transparantiebeginsel.
34.
De EFSA van haar kant trekt de ontvankelijkheid van dit derde middel in twijfel aangezien, naar haar mening, de kritieke onderdelen van het bestreden arrest onvoldoende gepreciseerd zijn en rekwiranten zich beperken tot het herhalen van de in eerste aanleg uiteengezette argumenten. Wat betreft de inhoud, wijst ze net als de Commissie op de kennelijke ongegrondheid van de klacht van rekwiranten, aangezien het Gerecht zich ertoe zou hebben beperkt te eisen, overeenkomstig verordening nr. 45/2001 en de vaste rechtspraak, dat het bestaan van een rechtmatig belang bij het verkrijgen van de informatie aangetoond werd. Dit zou geen onevenredige eis zijn, en hiermee zou het noodzakelijke evenwicht tussen de betrokken belangen en grondrechten geheel gewaarborgd zou zijn.
VI — Beoordeling
A — Eerste middel
35.
Met hun eerste middel stellen rekwiranten dat de litigieuze gegevens geen persoonsgegevens in de zin van verordening nr. 45/2001 zijn. Naar mijn mening is het echter duidelijk dat het, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof over dit onderwerp, wel degelijk gaat om dergelijke gegevens.
36.
In het arrest Commissie/Bavarian Lager10. werd vastgesteld dat de lijst van deelnemers aan een vergadering in het kader van een niet-nakomingsprocedure persoonsgegevens bevatte.11. In de onderhavige zaak gaat het niet alleen om de naam van de deskundigen, maar wordt ook gevraagd welke opmerkingen ieder van hen heeft gemaakt in het kader van een project.
37.
Overeenkomstig artikel 2, sub a), van verordening nr. 45/2001 wordt ‘iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon’ beschouwd als een persoonsgegeven. In het onderhavige geval zouden, enerzijds, de betrokken personen geïdentificeerd worden zodra hun naam bekendgemaakt wordt, en zou, anderzijds, bovendien bepaalde informatie over hen verstrekt worden, namelijk de specifieke opmerkingen die ze hebben ingediend bij het uitoefenen van hun beroepsactiviteit. Aan de definitie van het begrip ‘persoonsgegevens’ is dan ook duidelijk voldaan, want de door de deskundigen gemaakte opmerkingen vormen ‘informatie over een geïdentificeerde natuurlijke persoon’. Zo men wil, informatie over iedere afzonderlijke, moeiteloos op grond van zijn naam geïdentificeerde deskundige.
38.
Inderdaad staan de namen van de deskundigen op de website van de EFSA. Maar rekwiranten vragen niet om de naam van alle deskundigen van de EFSA, maar uitsluitend om de namen van degenen die opmerkingen ingediend hebben. Ze verzoeken bovendien om toegang tot deze opmerkingen; echter niet om geanonimiseerde opmerkingen, maar om opmerkingen met vermelding van de naam van de indiener. Kortom, de namen van de deskundigen zijn openbaar, en dat geldt ook voor de ingediende opmerkingen, maar wat gevraagd wordt is de ‘aansluiting’ tussen beide gegevens, die leidt tot nieuwe informatie ‘over een geïdentificeerde natuurlijke persoon’ [artikel 2, sub a), van verordening nr. 45/2001]. Het is daarom duidelijk dat gevraagd wordt om ‘persoonsgegevens’ in de zin van deze verordening.
39.
Dientengevolge ben ik van mening dat het eerste middel moet worden afgewezen.
B — Tweede middel
40.
Met het tweede middel wordt betwist dat de in artikel 8, sub b), van verordening nr. 45/2001 neergelegde voorwaarden voor doorgifte van persoonsgegevens — namelijk de noodzaak van de doorgifte en het niet-bestaan van redenen om aan te nemen dat de rechtmatige belangen van de betrokkene worden geschaad — cumulatief aanwezig moeten zijn. Volgens rekwiranten zou het Gerecht, met dit standpunt, het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer [artikel 4, lid 1 sub b), van verordening nr. 1049/2001] enerzijds, en het recht op transparantie [artikel 8, sub b), van verordening nr. 45/2001] anderzijds, niet naar behoren hebben afgewogen.
41.
Er zij eraan herinnerd dat, overeenkomstig artikel 8, sub b), van verordening nr. 45/2001, persoonsgegevens alleen worden doorgegeven ‘indien de ontvanger de noodzaak van de doorgifte aantoont en er geen reden bestaat om aan te nemen dat de rechtmatige belangen van de betrokkene worden geschaad’.
42.
Het Gerecht heeft in punt 83 van het bestreden arrest geoordeeld dat sprake is van twee cumulatieve voorwaarden, en dat aangezien rekwiranten niet hebben voldaan aan de eerste hiervan, door de noodzaak van doorgifte van de gevraagde gegevens niet te hebben aangetoond, niet behoefde te worden ingegaan op de tweede voorwaarde, namelijk te bepalen of er redenen bestonden om aan te nemen dat door doorgifte de rechtmatige belangen van de betrokken personen zouden worden geschaad. Zoals blijkt uit punt 64 van het bestreden arrest is het Gerecht in feite van oordeel dat, wanneer de ontvanger geen uitdrukkelijke en legitieme rechtvaardigingsgrond, noch een overtuigend argument tot staving van de noodzaak van de doorgifte aanvoert, de aangezochte instelling de belangen van de partijen niet tegen elkaar kan afwegen, en evenmin kan nagaan of is voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 8, sub b), van verordening nr. 45/2001, en dus de toegang kan weigeren.
43.
Mijns inziens is het duidelijk dat elk van de in artikel 8, sub b), van verordening nr. 45/2001 genoemde voorwaarden is gericht tot een ander subject. De eerste voorwaarde richt zich uiteraard tot de ‘ontvanger’ van de informatie, dat wil zeggen, tot degene die hierom verzoekt. De tweede voorwaarde daarentegen is gericht tot de instelling waar de gevraagde informatie berust. In tegenstelling tot de eerste voorwaarde, richt deze zich namelijk niet uitdrukkelijk tot de ontvanger, maar verwijst het gebruik van het onpersoonlijke ‘er geen […] bestaat’ noodzakelijkerwijs naar degene die zich moet uitspreken over het verzoek, dat wil zeggen, de instelling die het verzoek krijgt om openbaarmaking van de informatie, of, in voorkomend geval, naar het gerecht dat kennis neemt van het beroep tegen de afwijzing van het verzoek. Derhalve moet uitsluitend de ontvanger de ‘noodzaak’ van de doorgifte aantonen, zoals duidelijk blijkt uit de bewoordingen van de bepaling. En het is alleen aan de instelling om vast te stellen dat ‘er geen reden bestaat om aan te nemen dat de rechtmatige belangen van de betrokkene worden geschaad’, waarbij zij aangetekend dat een dergelijke ‘reden’ kan bestaan, geheel los van het feit of de ‘noodzaak’ van doorgifte van de gegevens aan de verzoeker is aangetoond.
44.
Zoals uit vorenstaande blijkt gaat het om voorwaarden met een verschillend doel: enerzijds de noodzaak van de doorgifte — geheel los van de schade die hiermee kan worden berokkend aan de belangen van de betrokken personen — en anderzijds het bestaan van de mogelijkheid van dergelijke schade — ook weer los gezien van die noodzaak. Het Gerecht heeft dan ook terecht geoordeeld dat alleen cumulatief kan worden voldaan aan die voorwaarden, waardoor het niet nodig was de tweede te onderzoeken.
45.
Ik ben daarom van mening dat ook het tweede middel moet worden afgewezen.
C — Derde middel
46.
Met het derde middel stellen rekwiranten dat het, ter rechtvaardiging van de noodzaak van doorgifte van de door hen gevraagde gegevens, volstond zich te beroepen op het transparantiebeginsel. Volgens hen zou het, binnen de context van een verwijzing naar een bepaald klimaat van wantrouwen jegens de EFSA, volstaan zich hierop te beroepen om de openbaarmaking van de gevraagde informatie te rechtvaardigen. Naar hun mening zou het Gerecht voor het rechtvaardigen van die noodzaak onevenredig veel van hen geëist hebben.
47.
Ten aanzien van het onderzoek van het derde middel moet vooraf het volgende worden opgemerkt. Zoals blijkt uit punt 72 van het bestreden arrest, was de weigering van toegang aanvankelijk gebaseerd op de uitzondering betreffende de bescherming van besluitvormingsprocessen (artikel 4, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1049/2001), terwijl de EFSA zich pas voor het eerst op de uitzondering inzake de bescherming van persoonsgegevens [artikel 4, lid 1, sub b), van verordening nr. 1049/2001, en artikel 8 van verordening nr. 45/2001] beriep in haar besluit van 12 december 2011, dat ze had vastgesteld nadat het verzoekschrift bij het Gerecht was ingediend. Door deze wijziging van het voorwerp van het geding kan rekwiranten niet worden verweten, zoals de EFSA en de Commissie doen, dat zij de noodzaak van de doorgifte van de gevraagde persoonsgegevens niet in de precontentieuze fase hebben gerechtvaardigd, dat wil zeggen, dat zij niet reeds in die fase hebben geredeneerd in de termen van artikel 8, sub b), van verordening nr. 45/2001.
48.
Mijns inziens is het duidelijk dat rekwiranten tijdens de precontentieuze fase alleen konden verwijzen naar de toen door de EFSA ingeroepen uitzondering, namelijk, de uitzondering betreffende de bescherming van de besluitvormingsprocessen neergelegd in artikel 4, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1049/2001. De uiteindelijk door de EFSA in haar besluit van 12 december 2011 opgeworpen uitzondering kon pas voorwerp van discussie zijn tijdens de procedure voor het Gerecht, zoals ook inderdaad het geval was. Dit blijkt uit punt 73 van het bestreden arrest, waarin staat dat zowel de EFSA als de Commissie ter terechtzitting van mening waren dat het Gerecht dat specifieke middel zou kunnen onderzoeken. Er is derhalve niets dat belet om de kwestie thans ook voorwerp van discussie te maken.12.
49.
Voor de uitlegging van het begrip ‘noodzaak van de doorgifte van de gegevens’ dient mijns inziens de essentie van verordening nr. 1049/2001 in acht te worden genomen, aangezien rekwiranten bij hun handelen gebruik hebben gemaakt van hun recht van toegang tot documenten van de instellingen, waarvan de ‘beginselen […] voorwaarden en beperkingen […] in [die] verordening worden bepaald’, aldus artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1049/2001.
50.
Ook de specifieke regeling inzake toegang tot documenten van verordening nr. 45/2001 dient daarom te worden gekoppeld aan het algemene regime van verordening nr. 1049/2001, zoals het Hof gedaan heeft op terreinen waar de Uniewetgever bijzondere regels inzake toegang heeft vastgelegd, zoals bijvoorbeeld op het gebied van mededinging13. of gerechtelijke procedures14. of bij procedures wegens niet nakoming.15.
51.
In het geval van verordening nr. 45/2001 blijkt de noodzaak van zo'n koppeling niet alleen uit de ‘systeemeis’ die in de regel voorgeschreven is als op eenzelfde document verschillende toegangsregimes van toepassing zijn. Als er eventueel verschillende toegangsregimes van toepassing zijn, is het niet alleen zaak te komen tot een geïntegreerde en systematische interpretatie van al deze regimes ten behoeve van een, voor de door elk van die regimes beschermde belangen, bevredigende oplossing. In tegenstelling tot wat het geval is bij andere regelgevingen inzake toegang tot documenten, wordt deze systematische en integrerende interpretatie uitdrukkelijk vereist door verordening nr. 1049/2001, in artikel 4, lid 1, sub b), waarvan voorgeschreven wordt: ‘De instellingen weigeren de toegang tot een document wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van: […] b) de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu, in het bijzonder gelet op de Gemeenschapswetgeving inzake de bescherming’. Volgens het Hof volgt hieruit dat ‘wanneer een op verordening nr. 1049/2001 gebaseerd verzoek strekt tot het verkrijgen van toegang tot documenten die persoonsgegevens bevatten, de bepalingen van verordening nr. 45/2001, met inbegrip van de artikelen 8 en 1816. ervan, in volle omvang van toepassing worden’, zodat een ‘bijzondere en beperkende uitlegging […] [van] artikel 4, lid 1, sub b) van verordening nr. 1049/2001 […] dan ook niet in overeenstemming [is] met het evenwicht dat de Uniewetgever tussen de twee betrokken verordeningen tot stand heeft willen brengen.’17.
52.
Dit beroep van het Hof op het ‘evenwicht’ tussen de doelstellingen van beide verordeningen verdient hier mijns inziens aandacht ten behoeve van de problematiek die in deze zaak aan de orde is.
53.
Ik ben zeker van mening dat de geest van ‘evenwicht’ waarnaar het Hof heeft verwezen vertaald dient te worden in het verbod de toepassing van artikel 8, sub b) van verordening nr. 45/2001 ‘meteen al’ uit te sluiten, zoals gebeurd is in de zaak Commissie/Bavarian Lager.18. Iets heel anders is dat de categorieën van deze verordening zonder nuances zouden moeten worden toegepast op ongeacht welk verzoek om toegang tot documenten van de instellingen, dat wil zeggen, zonder de vereiste aandacht te besteden aan de aard van de informatie die in concreto gevraagd wordt.
54.
Naar mijn mening is het duidelijk dat niet kan worden verondersteld dat de ‘noodzaak’ bedoeld in verordening nr. 45/2001 dezelfde lading en reikwijdte heeft wanneer om toegang wordt verzocht tot documenten die gegevens zonder enige openbaar belang bevatten, als wanneer het verzoek, zoals in onderhavig geval, betrekking heeft op informatie van duidelijk openbaar belang betreffende de beroepsactiviteit van een persoon. Een dergelijke activiteit is, zoals het Hof heeft geoordeeld in de zaak Commissie/Bavarian Lager19., ook ‘persoonlijk’, maar in mindere mate dan een door de betrokken persoon niet beroepshalve uitgeoefende activiteit.
55.
Met het begrip ‘noodzaak’ moet dan ook enigermate flexibel worden omgegaan als de persoonsgegevens niet, om zo te zeggen, het rechtstreekse voorwerp vormen van het verzoek om informatie, maar dit verzoek betrekking heeft op openbare documenten die indirect leiden tot informatie over particulieren, en als zodanig ‘persoonsgegevens’ bevatten.20. Het gaat inderdaad om gegevens die ‘persoonlijk’ zijn voor zover ze ‘informatie betreffende een geïdentificeerde […] natuurlijke persoon’ bevatten [artikel 2, sub a) van verordening nr. 45/2001)], maar het gaat prima facie om ‘beroepsmatige informatie’ en, derhalve, minder gevoelige informatie dan die welke betrekking heeft op de persoonlijke levenssfeer of het zuivere privéleven.
56.
Met andere woorden, een ‘evenwichtige uitlegging’ van beide verordeningen gaat ervan uit dat bij de beoordeling van de ‘noodzaak’ noodgedwongen onderscheid moet worden gemaakt tussen gevallen waarin wordt verzocht om persoonsgegevens die prima facie geen verband houden met een openbaar besluitvormingsproces en gevallen waarin wordt verzocht om gegevens die in zekere mate verband houden met een activiteit van de overheid.
57.
Rekwiranten vinden dat het ter rechtvaardiging van de noodzaak van doorgifte van de door hen gevraagde gegevens, voldoende was zich te beroepen op het transparantiebeginsel. Ze hebben zich hierop beroepen binnen de context van een verwijzing naar een bepaald klimaat van wantrouwen jegens de EFSA, ten aanzien van wie een zeker vermoeden bestond dat ze partijdig zou zijn en in haar organen leden opnam die bepaalde persoonlijke belangen hadden. Om precies te zijn zou, blijkens punt 79 van het bestreden arrest, een onderzoek van PAN Europe aan het licht gebracht hebben dat 8 van de 13 leden van een werkgroep van de EFSA banden hadden met industriële lobbygroepen.
58.
Op het vorenstaande antwoordt het Gerecht, in punt 80 van het bestreden arrest, dat rekwiranten op de hoogte zijn gesteld van de namen van de betrokken deskundigen en dat zij toegang hebben gehad tot hun belangenverklaringen. En voor zover zij de onafhankelijkheid van geen van de deskundigen in twijfel hebben getrokken, oordeelt het Gerecht dat het niet nodig was te onderzoeken of hun vermoedens betreffende het gebrek aan onpartijdigheid een reden zouden vormen om hun de verzochte toegang te verlenen.
59.
Ik ben het niet eens met het Gerecht, want het feit dat zij, in de beschreven woorden, een zekere mate van wantrouwen ten aanzien van de onpartijdigheid van de EFSA aanvoeren lijkt mij voldoende om de noodzaak van doorgifte van de gegevens te rechtvaardigen, in het bijzonder als dergelijke gegevens, ook al zijn ze ‘persoonlijk’, betrekking hebben op de beroepsactiviteit van de betrokkenen.
60.
Het feit dat van rekwiranten geëist wordt dat zij zich niet alleen beroepen op hun, op aanwijzingen in overgelegde bewijsstukken gestoelde, wantrouwen ten aanzien van de onpartijdigheid van de EFSA, maar bovendien, formeel en uitdrukkelijk de onafhankelijkheid van een aantal deskundigen in twijfel trekken, betekent niet alleen dat op hen een evident onevenredige last rust om de noodzaak van de doorgifte van de gevraagde gegevens aan te tonen, maar ook dat de verhouding tussen de doelstellingen van beide verordeningen uit balans raakt. Een eis van zodanige aard zou zinvol kunnen zijn als de validiteit van de onderzoeken of het optreden van de deskundigen aan de kaak wordt gesteld, maar in de context van deze zaak gaat het er juist alleen om de informatie en de gegevens te vergaren die nodig zijn om te kunnen beoordelen of de onpartijdigheid van de EFSA ernstig in twijfel moet worden getrokken, en dientengevolge dit agentschap of een deskundige eventueel aan te klagen. Kortom, het gaat er alleen om dat het recht om iemand in geval van onregelmatige handelingen aansprakelijk te stellen uitgeoefend kan worden. Het gaat dan ook uiteindelijk om het typische geval waarop het transparantiebeginsel en het recht van toegang op informatie zien.
61.
Dientengevolge ben ik van mening dat in de onderhavige zaak de rekwiranten de in artikel 8, sub b), van verordening nr. 45/2001 bedoelde ‘noodzaak’ voldoende hebben aangetoond, zodat het derde middel moet worden toegewezen.
62.
Dit betekent echter niet dat de doorgifte van de verlangde documenten moet worden toegewezen, want genoemd artikel vereist tevens — en zoals wij gezien hebben, op cumulatieve wijze — dat ‘er geen reden bestaat om aan te nemen dat de rechtmatige belangen van de betrokkene worden geschaad’. Deze tweede eis is echter niet onderzocht door het Gerecht, dat, aangezien de situatie van de eerste voorwaarde zich niet had voorgedaan, het niet nodig vond vast te stellen of er dergelijke redenen bestonden.
63.
Als de zaak opnieuw wordt behandeld, zal het Gerecht de kwestie dan ook kunnen onderzoeken vanuit het oogpunt van de rechtmatige belangen van de betrokkenen, dat wil zeggen, van de deskundigen die alle door rekwiranten opgevraagde opmerkingen hebben ondertekend en die, juist omdat het gaat om informatie met betrekking tot hun beroepsactiviteit, er belang bij kunnen hebben dat hun naam als indiener van een opmerking bekend wordt.
VII — Definitieve afdoening van de zaak door het Hof
64.
Artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie bepaalt dat ‘[i]n geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening […] het Hof van Justitie de beslissing van het Gerecht [vernietigt]’, en het ‘zelf de zaak [kan] afdoen wanneer deze in staat van wijzen is’.
65.
Naar mijn mening zijn de voorwaarden opdat het Hof de zaak definitief kan afdoen, niet aanwezig. Zoals ik uiteengezet heb, is de reden hiervan dat het Gerecht de mogelijkheid dat in deze zaak de tweede voorwaarde van artikel 8, sub b), van verordening nr. 45/2001 aanwezig was, namelijk, dat door de doorgifte van de gegevens de rechtmatige belangen van de betrokkenen personen zouden worden geschaad, niet in overweging heeft genomen.
VIII — Kosten
66.
Ingevolge artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, van hetzelfde reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, geef ik het Hof in overweging de EFSA te veroordelen in de kosten.
IX — Conclusie
67.
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging als volgt te beslissen:
- 1)
Het derde middel wordt toegewezen.
- 2)
Het arrest van het Gerecht van 13 september 2013, ClientEarth en PAN Europe/EFSA (T-214/11, EU:T:2013:483), wordt vernietigd.
- 3)
De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht voor een uitspraak over de mogelijkheid dat de rechtmatige belangen van de betrokkene worden geschaad door de doorgifte van de gevraagde persoonsgegevens.
- 4)
De EFSA wordt verwezen in de kosten.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑04‑2015
Oorspronkelijke taal: Spaans.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43). Hierna: ‘verordening nr. 1049/2001’.
Zoals, bijvoorbeeld, bij controleprocedures betreffende staatssteun [Commissie/Technische Glaswerke Ilmenau (C-139/07 P, EU:C:2010:376)], bij niet-nakomingsprocedures [LPN en Finland/Commissie (C-514/11 P en C-605/11 P, EU:C:2013:738)] of bij gerechtelijke procedures [Zweden en anderen/API en Commissie (C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, EU:C:2010:541)].
Kenmerkend op het gebied van het mededingingsrecht, zowel bij concentraties van ondernemingen [Commissie/Éditions Odile Jacob (C-404/10 P, EU:C:2012:393)], als bij mededingingsregelingen [Commissie/EnBW (C-365/12 P, EU:C:2014:112)]. In dit opzicht verwijs ik naar Lenaerts, K.: ‘The Interplay between Regulation no 1049/2001 on Access to Documents and the Specific EU Regulations in the Field of Competition Law’, in Mundi et Europae civis, Liber Amicorum Jacques Steenbergen, Larcier, Brussel, 2014, pp. 483 t/m 492.
Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8, blz. 1). Hierna ‘verordening nr. 45/2001’.
Eigen cursivering.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009, betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309, blz. 1). Krachtens deze bepaling doet de aanvrager van een vergunning voor het op de markt brengen van een gewasbeschermingsmiddel ‘het dossier vergezeld gaan van alle collegiaal getoetste wetenschappelijke open literatuur, zoals vastgesteld door de [EFSA], over de neveneffecten van de werkzame stof en de relevante metabolieten daarvan voor de gezondheid, het milieu en niet-doelsoorten, die is gepubliceerd tijdens de laatste tien jaar vóór de datum van indiening van het dossier.’
Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB L 264, blz. 13).
ClientEarth en PAN Europe/EFSA (T-214/11, EU:T:2013:483).
Zaak C-28/08 P, EU:C:2010:378.
Ibidem, punt 70.
Het Gerecht, dat zichzelf hier enigszins tegenspreekt, had in punt 68 van het bestreden arrest echter gesteld dat rekwiranten voorafgaand aan het besluit van 12 december 2011 geen enkel bewijs voor de noodzaak van de doorgifte van de persoonsgegevens hadden aangevoerd, waardoor de EFSA de verschillende belangen van partijen niet kon afwegen, noch kon vaststellen of er een reden bestond waardoor de rechtmatige belangen van de betrokkene zouden kunnen worden geschaad, zodat zij het bestreden besluit in dat opzicht niet kon motiveren. Desalniettemin onderzoekt het Gerecht uiteindelijk toch of rekwiranten een rechtvaardigingsgrond kunnen aanvoeren, eventueel om deze te verwerpen.
Commissie/Éditions Odile Jacob (C-404/10 P, EU:C:2012:393), Commissie/EnBW (C-365/12 P, EU:C:2014:112).
Zweden e.a./API en Commissie (C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, EU:C:2010:541).
LPN en Finland/Commissie (C-514/11 P en C-605/11 P, EU:C:2013:738).
Commissie/Bavarian Lager (C-28/08 P, EU:C:2010:378), punt 63.
Commissie/Bavarian Lager (C-28/08 P, EU:C:2010:378), punt 65.
Commissie/Bavarian Lager (C-28/08 P, EU:C:2010:378), punt 64.
Commissie/Bavarian Lager (C-28/08 P, EU:C:2010:378), punten 68–70.
Wat dit betreft onderschrijf ik in essentie het door Advocaat Generaal Sharpston in haar conclusie van 15 oktober 2006 in de zaak Commissie/Bavarian Lager voorgestelde kwalificatiecriterium (C-28/08 P, EU:C:2009:624), punten 158–166.