Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/2.3.3.1
2.3.3.1 Functiescheiding en bevoegdheidsverdeling
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971847:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2:139/239 lid 1 BW.
Artikel 2:140/240 lid 2 BW.
Artikel 2:107/217 lid 1 BW.
Ik wijs onder meer op de bevoegdheid van de algemene vergadering tot statutenwijziging (artikel 2:121/231 BW), ontbinding (artikel 2:19 lid 1 sub a BW), fusie (artikel 2:317 BW) en splitsing (artikel 2:334, BW). Voor NV wijs ik daarnaast op de bevoegdheid om bepaalde ingrijpende bestuursbesluiten goed te keuren omtrent een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming (artikel 2:107a BW) en voor de BV het leerstuk van de materiële liquidatie (waarover onder meer Hof Amsterdam 7 april 2021, JOR 2021/201 m.nt. T. Salemink (Human Concern)).
In aanvulling op de reeds genoemde bevoegdheid tot statutenwijziging, wijs ik op de regeling ter zake van uitkering aan aandeelhouders ex artikel 2:105/216 BW.
Ik wijs onder meer op de bevoegdheid tot benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders (artikel 2:132/242 en 2:134/244 BW) en commissarissen (artikel 2:142/252 en 2:144/254 BW).
HR 20 april 2018, NJ 2018/331 m.nt. P. van Schilfgaarde (Boskalis/Fugro), r.o. 3.6. Vergelijkbare overwegingen zijn te vinden in HR 13 juli 2007, NJ 2007/434 m.nt. J.M.M. Maeijer (ABN Amro), r.o. 4.3-4.4; en HR 9 juli 2010, NJ 2010/544 m.nt. P. van Schilfgaarde (ASMI), r.o. 4.4.1.
HR 21 januari 1955, NJ 1959/43 m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh (Forumbank). Voor de goede orde: ik ga op dit punt voorbij aan concernverhoudingen, waarin de centrale leiding zal liggen bij het groepshoofd. Zie ook par. 2.3.3.2 onder (ii ) hierna.
Zie HR 21 februari 2003, NJ 2003/182 m.nt. J.M.M. Maeijer (HBG), waarover in het kader van ingrijpende bestuursbesluiten ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 24. Vgl. voorts voor een geval waarin een (beperkte) consultatieplicht wel is aangenomen Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 (Steenfabriek I), r.o. 3.8 (en mijn noot bij JOR 2022/173, par. 8).
Zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 285 onder f.
Dit zal slechts in uitzonderlijke situaties gerechtvaardigd zijn, hetgeen van geval tot geval dient te worden beoordeeld. Zie hierover Salemink 2020, in het bijzonder p. 85-87.
Zie Den Boogert 2007, p. 142.
Op grond van artikel 2:108/218 BW hoeft dit slechts eenmaal per jaar te geschieden. Voor bepaalde vennootschappen, zoals beursvennootschappen, zal de jaarvergadering veelal het enige moment zijn waarop de algemene vergadering bijeenkomt. Vgl. Den Boogert 2007, p. 143: “[De algemene vergadering – toev. PH] is er als gevolg van het bepaalde in wet en statuten, maar zij verkeert in coma. Zij is dan niet in staat om te functioneren en enige bevoegdheid uit te oefenen. Als door het infuus van de oproeping van de algemene vergadering kan de coma van de AVA langzaamaan worden beëindigd en de AVA tot leven worden gewekt.” Deze typering is met name kenmerkend voor (zeer) open verhoudingen; in besloten verhoudingen ligt dit genuanceerder, onder meer omdat besluitvorming van de algemene vergadering daar veelal geschiedt buiten vergadering.
Iedere aandeelhouder dient voor een algemene vergadering te worden opgeroepen (artikel 2:113/223 BW). In beginsel heeft iedere aandeelhouder het recht om de algemene vergadering bij te wonen, daar het woord te voeren (artikel 2:117/227 BW) en zijn stem uit te brengen (artikel 2:118/228 BW). Ik zeg in beginsel, omdat zowel het vergaderrecht als het stemrecht kunnen worden opgeschort indien niet aan bepaalde kwaliteitseisen is voldaan en bij de BV tevens stemrechtloze (maar niet vergaderrechtloze) aandelen kunnen worden uitgegeven.
Ik verwijs onder meer naar de mogelijkheid van het instellen van een vernietigingsactie (artikel 2:15 BW) en het enquêterecht (artikel 2:346 lid 1 BW), maar bijvoorbeeld ook de geautoriseerde oproeping (artikel 2:110, 111 en 112 BW voor de NV en artikel 2:220, 221 en 222 BW voor de BV).
De hiervoor omschreven functiescheiding komt in het Nederlandse vennootschapsrecht tot uiting in de duale structuur van de kapitaalvennootschap. Iedere Nederlandse kapitaalvennootschap dient dwingendrechtelijk over twee organen te beschikken: het bestuur (de leiding) en de algemene vergadering (de kapitaalverschaffers). Daarnaast kan – en, bij toepassing van het structuurregime: moet – een raad van commissarissen worden benoemd, die toezicht houdt op het bestuur en het bestuur met raad terzijde staat. Ik zal het bestuur en de raad van commissarissen hierna gezamenlijk aanduiden als de vennootschapsleiding; de vennootschap wordt in dit onderzoek behandeld als een duale structuur bestaande uit de vennootschapsleiding en de algemene vergadering. Zoals ik in par. 2.4 hierna zal toelichten, hebben het bestuur en de raad van commissarissen een vergelijkbare toegang tot informatie van de vennootschap, waardoor het verschil tussen hun beider informatieposities voor de strekking van dit onderzoek verwaarloosbaar is.
Binnen de wettelijke vennootschapsstructuur bestaat een (op het oog overzichtelijke) bevoegdheidsverdeling, waarin de functiescheiding is terug te zien. Op grond van die wettelijke bevoegdheidsverdeling is het bestuur belast met het besturen van de vennootschap.1 De raad van commissarissen houdt toezicht op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, waarbij hij het bestuur tevens met raad terzijde staat.2 Alle overige bevoegdheden komen toe aan de algemene vergadering.3 Concreet betekent dit dat de algemene vergadering beslist over de aard en structuur van de vennootschap,4 het kapitaal van de vennootschap5 en de samenstelling van de vennootschapsleiding.6 De Hoge Raad heeft deze bevoegdheidsverdeling als volgt omschreven:
“Het bepalen van het beleid en de strategie van een vennootschap en de met haar verbonden onderneming is in beginsel een aangelegenheid van het bestuur van de vennootschap. De raad van commissarissen houdt daarop toezicht. De algemene vergadering kan haar opvattingen terzake tot uitdrukking brengen door uitoefening van de haar in de wet en de statuten toegekende rechten.”7
Tussen de vennootschapsorganen bestaat geen hiërarchische relatie.8 Het primaat ten aanzien van de strategie en het beleid ligt bij het bestuur.9 Het bestuur is als gevolg daarvan in beginsel niet gehouden om de algemene vergadering te consulteren of te informeren over de wijze waarop hij zijn taak vervult.10 Als onderdeel van zijn toezichthoudende taak toetst de raad van commissarissen het gevoerde beleid, maar houdt hij zich ook bezig met de algemene lijn van het nog te voeren beleid op langere termijn.11 Hoewel de raad van commissarissen in voorkomende gevallen dicht op het bestuur zal zitten, en bepaalde omstandigheden kunnen nopen tot een intensivering van het toezicht, dient de raad van commissarissen te waken voor het risico dat hij zich (te zeer) op het terrein van het bestuur gaat begeven.12
De algemene vergadering staat in deze bevoegdheidsverdeling op meer afstand van de vennootschapsleiding en de onderneming. Zij heeft afstand te houden van de leidinggevende functie13 en zal slechts van tijd tot tijd haar rechten uitoefenen.14 Individuele aandeelhouders komen voorts bepaalde wettelijke rechten toe om invloed uit te oefenen ter vergadering,15 opdat ook hun standpunt kan worden meegewogen door de algemene vergadering, alsmede om – buiten vergadering – hun positie te beschermen.16 Hoewel aandeelhouders op individuele basis kapitaal verschaffen, liggen de daaraan ontleende rechten hoofdzakelijk bij de collectieve algemene vergadering. Daarbuiten hebben individuele aandeelhouders geen rol van betekenis in de formele bevoegdheidsverdeling binnen de vennootschap.