Procestaal: Frans.
HvJ EU, 16-07-2026, nr. C-158/25
ECLI:EU:C:2026:591
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
16-07-2026
- Magistraten
F. Biltgen, T. von Danwitz, A. Kumin, S. Gervasoni, M. Bošnjak
- Zaaknummer
C-158/25
- Conclusie
L. medina
- Roepnaam
AEDT and État du Grand-Duché de Luxembourg
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2026:591, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 16‑07‑2026
ECLI:EU:C:2026:158, Conclusie, Court of Justice of the European Union, 05‑03‑2026
Uitspraak 16‑07‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Recht op een doeltreffende voorziening in rechte — Toepasselijkheid — Nationale regeling die voorziet in een mechanisme van hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder van een vennootschap voor de betaling van de door deze vennootschap verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde (btw) — Bindende werking met betrekking tot de feitelijke vaststellingen en juridische kwalificaties in de definitieve belastingaanslag — Mogelijkheid voor de bestuurder om incidenteel op te komen jegens deze aan die vennootschap opgelegde belastingaanslag — Eerbiediging van de rechten van de verdediging
F. Biltgen, T. von Danwitz, A. Kumin, S. Gervasoni, M. Bošnjak
Partij(en)
In zaak C-158/25*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation du Grand-Duché de Luxembourg (hoogste rechterlijke instantie, Luxemburg) bij beslissing van 20 februari 2025, ingekomen bij het Hof op 21 februari 2025, in de procedure
QJ
tegen
Administration de l'enregistrement, des domaines et de la TVA (AEDT),
État du Grand-Duché de Luxembourg,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, A. Kumin, S. Gervasoni en M. Bošnjak (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: C. Di Bella, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 december 2025,
gelet op de opmerkingen van:
- —
QJ, vertegenwoordigd door N. Le Gouellec en Y. Prussen, avocats,
- —
de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door A. Germeaux en T. Schell als gemachtigden, bijgestaan door F. Gabaudan en A. Moro, avocats,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. Morales Puerta en A. Pérez-Zurita Gutiérrez als gemachtigden,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, D. Lutostańska, B. Rogowska-Rajda en J. Sawicka als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Carlin, M. Herold en F. Moro als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 maart 2026,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 47 en artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen QJ, een natuurlijke persoon, enerzijds, en de Administration de l'enregistrement, des domaines et de la TVA (dienst registratie, domeinen en btw, Luxemburg; hierna: ‘AEDT’) en de État du Grand-Duché de Luxembourg (Luxemburgse Staat), anderzijds, over een tegen QJ ingestelde vordering tot vrijwaring teneinde betaling te verkrijgen van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) die verschuldigd was door een vennootschap waarvan hij bestuurder was.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
VWEU
3
Artikel 325, lid 1, VWEU bepaalt:
‘De [Europese] Unie en de lidstaten bestrijden fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, met overeenkomstig dit artikel te nemen maatregelen die afschrikkend moeten werken en in de lidstaten, alsmede in de instellingen, organen en instanties van de Unie, een doeltreffende bescherming moeten bieden.’
Handvest
4
Artikel 47 (‘Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht’) van het Handvest luidt:
‘Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.’
5
Artikel 51 (‘Toepassingsgebied’) van het Handvest bepaalt:
- ‘1.
De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.
- 2.
Dit Handvest breidt het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken, schept geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie, noch wijzigt het de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken.’
Richtlijn 2006/112
6
In artikel 2, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1) wordt bepaald welke handelingen aan de btw zijn onderworpen.
7
Artikel 273, eerste alinea, van die richtlijn luidt:
‘De lidstaten kunnen, onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtigen verrichte binnenlandse handelingen en handelingen tussen de lidstaten, andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste inning van de btw en ter voorkoming van fraude, mits deze verplichtingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met een grensoverschrijding.’
Luxemburgs recht
8
De loi du 12 février 1979 concernant la taxe sur la valeur ajoutée (wet van 12 februari 1979 betreffende de belasting over de toegevoegde waarde) (Mémorial A 1979, blz. 186), zoals gewijzigd bij de loi du 23 décembre 2016 portant mise en œuvre de la réforme fiscale 2017 (wet van 23 december 2016 houdende de tenuitvoerlegging van de belastinghervorming van 2017) (Mémorial A 2016, blz. 5139) (hierna: ‘LTVA’), bepaalt in artikel 67-1:
‘De gedelegeerd bestuurders, de zaakvoerders alsmede elke bestuurder die rechtens of feitelijk belast is met de dagelijkse leiding van personen die btw-plichtig zijn, moeten ervoor zorgen dat de in deze wet neergelegde wettelijke verplichtingen worden nagekomen, en met name dat de verschuldigde btw wordt betaald met de financiële middelen die zij beheren.’
9
Artikel 67-2 van die wet luidt als volgt:
‘De gedelegeerd bestuurders, de zaakvoerders alsmede elke bestuurder die rechtens of feitelijk belast is met de dagelijkse leiding, zijn persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde btw wanneer niet-nakoming van de op hen rustende wettelijke verplichtingen ertoe leidt dat niet wordt voldaan aan de wettelijke verplichtingen die deze wet oplegt aan de btw-plichtige personen die zij besturen of wanneer de verschuldigde btw niet wordt betaald met de financiële middelen die zij beheren.’
10
Artikel 67-3, eerste alinea, van deze wet bepaalt:
‘In geval van niet-nakoming van de wettelijke verplichtingen die rusten op de gedelegeerd bestuurders, de zaakvoerders alsmede op elke bestuurder die rechtens of feitelijk belast is met de dagelijkse leiding, kan de directeur van de [AEDT] of zijn plaatsvervanger tegen deze personen een vordering tot vrijwaring instellen. Deze vordering verleent deze dienst het recht om bij voornoemde personen de btw in te vorderen die door de btw-plichtige personen verschuldigd is.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11
Op 17 maart 2018 heeft de AEDT de vennootschap VN twee btw-aanslagen opgelegd voor respectievelijk het jaar 2014 en de jaren 2015 en 2016. Het door die vennootschap tegen deze aanslagen ingestelde beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend. Vervolgens heeft de vennootschap VN nagelaten om de over de jaren 2014 tot en met 2016 verschuldigde btw-bedragen te betalen.
12
Van 22 april 2013 tot en met 15 februari 2019 was verzoeker in het hoofdgeding bestuurder van de vennootschap VN en was hij belast met de dagelijkse leiding ervan. Op 16 mei 2019 heeft de AEDT tegen hem op grond van de artikelen 67-1 tot en met 67-3 LTVA (hierna: ‘betrokken mechanisme van oproeping in vrijwaring’) een vordering tot vrijwaring ingesteld, waarbij van hem, als bestuurder die van 2013 tot en met 2019 belast was met de dagelijkse leiding van VN, de tot dan toe onbetaalde btw werd gevorderd.
13
Nadat de directeur van de AEDT het bezwaar had afgewezen dat verzoeker in het hoofdgeding tegen de vordering tot vrijwaring had ingediend, heeft laatstgenoemde bij de tribunal d'arrondissement de Luxembourg (rechter in eerste aanleg Luxemburg, Luxemburg) beroep ingesteld tot herziening, zo niet nietigverklaring, van die vordering. Deze rechter heeft dat beroep verworpen bij een vonnis dat door de Cour d'appel (rechter in tweede aanleg, Luxemburg) is bevestigd.
14
Daarop heeft verzoeker in het hoofdgeding cassatieberoep ingesteld bij de Cour de cassation du Grand-Duché de Luxembourg (hoogste rechterlijke instantie, Luxemburg), de verwijzende rechter, die opmerkt dat deze verzoeker bij de appelrechter het bestaan van een belastingschuld van de vennootschap VN had betwist en daarbij in het bijzonder had aangevoerd dat hij, als persoon die werd opgeroepen tot vrijwaring met betrekking tot de betaling van de belastingaanslagen die waren opgelegd aan de vennootschap waarvan hij bestuurder was, beschikte over een rechtsmiddel in de vorm van een derdenverzet, dat ontvankelijk bleef omdat die aanslagen niet persoonlijk tot hem waren gericht. Volgens verzoeker in het hoofdgeding is het feit dat hem de mogelijkheid wordt ontnomen om in eigen naam beroep in te stellen, onverenigbaar met artikel 47 van het Handvest.
15
De appelrechter heeft het betoog van verzoeker in het hoofdgeding afgewezen op grond dat de belastingaanslagen definitief waren geworden en niet meer konden worden betwist omdat de vennootschap VN niet binnen de wettelijke termijn rechtsgeldig beroep had ingesteld.
16
Volgens deze rechter is er geen enkele bepaling op grond waarvan een persoon tegen wie een vordering tot vrijwaring is ingesteld, beroep kan instellen tegen de aan de hoofdbelastingplichtige opgelegde belastingaanslag. Aangezien deze aanslag definitief is geworden, kan deze niet incidenteel ter discussie worden gesteld door de bestuurder die in het kader van de tegen hem gerichte betalingsprocedure in vrijwaring is opgeroepen. Degene die in vrijwaring wordt opgeroepen is namelijk dezelfde persoon als degene die de rechtspersoon heeft vertegenwoordigd in het kader van de procedure tot vaststelling van de belastbare omzet, en hij had in die hoedanigheid voorts de mogelijkheid om aan deze procedure deel te nemen door beroep in te stellen tegen de ambtshalve belastingheffing. Aangezien verzoeker in het hoofdgeding zelf niet de hoedanigheid van btw-plichtige heeft, was de AEDT niet verplicht om hem de belastingaanslagen persoonlijk toe te zenden, noch om hem in die hoedanigheid te betrekken bij de procedure tot ambtshalve belastingheffing, aangezien hij daaraan als bestuurder kon deelnemen en het door de vennootschap ingestelde beroep te laat was ingesteld.
17
Bovendien kan verzoeker in het hoofdgeding, als derde partij bij de procedure tot ambtshalve belastingheffing, zich niet beroepen op eventuele schendingen van grondrechten die in het kader van deze tegen de vennootschap VN gerichte procedure zijn begaan. De op het hoofdgeding toepasselijke bepalingen van nationaal recht, met name de artikelen 67-1 en volgende LTVA, brengen het Unierecht niet ten uitvoer, zodat overeenkomstig artikel 51 van het Handvest artikel 47 daarvan niet van toepassing is.
18
In dit verband merkt de verwijzende rechter ten eerste op dat de tegen verzoeker in het hoofdgeding ingestelde fiscale vervolging haar oorsprong vindt in het feit dat de wettelijke btw-verplichtingen niet werden nagekomen, verplichtingen waarvoor hij, zoals blijkt uit de vordering tot vrijwaring, aansprakelijk is in zijn hoedanigheid van bestuurder die belast is met de dagelijkse leiding van de vennootschap VN. In deze context vraagt deze rechter zich af of de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson (C-617/10, EU:C:2013:105), volgens welke uit richtlijn 2006/112 voortvloeit dat iedere lidstaat alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen dient te treffen om te waarborgen dat de btw op zijn grondgebied volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden, kan worden toegepast op een mechanisme waarbij een hoofdelijke verplichting van de bestuurders van een vennootschap wordt ingesteld wegens de onrechtmatige niet-nakoming van hun verplichtingen, en op de betaling van de btw die verschuldigd is door de vennootschap die zij leiden, zodat zou moeten worden erkend dat artikel 47 van het Handvest van toepassing is.
19
Ten tweede merkt de verwijzende rechter op dat, in het geval dat artikel 47 van het Handvest van toepassing zou zijn, het Hof in zijn arrest van 9 september 2021, Adler Real Estate e.a. (C-546/18, EU:C:2021:711), uit artikel 47 heeft afgeleid dat aan een natuurlijke persoon tegen wie een latere procedure is ingeleid, niet de bindende werking kan worden tegengeworpen van een definitief geworden besluit dat is vastgesteld in het kader van een eerdere procedure tegen een rechtspersoon waaraan die natuurlijke persoon niet als partij, maar enkel als vertegenwoordiger van die rechtspersoon heeft deelgenomen. In het licht van dat arrest vraagt hij zich derhalve af of de bestuurders van een vennootschap de mogelijkheid moeten hebben om, ten eerste, in het kader van een beroep tegen de administratieve handeling waarbij hun hoofdelijke verplichting wordt vastgesteld, incidenteel op te komen tegen de eerder tot de belastingplichtige vennootschap gerichte belastingaanslag, ten tweede, zich te beroepen op eventuele schendingen van de grondrechten die hebben plaatsgevonden in het kader van de tegen die vennootschap ingeleide procedure tot ambtshalve belastingheffing en, ten derde, op persoonlijke titel te eisen dat de belastingaanslag wordt meegedeeld of dat zij in eigen naam aan de belastingprocedure kunnen deelnemen.
20
In die omstandigheden heeft de Cour de cassation du Grand-Duché de Luxembourg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Is het Handvest […], en met name artikel 47 ervan, gelet op de criteria van artikel 51, lid 1, van het Handvest, van toepassing op een nationale regeling op grond waarvan bestuurders van een vennootschap, bij niet-nakoming van hun verplichtingen, hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de btw die verschuldigd is door de vennootschap die zij besturen?
- 2)
In geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag, moet artikel 47 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat het de bestuurders die in vrijwaring zijn opgeroepen de mogelijkheid biedt om, in het kader van een beroep dat zij op grond van het nationale recht kunnen instellen tegen een administratief besluit tot vaststelling van hun hoofdelijke aansprakelijkheid, incidenteel op te komen tegen de ambtshalve btw-aanslag die eerder is opgelegd aan de vennootschap en waartegen de vennootschap niet tijdig beroep heeft ingesteld?
- 3)
In geval van een bevestigend antwoord op de tweede vraag, moet artikel 47 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat het de bestuurders die incidenteel de ambtshalve aan de belastingplichtige vennootschap opgelegde belastingaanslag betwisten, niet beperkt tot bepaalde middelen, maar dat het alle middelen omvat, waaronder de middelen die betrekking hebben op de vaststelling van de btw-schuld, zoals de feitelijke vaststellingen die hebben geleid tot het administratieve besluit om de belastingplichtige vennootschap een ambtshalve aanslag op te leggen, alsmede de strikt persoonlijke, zoals eventuele schendingen van grondrechten die jegens die bestuurders zijn begaan in het kader van de procedure van ambtshalve belastingheffing?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
21
Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren (zie in die zin arresten van 28 november 2000, Roquette Frères, C-88/99, EU:C:2000:652, punt 18, en 18 december 2025, SACD e.a., C-182/24, EU:C:2025:979, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat verzoeker bij de verwijzende rechter opkomt tegen de vordering tot vrijwaring en daarbij middelen aanvoert die zijn ontleend aan de onregelmatigheid van de belastingaanslag die is gericht tot de belastingplichtige vennootschap waarvoor hij aansprakelijk wordt gesteld voor de btw-schuld.
23
Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 47 en artikel 51, lid 1, eerste volzin, van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat de vereisten die voortvloeien uit het in artikel 47 neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte van toepassing zijn in het kader van een beroep in rechte dat is ingesteld door de in vrijwaring opgeroepen bestuurder van een vennootschap tegen een vordering tot vrijwaring die is gebaseerd op een nationale regeling volgens welke de bestuurder van een vennootschap die zijn wettelijke btw-verplichtingen niet nakomt, hoofdelijk gehouden is tot betaling van de door die vennootschap verschuldigde btw.
24
In de eerste plaats dient eraan te worden herinnerd dat artikel 51, lid 1, van het Handvest de werkingssfeer ervan omschrijft en bepaalt dat de bepalingen van het Handvest, wat het optreden van de lidstaten betreft, slechts dan tot hen zijn gericht wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen. De in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten kunnen dus toepassing vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten (arresten van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C-617/10, EU:C:2013:105, punt 19, en 29 juli 2024, protectus, C-185/23, EU:C:2024:657, punten 40 en 41).
25
Het begrip ‘ten uitvoer brengen van het recht van de Unie’ in de zin van dat artikel vooronderstelt dat er tussen een Unierechtelijke handeling en de betrokken nationale maatregel een verband bestaat dat verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betrokken materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere (zie in die zin arresten van 6 maart 2014, Siragusa, C-206/13, EU:C:2014:126, punt 24, en 12 september 2024, Syndyk Masy Upadłości A, C-709/22, EU:C:2024:741, punt 62).
26
Om te bepalen of een nationale regeling in het hoofdgeding ‘het recht van de Unie ten uitvoer brengt’, moet onder meer worden nagegaan of zij de uitvoering beoogt van een Unierechtelijke bepaling, welke de aard van die regeling is en of deze regeling andere doelstellingen nastreeft dan die waarop het recht van de Unie ziet, ook wanneer de regeling dit recht indirect nadelig kan beïnvloeden, alsmede of ter zake een Unierechtelijke regeling bestaat die specifiek is of die de nationale regeling nadelig kan beïnvloeden (arresten van 8 november 2012, Iida, C-40/11, EU:C:2012:691, punt 79, en 10 juli 2025, DADA Music en UPFR, C-37/24, EU:C:2025:551, punt 50).
27
In dat verband volgt met name uit de artikelen 2 en 273 van richtlijn 2006/112, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU en artikel 325, lid 1, VWEU, dat de lidstaten verplicht zijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om te waarborgen dat de btw op hun respectieve grondgebied volledig wordt geïnd en om fraude te voorkomen (zie in die zin arresten van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia ‘Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika’, C-1/21, EU:C:2022:788, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 3 april 2025, Cityland, C-164/24, EU:C:2025:241, punt 34).
28
Overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder b), van besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (PB 2014, L 168, blz. 105) omvatten de eigen middelen van de Unie onder meer de ontvangsten uit de toepassing van een uniform percentage op de btw-grondslag die is vastgesteld volgens Unievoorschriften. Bijgevolg bestaat er een rechtstreeks verband tussen de inning van de btw-ontvangsten met inachtneming van het toepasselijke Unierecht en de terbeschikkingstelling van de overeenkomstige btw-middelen aan de begroting van de Unie, aangezien elke tekortkoming op het gebied van de inning van de btw-ontvangsten potentieel leidt tot een verlaging van de btw-middelen van de Unie (zie in die zin arresten van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C-617/10, EU:C:2013:105, punt 26, en 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia ‘Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika’, C-1/21, EU:C:2022:788, punt 58).
29
In casu blijkt het betrokken mechanisme van oproeping in vrijwaring verband te houden met de niet-nakoming van wettelijke verplichtingen op het gebied van de btw. Het biedt de nationale belastingdienst namelijk de mogelijkheid om de door een belastingplichtige rechtspersoon verschuldigde btw in te vorderen bij de gedelegeerd bestuurders, de zaakvoerders en elke bestuurder die rechtens of feitelijk belast is met de dagelijkse leiding van deze rechtspersoon. In dit verband bepaalt artikel 67-3, eerste alinea, tweede volzin, LTVA dat de vordering tot vrijwaring ‘deze dienst het recht [verleent] om bij voornoemde personen de btw in te vorderen die door de btw-plichtige personen verschuldigd is’.
30
Vastgesteld moet worden dat een dergelijk mechanisme tot doel heeft om de invordering te waarborgen van btw die door een belastingplichtige rechtspersoon niet is voldaan en bijdraagt tot de nakoming van de in punt 27 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte verplichting van elke lidstaat om overeenkomstig met name artikel 325, lid 1, VWEU en artikel 273 van richtlijn 2006/112 alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen om te waarborgen dat de btw op zijn grondgebied volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden.
31
Gelet op de in de punten 27 en 28 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak moet worden geoordeeld dat dit mechanisme onder de tenuitvoerlegging van met name artikel 273 van richtlijn 2006/112 valt en dat het Groothertogdom Luxemburg door de invoering en toepassing van dat mechanisme het Unierecht ten uitvoer brengt in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.
32
Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het betoog van de Luxemburgse regering, die ter betwisting van de toepasselijkheid van het Handvest in het hoofdgeding stelt dat het betrokken mechanisme van oproeping in vrijwaring niet tot doel heeft om de volledige inning van de door de belastingplichtige vennootschap verschuldigde btw mogelijk te maken, maar de vergoeding te verzekeren van de schade die de nationale belastingdienst heeft geleden als gevolg van een onrechtmatige gedraging die aan de bestuurder van die vennootschap toerekenbaar is.
33
Zoals de advocaat-generaal in punt 45 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, moet elke nationale maatregel die bijdraagt tot de gehele of gedeeltelijke invordering van de btw die een belastingplichtige niet heeft betaald, ongeacht of dit bij die persoon of bij een derde is, namelijk worden geacht bij te dragen tot het waarborgen van de correcte inning van de btw en, in voorkomend geval, tot de bestrijding van fraude. De door de Luxemburgse regering aangevoerde omstandigheid dat een dergelijke maatregel een specifiek geval van civielrechtelijke aansprakelijkheid invoert en naar nationaal recht niet onder een stelsel van fiscale sancties valt, is in dit verband irrelevant.
34
Zo heeft het Hof in een feitelijke en juridische context die vergelijkbaar is met die van het hoofdgeding reeds vastgesteld dat een mechanisme van hoofdelijke aansprakelijkheid waarbij, ten eerste, de bestuurder van een vennootschap hoofdelijk aansprakelijk wordt voor alle of een deel van de btw-schulden van die vennootschap, ongeacht de betrokken belastbare handelingen, en, ten tweede, deze aansprakelijkheid beperkt is tot het bedrag van vermogensverlies dat de rechtspersoon heeft geleden als gevolg van handelingen die te kwader trouw zijn verricht door de persoon die hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, bijdraagt aan de invordering van btw-bedragen die een belastingplichtige rechtspersoon niet binnen de dwingende termijnen van richtlijn 2006/112 heeft betaald, zodat het bijdraagt tot de waarborging van de juiste inning van de btw en, in voorkomend geval, tot het voorkomen van fraude in de zin van artikel 273 van deze richtlijn (zie in die zin arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia ‘Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika’, C-1/21, EU:C:2022:788, punten 52, 53, 61, 66 en 70).
35
Zoals de Luxemburgse regering ter terechtzitting heeft erkend, valt de schade die op grond van het betrokken mechanisme van oproeping in vrijwaring kan worden vergoed, bovendien samen met het bedrag van de btw die de belastingplichtige rechtspersoon niet heeft betaald.
36
In de tweede plaats volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de erkenning van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte in een bepaald geval veronderstelt dat de persoon die dit recht inroept, zich beroept op door het Unierecht gewaarborgde rechten of vrijheden of wordt vervolgd in het kader van een tenuitvoerlegging van het Unierecht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest [zie in die zin arresten van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken), C-245/19 en C-246/19, EU:C:2020:795, punt 55, en 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C-146/23 en C-374/23, EU:C:2025:109, punt 41].
37
Dat is in laatstgenoemde hypothese, die overeenkomt met de situatie in de onderhavige zaak, het geval wanneer een persoon in het kader van een beroep in rechte opkomt tegen een voor hem bezwarend administratief besluit dat is vastgesteld op grond van een nationale bepaling die het Unierecht ten uitvoer brengt in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest [zie in die zin arresten van 16 mei 2017, Berlioz Investment Fund, C-682/15, EU:C:2017:373, punt 50, en 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, C-189/18, EU:C:2019:861, punt 59].
38
In casu heeft verzoeker in het hoofdgeding beroep in rechte ingesteld tegen de vordering tot vrijwaring die is gebaseerd op het betrokken mechanisme van oproeping in vrijwaring, dat, zoals in punt 31 van het onderhavige arrest is vastgesteld, het Unierecht ten uitvoer brengt in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest. Hieruit volgt dat in dergelijke omstandigheden de uit artikel 47 van het Handvest voortvloeiende vereisten van toepassing zijn.
39
Voorts zij eraan herinnerd dat de eerste vraag van de verwijzende rechter geen betrekking heeft op de vraag of de tegen verzoeker in het hoofdgeding ingestelde procedure tot oproeping in vrijwaring onderworpen is aan de vereisten die voortvloeien uit het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, maar op de vraag of deze vereisten van toepassing zijn in het kader van een beroep in rechte dat verzoeker in het hoofdgeding heeft ingesteld tegen een vordering tot vrijwaring.
40
Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 47 en artikel 51, lid 1, eerste volzin, van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat de vereisten die voortvloeien uit het in artikel 47 neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte van toepassing zijn in het kader van een beroep in rechte dat is ingesteld door de in vrijwaring opgeroepen bestuurder van een vennootschap tegen een vordering tot vrijwaring die is gebaseerd op een nationale regeling volgens welke de bestuurder van een vennootschap die zijn wettelijke btw-verplichtingen niet nakomt, hoofdelijk gehouden is tot betaling van de btw die deze vennootschap verschuldigd is overeenkomstig de bepalingen van richtlijn 2006/112.
Tweede en derde vraag
41
Met zijn tweede en derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 47 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de bestuurder van een vennootschap die wordt opgeroepen in vrijwaring voor de betaling van een btw-schuld die niet is voldaan door die btw-plichtige vennootschap, in het kader van zijn beroep tegen de vordering tot vrijwaring niet incidenteel kan opkomen tegen de eerder tot die vennootschap gerichte en definitief geworden belastingaanslag. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, vraagt deze rechter zich ook af welke middelen een dergelijke persoon ter ondersteuning van zijn beroep kan aanvoeren in het kader van de incidentele betwisting van die belastingaanslag, met name met betrekking tot de grondslag en het bedrag van de onbetaalde btw waarvoor deze persoon aansprakelijk wordt gesteld, en eventuele schendingen van de grondrechten van die persoon tijdens de belastingprocedure.
42
In dat verband dient eraan te worden herinnerd dat, op grond van het recht op een doeltreffende rechtsbescherming, zoals vastgelegd in artikel 47 van het Handvest, de houder van dit recht toegang moet hebben tot een rechterlijke instantie die bevoegd is om de eerbiediging van zijn uit het Unierecht voortvloeiende rechten te waarborgen en om daartoe alle voor het bij haar aanhangige geding relevante feitelijke en juridische kwesties te onderzoeken [zie in die zin arresten van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken), C-245/19 en C-246/19, EU:C:2020:795, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 18 december 2025, SACD e.a., C-182/24, EU:C:2025:979, punt 73].
43
Tevens dient eraan te worden herinnerd dat de eerbiediging van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechten van de verdediging impliceert dat de verzoeker niet alleen toegang heeft tot de gronden van het jegens hem genomen besluit, maar ook tot alle elementen van het dossier waarop de overheidsinstantie zich heeft gebaseerd, teneinde doeltreffend een standpunt te kunnen innemen over die gegevens [arrest van 25 april 2024, NW en PQ (Gerubriceerde informatie), C-420/22 en C-528/22, EU:C:2024:344, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
44
Wat in casu het betrokken mechanisme van oproeping in vrijwaring betreft, blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de persoon die in vrijwaring wordt opgeroepen, slechts fiscaal aansprakelijk kan worden gesteld indien er sprake is van een door die persoon gemaakte fout, van schade en van een oorzakelijk verband tussen die fout en die schade. Deze aansprakelijkheid strekt zich uit tot de schade bestaande in het bedrag van de niet-voldane btw-schuld, zoals vastgesteld in de aan de belastingplichtige vennootschap gerichte en inmiddels definitief geworden belastingaanslag. De toepasselijke nationale regeling biedt de in vrijwaring opgeroepen persoon echter niet de mogelijkheid om persoonlijk beroep in te stellen tegen deze belastingaanslag en het definitieve karakter van die belastingaanslag staat eraan in de weg dat deze persoon incidenteel in het kader van zijn beroep tegen de vordering tot vrijwaring kan opkomen tegen met name de grondslag van de btw en het bedrag van de belastingschuld van de belastingplichtige vennootschap waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk wordt gehouden.
45
Gelet op de administratieve aard van de vordering tot vrijwaring moet er in dit verband bovendien aan worden herinnerd dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging niet alleen moet worden gewaarborgd door een eventuele gerechtelijke procedure krachtens artikel 47 van het Handvest, maar ook tijdens de administratieve procedure die tot de vaststelling van die vordering leidt, op grond van een algemeen beginsel van het Unierecht. Dit beginsel is van toepassing wanneer de overheid voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen. Het recht om te worden gehoord, dat een integraal onderdeel is van de rechten van verdediging vereist dat de adressaat van een besluit dat zijn belangen aanmerkelijk raakt, in staat wordt gesteld om naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de overheid haar besluit wil baseren. Deze verplichting rust op de overheden van de lidstaten wanneer zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, ook al voorziet de toepasselijke Uniewetgeving niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit (zie in die zin arresten van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, C-189/18, EU:C:2019:861, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 27 februari 2025, Adjak, C-277/24, EU:C:2025:130, punt 51, en 6 maart 2025, Obshtina Veliko Tarnovo en Obshtina Belovo, C-471/23 en C-477/23, EU:C:2025:155, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
De regel dat aan de adressaat van een bezwarend besluit de gelegenheid moet worden gegeven om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat dit besluit wordt genomen heeft tot doel om de bevoegde instantie in staat te stellen om naar behoren rekening te houden met alle relevante gegevens. Die regel beoogt met name, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon, deze laatste in staat te stellen om een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of in een bepaalde zin wordt besloten [zie in die zin arresten van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, C-189/18, EU:C:2019:861, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 4 juni 2020, C.F. (Belastingcontrole), C-430/19, EU:C:2020:429, punt 30, en 13 juni 2024, C (Bewindvoerders en curatoren), C-696/22, EU:C:2024:499, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
47
Het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft evenwel geen absolute gelding, maar kan worden beperkt, mits de beperkingen werkelijk beantwoorden aan een of meerdere doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige ingreep (zie in die zin arresten van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, C-189/18, EU:C:2019:861, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 27 februari 2025, Adjak, C-277/24, EU:C:2025:130, punt 53).
48
Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging er in de regel niet aan in de weg staat dat een belastingautoriteit in het kader van een belastingprocedure tegen een belastingplichtige gebonden is door de feitelijke vaststellingen en juridische kwalificaties die zij heeft verricht in het kader van gerelateerde administratieve procedures tegen derden, waarbij deze belastingplichtige geen partij was (zie in die zin arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, C-189/18, EU:C:2019:861, punt 46).
49
Bij het toezicht op de eerbiediging van de rechten van de verdediging in het kader van gerelateerde administratieve procedures moet namelijk ook rekening worden gehouden met de rechtszekerheid, die ook een algemeen beginsel van het Unierecht is. Aangezien het feit dat een administratief besluit definitief is geworden bijdraagt tot de rechtszekerheid, vereist het Unierecht in beginsel niet dat een bestuursorgaan wordt verplicht terug te komen op een dergelijk definitief administratief besluit (zie in die zin arrest van 27 februari 2025, Adjak, C-277/24, EU:C:2025:130, punt 55).
50
Dit is evenwel anders wanneer de betrokkene in feite volledig het recht wordt ontzegd om in de loop van de procedure waaraan hij is onderworpen, deze feitelijke vaststellingen en juridische kwalificaties naar behoren en doeltreffend te betwisten. Een dergelijke ontzegging zou namelijk de rechten van de verdediging van de betrokkene in hun kern aantasten (zie in die zin arresten van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, C-189/18, EU:C:2019:861, punten 47 en 49, en 27 februari 2025, Adjak, C-277/24, EU:C:2025:130, punt 56).
51
Hieruit volgt dat een nationale regeling als die waarbij het betrokken mechanisme van oproeping in vrijwaring is ingesteld, de rechten van verdediging van de in vrijwaring opgeroepen persoon in zijn kern kan aantasten wanneer deze volledig het recht wordt ontnomen om naar behoren en op doeltreffende wijze de feitelijke vaststellingen en de juridische kwalificaties in de definitief geworden belastingaanslag ter discussie te stellen. De in het kader van een gerelateerde administratieve procedure vastgestelde belastingaanslag vormt in het kader van de procedure tot oproeping in vrijwaring namelijk een bewijselement dat ertoe strekt de voorwaarden voor hoofdelijke aansprakelijkheid vast te stellen, waartegen de in vrijwaring opgeroepen persoon op die grond moet kunnen opkomen.
52
In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging in het kader van een procedure tot oproeping in vrijwaring niet vereist dat de in vrijwaring opgeroepen persoon persoonlijk betrokken is bij de belastingprocedure tegen de rechtspersoon voor wiens belastingschuld hij hoofdelijk aansprakelijk is (zie in die zin arrest van 27 februari 2025, Adjak, C-277/24, EU:C:2025:130, punten 61, 62 en 64).
53
Evenzo houdt het in artikel 47 van het Handvest verankerde recht op een doeltreffende voorziening in rechte alleen in dat de betrokkene het recht wordt toegekend om in rechte op te komen tegen een voor hem bezwarende handeling die afbreuk kan doen aan door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden, en niet noodzakelijkerwijs dat de houder van dat recht rechtstreeks beroep moet kunnen instellen dat er primair toe strekt een bepaalde maatregel aan te vechten, voor zover er een of meer rechtsmiddelen bestaan waarmee hij incidenteel een rechterlijke toetsing van die maatregel kan verkrijgen waarmee de eerbiediging van die rechten en vrijheden wordt gewaarborgd [zie in die zin arrest van 8 april 2025, Europees Openbaar Ministerie (Rechterlijke toetsing van procedurele handelingen), C-292/23, EU:C:2025:255, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. De rechter bij wie een geding aanhangig is, moet zich ervan vergewissen dat dergelijke rechtsmiddelen waarin het nationale recht voorziet, de doeltreffende rechterlijke bescherming van de door het Unierecht aan de betrokkene verleende rechten kunnen waarborgen (zie in die zin arrest van 14 september 2017, The Trustees of the BT Pension Scheme, C-628/15, EU:C:2017:687, punt 60).
54
De doeltreffendheid van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechterlijke toetsing vereist dat de rechter die de rechtmatigheid toetst van een administratief besluit dat is vastgesteld in het kader van een procedure waarbij het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht, onder meer de rechtmatigheid kan toetsen, met name in het licht van het Handvest en de algemene beginselen van het Unierecht, van de verkrijging en het gebruik van bewijzen die verzameld zijn in het kader van daarmee verband houdende administratieve procedures tegen derden, voor zover die bewijzen nuttig zijn voor de verdediging van de betrokkene (zie in die zin arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, C-189/18, EU:C:2019:861, punten 57 en 63).
55
Zoals de advocaat-generaal in punt 73 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, vereisen de uit artikel 47 van het Handvest voortvloeiende vereisten namelijk dat de rechter bij wie een geding aanhangig is over de rechtmatigheid van een vordering tot vrijwaring die is gebaseerd op een nationale regeling zoals het betrokken mechanisme van oproeping in vrijwaring, in staat is om in het kader van een incidentele toetsing alle feitelijke vaststellingen en juridische kwalificaties te verifiëren waarop die vordering is gebaseerd, voor zover deze beslissend zijn voor de uitkomst van het beroep. Dit geldt in casu met name voor de feitelijke vaststellingen en de juridische kwalificaties in de belastingaanslag waarop de bevoegde autoriteit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder wil baseren, met inbegrip van die met betrekking tot de grondslag en het bedrag van de onbetaalde btw waarvoor hij aansprakelijk wordt gesteld.
56
Anders dan de Luxemburgse regering betoogt, kan de mogelijkheid voor de in vrijwaring opgeroepen persoon om incidenteel op te komen tegen de belastingaanslag op grond van artikel 47 van het Handvest niet afhangen van de vraag of de bestuurder van een vennootschap, gelet op de reikwijdte van zijn mandaat, in staat was om tijdens de tegen de belastingplichtige vennootschap ingestelde belastingprocedure of na de vaststelling van de belastingaanslag, binnen de gestelde beroepstermijn naar behoren de rechtmatigheid van die aanslag in naam van die vennootschap te betwisten.
57
De rechten van de verdediging hebben namelijk een subjectief karakter, zodat het de betrokken partijen zelf zijn die deze rechten daadwerkelijk moeten kunnen uitoefenen, ongeacht de aard van de tegen hen gevoerde procedure. Zoals de advocaat-generaal in de punten 76, 77 en 79 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, moet een in vrijwaring opgeroepen persoon, in eigen naam en in zijn hoedanigheid van in vrijwaring opgeroepen persoon, in het kader van een beroep in rechte tegen de vordering tot vrijwaring kunnen opkomen tegen de feitelijke vaststellingen en de juridische kwalificaties in de belastingaanslag waarop de bevoegde autoriteit zich heeft gebaseerd om zijn hoofdelijke aansprakelijkheid vast te stellen. In een dergelijk geval kan namelijk niet worden uitgesloten dat de rechtspersoon en de natuurlijke persoon, die namens hem verbintenissen kan aangaan of hem kan vertegenwoordigen, verschillende belangen hebben (zie in die zin arrest van 9 september 2021, Adler Real Estate e.a., C-546/18, EU:C:2021:711, punten 58–60, en naar analogie arrest van 10 november 2022, DELTA STROY 2003, C-203/21, EU:C:2022:865, punt 63).
58
Deze overweging geldt temeer daar, zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting heeft aangevoerd, de mogelijkheid, in de praktijk, voor de bestuurder die later wordt opgeroepen in vrijwaring voor de btw-schuld die de belastingplichtige vennootschap niet heeft betaald, om de aan deze vennootschap gerichte belastingaanslag te betwisten, kan afhangen van tal van feitelijke en juridische elementen die met name verband houden met de verscheidenheid aan vennootschapsvormen en de daaraan eigen besluitvormingsprocessen in de verschillende lidstaten. In een aantal situaties kan het dus onmogelijk blijken om met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag na te gaan of de bestuurder van de belastingplichtige vennootschap waaraan die aanslag was gericht, zelf daadwerkelijk de mogelijkheid had om de rechtmatigheid van deze aanslag in naam van die vennootschap met succes te betwisten.
59
Wat voorts het betoog van de Luxemburgse regering betreft dat de erkenning ten gunste van de in vrijwaring opgeroepen persoon van de mogelijkheid om incidenteel tegen de belastingaanslag op te komen, erop zou neerkomen dat wordt voorbijgegaan aan het definitieve karakter van deze belastingaanslag en deze persoon een tweede mogelijkheid tot betwisting wordt geboden, moet om te beginnen worden opgemerkt dat de erkenning van een dergelijke mogelijkheid geen invloed heeft op de bindende werking van de belastingaanslag jegens de vennootschap waaraan deze is gericht. Vervolgens kan het enkele feit dat een regeling van hoofdelijke aansprakelijkheid, zoals het betrokken mechanisme van oproeping in vrijwaring, in voorkomend geval op bijzonder doeltreffende wijze kan bijdragen tot de invordering van onbetaalde btw-schulden, niet tot gevolg hebben dat de in vrijwaring opgeroepen persoon de daadwerkelijke uitoefening van zijn rechten van de verdediging volledig wordt ontnomen.
60
Ten slotte blijkt uit punt 55 van het onderhavige arrest dat het recht van de in vrijwaring opgeroepen bestuurder van de vennootschap om incidenteel de feitelijke vaststellingen en de juridische kwalificaties in de belastingaanslag te betwisten, beperkt is tot de middelen die nodig zijn om de betrokken bestuurder in staat te stellen om het bestaan van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid met succes te betwisten.
61
In ieder geval vereist de eerbiediging van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechten van de verdediging dat een in vrijwaring opgeroepen persoon zich in het kader van een beroep in rechte tegen de vordering tot vrijwaring incidenteel kan beroepen op eventuele schendingen van zijn grondrechten tijdens de tegen de belastingplichtige vennootschap gevoerde belastingprocedure.
62
Wat voorts het argument van de Luxemburgse regering betreft dat de rechten van de verdediging van de in vrijwaring opgeroepen persoon moeten worden beperkt om de bescherming te waarborgen van de vertrouwelijkheid en het beroepsgeheim waartoe de belastingautoriteiten gehouden zijn, alsook van het bedrijfsgeheim, moet worden opgemerkt dat in het kader van een gerechtelijke procedure de eerbiediging van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechten van de verdediging impliceert dat de verzoeker niet alleen toegang heeft tot de gronden van het jegens hem genomen besluit, maar ook tot alle gegevens van het dossier waarop de overheidsinstantie zich heeft gebaseerd, teneinde doeltreffend een standpunt te kunnen innemen over die gegevens (zie in die zin arrest van 12 maart 2026, Deldwyn, C-477/24, EU:C:2026:182, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63
Grondrechten hebben echter geen absolute gelding, maar kunnen beperkingen bevatten, mits deze werkelijk beantwoorden aan doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, geen onevenredige en onduldbare ingreep tot gevolg hebben waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast. Dergelijke beperkingen kunnen er namelijk toe strekken de toepassing te verzekeren van de inzake vertrouwelijkheid of het beroepsgeheim geldende vereisten (zie in die zin arrest van 12 maart 2026, Deldwyn, C-477/24, EU:C:2026:182, punten 65 en 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64
Indien enerzijds het belang van de persoon tegen wie een bezwarende handeling is gericht om te beschikken over de noodzakelijke informatie waarmee zijn verdedigingsrechten ten volle kunnen worden uitgeoefend, en anderzijds belangen verbonden aan de handhaving van de vertrouwelijkheid of het beroepsgeheim, met elkaar in botsing komen, staat het aan de rechterlijke instanties om, gelet op de omstandigheden van het geval, een evenwicht tussen deze tegengestelde belangen te zoeken (zie in die zin arresten van 13 september 2018, UBS Europe e.a., C-358/16, EU:C:2018:715, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 maart 2026, Deldwyn, C-477/24, EU:C:2026:182, punt 67).
65
In casu staat het aan de verwijzende rechter om in het kader van de afweging van de betrokken belangen met name rekening te houden met het feit dat de gegevens in de aan de belastingplichtige vennootschap toegezonden aanslag, waarvan de in vrijwaring opgeroepen persoon de gegrondheid wil betwisten, betrekking hebben op feitelijke en juridische omstandigheden waarvan deze laatste op de hoogte kon zijn vanwege de functies die hij tijdens de betrokken belastingperiode binnen die vennootschap uitoefende.
66
Gelet op een en ander moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 47 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een persoon die wordt opgeroepen in vrijwaring voor de betaling van een btw-schuld die niet is voldaan door een btw-plichtige vennootschap, in het kader van zijn beroep tegen de vordering tot vrijwaring niet incidenteel kan opkomen tegen de eerder tot die vennootschap gerichte en definitief geworden belastingaanslag. Krachtens deze bepaling moet een dergelijke persoon ter ondersteuning van zijn beroep kunnen opkomen tegen de feitelijke vaststellingen en de juridische kwalificaties waarop de bevoegde autoriteit zich heeft gebaseerd om zijn hoofdelijke aansprakelijkheid vast te stellen, met inbegrip van die met betrekking tot de grondslag en het bedrag van de onbetaalde btw waarvoor deze persoon aansprakelijk wordt gesteld, voor zover die vaststellingen en kwalificaties nuttig zijn voor zijn verdediging, alsook eventuele schendingen van de grondrechten van die persoon tijdens de belastingprocedure.
Kosten
67
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 47 en artikel 51, lid 1, eerste volzin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
moeten aldus worden uitgelegd dat
de vereisten die voortvloeien uit het in artikel 47 neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte van toepassing zijn in het kader van een beroep in rechte dat is ingesteld door de in vrijwaring opgeroepen bestuurder van een vennootschap tegen een vordering tot vrijwaring die is gebaseerd op een nationale regeling volgens welke de bestuurder van een vennootschap die zijn wettelijke verplichtingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde (btw) niet nakomt, hoofdelijk gehouden is tot betaling van de btw die deze vennootschap verschuldigd is overeenkomstig de bepalingen van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.
- 2)
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een persoon die wordt opgeroepen in vrijwaring voor de betaling van een btw-schuld die niet is voldaan door een btw-plichtige vennootschap, in het kader van zijn beroep tegen de vordering tot vrijwaring niet incidenteel kan opkomen tegen de eerder tot die vennootschap gerichte en definitief geworden belastingaanslag. Krachtens deze bepaling moet een dergelijke persoon ter ondersteuning van zijn beroep kunnen opkomen tegen de feitelijke vaststellingen en de juridische kwalificaties waarop de bevoegde autoriteit zich heeft gebaseerd om zijn hoofdelijke aansprakelijkheid vast te stellen, met inbegrip van die met betrekking tot de grondslag en het bedrag van de onbetaalde btw waarvoor deze persoon aansprakelijk wordt gesteld, voor zover die vaststellingen en kwalificaties nuttig zijn voor zijn verdediging, alsook eventuele schendingen van de grondrechten van die persoon tijdens de belastingprocedure.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑07‑2026
Conclusie 05‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Recht op een doeltreffende voorziening in rechte — Mechanisme van hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders van een vennootschap voor de betaling van de door deze vennootschap verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde (btw) — Recht van de bestuurder op betwisting van de ambtshalve belastingheffing voor btw-doeleinden
L. medina
Partij(en)
Zaak C-158/251.
QJ
tegen
Administration de l'enregistrement, des domaines et de la TVA,
État du Grand-duché de Luxembourg
[verzoek van de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Luxemburg) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
In de onderhavige zaak dient het Hof zich uit te spreken over de vereisten van het door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, en wel tegen de achtergrond van een nationale regeling die bepaalt dat de bestuurder van een vennootschap hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden inzake de belasting over de toegevoegde waarde (btw) van deze vennootschap. Het Hof heeft zich reeds gebogen over de verenigbaarheid met het Unierecht van diverse aspecten van nationale mechanismen van hoofdelijke aansprakelijkheid van een derde voor de belastingschuld van een rechtspersoon, met name in het licht van de rechten van de verdediging en het evenredigheidsbeginsel.2.
2.
In de onderhavige zaak rijst de vraag of het nationale mechanisme van hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder van een vennootschap voor de belastingschuld van diezelfde vennootschap onder de werkingssfeer van het Unierecht valt, zelfs wanneer dat mechanisme niet als bestraffend wordt aangemerkt. Zo ja, dan moet nader worden ingegaan op het vereiste van het in artikel 47 van het Handvest verankerde recht op effectieve rechterlijke bescherming in de context van het geschil over de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder. Concreet rijst de vraag of de bestuurder, wanneer hij in zijn hoedanigheid van hoofdelijk schuldenaar wordt aangesproken, het recht moet worden toegekend om incidenteel op te komen tegen een jegens de belastingplichtige vennootschap vastgestelde belastingaanslag die definitief is geworden. De onderhavige zaak biedt het Hof dus de gelegenheid om enige preciseringen aan te brengen over het evenwicht tussen de doeltreffendheid van de btw-inning door de schatkist en het doel van administratieve besluiten enerzijds, en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte voor de hoofdelijke schuldenaar van een btw-schuld anderzijds.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
3.
Artikel 273, eerste alinea, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: ‘btw-richtlijn’) bepaalt het volgende:
‘De lidstaten kunnen, onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtigen verrichte binnenlandse handelingen en handelingen tussen de lidstaten, andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste inning van de btw en ter voorkoming van fraude, mits deze verplichtingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met een grensoverschrijding.’
B. Luxemburgs recht
4.
Overeenkomstig artikel 2 bis, onder a), van de loi modifiée du 12 février 1979 concernant la taxe sur la valeur ajoutée (Mémorial A, 1979, blz. 185) (gewijzigde wet van 12 februari 1979 betreffende de belasting over de toegevoegde waarde; hierna: ‘btw-wet’) moet ‘dienst’ voor de toepassing van deze wet worden begrepen als ‘Administration de l'enregistrement, des domaines et de la TVA’ (dienst registratie, domeinen en btw; hierna: ‘AEDT’ of ‘dienst’).
5.
Artikel 67-1 van de btw-wet, ingevoegd bij de wet van 23 december 2016 houdende de tenuitvoerlegging van de belastinghervorming van 2017 en tot wijziging van onder meer de btw-wet (Mémorial A, 2016, blz. 5137), bepaalt:
‘De gedelegeerd bestuurders, de zaakvoerders alsmede elke bestuurder die rechtens of feitelijk belast is met de dagelijkse leiding van personen die btw-plichtig zijn, moeten ervoor zorgen dat de in deze wet neergelegde wettelijke verplichtingen worden nagekomen, en met name dat de verschuldigde btw wordt betaald met de financiële middelen die zij beheren.’
6.
Artikel 67-2 van de btw-wet luidt als volgt:
‘De gedelegeerd bestuurders, de zaakvoerders alsmede elke bestuurder die rechtens of feitelijk belast is met de dagelijkse leiding, zijn persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde btw wanneer niet-nakoming van de op hen rustende wettelijke verplichtingen ertoe leidt dat niet wordt voldaan aan de wettelijke verplichtingen die deze wet oplegt aan de btw-plichtige personen die zij besturen of wanneer de verschuldigde btw niet wordt betaald met de financiële middelen die zij beheren.’
7.
Artikel 67-3 van de btw-wet bepaalt:
‘In geval van niet-nakoming van de wettelijke verplichtingen die rusten op de gedelegeerd bestuurders, de zaakvoerders alsmede op elke bestuurder die rechtens of feitelijk belast is met de dagelijkse leiding, kan de directeur van de [AEDT] of zijn plaatsvervanger tegen deze personen een vordering tot vrijwaring instellen. Deze vordering verleent deze dienst het recht om bij voornoemde personen de btw in te vorderen die door de btw-plichtige personen verschuldigd is.
[…]
Tegen de door de directeur van de [AEDT] of zijn plaatsvervanger ingestelde vorderingen tot vrijwaring kan bewaar worden gemaakt.
[…]
Tegen het besluit van de directeur kan beroep worden ingesteld. […]’
8.
Artikel 74 van de btw-wet bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Wanneer de dienst met betrekking tot de door een belastingplichtige verrichte handelingen op basis van ernstige, nauwkeurige en overeenstemmende vermoedens twijfel heeft over de juistheid van de daarover ingediende aangiften, is zij gemachtigd om een ambtshalve belastingaanslag op te leggen wanneer die twijfel niet kan worden weggenomen door de door de belastingplichtige verstrekte uitleg, inlichtingen of bewijzen.
- 2.
Wanneer een belastingplichtige om welke reden ook de in artikel 64 bedoelde belastingaangiften niet heeft ingediend binnen de gestelde termijnen of zich geheel of gedeeltelijk niet heeft gehouden aan de verplichtingen die bij deze wet of ter uitvoering daarvan zijn opgelegd met betrekking tot het bijhouden, overhandigen, bewaren of overleggen van boeken of bescheiden, is de dienst eveneens gemachtigd om de door de belastingplichtige verschuldigde belastingen ambtshalve vast te stellen op basis van het vermoedelijke bedrag van de handelingen die hij heeft verricht tijdens de maand of maanden waarop de onregelmatigheid betrekking heeft.’
9.
Artikel 76 van de btw-wet bepaalt in de leden 2 en 3:
- ‘2.
Het bericht van ambtshalve rectificatie of belastingheffing overeenkomstig de artikelen 73, 74 en 75 wordt betekend aan de belastingplichtige die geacht wordt het te hebben ontvangen op de daarin vermelde datum van betekening. […]
- 3.
Tegen het in lid 2 bedoelde bericht van ambtshalve rectificatie of belastingheffing kan bezwaar worden gemaakt. […]
Tegen het besluit van de directeur kan beroep worden ingesteld. Het beroep wordt ingeleid door middel van een dagvaarding voor de tribunal d'arrondissement de Luxembourg (rechter in eerste aanleg Luxemburg, Luxemburg), zetelend in burgerlijke zaken. […]’
III. Feiten van het hoofdgeding, procesverloop en prejudiciële vragen
10.
Op 17 maart 2018 heeft de AEDT aan de Luxemburgse vennootschap VN (hierna: ‘belastingplichtige vennootschap’) twee ambtshalve belastingaanslagen opgelegd voor respectievelijk het jaar 2014 en de jaren 2015 en 2016 (hierna: ‘ambtshalve belastingaanslagen’). QJ was zaakvoerder van deze vennootschap van 22 april 2013 tot en met 15 februari 2019, de dag van zijn ontslag. Het door de belastingplichtige vennootschap tegen deze aanslagen ingediende bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.
11.
Op 16 mei 2019 heeft de AEDT, aangezien de belastingplichtige vennootschap de verschuldigde bedragen niet had voldaan, een vordering tot vrijwaring aan QJ toegezonden met het verzoek om, in zijn hoedanigheid van zaakvoerder die tussen 2013 en 2019 met de dagelijkse leiding van de belastingplichtige vennootschap was belast, de voor de jaren 2014 tot en met 2016 onbetaald gebleven bedragen te voldoen (hierna: ‘vordering tot vrijwaring’).
12.
Nadat de directeur van de AEDT het door QJ tegen de vordering tot vrijwaring ingediende bezwaar had afgewezen, heeft laatstgenoemde zich gewend tot de tribunal d'arrondissement de Luxembourg met het verzoek om deze vordering te herzien dan wel nietig te verklaren. Deze rechter heeft dit verzoek verworpen en het besluit van de directeur van de AEDT bekrachtigd.
13.
QJ heeft hoger beroep ingesteld bij de cour d'appel (rechter in tweede aanleg, Luxemburg). Voor deze rechter heeft hij aangevoerd dat hij, in de hoedanigheid van in vrijwaring opgeroepen partij voor de betaling van de ambtshalve aan de vennootschap — waarvan hij zaakvoerder was geweest — opgelegde belastingaanslagen, beschikte over een rechtsmiddel in de vorm van een derdenverzet dat ontvankelijk bleef, aangezien de belastingaanslagen hem niet persoonlijk waren betekend. Verder heeft hij betoogd dat het hem ontzeggen van de mogelijkheid om een beroep in eigen naam in te stellen, in strijd is met artikel 47 van het Handvest.
14.
De cour d'appel heeft het door QJ aangevoerde argument inzake schending van artikel 47 van het Handvest van de hand gewezen. Deze rechter heeft geoordeeld dat de artikelen 67-1 en volgende van de btw-wet, waarin is voorzien in de procedure inzake vorderingen tot vrijwaring, geen bepalingen van afgeleid Unierecht zijn. Bovendien kan QJ, als derde partij bij de procedure tot ambtshalve belastingheffing, zich niet beroepen op eventuele schendingen van grondrechten die in het kader van deze tegen de vennootschap VN gerichte procedure zijn begaan.
15.
Aangaande de door QJ geuite kritiek op de ambtshalve belastingaanslagen heeft de cour d'appel verklaard dat hij niet in eigen naam tegen deze belastingaanslagen kon opkomen. Deze rechter heeft in wezen geoordeeld dat noch artikel 76-3 van de btw-wet, waarin de procedure voor bezwaar tegen ambtshalve belastingaanslagen wordt geregeld, noch de artikelen 67-1 tot en met 67-4 van de btw-wet, noch enige andere wettekst voor een in vrijwaring opgeroepen persoon in de mogelijkheid voorziet om in eigen naam beroep in te stellen tegen ambtshalve belastingaanslagen die aan de belastingplichtige zijn gericht. Bij gebreke van een ontvankelijk en gegrond beroep zijn de ambtshalve belastingaanslagen definitief geworden, zodat noch de belastingplichtige vennootschap, noch, a fortiori, de in vrijwaring opgeroepen persoon daartegen kan opkomen.
16.
Aangezien de in vrijwaring opgeroepen persoon in dit geval dezelfde persoon is als degene die de rechtspersoon had vertegenwoordigd in de procedure voor de vaststelling van de omzet, heeft de cour d'appel geoordeeld dat hij in die hoedanigheid de mogelijkheid had om deel te nemen aan de procedure voor de vaststelling van de belastbare omzet en om beroep in te stellen tegen de ambtshalve belastingheffing. Bovendien was QJ niet btw-plichtig, zodat de AEDT niet gehouden was om hem persoonlijk in kennis te stellen van de ambtshalve belastingaanslagen, noch hem in eigen naam te betrekken bij de procedure tot ambtshalve belastingheffing.
17.
QJ heeft daarop cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter. Met het eerste onderdeel van zijn eerste cassatiemiddel betoogt hij dat het bestreden arrest in strijd is met het in artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Hij voert aan dat de cour d'appel het door hem aan deze bepaling ontleende middel ten onrechte heeft afgewezen, aangezien de nationale bepalingen die zien op de toepassing van gemeenschappelijke regels, waaronder het gemeenschappelijke btw-stelsel, vallen onder de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie. Door dit middel af te wijzen heeft het bestreden arrest volgens hem artikel 47 van het Handvest geschonden, zoals met name uitgelegd in het arrest van 9 september 2021, Adler Real Estate e.a. (C-546/18, EU:C:2021:711; hierna: ‘arrest Adler Real Estate’). Uit dit arrest zou volgen dat in het kader van een beroep tegen een vordering tot vrijwaring aan de verzoekende partij het recht moet worden toegekend om de rechtmatigheid te betwisten van besluiten die zijn genomen ten aanzien van de rechtspersoon waarvan zij lid van de raad van bestuur is geweest, daaronder begrepen de betwiste ambtshalve belastingheffingen.
18.
De verwijzende rechter wijst erop dat het Hof in het arrest van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson (C-617/10, EU:C:2013:105; hierna: ‘arrest Åkerberg Fransson’), alsook in een aantal latere arresten heeft geoordeeld dat bepaalde aspecten van het nationale procesrecht dat van toepassing is op btw-gebied, vallen onder de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie, met als gevolg dat het Handvest van toepassing is en met name artikel 47 ervan.
19.
Volgens de verwijzende rechter kan deze rechtspraak worden toegepast op een regeling waarbij bestuurders van een vennootschap hoofdelijk verplicht zijn om de btw te voldoen die verschuldigd is door de door hen bestuurde vennootschap, en wel omdat zij de op hen rustende verplichtingen niet zijn nagekomen.
20.
Deze rechter wijst erop dat, in geval van een bevestigend antwoord op de vraag over de toepasselijkheid van artikel 47 van het Handvest, tevens de vraag rijst of die bestuurders de mogelijkheid hebben om, in het kader van een beroep dat op grond van het nationale recht voor hen openstaat tegen het administratieve besluit tot vaststelling van hun hoofdelijke aansprakelijkheid, incidenteel op te komen tegen de ambtshalve belastingaanslag die eerder aan de vennootschap was opgelegd en waartegen deze niet tijdig beroep had ingesteld.
21.
In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af of, en in voorkomend geval, onder welke voorwaarden de in het arrest Adler Real Estate gekozen oplossing kan worden toegepast in gedingen betreffende de oproeping in vrijwaring van bestuurders van een vennootschap voor besluiten die, anders dan het besluit waarop voornoemd arrest betrekking had, geen strafrechtelijk karakter hebben.
22.
Meer in het bijzonder rijst de vraag of artikel 47 van het Handvest er zich tegen verzet dat een zaakvoerder tegen wie een administratief besluit is gericht waarbij hij hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van de btw, niet incidenteel kan opkomen tegen de ambtshalve belastingaanslag die aan de vennootschap is opgelegd, zich evenmin kan beroepen op eventuele schendingen van grondrechten die zijn begaan in het kader van de jegens de vennootschap gevoerde procedure tot ambtshalve belastingheffing en ook niet kan vorderen dat hij in kennis wordt gesteld van de ambtshalve belastingaanslag of dat hij persoonlijk wordt betrokken bij de procedure tot ambtshalve belastingheffing.
23.
In die omstandigheden heeft de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Luxemburg) de behandeling van de zaak geschorst en de volgende prejudiciële vragen aan het Hof gesteld:
- ‘1)
Is het Handvest […], en met name artikel 47 ervan, gelet op de criteria van artikel 51, lid 1, van het Handvest, van toepassing op een nationale regeling op grond waarvan bestuurders van een vennootschap, bij niet-nakoming van hun verplichtingen, hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de btw die verschuldigd is door de vennootschap die zij besturen?
- 2)
In geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag, moet artikel 47 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat het de bestuurders die in vrijwaring zijn opgeroepen de mogelijkheid biedt om, in het kader van een beroep dat zij op grond van het nationale recht kunnen instellen tegen een administratief besluit tot vaststelling van hun hoofdelijke aansprakelijkheid, incidenteel op te komen tegen de ambtshalve btw-aanslag die eerder is opgelegd aan de vennootschap en waartegen de vennootschap niet tijdig beroep heeft ingesteld?
- 3)
In geval van een bevestigend antwoord op de tweede vraag, moet artikel 47 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat het de bestuurders die incidenteel de ambtshalve aan de belastingplichtige vennootschap opgelegde belastingaanslag betwisten, niet beperkt tot bepaalde middelen, maar dat het alle middelen omvat, waaronder de middelen die betrekking hebben op de vaststelling van de btw-schuld, zoals de feitelijke vaststellingen die hebben geleid tot het administratieve besluit om de belastingplichtige vennootschap een ambtshalve aanslag op te leggen, alsmede de strikt persoonlijke, zoals eventuele schendingen van grondrechten die jegens die bestuurders zijn begaan in het kader van de procedure van ambtshalve belastingheffing?’
24.
QJ, de Luxemburgse, de Spaanse en de Poolse regering alsook de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Dezelfde partijen zijn ter terechtzitting van 4 december 2025 gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de schriftelijke en mondelinge vragen van het Hof.
IV. Analyse
A. Eerste prejudiciële vraag
25.
Zoals volgt uit de verwijzingsbeslissing, heeft het geding betrekking op het door QJ — verzoeker in het hoofdgeding en zaakvoerder van de belastingplichtige vennootschap — ingestelde beroep tegen de vordering tot vrijwaring. QJ wordt vervolgd in de hoedanigheid van persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijke schuldenaar van de niet door de belastingplichtige vennootschap voldane btw-schuld. De hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders van vennootschappen is vastgesteld in artikel 67-2 van de btw-wet.3. Zij is gebaseerd op de ‘niet-nakoming’ van de op hen rustende wettelijke verplichtingen die ertoe leidt dat er niet wordt voldaan aan de wettelijk aan btw-plichtige personen opgelegde verplichtingen of dat de verschuldigde btw niet wordt betaald met de financiële middelen die zij beheren.4.
26.
In het onderhavige geval hebben de bodemrechters QJ aansprakelijk bevonden, in essentie vanwege niet-nakoming van zijn aangifteplicht inzake btw en van zijn verplichting om de verschuldigde btw aan de schatkist af te dragen.5. Het in de vordering tot vrijwaring gevorderde bedrag komt overeen met het door de hoofdschuldenaar, namelijk de belastingplichtige vennootschap, verschuldigde bedrag. Het bedrag van de hoofdschuld is overeenkomstig artikel 74 van de btw-wet vastgesteld in de aan de belastingplichtige vennootschap ambtshalve opgelegde belastingaanslagen.
27.
In het kader van het door QJ ingestelde beroep tegen de vordering tot vrijwaring heeft de cour d'appel geoordeeld dat, aangezien de ambtshalve belastingaanslag definitief was geworden, de daarin vermelde bedragen niet meer konden worden betwist.
28.
De cour d'appel heeft het door QJ aangevoerde middel inzake schending van artikel 47 van het Handvest afgewezen, aangezien dit artikel niet van toepassing is op de nationale procedurele regeling voor vorderingen tot vrijwaring.
29.
Tegen de achtergrond van deze procedurele context moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn eerste prejudiciële vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 47 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is in het kader van een door een persoon ingesteld beroep ter betwisting van de rechtmatigheid van een administratief besluit waarbij deze persoon hoofdelijk aansprakelijk is gehouden voor de betaling van de btw die niet is voldaan door de belastingplichtige vennootschap waarvan hij de zaakvoerder is geweest, en wel op grond van een nationale regeling die bepaalt dat bestuurders van een vennootschap bij niet-nakoming van hun verplichtingen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de niet-afgedragen btw.
1. Toepasselijkheid van het Handvest
30.
Er zij aan herinnerd dat uit artikel 51, lid 1, van het Handvest volgt dat de bepalingen ervan gericht zijn tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen.
31.
De in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten kunnen dus toepassing vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten.6.
32.
Overeenkomstig artikel 273, eerste alinea, van de btw-richtlijn kunnen de lidstaten andere verplichtingen dan die uit hoofde van deze richtlijn voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste inning van de btw en ter voorkoming van fraude.7.
33.
Het Hof heeft reeds verduidelijkt dat de bepalingen van artikel 273 van de btw-richtlijn, buiten de daarin gestelde beperkingen, noch de voorwaarden noch de verplichtingen preciseren waarin de lidstaten kunnen voorzien, en de lidstaten derhalve een beoordelingsmarge verlenen ter zake van de middelen die zij kunnen inzetten om zich te verzekeren van de volledige inning van de op hun grondgebied verschuldigde btw en om fraude te bestrijden.8.
34.
In dit verband moeten de lidstaten krachtens artikel 325, lid 1, VWEU fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, bestrijden met doeltreffende en afschrikkende maatregelen.9.
35.
De eigen middelen van de Unie omvatten volgens artikel 2, lid 1, onder b), van besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (PB 2014, L 168, blz. 105) onder meer de ontvangsten uit de toepassing van een uniform percentage op de btw-grondslag die is vastgesteld overeenkomstig de voorschriften van de Unie. Bijgevolg bestaat er een rechtstreeks verband tussen de inning van de btw-ontvangsten met inachtneming van het toepasselijke Unierecht en de terbeschikkingstelling van de overeenkomstige btw-middelen aan de begroting van de Unie, aangezien elke tekortkoming op het gebied van de inning van de btw-ontvangsten potentieel leidt tot een verlaging van de btw-middelen van de Unie.10.
36.
Om de bescherming van de financiële belangen van de Unie te waarborgen staat het met name aan de lidstaten om de maatregelen te nemen die nodig zijn om te waarborgen dat de eigen middelen doeltreffend en volledig worden geïnd, waaronder de ontvangsten uit de toepassing van een uniform percentage op de btw-grondslag.11.
37.
Overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof volgt uit de artikelen 2 en 273 van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU en artikel 325, lid 1, VWEU, dat de lidstaten verplicht zijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om te waarborgen dat de btw op hun respectieve grondgebied volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden.12.
38.
Het feit dat de lidstaten over een beoordelingsmarge beschikken bij het vaststellen van maatregelen met het oog op de juiste inning van de btw, kan geen andere conclusie rechtvaardigen. Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat een lidstaat die gebruikmaakt van een vrije keuze tussen verschillende toepassingswijzen van een handeling van de Unie of van een discretionaire of beoordelingsbevoegdheid die integrerend deel uitmaakt van de bij die handeling ingevoerde regeling, moet worden geacht dat recht ten uitvoer te brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.13.
39.
Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, heeft het Hof meermaals geoordeeld dat mechanismen van hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot btw-schulden die een btw-plichtige rechtspersoon niet binnen de dwingende termijnen van de btw-richtlijn heeft voldaan en die de invordering daarvan bij een bestuurder of een lid van een bestuursorgaan van een vennootschap mogelijk maken, bijdragen tot de juiste inning van de btw in de zin van artikel 273 van de btw-richtlijn en dus een tenuitvoerlegging van het Unierecht vormen.14.
40.
In dit geval faciliteert een mechanisme van hoofdelijke aansprakelijkheid, zoals in het hoofdgeding aan de orde is, de invordering van btw-bedragen die niet zijn voldaan door een btw-plichtige rechtspersoon15., zodat het bijdraagt tot de nakoming van de in punt 37 van deze conclusie in herinnering gebrachte verplichting van elke lidstaat om overeenkomstig artikel 273, eerste alinea, van de btw-richtlijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen om te waarborgen dat de btw op zijn grondgebied volledig wordt geïnd.16.
41.
Een dergelijk mechanisme vormt dus een tenuitvoerlegging van het Unierecht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.
42.
De Luxemburgse regering betwist echter de toepasselijkheid van het Handvest. Zij merkt op dat het arrest Åkerberg Fransson nationale belastingboeten betrof die werden aangemerkt als een tenuitvoerlegging van het Unierecht, aangezien met die boeten de bestraffing werd beoogd van gedragingen waarmee de financiële belangen van de Unie werden geschaad.17.
43.
Deze regering wijst er echter op dat de belastingboeten in het Luxemburgse recht zijn vastgesteld in de artikelen 77 tot en met 80 van de btw-wet, terwijl de artikelen 67-1 en volgende van deze wet, die betrekking hebben op de hoofdelijke aansprakelijkheid van de in gebreke blijvende bestuurder, niet zien op een belastingboete in de zin van deze wet, maar op een specifiek geval van civielrechtelijke aansprakelijkheid. In het Luxemburgse recht ligt de tekortkoming van de vennootschapsbestuurder ten grondslag aan het mechanisme van hoofdelijke aansprakelijkheid, en niet de niet-nakoming van de uit de btw-wetgeving voortvloeiende materiële verplichtingen. Aangezien de omvang van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder afhankelijk is van de door hem begane fouten, kan niet worden geoordeeld dat het mechanisme van hoofdelijke aansprakelijkheid aan de lidstaat de zekerheid kan bieden dat ‘de btw op zijn grondgebied volledig wordt geïnd’ in de zin van het arrest Åkerberg Fransson.
44.
Ik kan mij niet scharen achter het standpunt van de Luxemburgse regering, en wel om de navolgende redenen.
45.
Uit de in punt 37 van deze conclusie in herinnering gebrachte rechtspraak volgt dat de lidstaten overeenkomstig artikel 273, eerste alinea, van de btw-richtlijn verplicht zijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om te waarborgen dat de btw op hun respectieve grondgebied volledig wordt geïnd. Het opleggen van belastingboeten is niet het enige middel waarmee de lidstaten hun verplichting op grond van deze bepaling nakomen. Elke maatregel die is gericht op de invordering van niet-voldane btw, kan er mede voor zorgen dat de btw volledig wordt geïnd en geeft dus uitvoering aan de bovengenoemde verplichting van de lidstaten.
46.
Voorts heeft het Hof, zoals ik eerder aangaf18., reeds geoordeeld dat bepaalde mechanismen van hoofdelijke aansprakelijkheid een tenuitvoerlegging van het Unierecht vormden, aangezien zij er mede voor zorgen dat de btw volledig wordt geïnd, zonder dat deze mechanismen noodzakelijkerwijs als bestraffend worden aangemerkt door het respectieve nationale recht. Zoals de Spaanse regering ter terechtzitting heeft betoogd, staat het feit dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde mechanisme van hoofdelijke aansprakelijkheid geen deel uitmaakt van een sanctieregeling, er niet aan in de weg dat het als een tenuitvoerlegging van het Unierecht kan worden aangemerkt.
47.
De Luxemburgse regering heeft ook aangevoerd dat het mechanisme van oproeping in vrijwaring een bijzondere civielrechtelijke aansprakelijkheidsregeling is die niets heeft uit te staan met de volledige inning van de btw.
48.
De gevolgen van deze bewering voor de vraag of het mechanisme van hoofdelijke aansprakelijkheid een tenuitvoerlegging van het Unierecht vormt, hangen af van het antwoord op de vraag of het door de staat geleden nadeel al dan niet losstaat van het bedrag van de niet-voldane btw. Ter terechtzitting heeft de Luxemburgse regering, na vragen daarover van het Hof, echter verklaard dat het door de staat geleden nadeel bestaat uit de geheel of gedeeltelijk onbetaald gebleven btw en dat er geen sprake is van een aanvullende vergoeding vanwege het onrechtmatige gedrag van de zaakvoerder. Deze regering heeft bovendien verklaard dat het bedrag waarop de tegen de zaakvoerder ingestelde vordering tot vrijwaring betrekking heeft, overeenkomt met het bedrag van de ambtshalve aan de vennootschap opgelegde belastingaanslag dat onbetaald is gebleven.
49.
Zoals de Commissie ter terechtzitting in wezen heeft betoogd, kan, aangezien het hier aan de orde zijnde mechanisme van hoofdelijke aansprakelijkheid niet voorziet in de vergoeding van een ander nadeel dan de niet-betaling van de belasting, niet worden gesteld dat dit mechanisme losstaat van het bedrag van de niet-voldane btw.
50.
Ik ben derhalve van mening dat het in geding zijnde mechanisme van hoofdelijke aansprakelijkheid een tenuitvoerlegging van het Unierecht vormt in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.
2. Inroepbaarheid van Artikel 47 van het Handvest
51.
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter meer in het bijzonder te vernemen of de in vrijwaring opgeroepen persoon zich in het kader van zijn beroep tegen de vordering tot vrijwaring kan beroepen op artikel 47 van het Handvest.
52.
Op grond van artikel 47 van het Handvest heeft eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft met name recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.
53.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof volstaat artikel 47 van het Handvest op zichzelf om het recht op een doeltreffende voorziening in rechte te kunnen inroepen, zonder dat de inhoud ervan hoeft te worden gepreciseerd door andere bepalingen van het Unierecht of van het interne recht van de lidstaten.19.
54.
Niettemin veronderstelt de erkenning van dit recht in een bepaald geval, zoals blijkt uit artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, dat de persoon die dit recht inroept, zich beroept op door het Unierecht gewaarborgde rechten of vrijheden.20.
55.
In dit verband dient om te beginnen te worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de bescherming tegen ingrepen van het openbaar gezag in de privésfeer van zowel natuurlijke personen als rechtspersonen die willekeurig of onredelijk zouden zijn, een algemeen beginsel van het Unierecht vormt.21.
56.
Deze bescherming kan door een natuurlijke persoon — zoals verzoeker in het hoofdgeding — worden ingeroepen als een door het Unierecht gewaarborgd recht in de zin van artikel 47, eerste alinea, van het Handvest om bij de rechter op te komen tegen een voor hem bezwarende handeling — namelijk de vordering tot vrijwaring — die is gebaseerd op een nationale bepaling die, zoals volgt uit punt 50 van deze conclusie, een tenuitvoerlegging van het Unierecht vormt in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.22.
57.
Hieruit volgt dat artikel 47 van het Handvest in de omstandigheden van het hoofdgeding van toepassing is.
58.
In haar schriftelijke opmerkingen voert de Luxemburgse regering aan dat uit punt 42 van het arrest Adjak23. volgt dat artikel 47 van het Handvest niet relevant is voor de beoordeling van de rechten van de verdediging in het kader van een procedure inzake hoofdelijke aansprakelijkheid.
59.
In dit verband zij eraan herinnerd dat in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Adjak, de aan het Hof gestelde vraag betrekking had op de rechten van verdediging van een derde die aansprakelijk was gesteld voor de belastingschuld van een btw-plichtige rechtspersoon, zowel in het kader van de tegen deze btw-plichtige gevoerde heffingsprocedure als in het kader van de tegen deze derde gevoerde procedure inzake hoofdelijke aansprakelijkheid. In punt 42 van dat arrest had het Hof opgemerkt dat artikel 47 van het Handvest, gezien de bestuurlijke aard van die procedures, niet relevant was.
60.
De onderhavige zaak betreft echter het recht van een burger om zijn zaak voor de rechter te verdedigen in het kader van zijn beroep tegen het besluit tot oproeping in vrijwaring. Punt 42 van het arrest Adjak is dus niet van toepassing op de feiten van het onderhavige geval.
61.
In het licht van het voorgaande moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 47 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is in het kader van een door een persoon ingesteld beroep ter betwisting van de rechtmatigheid van een administratief besluit waarbij deze persoon hoofdelijk aansprakelijk is gehouden voor de btw die niet is voldaan door de belastingplichtige vennootschap waarvan hij de zaakvoerder is geweest, en wel op grond van een nationale regeling die bepaalt dat bestuurders van een vennootschap bij niet-nakoming van hun verplichtingen hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de niet-afgedragen btw.
B. Tweede en derde prejudiciële vraag
62.
In geval van een bevestigend antwoord op de eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter met zijn tweede prejudiciële vraag in wezen te vernemen of artikel 47 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling of praktijk die niet toestaat dat een in vrijwaring opgeroepen bestuurder, in het kader van het door hem ingestelde beroep tegen het administratieve besluit tot vaststelling van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de niet-betaalde btw van de belastingplichtige vennootschap, incidenteel opkomt tegen de eerder aan deze vennootschap opgelegde ambtshalve belastingaanslag die definitief is geworden. Zo ja, dan wenst de verwijzende rechter met zijn derde prejudiciële vraag in wezen te vernemen welke middelen deze bestuurder mag aanvoeren in het kader van de incidentele betwisting van de ambtshalve belastingaanslag.
63.
Er zij aan herinnerd dat de wezenlijke inhoud van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte onder andere het recht op verdediging omvat, dat erin bestaat dat de houder van dit recht toegang moet hebben tot een gerecht dat bevoegd is om de eerbiediging van de uit het Unierecht voortvloeiende rechten te waarborgen en om daartoe alle voor het bij dat gerecht aanhangige geding relevante feitelijke en juridische kwesties te onderzoeken.24.
64.
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het vereiste dat de wezenlijke inhoud van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte wordt geëerbiedigd, alleen inhoudt dat eenieder het recht wordt toegekend om in rechte op te komen tegen een voor hem bezwarende handeling die afbreuk kan doen aan die rechten en vrijheden, en niet noodzakelijkerwijs dat de houder van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte rechtstreeks beroep moet kunnen instellen dat er primair toe strekt een bepaalde maatregel aan te vechten, voor zover er voor de verschillende bevoegde nationale rechters een of meer rechtsmiddelen bestaan waarmee hij incidenteel een rechterlijke toetsing van die maatregel kan verkrijgen waarmee de eerbiediging van de hem door het Unierecht verleende rechten en vrijheden wordt gewaarborgd, zonder dat hij zich hoeft bloot te stellen aan het risico dat hem een sanctie wordt opgelegd wegens niet-naleving van de betrokken maatregel.25.
65.
Tegen deze achtergrond moet worden opgemerkt dat de nationale regeling of praktijk de verweermiddelen van de in vrijwaring opgeroepen persoon in het onderhavige geval beperkt tot de voorwaarden voor zijn fiscale aansprakelijkheid zoals die voortvloeien uit artikel 67-3 van de btw-wet, namelijk het bestaan van respectievelijk een door de bestuurder begane fout, een geleden nadeel en een causaal verband tussen het geleden nadeel en de begane fout. In het kader van de tegen hem gevoerde procedure tot oproeping in vrijwaring kan de bestuurder niet incidenteel opkomen tegen de in de ambtshalve belastingaanslag vermelde bedragen die overeenkomen met de van hem gevorderde bedragen. De in vrijwaring opgeroepen en als hoofdelijke schuldenaar aangesproken persoon heeft dus niet de mogelijkheid om het bestaan en het bedrag van de schuld waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk wordt gehouden te betwisten.
66.
De beperking van de verweermiddelen die de in vrijwaring opgeroepen persoon kan inroepen, vindt haar rechtvaardiging in het definitieve karakter van de aan de belastingplichtige vennootschap opgelegde ambtshalve belastingaanslag.
67.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof heeft het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging geen absolute gelding, maar kan het beperkingen bevatten, mits deze werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet te beschouwen zijn als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.26.
68.
De erkenning dat een administratief besluit definitief is geworden na het verstrijken van redelijke beroepstermijnen of na uitputting van alle rechtsmiddelen, draagt bij tot de rechtszekerheid, een fundamenteel beginsel van het Unierecht.27. Aangezien het feit dat een administratief besluit definitief is geworden bijdraagt tot de rechtszekerheid, vereist het Unierecht in beginsel niet dat een bestuursorgaan wordt verplicht terug te komen op een dergelijk definitief administratief besluit.28.
69.
Niettemin kan het definitieve karakter van een administratief besluit niet rechtvaardigen dat de rechten van de verdediging in hun kern worden aangetast.29.
70.
In het onderhavige geval heeft het definitief geworden administratieve besluit, namelijk de ambtshalve belastingaanslag, echter bindende werking ten aanzien van de bestuurder van de belastingplichtige vennootschap, die een derde persoon is tot wie het betrokken besluit niet was gericht en die zijn rechten niet persoonlijk heeft kunnen doen gelden.
71.
Onder die omstandigheden kan het ontzeggen van het recht aan de hoofdelijk aangesproken bestuurder om op te komen tegen de in dat besluit opgenomen feitelijke en juridische overwegingen, zijn recht op een doeltreffende voorziening in rechte in zijn kern aantasten.30.
72.
Zoals de Poolse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft uiteengezet, vormt de aan de vennootschap toegezonden belastingaanslag in de context van de procedure inzake de aansprakelijkheid van de vennootschapsbestuurder slechts een bewijs van de feitelijke omstandigheden en van de juridische kwalificaties waartoe de belastingdienst is gekomen in de tegen die vennootschap gevoerde procedure.
73.
Om aan de vereisten van het recht op een eerlijk proces te voldoen is het van belang dat de partijen kennis kunnen nemen van de in de belastingaanslag vervatte vaststellingen en zich daarover op tegenspraak kunnen uitlaten.31. De verwijzende rechter moet in staat zijn om de vaststellingen te toetsen die ten grondslag liggen aan de handeling waarvan de rechtmatigheid wordt betwist en die bepalend zijn voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding.
74.
Deze conclusie vindt steun in het arrest Adler Real Estate. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat de rechten van de verdediging een subjectief karakter hebben, zodat het de betrokken partijen zelf zijn die deze rechten daadwerkelijk moeten kunnen uitoefenen, ongeacht de aard van de tegen hen gevoerde procedure.32. Volgens het Hof vereist de eerbiediging van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte dat de administratieve autoriteit in het kader van een administratieve sanctieprocedure tegen een natuurlijke persoon, de bindende werking buiten beschouwing moet laten van de beoordelingen in een definitief geworden besluit waarin de aan die persoon verweten inbreuk wordt vastgesteld zonder dat die persoon die beoordelingen persoonlijk heeft kunnen betwisten door zijn eigen rechten van verdediging uit te oefenen.33.
75.
Het arrest Adler Real Estate had betrekking op de rechten van verdediging van bestuurders in het kader van een tegen hen gevoerde procedure tot het opleggen van administratieve sancties met een strafrechtelijk karakter. De lessen uit dit arrest zijn echter ook relevant in de context van een civielrechtelijke procedure inzake hoofdelijke aansprakelijkheid.
76.
De rechten van de verdediging hebben immers een subjectief karakter, ongeacht of het gaat om een strafrechtelijke of civielrechtelijke procedure. Bovendien kan het definitieve karakter van een administratief besluit niet rechtvaardigen dat de rechten van de verdediging in hun kern worden aangetast, ook niet in het kader van een civielrechtelijke procedure.34. Uit de wezenlijke inhoud van de rechten van verdediging van een bestuurder die opkomt tegen de handeling waarbij hij persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld, volgt noodzakelijkerwijs dat hij de vaststellingen in een belastingaanslag die aan de belastingplichtige vennootschap is opgelegd in het kader van een procedure waarbij hij geen partij was, incidenteel en in eigen naam moet kunnen betwisten.35.
77.
De omstandigheid dat de betrokken natuurlijke persoon in zijn hoedanigheid van bestuurder de mogelijkheid heeft om namens de vennootschap beroep in te stellen tegen de belastingaanslag, mag hem niet het recht ontnemen om in zijn hoedanigheid van in vrijwaring opgeroepen persoon tegen de belastingaanslag op te komen en de daarin opgenomen feitelijke en juridische beoordelingen in eigen naam te betwisten. Hoewel het in beide procedures om dezelfde natuurlijke persoon gaat, treedt deze immers niet op in dezelfde hoedanigheid.
78.
De Luxemburgse regering heeft betoogd dat het ontnemen van het recht aan de zaakvoerder om beroep in te stellen tegen de ambtshalve belastingaanslag kan worden gerechtvaardigd op grond dat een met de dagelijkse leiding belaste en normaal zorgvuldige zaakvoerder geacht wordt alle nodige stappen te ondernemen om op te komen tegen een ambtshalve belastingaanslag die gericht is aan de vennootschap waarvan hij de leiding heeft. Hij is op de hoogte van de wet en zou dus moeten weten dat de btw-schuld van de vennootschap ertoe kan leiden dat hij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld.
79.
Ik kan mij niet vinden in dit argument. Zoals hierboven aangegeven36. en zoals de Commissie in wezen heeft benadrukt in haar schriftelijke opmerkingen, moet de persoon tegen wie een bezwarend besluit is genomen, in staat worden gesteld om zijn standpunt over de elementen waarop de dienst zich heeft gebaseerd om hem aansprakelijk te stellen, persoonlijk en naar behoren kenbaar te maken. De in vrijwaring opgeroepen bestuurder mag niet worden verward met de belastingplichtige vennootschap, die een onderscheiden entiteit is ten opzichte van de personen die haar vertegenwoordigen.
80.
Er moet tevens rekening worden gehouden met de wijze van vertegenwoordiging van de vennootschap zoals die in de statuten ervan is beschreven. In de veronderstelling dat er een raad van bestuur bestaat, kan niet worden aangenomen dat een bestuurder alleen de vennootschap in rechte kan vertegenwoordigen. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft betoogd, is de bestuurder van een vennootschap niet altijd gemachtigd om alleen te beslissen of er al dan niet bezwaar tegen een belastingaanslag moet worden gemaakt.
81.
In het onderhavige geval blijkt uit het nationale dossier dat de statuten van de belastingplichtige vennootschap bepalen dat zij wordt bestuurd door een raad van bestuur die is samengesteld uit ten minste drie bestuurders, op hun beurt onderverdeeld in bestuurders van categorie A en bestuurders van categorie B. Ten aanzien van derden is de vennootschap rechtsgeldig verbonden door de gezamenlijke handtekening van een bestuurder van categorie A en een bestuurder van categorie B. Zoals de Commissie in wezen tijdens de terechtzitting heeft opgemerkt, kan het, in het geval dat de beslissing om een beroep in te stellen een gezamenlijke handtekening vereist, voor een bestuurder moeilijker zijn om zijn eigen belangen via de vennootschap te verdedigen. In ieder geval, en ongeacht de omvang van zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid, kan niet worden aangenomen dat een natuurlijke persoon zijn recht op verdediging op gelijke wijze uitoefent wanneer hij namens de vennootschap optreedt in een tegen laatstgenoemde gevoerde procedure en wanneer hij in eigen naam opkomt tegen een voor hem bezwarende handeling in het kader van een tegen hem gevoerde procedure.
82.
Bovendien kan niet worden uitgesloten dat de rechtspersoon en de natuurlijke persoon, die namens hem verbintenissen kan aangaan of hem kan vertegenwoordigen, verschillende belangen hebben.37.
83.
Ik ben evenmin overtuigd door het argument van de Luxemburgse regering dat wanneer een in vrijwaring opgeroepen bestuurder in de gelegenheid wordt gesteld om de ambtshalve belastingaanslag te betwisten, het definitieve karakter van die aanslag wordt uitgehold door hem een tweede mogelijkheid tot betwisting te bieden.
84.
In dit verband moet worden opgemerkt dat de erkenning van het recht van de in vrijwaring opgeroepen persoon om incidenteel op te komen tegen het bestaan en het bedrag van de in de ambtshalve belastingaanslag vastgestelde schuld, geen afbreuk doet aan de bindende werking van deze aanslag ten aanzien van de belastingplichtige vennootschap. Het recht van betwisting van de belastingplichtige vennootschap die de adressaat van deze handeling was, is vervallen bij het verstrijken van de beroepstermijn.
85.
Het is juist dat de bindende werking van de ambtshalve belastingaanslag ten aanzien van de bestuurder de invordering efficiënter maakt en de procedure vereenvoudigt. Dit neemt echter niet weg dat de doeltreffendheid van het mechanisme van hoofdelijke aansprakelijkheid geen afbreuk mag doen aan het vereiste dat de wezenlijke inhoud van de rechten van verdediging van de bestuurder wordt geëerbiedigd.
86.
Voorts kan niet worden gesteld dat doordat de bestuurder het recht wordt toegekend om de belastingschuld te betwisten in het kader van zijn beroep tegen het besluit tot oproeping in vrijwaring, hem een tweede mogelijkheid tot betwisting van de ambtshalve belastingaanslag wordt geboden.
87.
Zoals volgt uit de hierboven aangehaalde rechtspraak38., houdt de eerbiediging van de wezenlijke inhoud van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte niet in dat de betrokken maatregel, in casu de ambtshalve belastingaanslag, rechtstreeks moet kunnen worden betwist. Dat houdt enkel in dat de bestuurder in staat moet zijn om incidenteel op te komen tegen de in deze aanslag vastgestelde feitelijke en juridische omstandigheden, voor zover dit beslissend is voor de uitkomst van de tegen hem gevoerde procedure. Zoals de Poolse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, moet de bestuurder het recht hebben om bewijzen aan te voeren ter weerlegging van de in deze aanslag vastgestelde feitelijke omstandigheden en juridische kwalificaties. De mogelijkheid tot incidentele betwisting van deze belastingaanslag reikt [evenwel] niet verder dan het aanvoeren van dienstige middelen aan de hand waarvan de betrokken bestuurder zijn hoofdelijke aansprakelijkheid kan betwisten, daaronder begrepen het bedrag van de schuld waarvoor hij aansprakelijk wordt gesteld.
88.
Gelet op het subjectieve karakter van de rechten van de verdediging houdt de eerbiediging van de wezenlijke inhoud van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte echter niet in dat de bestuurder zich in eigen naam kan beroepen op een schending van de rechten van de verdediging ten aanzien van de vennootschap. In het stadium van de tegen de belastingplichtige vennootschap gevoerde heffingsprocedure is de bestuurder namelijk een derde partij. Het is aan de vennootschap om haar rechten te verdedigen door middel van een beroep dat namens de vennootschap en overeenkomstig de statuten ervan door de bestuurder wordt ingesteld.
89.
Hetzelfde geldt voor de onmogelijkheid voor de bestuurder om in eigen naam deel te nemen aan de heffingsprocedure. In het stadium van de tegen een vennootschap gevoerde heffingsprocedure is de aansprakelijkheid van de bestuurder van hypothetische aard. Er bestaat louter een mogelijkheid dat er later een procedure inzake hoofdelijke aansprakelijkheid tegen een derde wordt ingeleid, en dat pas aan het einde van die procedure een besluit wordt genomen dat bezwarend is voor die derde of diens belangen wezenlijk aantast.39. De eerbiediging van de rechten van de verdediging verlangt niet dat de bestuurder in eigen naam wordt betrokken bij een procedure met betrekking tot een handeling die niet bezwarend voor hem is. Dit doet geen afbreuk aan het recht van deze bestuurder om op een later tijdstip verweren tegen die de belastingschuld in te roepen, wanneer hij hoofdelijk voor die schuld wordt aangesproken.
90.
Tot slot heeft de Luxemburgse regering het beroeps- en het zakengeheim ingeroepen ter rechtvaardiging van de uitsluiting van de bestuurder van het recht op betwisting van de belastingschuld. Volgens deze regering zou de overdracht van gevoelige informatie, zoals de wijze waarop de omzet wordt vastgesteld of andere vertrouwelijke bedrijfsgegevens, aan een natuurlijke persoon, ongeacht diens huidige of eerdere status binnen de belastingplichtige vennootschap, de economische belangen van die vennootschap kunnen schaden.
91.
In dit verband zij eraan herinnerd dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging het recht op toegang tot het dossier als corollarium heeft.40. In het kader van een gerechtelijke procedure betekent de eerbiediging van de rechten van de verdediging van een persoon dat deze niet alleen toegang heeft tot de gronden van het jegens hem genomen besluit, maar ook tot alle elementen van het dossier waarop de overheidsinstantie zich heeft gebaseerd, teneinde doeltreffend een standpunt te kunnen innemen over die gegevens.41.
92.
Bovendien brengt het beginsel van hoor en wederhoor, dat deel uitmaakt van de rechten van de verdediging, met zich mee dat procespartijen het recht moeten hebben om kennis te nemen van alle stukken of opmerkingen die aan de rechter zijn voorgelegd teneinde invloed uit te oefenen op zijn beslissing en daarover standpunten uit te wisselen.42.
93.
Dit neemt evenwel niet weg dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, zoals ik in punt 67 van deze conclusie in herinnering heb gebracht, geen absolute gelding heeft maar beperkingen kan bevatten. Dergelijke in de nationale regeling neergelegde beperkingen kunnen met name strekken tot bescherming van de vereisten inzake vertrouwelijkheid of inzake het beroepsgeheim waaraan de toegang tot bepaalde informatie en bepaalde stukken afbreuk kan doen.43.
94.
De dienst mag zich echter niet op abstracte wijze beroepen op deze vereisten en de rechten van verdediging van de betrokkene elk nuttig effect ontnemen, met name door hem elk recht te ontzeggen om de belastingschuld incidenteel te betwisten en hem de toegang te weigeren tot alle gegevens met betrekking tot die schuld.44.
95.
Bovendien hebben, zoals QJ, de Spaanse en de Poolse regering alsook de Commissie ter terechtzitting in wezen hebben betoogd, de gegevens in de ambtshalve belastingaanslag die de in vrijwaring opgeroepen persoon wil betwisten, betrekking op gebeurtenissen waarvan hij vanwege zijn functie als zaakvoerder kennis kon hebben. Deze aanslag is opgesteld in een periode waarin de in vrijwaring opgeroepen persoon zaakvoerder was van de belastingplichtige vennootschap. Het beroepsgeheim kan zich per definitie niet uitstrekken tot gebeurtenissen waarvan de in vrijwaring opgeroepen persoon uit hoofde van zijn functie kennis had.
96.
In ieder geval moet, in de veronderstelling dat bepaalde informatie in het dossier valt onder de verplichting het beroepsgeheim te eerbiedigen, worden gewaarborgd dat de vertrouwelijkheid van deze informatie wordt beschermd en moet deze bescherming zodanig ten uitvoer worden gelegd dat de verdedigingsrechten op hiermee verenigbare wijze in acht worden genomen.45.
97.
Indien enerzijds het belang van de persoon tegen wie een bezwarende handeling is gericht om te beschikken over de noodzakelijke informatie waarmee zijn verdedigingsrechten ten volle kunnen worden uitgeoefend, en anderzijds belangen verbonden aan de handhaving van de vertrouwelijkheid van informatie die valt onder de verplichting het beroepsgeheim te eerbiedigen, met elkaar in botsing komen, staat het bijgevolg aan de bevoegde autoriteiten of rechterlijke instanties om, gelet op de omstandigheden van het geval, een evenwicht tussen deze tegengestelde belangen te zoeken.46.
98.
Onder deze omstandigheden lijkt de uitsluiting van elk verweermiddel van de zaakvoerder met betrekking tot de belastingschuld op grond van het beroepsgeheim niet gerechtvaardigd te zijn.
99.
In het licht van het voorgaande moet op de tweede en de derde prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 47 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling en praktijk die niet toestaan dat een in vrijwaring opgeroepen bestuurder, in het kader van het door hem ingestelde beroep tegen het administratieve besluit tot vaststelling van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de niet-betaalde btw van de belastingplichtige vennootschap, incidenteel opkomt tegen de eerder aan deze vennootschap opgelegde ambtshalve belastingaanslag die definitief is geworden. Het vereiste dat de wezenlijke inhoud van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte wordt geëerbiedigd, houdt in dat de bestuurder het recht wordt toegekend om incidenteel op te komen tegen de in deze aanslag vastgestelde feitelijke en juridische omstandigheden, voor zover dit beslissend is voor de uitkomst van de tegen hem gevoerde procedure.
V. Conclusie
100.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Cour de cassation te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’)
moet aldus worden uitgelegd dat
het van toepassing is in het kader van een door een persoon ingesteld beroep ter betwisting van de rechtmatigheid van een administratief besluit waarbij deze persoon hoofdelijk aansprakelijk is gehouden voor de betaling van de btw die niet is voldaan door de belastingplichtige vennootschap waarvan hij de zaakvoerder is geweest, en wel op grond van een nationale regeling die bepaalt dat bestuurders van een vennootschap bij niet-nakoming van hun verplichtingen hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de niet-afgedragen btw.
- 2)
Artikel 47 van het Handvest
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een nationale regeling en praktijk die niet toestaan dat een in vrijwaring opgeroepen bestuurder, in het kader van het door hem ingestelde beroep tegen het administratieve besluit tot vaststelling van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de niet-betaalde btw van de belastingplichtige vennootschap, incidenteel opkomt tegen de eerder aan deze vennootschap opgelegde ambtshalve belastingaanslag die definitief is geworden. Het vereiste dat de wezenlijke inhoud van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte wordt geëerbiedigd, houdt in dat de bestuurder het recht wordt toegekend om incidenteel op te komen tegen de in deze aanslag vastgestelde feitelijke en juridische omstandigheden, voor zover dit beslissend is voor de uitkomst van de tegen hem gevoerde procedure.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑03‑2026
Oorspronkelijke taal: Frans.
Zie arresten van 30 april 2025, Genzyński (C-278/24, EU:C:2025:299); 27 februari 2025, Adjak (C-277/24, EU:C:2025:130); 14 november 2024, Herdijk (C-613/23, EU:C:2024:961), en 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia ‘Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika’ (C-1/21, EU:C:2022:788).
Zie, voor een overzicht van het mechanisme van oproepingen in vrijwaring op btw-gebied, Barbabianca, G., Gasparotto, B., en Ronny, P., Législation TVA Annotée, 2e druk, Legitech, Luxemburg, 2023, blz. 536 e.v.; Bena, M., en Trevisan, E., ‘Guide pratique pour dirigeants de société: les actions essentielles en cas d'appel en garantie par l'administration fiscale’, 2024 (3) Revue générale de fiscalité luxembourgeoise, blz. 72, en Loquet, E., ‘Responsabilité des dirigeants de société en matière de fiscalité directe et indirecte’, Droit fiscal luxembourgeois, livre jubilaire de l'International Fiscal Association, Luxemburg, Legitech, blz. 181–208. Zie, voor een overzicht van het mechanisme van oproepingen in vrijwaring op het gebied van directe belastingen, Schroeder, S. N., L'appel en garantie: des dirigeants de société en matière d'impôts directs, Legitech, Bertrange, 2020, blz. 153-167; Steichen, A., ‘La procédure fiscale — § 330. Recours contre le bulletin d'appel’, in Manuel de droit fiscal, Legitech, Bertrange, 2023, blz. 327 en 328, en Chaouche, F., en Lyaudet, J., ‘Chapitre 3 — Le bulletin de l'impôt sur le revenu’, in Fiscalité des personnes physiques, 3e druk, Larcier Luxembourg, Windhof, 2024, blz. 805 en 806.
Opgemerkt zij dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders ook geldt op het gebied van directe belastingen krachtens artikel 119 van de gewijzigde algemene belastingwet van 22 mei 1931 (‘Abgabeordnung’; hierna: ‘AO’). Verzoeker in het hoofdgeding heeft voor de bodemrechters aangevoerd dat de in de AO neergelegde beginselen in het kader van zijn beroep van toepassing zijn en dat overeenkomstig artikel 119, lid 2, AO de mogelijkheid bestaat om derdenverzet in te stellen tegen ambtshalve belastingaanslagen. De cour d'appel heeft evenwel geoordeeld dat de bepalingen van de AO niet van toepassing zijn op het gebied van indirecte belastingen. De vraag naar de toepasselijkheid van artikel 119, lid 2, AO in het hoofdgeding wordt opgeworpen in het derde onderdeel van het eerste door QJ aangevoerde cassatiemiddel. Deze bepaling wordt niet aan de orde gesteld in de prejudiciële vragen.
Uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt dat de belastingaanslag voor het jaar 2014 fouten bevatte en dat de jaarlijkse btw-aangiften voor de jaren 2015 en 2016 niet waren ingediend.
Arrest van 1 augustus 2025, BAJI Trans (C-544/23, EU:C:2025:614, punt 49), en arrest Åkerberg Fransson (punt 19).
Arrest van 30 april 2025, Genzyński (C-278/24, EU:C:2025:299, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia ‘Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika’ (C-1/21, EU:C:2022:788, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 27 februari 2025, Adjak (C-277/24, EU:C:2025:130, punt 47).
Arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia ‘Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika’ (C-1/21, EU:C:2022:788, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia ‘Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika’ (C-1/21, EU:C:2022:788, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 3 april 2025, Cityland (C-164/24, EU:C:2025:241, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 29 juli 2024, protectus (C-185/23, EU:C:2024:657, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arresten van 27 februari 2025, Adjak (C-277/24, EU:C:2025:130, punt 49); 14 november 2024, Herdijk (C-613/23, EU:C:2024:961, punt 18), en 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia ‘Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika’ (C-1/21, EU:C:2022:788, punt 70).
In de memorie van toelichting op het voorstel voor de wet van 2016 houdende de tenuitvoerlegging van de belastinghervorming van 2017 van 11 oktober 2016, nr. 7020, staat te lezen dat ‘het belangrijk is ervoor te zorgen dat [de btw] daadwerkelijk door [de btw-plichtige ondernemers] aan de staat wordt afgedragen en niet voor andere doeleinden wordt aangewend’. Uit diezelfde memorie van toelichting blijkt dat de bepalingen die vervolging van vennootschapsbestuurders mogelijk maken, vastgesteld zijn ‘met het oog op betere garanties op invordering door de staat en het verantwoordelijk houden van personen die belast zijn met de leiding of het beheer van btw-plichtige entiteiten’ (cursivering van mij).
Arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia ‘Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika’ (C-1/21, EU:C:2022:788, punt 71).
Zie de punten 27 en 28 van het arrest Åkerberg Fransson.
Punt 39 van deze conclusie.
Arrest van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken) (C-245/19 en C-246/19, EU:C:2020:795, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken) (C-245/19 en C-246/19, EU:C:2020:795, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken) (C-245/19 en C-246/19, EU:C:2020:795, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 16 mei 2017, Berlioz Investment Fund (C-682/15, EU:C:2017:373, punt 50). Zie ook Kaprielian, J., ‘La protection effective de l'assujetti et le contrôle TVA’, 2024(2), Cahiers de fiscalité luxembourgeoise et européenne, blz. 161–194, in het bijzonder blz. 163.
Arrest van 27 februari 2025, Adjak (C-277/24, EU:C:2025:130).
Arrest van 18 december 2025, SACD e.a. (C-182/24, EU:C:2025:979, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 8 april 2025, Europees Openbaar Ministerie (Rechterlijke toetsing van procedurele handelingen) (C-292/23, EU:C:2025:255, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary (C-189/18, EU:C:2019:861, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arresten van 13 januari 2004, Kühne & Heitz (C-453/00, EU:C:2004:17, punt 24), en het Adler Real Estate e.a. (punt 38).
Arrest van 27 februari 2025, Adjak (C-277/24, EU:C:2025:130, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 27 februari 2025, Adjak (C-277/24, EU:C:2025:130, punt 55).
Zie Papagiannoulas, A., ‘Responsabilité fiscale du dirigeant social — Les vicissitudes du débat contradictoire dans le contentieux de la responsabilité fiscale du dirigeant social (LPF, art. L. 267)’, Revue de droit fiscal, nr. 20, 19 mei 2023, blz. 1–7, in het bijzonder blz. 6. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Cour de cassation (Frankrijk) (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, zetelend in burgerlijke zaken, handelskamer, 9 november 2017, 17-16.464), benadrukt deze auteur dat de hoogste Franse rechterlijke instantie impliciet heeft geoordeeld dat de mogelijkheid voor een vennootschapsbestuurder, die in belastingzaken hoofdelijk aansprakelijk is, om onder meer middelen aan te voeren met betrekking tot het bedrag van de verschuldigde belasting en de berekeningsgrondslag daarvan, ‘een grondwettelijke grondslag’ heeft.
Zie arresten van 1 december 2022, Aquila Part Prod Com (C-512/21, EU:C:2022:950, punt 60), en 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary (C-189/18, EU:C:2019:861, punt 67).
Arrest Adler Real Estate e.a. (punt 59).
Arrest Adler Real Estate e.a. (punten 59 en 60).
Zie naar analogie arrest van 27 februari 2025, Adjak (C-277/24, EU:C:2025:130, punt 56).
De aanwijzing van de bevoegde (rechterlijke of administratieve) instantie voor de behandeling van excepties met betrekking tot de belastinggrondslag valt onder de procedurele autonomie van de lidstaten.
Punt 76 van deze conclusie.
Arrest van 10 november 2022, DELTA STROY 2003 (C-203/21, EU:C:2022:865, punt 63).
Zie punt 64 van deze conclusie.
Arrest van 27 februari 2025, Adjak (C-277/24, EU:C:2025:130, punt 61).
Arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary (C-189/18, EU:C:2019:861, punt 51).
Zie in die zin arrest van 25 april 2024, NW en PQ (Gerubriceerde informatie) (C-420/22 en C-528/22, EU:C:2024:344, punt 92).
Arrest van 25 april 2024, NW en PQ (Gerubriceerde informatie) (C-420/22 en C-528/22, EU:C:2024:344, punt 93).
Zie in die zin arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary (C-189/18, EU:C:2019:861, punt 55).
Zie in die zin arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary (C-189/18, EU:C:2019:861, punt 58). Zie ook Papagiannoulas, A., geciteerd in voetnoot 30, blz. 6.
Zie in die zin arrest van 13 september 2018, UBS Europe e.a. (C-358/16, EU:C:2018:715, punt 68).
Arrest van 13 september 2018, UBS Europe e.a. (C-358/16, EU:C:2018:715, punt 69).