Procestaal: Hongaars.
HvJ EU, 04-02-2016, nr. C-409/14
ECLI:EU:C:2016:643
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
04-02-2016
- Magistraten
J.L. da Cruz Vilaça, A. Tizzano, A. Borg Barthet, E. Levits, M. Berger
- Zaaknummer
C-409/14
- Conclusie
J. Kokott
- Roepnaam
Schenker
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2016:643, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 08‑09‑2016
ECLI:EU:C:2016:76, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑02‑2016
Uitspraak 08‑09‑2016
J.L. da Cruz Vilaça, A. Tizzano, A. Borg Barthet, E. Levits, M. Berger
Partij(en)
In zaak C-409/14,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Debreceni Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (bestuurs- en arbeidsgerecht te Debrecen, Hongarije) bij beslissing van 15 juli 2014, ingekomen bij het Hof op 28 augustus 2014, in de procedure
Schenker Nemzetközi Szállítmányozási és Logisztikai Kft.
tegen
Nemzeti Adó- és Vámhivatal Észak-alföldi Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresident, A. Tizzano, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de vijfde kamer, A. Borg Barthet (rapporteur), E. Levits, en M. Berger, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: I. Illéssy, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 november 2015,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Schenker Nemzetközi Szállítmányozási és Logisztikai Kft., vertegenwoordigd door E. Czeglédi en E. Sieber-Fazakas, ügyvédek,
- —
de Nemzeti Adó- és Vámhivatal Észak-alföldi Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága, vertegenwoordigd door A. Keresztesi en Gy. Kiss als gemachtigden,
- —
de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M.Z. Fehér Miklós en G. Koós als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčíl als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Talabér-Ritz, L. Grønfeldt en F. Tomat als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 februari 2016,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de onderverdelingen 2401 10 35 en 2403 10 90 van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: ‘GN’) in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 861/2010 van de Commissie van 5 oktober 2010 (PB 2010, L 284, blz. 1) (hierna: ‘verordening nr. 2658/87’), alsmede artikel 2, onder b), artikel 4, punten 6 en 8, en artikel 38 van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB 2009, L 9, blz. 12).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Schenker Nemzetközi Szállítmányozási és Logisztikai Kft. (hierna: ‘Schenker’) en de Nemzeti Adó-és Vámhivatal Észak-Alföldi Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága (algemene directie van de douane en financiën voor de regio Alföld-Nord ressorterend onder de nationale belasting- en douaneautoriteit, Hongarije) (hierna: ‘algemene directie van de douane’) over de indeling van ‘light air cured’-tabak in de GN en de daarover eventueel verschuldigde accijns.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem
3
De Internationale Douaneraad, thans de Werelddouaneorganisatie (WCO), is opgericht bij het op 15 december 1950 te Brussel gesloten verdrag tot instelling van deze raad. Het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en codering van goederen (hierna: ‘GS’) is opgesteld door de WCO, en is aangenomen bij het op 14 juni 1983 te Brussel gesloten Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: ‘GS-verdrag’), dat met zijn wijzigingsprotocol van 24 juni 1986, namens de Europese Economische Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 (PB 1987, L 198, blz. 1).
4
Krachtens artikel 3, lid 1, van het GS-verdrag verbindt elke verdragsluitende partij zich om haar tariefnomenclatuur en haar statistieknomenclaturen in overeenstemming te doen zijn met het GS, om alle posten en onderverdelingen ervan, zonder enige toevoeging of wijziging, alsmede de daarop betrekking hebbende numerieke codes te gebruiken, en om de volgorde van de nummering van het GS in acht te nemen. Elke verdragsluitende partij verbindt zich ook om de algemene regels voor de interpretatie van het GS, alsmede alle aantekeningen op de afdelingen, de hoofdstukken en de onderverdelingen van het GS toe te passen en de draagwijdte daarvan niet te wijzigen.
5
De WCO keurt, onder de voorwaarden als bepaald in artikel 8 van het GS-verdrag, de toelichtingen en de indelingsadviezen goed die worden vastgesteld door het comité voor het GS.
6
De GS-toelichting op post 2401 van de GN luidt als volgt:
‘24.01 - Ruwe en niet tot verbruik bereide tabak; afvallen van tabak
2401.10 - ongestripte tabak
2401.20 - geheel of gedeeltelijk gestripte tabak
2401.30 - afvallen van tabak
Deze post omvat:
- 1.
tabaksplanten en tabaksbladeren in natuurlijke staat, alsmede gedroogde of gefermenteerde tabaksbladeren, ook indien ze zijn gestript, bijgesneden of gebroken en zelfs indien ze zijn versneden tot een bepaalde vorm, voor zover het geen producten betreft die gereed zijn om te worden gerookt.
Tabaksbladeren, gemengd, gestript en vervolgens gesausd met een speciale vloeistof om schimmelen en uitdroging tegen te gaan alsmede de smaak en geur te behouden, vallen eveneens onder deze post.
- 2.
afvallen van tabak, zowel van de behandeling (bereiding, vervoer, enz.) van tabaksbladeren als verkregen bij de vervaardiging van tabaksfabricaten, zoals bladstelen, nerven (die in de handel ook stelen worden genoemd), snippers, tabaksstof en tabakszand.
[…]’
7
De GS-toelichtingen op post 2403 van de GN luiden als volgt:
‘24.03 - Andere tabak en tabakssurrogaten, tot verbruik bereid; ‘gehomogeniseerde’ en ‘gereconstitueerde’ tabak; tabaksextracten en tabakssausen
2403.10 - rooktabak, ook indien tabakssurrogaten bevattend, ongeacht in welke verhouding
- andere:
2403.91 - - ‘gehomogeniseerde’ en ‘gereconstitueerde’ tabak
2403.99 - - andere
Deze post omvat:
- 1.
rooktabak, ook indien tabaksurrogaten bevattend, ongeacht in welke verhouding, b.v., tot verbruik bereide tabak gereed om in de pijp te worden gerookt of voor het vervaardigen van sigaretten.
[…]’.
Unierecht
Gecombineerde nomenclatuur
8
De tariefindeling van goederen die in de Europese Unie worden ingevoerd, wordt geregeld door de GN.
9
Artikel 12, lid 1, van verordening nr. 2658/87 bepaalt dat de Europese Commissie jaarlijks bij verordening een volledige versie vaststelt van de GN, met het daarbij behorende tarief van de douanerechten, zoals die uit de door de Raad van de Europese Unie of de Commissie vastgestelde bepalingen voortvloeit. De bedoelde verordening is van toepassing met ingang van 1 januari van het daaropvolgende jaar.
10
Op de feiten in het hoofdgeding, die zich hebben voorgedaan in 2011, is de GN-versie als vervat in verordening nr. 861/2010 van toepassing.
11
De algemene regels voor de interpretatie van de GN, die zijn opgenomen in het eerste deel, titel I, A, ervan bepalen:
‘Voor de indeling van goederen in de [GN] gelden de volgende bepalingen.
- 1.
De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en — voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen — de navolgende regels.
[…]
- 2.
- a)
De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat, voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat.
- b)
Onder een in een post vermelde stof wordt niet alleen verstaan die stof in zuivere staat, doch ook vermengd of verbonden met andere stoffen. Evenzo worden onder werken van een genoemde stof niet alleen verstaan die werken die geheel uit die stof bestaan, doch ook werken die gedeeltelijk uit die stof bestaan. De vorenbedoelde mengsels en samengestelde werken worden ingedeeld met inachtneming van de onder 3 vermelde beginselen.
- 3.
Indien goederen met toepassing van het bepaalde onder 2 b) of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt:
- a)
de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking. Indien echter twee of meer posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen of bestanddelen waaruit een mengsel of een goed is samengesteld of op een gedeelte van de artikelen, in het geval van goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, worden die posten, met betrekking tot bedoelde mengsels en goederen, aangemerkt als even specifiek, zelfs indien een van de andere posten daarvan een volledigere of nauwkeurigere omschrijving geeft;
- b)
mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3 a), worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald;
- c)
in de gevallen waarin de indeling aan de hand van het bepaalde onder 3 a) en 3 b) niet mogelijk is, wordt van de verschillende in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.
- 4.
Goederen die niet kunnen worden ingedeeld overeenkomstig vorenstaande regels, worden ingedeeld onder de post die van toepassing is op de goederen waarmee zij de meeste overeenkomst vertonen.
[…]
- 6.
Voor de indeling van goederen onder de onderverdelingen van een post zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van die onderverdelingen en de aanvullende aantekeningen, alsmede ‘mutatis mutandis’ de vorenstaande regels, met dien verstande dat uitsluitend onderverdelingen van gelijke rangorde met elkaar kunnen worden vergeleken. Voor de toepassing van deze regel en voor zover niet anders is bepaald, zijn de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken eveneens van toepassing.’
12
Het tweede deel van de GN bevat een afdeling IV betreffende ‘[p]roducten van de voedselindustrie; dranken, alcoholhoudende vloeistoffen en azijn; tabak en tot verbruik bereide tabakssurrogaten’. In deze afdeling bevindt zich onder meer hoofdstuk 24, ‘Tabak en tot verbruik bereide tabakssurrogaten’. Dit hoofdstuk bevat de volgende tariefposten:
- ‘1.
Medicinale sigaretten worden niet onder dit hoofdstuk ingedeeld (hoofdstuk 30).
GN-code
Omschrijving
Conventioneel douanerecht (%)
Bijzondere maatstaf
1
2
3
4
2401
Ruwe en niet tot verbruik bereide tabak; afvallen van tabak
2401 10
- ongestripte tabak
2401 10 35
-- ‘light-air-cured’
11,2 MIN 22 [EUR] MAX 56 [EUR]/100 kg/net
-
2401 10 60
- - van de soort Oriënt, ‘sun-cured’
11,2 MIN 22 [EUR] MAX 56 [EUR]/100 kg/net
-
2401 10 70
-- ‘dark-air-cured’
11,2 MIN 22 [EUR] MAX 56 [EUR]/100 kg/net
-
2401 10 85
-- ‘flue-cured’
11,2 MIN 22 [EUR] MAX 56 [EUR]/100 kg/net
-
2401 10 95
-- andere
10 MIN 22 [EUR] MAX 56 [EUR]/100 kg/net
-
2401 20
- geheel of gedeeltelijk gestripte tabak
2401 20 35
-- ‘light-air-cured’
11,2 MIN 22 [EUR] MAX 56 [EUR]/100 kg/net
-
2401 20 60
- - van de soort Oriënt, ‘sun-cured’
11,2 MIN 22 [EUR] MAX 56 [EUR]/100 kg/net
-
2401 20 70
-- ‘dark-air-cured’
11,2 MIN 22 [EUR] MAX 56 [EUR]/100 kg/net
-
2401 20 85
-- ‘flue-cured’
11,2 MIN 22 [EUR] MAX 56 [EUR]/100 kg/net
-
2401 20 95
-- andere
11,2 MIN 22 [EUR] MAX 56 [EUR]/100 kg/net
-
2401 30 00
- afvallen van tabak
11,2 MIN 22 [EUR] MAX 56 [EUR]/100 kg/net
-
2402
Sigaren, cigarillo's en sigaretten, van tabak of van tabakssurrogaten
2402 10 00
- sigaren en cigarillo's, tabak bevattend
26
1 000 p/st
2402 20
- sigaretten, tabak bevattend
2402 20 10
-- kruidnagels bevattend
10
1 000 p/st
2402 20 90
-- andere
57,6
1 000 p/st
2402 90 00
-andere
57,6
-
2403
Andere tabak en tabakssurrogaten, tot verbruik bereid; ‘gehomogeniseerde’ en ‘gereconstitueerde’ tabak; tabaksextracten en tabakssausen
2403 10
- rooktabak, ook indien tabakssurrogaten bevattend, ongeacht in welke verhouding
2403 10 10
- - in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 500 g
74,9
-
2403 10 90
--andere
74,9
-
-andere
2403 91 00
- - ‘gehomogeniseerde’ en ‘gereconstitueerde’ tabak
16,6
-
2403 99
--andere
2403 99 10
---pruimtabak en snuif
41,6
-
2403 99 90
---andere
16.6
-’
13
De op de feiten in het hoofdgeding toepasselijke versie van de door de Commissie opgestelde toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Gemeenschappen (PB 2008, C 133, blz. 1), luiden wat betreft GN-post 2401 als volgt:
‘2401 Ruwe en niet tot verbruik bereide tabak; afvallen van tabak
Voor ruwe en niet tot verbruik bereide tabak wordt verwezen naar punt 1 van de GS-toelichting op post 2401.
Er wordt verstaan onder:
[…]
- b)
tabak van de soort Burley, Burleyhybriden daaronder begrepen ‘light-air-cured’: tabak die met warme lucht is gedroogd in natuurlijke atmosferische omstandigheden en die geen rookgeur heeft wanneer van extra warmte of van een bijkomende luchtstroom gebruik werd gemaakt. De bladeren variëren van taankleurig tot roodachtig. Andere kleuren en combinaties van kleuren zijn dikwijls een gevolg van de rijpheidsgraad, de teeltwijze of de droogtechniek;
- c)
tabak van de soort Maryland ‘light-air-cured’: tabak die met warme lucht is gedroogd in natuurlijke atmosferische omstandigheden en die geen rookgeur heeft wanneer van extra warmte of van een bijkomende luchtstroom gebruik werd gemaakt. De bladeren variëren van lichtgeel tot diep kersrood. Andere kleuren en combinaties van kleuren zijn dikwijls een gevolg van de rijpheidsgraad, de teeltwijze of de droogtechniek;
[…]’
14
In de GN-toelichtingen op GN-onderverdeling 24 03 10 90 heet het:
‘rooktabak, ook indien tabakssurrogaten bevattend, ongeacht in welke verhouding
Rooktabak is gesneden of op andere wijze versnipperde, gesponnen of tot flakes geperste tabak die geschikt is om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt.
Tabaksafval wordt als rooktabak beschouwd indien het geschikt is om te worden gerookt, verpakt is voor de verkoop in het klein en niet is in te delen als sigaren, cigarillo's of sigaretten (zie de toelichtingen op de [GN-]onderverdelingen 2402 10 00, 2402 20 10 en 2402 20 90).
Hier worden eveneens ingedeeld producten die geheel of gedeeltelijk uit andere stoffen dan tabak bestaan en die aan de overige bovenstaande criteria voldoen, met uitzondering van producten die geheel uit andere stoffen dan tabak zijn vervaardigd en uitsluitend voor medische doeleinden dienen (hoofdstuk 30).
Tot deze onderverdelingen behoort eveneens gesneden tabak (‘cut cigarette rag’), het gerede mengsel voor de fabricage van sigaretten.’
Het douanewetboek
15
Artikel 4, punt 19, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 955/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 1999 (PB 1999, L 119, blz. 1) en verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 (PB 2005, L 117, blz. 13) (hierna: ‘douanewetboek’), luidt als volgt:
‘In de zin van dit wetboek wordt verstaan onder:
[…]
- 19.
aanbrengen bij de douane: mededeling aan de douaneautoriteiten, in de vereiste vorm, van de aankomst van de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats’.
16
In artikel 37 van het douanewetboek wordt bepaald:
- ‘1.
De in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen zijn vanaf het ogenblik waarop zij worden binnengebracht aan douanetoezicht onderworpen. Zij kunnen overeenkomstig de geldende bepalingen aan douanecontroles worden onderworpen.
- 2.
Deze goederen blijven onder douanetoezicht zolang dit nodig is om de douanestatus ervan te bepalen en wanneer het niet-communautaire goederen betreft en onverminderd artikel 82, lid 1, tot het ogenblik waarop zij hetzij een andere douanestatus krijgen, hetzij in een vrije zone of een vrij entrepot worden binnengebracht, hetzij worden wederuitgevoerd of vernietigd overeenkomstig artikel 182.’
17
Artikel 38, lid 1, van het douanewetboek luidt als volgt:
- ‘1.
Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, moeten onverwijld door de persoon die deze binnenbrengt, in voorkomend geval langs de door de douaneautoriteiten aangegeven weg en op de door deze autoriteiten vastgestelde wijze, worden gebracht:
- a)
hetzij naar het door de douaneautoriteiten aangewezen douanekantoor of naar enige andere, door deze autoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats;
- b)
hetzij naar een vrije zone, indien het binnenbrengen van de goederen in deze vrije zone rechtstreeks kan geschieden:
- —
hetzij over zee of door de lucht;
- —
hetzij over land, doch niet via een ander deel van het douanegebied van de Gemeenschap wanneer het om een aan de landgrens tussen een lidstaat en een derde land grenzende vrije zone gaat.’
18
Artikel 40 van het douanewetboek luidt:
‘Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, worden bij de douane aangebracht door de persoon die ze aldaar heeft binnengebracht of, in voorkomend geval, door de persoon die de aansprakelijkheid aanvaardt van het vervoer van de goederen nadat deze zijn binnengebracht, behalve wanneer de goederen uitsluitend door het luchtruim of de territoriale wateren van het douanegebied gaan zonder dat er een tussenstop wordt gemaakt in dit gebied. De persoon die de goederen aanbrengt, verwijst naar de eerder voor deze goederen ingediende summiere aangifte of douaneaangifte. De persoon die de goederen aanbrengt, verwijst naar de eerder voor deze goederen ingediende summiere aangifte of douaneaangifte.’
19
Artikel 79 van het douanewetboek bepaalt:
‘Niet-communautaire goederen die in het vrije verkeer worden gebracht, verkrijgen daardoor de douanestatus van communautaire goederen.
Het in het vrije verkeer brengen omvat de toepassing van de handelspolitieke maatregelen en het vervullen van de andere formaliteiten voor de invoer van goederen alsmede de toepassing van de wettelijk verschuldigde rechten.’
20
Artikel 84, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:
‘Indien in de artikelen 85 tot en met 90
- a)
de term ‘schorsingsregeling’ wordt gebruikt, heeft deze in het geval van niet-communautaire goederen betrekking op de volgende regelingen:
- —
extern douanevervoer,
- —
douane-entrepot,
- —
actieve veredeling in de vorm van het systeem inzake schorsing,
- —
behandeling onder douanetoezicht,
en
- —
tijdelijke invoer;
[…]’
21
Artikel 91 van het douanewetboek luidt:
- ‘1.
De regeling extern douanevervoer maakt het vervoer mogelijk van een plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap:
- a)
van niet-communautaire goederen zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer en andere belastingen of aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen;
- b)
van communautaire goederen, in de gevallen en onder de voorwaarden die volgens de procedure van het comité worden vastgesteld, om te voorkomen dat de producten waarvoor maatregelen bij uitvoer gelden of die voor maatregelen bij uitvoer in aanmerking komen, naar gelang van het geval, aan de werking van die maatregelen worden onttrokken of er ten onrechte aanspraak op maken.
[…]’
22
Artikel 202 van het douanewetboek bepaalt:
- ‘1.
Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
- a)
indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht,
of
- b)
indien dergelijke, zich in een vrije zone of een vrij entrepot bevindende goederen op onregelmatige wijze in een ander deel van genoemd douanegebied worden binnengebracht.
Onder ‘op onregelmatige wijze binnenbrengen’ van goederen in de zin van dit artikel wordt verstaan: elk binnenbrengen van goederen in strijd met de bepalingen van de artikelen 38 tot en met 4 en met die van artikel 177, tweede streepje.
- 2.
De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen op onregelmatige wijze worden binnengebracht.
[…]’
23
Artikel 204, lid 1, van het douanewetboek is als volgt verwoord:
‘Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
- a)
indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst,
of
- b)
indien een van de voorwaarden die zijn gesteld voor de plaatsing van de goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van het gebruik van de goederen voor bijzondere doeleinden, niet in acht is genomen,
in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleken voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.’
De uitvoeringsverordening
24
Artikel 186, lid 1, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB 1993, L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1063/2010 van de Commissie van 18 november 2010 (PB 2010, L 307, blz. 1) (hierna: ‘uitvoeringsverordening’), luidt:
‘De bij de douane aangebrachte niet-communautaire goederen worden gedekt door een summiere aangifte voor tijdelijke opslag ter zake waarvan door de douaneautoriteiten nadere regels worden vastgesteld.’
25
Artikel 859 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB 1993, L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 444/2002 van de Commissie van 11 maart 2002 (PB 2002, L 68, blz. 11) (hierna: ‘uitvoeringsverordening’), bepaalt:
‘De volgende vormen van verzuim worden beschouwd als zijnde zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of van de betrokken douaneregeling in de zin van artikel 204, lid 1, van het [douanewetboek], voor zover:
- —
zij geen poging tot onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht inhouden,
- —
zij geen duidelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, en
- —
alle formaliteiten voor het regulariseren van de situatie van de goederen alsnog worden vervuld:
[…]
- 2)
voor onder de regeling douanevervoer geplaatste goederen, het niet voldoen aan een voorwaarde voor het gebruik van de regeling, mits:
- a)
de onder de regeling geplaatste goederen in ongeschonden staat bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht;
- b)
het kantoor van bestemming erop heeft kunnen toezien dat deze goederen, bij beëindiging van het douanevervoer, een douanebestemming hebben gekregen of tijdelijk zijn opgeslagen,
en
- c)
wanneer de overeenkomstig artikel 356 vastgestelde termijn is overschreden en lid 3 van genoemd artikel niet van toepassing is, de goederen niettemin binnen een redelijke termijn bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht;
[…]’
Richtlijn 2008/118
26
Overweging 7 van richtlijn 2008/118 luidt:
‘Aangezien de schorsingsregelingen van […] het […] douanewetboek […] passend toezicht garanderen zolang accijnsgoederen onder de bepalingen van die verordening vallen, hoeft voor de accijns geen afzonderlijk toezichtsysteem te worden toegepast gedurende de tijd dat accijnsgoederen onder een communautaire douaneschorsingsregeling staan.’
27
Artikel 1, lid 1, onder c), van deze richtlijn bepaalt:
‘Bij deze richtlijn wordt de algemene regeling vastgesteld ter zake van de directe of indirecte heffing van accijns op het verbruik van de volgende goederen, hierna ‘accijnsgoederen’ genoemd:
[…]
- c)
tabaksfabrikaten vallende onder de richtlijnen 95/59/EG, 92/79/EEG en 92/80/EEG.’
28
In artikel 2 van richtlijn 2008/118 heet het:
‘Accijnsgoederen worden aan de accijns onderworpen op het tijdstip van:
- a)
hun productie, daaronder begrepen hun winning, indien van toepassing, op het grondgebied van de Gemeenschap;
- b)
hun invoer in het grondgebied van de Gemeenschap.’
29
Artikel 3, lid 4, van deze richtlijn luidt:
‘De hoofdstukken III en IV zijn niet van toepassing op accijnsgoederen die onder een douaneschorsingsregeling zijn geplaatst.’
30
Artikel 4, punten 6 en 8, van deze richtlijn is als volgt verwoord:
‘In deze richtlijn en de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen wordt verstaan onder:
[…]
- 6.
‘douaneschorsingsregeling’: iedere in verordening (EEG) nr. 2913/92 vastgestelde bijzondere procedure inzake douanetoezicht ter zake van niet-communautaire goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, tijdelijke opslag, vrije zones of vrije entrepots, en iedere in artikel 84, lid 1, onder a), van die verordening bedoelde regeling;
[…]
- 8.
‘invoer van accijnsgoederen’: het in het grondgebied van de Gemeenschap binnenbrengen van accijnsgoederen die bij hun binnenkomst in de Gemeenschap niet onder een douaneschorsingsregeling worden geplaatst, alsmede het vrijgeven van onder een douaneschorsingsregeling geplaatste accijnsgoederen’.
31
Artikel 7, lid 2, van diezelfde richtlijn luidt als volgt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder uitslag tot verbruik verstaan:
- a)
het aan een accijnsschorsingsregeling onttrekken, daaronder begrepen het onregelmatig onttrekken, van accijnsgoederen;
[…]
- d)
de invoer, met inbegrip van onregelmatige invoer, van accijnsgoederen die niet onmiddellijk bij invoer onder een accijnsschorsingsregeling worden geplaatst.’
32
Artikel 33, lid 1, van richtlijn 2008/118 voorziet in het volgende:
‘Onverminderd artikel 36, lid 1, zijn accijnsgoederen die, nadat zij reeds in een lidstaat tot verbruik zijn uitgeslagen, voor commerciële doeleinden voorhanden worden gehouden in een andere lidstaat om er te worden geleverd of gebruikt, aan accijns onderworpen en wordt de accijns verschuldigd in die andere lidstaat.
[…]’
33
Artikel 38 van deze richtlijn bepaalt:
- ‘1.
Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen overeenkomstig artikel 33, lid 1, of artikel 36, lid 1, een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar die goederen tot verbruik zijn uitgeslagen, worden zij aan de accijns onderworpen en wordt de accijns verschuldigd in de lidstaat waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden.
- 2.
Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen overeenkomstig artikel 33, lid 1, of artikel 36, lid 1, een onregelmatigheid is geconstateerd in een andere lidstaat dan de lidstaat waar die goederen tot verbruik zijn uitgeslagen, en er niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid plaatsvond, wordt deze geacht te hebben plaatsgevonden en wordt de accijns verschuldigd in de lidstaat waar de onregelmatigheid werd geconstateerd.
Indien evenwel binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum waarop de accijnsgoederen zijn verkregen, wordt vastgesteld in welke lidstaat de onregelmatigheid daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is lid 1 van toepassing.
[…]
- 4.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ‘onregelmatigheid’ verstaan een niet onder artikel 37 vallende situatie die zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen overeenkomstig artikel 33, lid 1, of artikel 36, lid 1, voordoet en als gevolg waarvan een overbrenging of een onderdeel van een overbrenging van accijnsgoederen niet op regelmatige wijze is geëindigd.’
Hongaars recht
34
De jövedéki adóról és a jövedéki termékek forgalmazásának különös szabályairól szóló 2003. évi CXXVII. törvény (wet nr. CXXVII van 2003 betreffende accijnzen en houdende specifieke voorschriften betreffende het op de markt brengen van accijnsgoederen; hierna: ‘accijnswet’) bepaalt in artikel 1, leden 1 en 2:
- ‘1.
Op het nationale grondgebied vervaardigde of aldaar ingevoerde accijnsgoederen worden aan accijns onderworpen.
- 2.
Met het oog op de nakoming van de accijnsverplichting en het toezicht daarop is vereist dat:
- a)
de accijnsgoederen waarvoor de accijns dient te worden geïnd uitsluitend worden vervaardigd in een belastingentrepot, tenzij zij onder douanetoezicht worden vervaardigd;
- b)
op het nationale grondgebied ingevoerde accijnsgoederen waarvoor geen accijns is betaald, worden geplaatst in een belastingentrepot of in het bedrijf of het entrepot van een vrijgestelde gebruiker, tenzij de goederen onder douanetoezicht staan of bestemd zijn voor een geregistreerde ondernemer;
- c)
accijnsgoederen waarvoor geen accijns is betaald, uitsluitend worden bewaard of opgeslagen in een belastingentrepot of in het bedrijf of het entrepot van een vrijgestelde gebruiker, tenzij de goederen onder douanetoezicht staan.’
35
Artikel 3, lid 1, van de accijnswet bepaalt:
‘De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de belasting op accijnsgoederen, op de belasting over de toegevoegde waarde op tabaksfabricaten, op de productie en het in de handel brengen van accijnsgoederen en op andere aan accijns onderworpen transacties.’
36
Artikel 3, lid 2, onder g), van de accijnswet bepaalt dat tabaksfabrikaten aan accijns zijn onderworpen.
37
Artikel 7 van die wet bevat de volgende definities:
- ‘2)
Invoer van accijnsgoederen: invoer van accijnsgoederen op het nationale grondgebied, hetzij rechtstreeks uit een derde land, hetzij via het grondgebied van een of meer andere lidstaten; indien de goederen onder een douaneregeling het nationale grondgebied binnenkomen, vindt de invoer plaats op het ogenblik dat de douaneprocedure voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen wordt afgesloten.
- 7/I)
Onregelmatige onttrekking aan een accijnsschorsingsregeling: elke handeling of elke omstandigheid die voor onder een communautaire accijnsschorsingsregeling geplaatste accijnsgoederen niet leidt tot de in artikel 21, lid 1, en artikel 26/B, lid 3, bedoelde vrijstelling van de geschorste verplichting tot vaststelling en tot betaling van de belasting.
- 22)
Uitslag tot verbruik: uitslag van de accijnsgoederen uit een belastingentrepot, een belastingentrepot in een andere lidstaat of het bedrijf van een vrijgestelde gebruiker, tenzij de goederen worden verzonden naar een belastingentrepot, een belastingentrepot in een andere lidstaat, een geregistreerde onderneming in een andere lidstaat, een derde land of een vrijgestelde gebruiker; ontvangst van de accijnsgoederen door een geregistreerde ondernemer; de door de producent in een belastingentrepot georganiseerde bulkverkoop van druivenwijn; inklaring van accijnsgoederen waardoor zij overeenkomstig de douaneregels tot verbruik worden uitgeslagen, of een door een douaneautoriteit genomen maatregel waardoor de goederen moeten worden geacht overeenkomstig de douaneregels tot verbruik te zijn uitgeslagen, voor zover de goederen na de inklaring of de maatregel niet in een belastingentrepot of bij een vrijgestelde gebruiker worden opgeslagen en niet op grond van artikel 18, lid 2, door een geregistreerde afzender worden verzonden naar een van de in artikel 18, lid 1, bedoelde bestemmingen.’
38
Artikel 8, lid 1, van die wet luidt:
‘Tenzij anders bepaald in deze wet, ontstaat de accijnsverplichting wanneer:
- a)
accijnsgoederen op het nationale grondgebied worden geproduceerd;
- b)
accijnsgoederen worden ingevoerd.’
39
Artikel 15, lid 2, van de accijnswet bepaalt:
‘De belasting wordt verschuldigd wanneer:
- a)
accijnsgoederen waarvoor de accijns dient te worden geïnd illegaal buiten een belastingentrepot worden geproduceerd;
- b)
accijnsgoederen die illegaal buiten een belastingentrepot zijn geproduceerd of illegaal vanuit een derde land of een andere lidstaat op nationaal grondgebied zijn ingevoerd of verkregen, in ontvangst worden genomen, worden bewaard, vervoerd, gebruikt of tot verbruik worden uitgeslagen, tenzij een natuurlijke persoon die geen zelfstandige activiteiten verricht met die accijnsgoederen, aantoont dat hij in de gegeven omstandigheden duidelijk mocht aannemen dat hij deze goederen wettig kon verwerven.’
40
Artikel 48, lid 1, van deze wet bepaalt:
‘De douanewetgeving moet overeenkomstig de bepalingen van deze wet worden toegepast op uit derde landen ingevoerde accijnsgoederen, zolang zij niet-communautaire goederen zijn, alsook op accijnsgoederen die worden ingevoerd uit de in artikel 7, lid 3, onder a, punt ab), genoemde gebieden, en op niet-belaste accijnsgoederen die naar een derde land worden uitgevoerd, wat de vervulling van de door de douanewetgeving voorgeschreven douaneformaliteiten betreft.’
41
Ingevolge artikel 114, lid 1, van die wet moet elke natuurlijke persoon — behalve indien hij zelfstandig economische activiteiten verricht met de betrokken producten — een boete betalen die evenredig is aan de hoeveelheid producten, indien ‘de accijnsgoederen die hij bezit, vervoert, verkoopt of gebruikt, niet in een belastingentrepot zijn geproduceerd of, in geval van invoer, daarvoor de douaneformaliteiten niet zijn vervuld’.
42
Artikel 114, lid 2, van de accijnswet bepaalt dat onder lid 1 van dat artikel geacht worden te vallen ‘accijnsgoederen waarvoor de houder, de vervoerder, de verkoper of de gebruiker niet aan de hand van een factuur, een vereenvoudigde factuur, een begeleidend document, een document betreffende de bulkverkoop van wijn, een vereenvoudigd geleidedocument, een douanedocument of enig ander sluitend bewijs kan aantonen dat de belasting betaald is of dat de goederen onder een accijnsschorsingsregeling worden vervoerd’.
43
Volgens artikel 114, lid 4, van die wet moeten marktdeelnemers — met uitzondering van personen die niet zelfstandig economische activiteiten verrichten met de betrokken producten — die een van de in lid 1, onder a) of b), verrichte handelingen verrichten, een boete betalen van tweemaal de in lid 3 van dat artikel genoemde grondslag of van vijfmaal deze grondslag, wanneer het gaat om commerciële hoeveelheden.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
44
Schenker is een in Hongarije gevestigde onderneming die diensten verricht op het gebied van douanevertegenwoordiging en logistiek. Op 21 januari 2011 heeft zij van Nyíregyháza Logisztik Centrum Kft., een in Hongarije geregistreerde onderneming, de opdracht gekregen om twee partijen tabak wegens ruimtegebrek in ‘tijdelijke opslag’ te nemen. Zij heeft vervolgens ook nog twee andere partijen tabak in ‘tijdelijke opslag’ genomen.
45
De partijen tabak zijn via Slovenië het grondgebied van de Europese Unie binnengekomen en waren bestemd voor Oekraïne. Volgens de begeleidende documenten zijn de vier betrokken partijen Hongarije binnengekomen onder de regeling extern douanevervoer ‘T1’ in de zin van het douanewetboek.
46
De ‘T1’-douanedocumenten vermeldden de GN-code 2401 10 35 (‘ongestripte tabak — ‘light-air-cured’’), een product waarvoor geen accijns verschuldigd is.
47
Na het lossen van de betrokken goederen heeft Schenker de partijen tabak onder de regeling ‘tijdelijke opslag’ geplaatst.
48
Op 1 februari 2011 is een van de containers doorgestuurd naar de bedrijfslocatie van Nyíregyháza Logisztik Centrum Kft., en op 8 maart 2011 heeft Schenker de overige containers opgeslagen in haar publieke douane-entrepot ‘type A’ te Debrecen (Hongarije).
49
Op 20 april 2011 heeft de Nemzeti Adó- és Vámhivatal Megyei Vám- és Pénzügyőri Igazgatósága (douane- en belastingdirectie van het departement Hajdú-Bihar, ressorterend onder de nationale belasting- en douaneautoriteit, Hongarije) (hierna: ‘belastingdienst in eerste aanleg’) steekproefsgewijze controles op de drie containers uitgevoerd.
50
De inspecteurs van de belastingdienst in eerste aanleg hebben willekeurig drie met omsnoeringsband en plakband verzegelde dozen gekozen van de niet-communautaire goederen die aan een fysieke controle in het douane-entrepot onderworpen waren, en hebben na opening ervan vastgesteld dat er, gelet op de organoleptische eigenschappen van het product in de dozen, geen sprake was van de in de documenten vermelde ‘ongestripte tabak’, maar van gesneden tabak. Bijgevolg vielen de goederen niet onder GN-onderverdeling 2401 10 35.
51
Daarop heeft de belastingdienst in eerste aanleg alle 1 260 dozen van de partij onderzocht en vastgesteld dat al deze dozen gesneden tabak bevatten, waarvan het totale nettogewicht volgens de entrepotdocumenten 37 800 kg was.
52
Op 22 april 2011 is de 37 800 kg gesneden tabak onder douanebewaking gesteld.
53
Op 5 mei 2011 zijn van de gesneden tabak monsters genomen in overeenstemming met de regels voor de bemonstering.
54
Na onderzoek van de uitwendige organoleptische eigenschappen van het product, is de Nemzeti Adó- és Vámhivatal Szakértői Intézete (het expertisebureau van de nationale belasting- en douaneautoriteit, Hongarije) (hierna: ‘expertisebureau’) tot de volgende conclusie gekomen:
‘Het monster bevat licht- en donkerbruine ongelijkvormig gesneden tabak, in kleine korrels met de karakteristieke geur van tabak. Het monster bevat voornamelijk fijne, maar lange strengen. Daarnaast bevat het ook een vrij grote hoeveelheid korrels met een bredere/grotere doorsnede, waaronder zich ook resten van stengels bevinden. Op de bodem van de monsterzak bevindt zich ook tabakspoeder.’
55
Het proces-verbaal van de bemonstering vermeldt onder meer het volgende:
‘Verpakking en vorm van het monster: — ‘In bulk, samengeperst in met plastic gevoerde dozen’;
— nettogewicht per doos: 30 kg.’
56
Het expertisebureau heeft ook de doorsnede van de tabaksvezels onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat: ‘[i]n het onderzochte monster meer dan 25 gewichtsprocent van de tabakskorrels een doorsnede heeft van minder dan 1 millimeter’.
57
Na het onderzochte product te hebben getest, heeft het expertisebureau bevonden dat het betrokken monster ‘kant-en-klare rooktabak’ betrof.
58
Naar aanleiding van het rapport van het expertisebureau heeft de belastingdienst in eerste aanleg zich op het standpunt gesteld dat het product in de container rooktabak van fijne snede was, dus een aan accijns onderworpen product.
59
De belastingdienst in eerste aanleg heeft bovendien geoordeeld dat de begeleidende documenten niet het bewijs konden leveren van de oorsprong van de goederen als accijnsgoederen, aangezien deze documenten een GN-code vermeldden die niet overeenkwam met de GN-onderverdeling waaronder de daadwerkelijke goederen vielen.
60
Bijgevolg heeft de belastingdienst in eerste aanleg Schenker bij besluit nr. 5214-9/2011 van 21 juni 2011 een accijnsboete opgelegd van 1 485 540 000 Hongaarse forint (HUF) (ongeveer 4 732 052,83 EUR). Volgens de motivering van dat besluit had verzoekster de accijnsregelgeving geschonden door accijnsgoederen op te slaan, te bewaren en onder zich te houden zonder over die goederen belasting te betalen en zonder het bewijs van de herkomst en de oorsprong ervan te hebben geleverd.
61
Beslissend op het bezwaar van Schenker heeft de algemene directie van de douane bij besluit nr. 2177-18/2012 van 28 maart 2012 het door de belastingdienst in eerste aanleg vastgestelde besluit bevestigd.
62
Schenker heeft bij de Debreceni Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (bestuurs- en arbeidsgerecht te Debrecen, Hongarije) een verzoek ingediend tot rechterlijke toetsing van dit besluit, waarin zij stelt dat dit besluit op verschillende gronden onrechtmatig is.
63
Schenker heeft om te beginnen aangevoerd dat de algemene directie van de douane de litigieuze goederen ten onrechte heeft ingedeeld onder onderverdeling 2403 10 90 van hoofdstuk 24 van de GN.
64
Verder heeft Schenker bestreden dat de goederen onder de werkingssfeer van de regelgeving inzake accijns kunnen vallen, aangezien zij meent dat die goederen niet ten verbruik zijn uitgeslagen.
65
Ten slotte heeft Schenker betoogd dat de betrokken goederen geacht moesten worden onder een douaneschorsingsregeling te zijn geplaatst, ongeacht of de GN-code in de begeleidende documenten al dan niet overeenstemde met omschrijving volgens de GN-onderverdeling waaronder de goederen in werkelijkheid vielen.
66
Volgens een door Schenker overgelegde deskundigenadvies omvat GN-post 2401 niet alleen ongestripte tabak, maar kunnen daaronder ook gebroken en gesneden tabak vallen indien deze nog verder industrieel moet worden verwerkt. Volgens dat advies is de toepassing van GN-post 2401 niet onrechtmatig, ook al is het product geheel versneden, aangezien het verder dient te worden verwerkt, en als zodanig kon worden ingedeeld onder GN-onderverdeling 2401 30 00.
67
De algemene directie van de douane heeft ten gronde geconcludeerd tot verwerping van het verzoek. Haars inziens kunnen de producten niet worden geacht bij de douane te zijn aangebracht, aangezien deze in de begeleidende doorvoerdocumenten worden aangemerkt als ‘ongestripte tabak’ in de zin van GN-tariefpost 2401 10 3510, terwijl de betrokken goederen in werkelijkheid ‘rooktabak van fijne snede’ zijn in de zin van GN-post 2403 10 9000, in verpakkingen met een nettogewicht van meer dan 500 g. De inhoud van de begeleidende doorvoerdocumenten strookt dus niet met de werkelijkheid.
68
Volgens de algemene directie van de douane kan met de begeleidende documenten de oorsprong van de door Schenker voorhanden gehouden goederen niet worden aangetoond of aannemelijk gemaakt.
69
In deze omstandigheden heeft de Debreceni Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (bestuurs- en arbeidsrechter te Debrecen) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet de omschrijving van douanegoederen als ‘light-air-cured’ tabak in de zin van GN-code 2401 10 35 van hoofdstuk 24 (‘Tabak en tot verbruik bereide tabakssurrogaten’) van verordening (EU) nr. 861/2010, aldus worden uitgelegd dat zij slechts ongestripte ‘air-cured’ tabak betreft
- —
die volledige bladeren van de tabaksplant bevat,
- —
die niet gesneden, samengeperst of gecomprimeerd is,
- —
die als ongestripte ‘light-air-cured’ tabak in de zin van GN-code 2401 10 35 geen andere vorm van behandeling (bijvoorbeeld verwijdering van de stengels, snijden of comprimeren van de bladeren) mag ondergaan dan een natuurlijke droging,
- —
die niet geschikt is om te worden gerookt?
- 2)
Moet het begrip ‘douaneschorsingsregeling’ in artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 aldus worden uitgelegd dat deze regeling ook geldt voor douanegoederen (accijnsgoederen) die onder extern douanevervoer, in tijdelijke opslag of in een douane-entrepot worden geplaatst en worden vergezeld van documenten waarin een verkeerde tariefonderverdeling is opgegeven ([GN-code 2401 10 35] in plaats van [GN-code 2403 10 9000]), wanneer het relevante hoofdstuk [van de GN] (hoofdstuk 24 — Tabak) en alle overige gegevens (nummer van de container, hoeveelheid, nettogewicht) wel correct zijn vermeld en de zegels niet zijn verbroken?
(Met andere woorden, kunnen bepaalde goederen onder de douaneschorsingsregeling worden geplaatst wanneer de begeleidende documenten het juiste hoofdstuk van het gemeenschappelijk douanetarief vermelden, maar niet de juiste specifieke tariefonderverdeling?)
- 3)
Moeten de begrippen ‘invoer’ in artikel 2, onder b), van richtlijn 2008/118/EG en ‘invoer van accijnsgoederen’ in artikel 4, punt 8, van deze richtlijn aldus worden uitgelegd dat zij ook betrekking hebben op het geval waarin de tariefonderverdeling van de goederen die daadwerkelijk onder extern douanevervoer zijn geplaatst, verschilt van die welke in de begeleidende documenten is vermeld, maar, afgezien van dit verschil, zowel het opgegeven hoofdstuk (namelijk hoofdstuk 24 — Tabak) als de hoeveelheid en het nettogewicht van de werkelijke goederen overeenstemmen met de vermeldingen in de begeleidende documenten?
- 4)
Vormt de omstandigheid dat goederen onder de douaneschorsingsregeling worden geplaatst, terwijl de begeleidende documenten niet de correcte GN-code vermelden zoals aangegeven in bijlage I bij verordening nr. 2658/87, een onregelmatigheid in de zin van artikel 38 van richtlijn 2008/118?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
70
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Hof, wanneer het wordt verzocht om een prejudiciële beslissing op het gebied van de tariefindeling, veeleer tot taak heeft de nationale rechter de criteria aan te reiken aan de hand waarvan deze de betrokken producten correct in de GN kan indelen, dan zelf deze indeling te verrichten, temeer daar het Hof niet altijd over alle daartoe noodzakelijke gegevens beschikt. De nationale rechter is hiertoe in ieder geval beter toegerust (arresten van 7 november 2002, Lohmann en Medi Bayreuth, C-260/00–C-263/00, EU:C:2002:637, punt 26, en van 16 februari 2006, Proxxon, C-500/04, EU:C:2006:111, punt 23).
71
Het staat dus aan de verwijzende rechter de in het hoofdgeding aan de orde zijnde producten in te delen in het licht van het antwoord van het Hof op de door hem gestelde vragen.
72
Voorts zij erop gewezen dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, aan het Hof is om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de hem voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren (arresten van 17 juli 1997, Krüger, C-334/95, EU:C:1997:378, punten 22 en 23, en van 4 oktober 2012, Byankov, C-249/11, EU:C:2012:608, punt 57).
73
In dit geval blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de verwijzende rechter zich met zijn eerste vraag in feite afvraagt hoe de GN-posten 2401 en 2403 moeten worden uitgelegd met het oog op de tariefindeling van een product met kenmerken zoals die in het hoofdgeding.
74
Aldus dient ervan te worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met deze vraag in essentie wenst te vernemen of verordening nr. 2658/87 aldus moet worden uitgelegd dat goederen zoals die in het hoofdgeding onder GN-post 2401 en meer in het bijzonder GN-onderverdelingen 2401 10 35 of 2401 30 00 vallen, dan wel onder GN-post 2403 en, in dit geval, GN-onderverdeling 2403 10 90.
75
Ter beantwoording van deze vraag zij benadrukt dat overeenkomstig de algemene regels voor de interpretatie van de GN de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken bepalend zijn voor de indeling van goederen, terwijl de tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden (arrest van 11 juni 2015, Baby Dan, C-272/14, EU:C:2015:388, punt 25).
76
Voorts zij in herinnering geroepen dat volgens vaste rechtspraak in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in beginsel moet worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de tekst van de GN-posten en in de aantekeningen op de afdelingen of de hoofdstukken zijn omschreven (zie onder meer arresten van 16 september 2004, DFDS, C-396/02, EU:C:2004:536, punt 27; van 15 september 2005, Intermodal Transports, C-495/03, EU:C:2005:552, punt 47, en van 15 februari 2007, RUMA, C-183/06, EU:C:2007:110, punt 27).
77
Aangaande de toelichtingen op het GS zij daaraan toegevoegd dat die weliswaar niet bindend zijn, maar toch belangrijke instrumenten vormen ter verzekering van de uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief, die als zodanig nuttige gegevens bevatten voor de uitlegging daarvan (arresten van 18 juni 2009, Kloosterboer Services, C-173/08, EU:C:2009:382, punt 25, en van 20 juni 2013, Agroferm, C-568/11, EU:C:2013:407, punt 28). Hetzelfde geldt voor de toelichtingen op de GN (zie arresten van 16 juni 1994, Develop Dr. Eisbein, C-35/93, EU:C:1994:252, punt 21, en van 14 april 2011, British Sky Broadcasting Group en Pace, C-288/09 en C-289/09, EU:C:2011:248, punt 92).
78
Met het oog op de indeling onder de juiste post kan de bestemming van het product een objectief indelingscriterium zijn, wanneer die bestemming inherent is aan het product. De inherentie moet kunnen worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product (zie arrest van 4 maart 2004, Krings, C-130/02, EU:C:2004:122, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het bij de betrokken goederen gaat om ongelijkvormig gesneden tabak die voornamelijk bestaat uit fijne, maar lange strengen, en waarin zich een vrij grote hoeveelheid bredere korrels, waaronder ook resten van stengels en tabakspoeder bevinden. In de verwijzingsbeslissing wordt verder nog opgemerkt dat het gaat om ‘kant-en-klare rooktabak’.
80
Aangezien Schenker betoogt dat deze goederen onder GN-post 2401 vallen, dient te worden aangegeven over welke kenmerken een product moet beschikken om onder die post te vallen.
81
In dit verband geldt dat GN-post 2401 volgens zijn bewoordingen ziet op ‘ruwe en niet tot verbruik bereide tabak; afvallen van tabak’.
82
Wat betreft ‘ruwe en niet tot verbruik bereide tabak’ verwijzen de GN-toelichtingen op GN-post 2401 naar punt 1 van de GS-toelichtingen op die post, waarin wordt opgemerkt dat onder deze post vallen tabaksplanten en tabaksbladeren in natuurlijke staat, alsmede gedroogde of gefermenteerde tabaksbladeren, ook indien ze zijn gestript, bijgesneden of gebroken en zelfs indien ze zijn versneden tot een bepaalde vorm, voor zover het geen producten betreft die gereed zijn om te worden gerookt.
83
Wat betreft ‘afvallen van tabak’ wordt in punt 2 van de GS-toelichtingen op GN-post 2401 verduidelijkt dat onder dit begrip vallen bladstelen, nerven (die in de handel ook stelen worden genoemd), snippers, tabaksstof en tabakszand, zowel van de behandeling (bereiding, vervoer, enz.) van tabaksbladeren als verkregen bij de vervaardiging van tabaksfabricaten.
84
Aangezien uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen bestaan uit bestanddelen die als tabaksafval kunnen worden aangemerkt, maar het product tegelijkertijd ook ‘tabak gereed om te worden gerookt’ vormt, moet, volgens de regel van punt 3, onder b), van de algemene regels voor de interpretatie van de GN, voor de tariefindeling van dit product worden vastgesteld aan welke van de stoffen waaruit het is samengesteld, het zijn wezenlijke karakter ontleent. Dit kan worden gedaan door na te gaan of het product ook zonder het ene of het andere bestanddeel zijn kenmerkende eigenschappen behoudt (arrest van 18 juni 2009, Kloosterboer Services, C-173/08, EU:C:2009:382, punt 31).
85
Evenzo kan volgens punt VIII van de GS-toelichting op algemene regel 3, onder b), de factor die doorslaggevend is bij het bepalen van het wezenlijk karakter, afhankelijk van het type product, bijvoorbeeld blijken uit de stof waaruit de producten bestaan of de artikelen waaruit zij zijn samengesteld, de omvang, de hoeveelheid, het gewicht, de waarde of de belangrijkheid van de samenstellende stoffen in verband met het gebruik van de producten.
86
In deze zaak wordt in de verwijzingsbeslissing opgemerkt dat het bij de goederen in kwestie niet gaat om gedroogde tabaksbladeren in natuurlijke staat, maar — als geheel beschouwd — om kant-en-klare rooktabak. Aangezien de verwijzende rechter van oordeel is dat de aanwezigheid van tabaksafval niet betekent dat het product in zijn totaliteit geen kant-en-klare rooktabak vormt, kan dit product derhalve niet onder GN-post 2401 vallen.
87
In dit verband geldt dat GN-post 2403 volgens de GS-toelichtingen daarop mede rooktabak omvat.
88
Meer in het bijzonder wordt in de toelichtingen op de GN op GN-onderverdeling 2403 10 90 verduidelijkt dat rooktabak gesneden tabak is die geschikt is om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt.
89
Daarmee hangt de afbakening tussen ruwe of niet tot verbruik bereide tabak en tot verbruik bereide tabak af van de vraag of de tabak als ‘kant-en-klare rooktabak’ kan worden aangemerkt, zoals de advocaat-generaal in punt 60 van haar conclusie heeft benadrukt.
90
Bijgevolg valt het beslissende criterium voor de indeling van een product onder GN-post 2403 in plaats van GN-post 2401, samen met de vraag of de bladeren een zodanige bewerking hebben ondergaan dat sprake is van bewerkte tabak die zonder nadere industriële verwerking gebruiksklaar is, zoals de Hongaarse regering terecht opmerkt.
91
In deze omstandigheden vallen de goederen in het hoofdgeding onder GN-onderverdeling 2403 10 90, aangezien — zoals volgt uit punt 78 van dit arrest — de verwijzende rechter heeft opgemerkt dat het bij de goederen gaat om kant-en-klare rooktabak, die verder in bulk is verpakt en is samengeperst in met plastic gevoerde dozen met een nettogewicht per doos van 30 kg.
92
GN-onderverdeling 2403 10 10 ziet immers op goederen in ‘verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 500 g’.
93
Derhalve dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat verordening nr. 2658/87 aldus moet worden uitgelegd dat goederen zoals die in het hoofdgeding, bestaande uit rooktabak, ondanks de aanwezigheid van tabaksafval niet vallen onder GN-post 2401, aangezien dat afval niet afdoet aan de bestemming van het betrokken product. Dergelijke goederen kunnen evenwel vallen onder GN-post 2403, en meer in het bijzonder GN-onderverdeling 2403 10 90, wanneer deze in bulk zijn verpakt en zijn samengeperst in met plastic gevoerde dozen met een nettogewicht van 30 kg.
Tweede en derde vraag
94
Met zijn tweede en zijn derde vraag, die gezamenlijk dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of het begrip ‘douaneschorsingsregeling’ in artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 aldus moet worden uitgelegd dat goederen niet onder de douaneschorsingsregeling kunnen worden geplaatst wanneer de begeleidende documenten het juiste hoofdstuk vermelden van het gemeenschappelijk douanetarief waaronder die goederen vallen, maar niet de juiste specifieke onderverdeling, en of artikel 2, onder b), en artikel 4, punt 8, van richtlijn 2008/118 aldus moeten worden uitgelegd dat in een dergelijk geval moet worden geoordeeld dat die goederen zijn ingevoerd.
95
Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat accijnsgoederen ingevolge artikel 2, onder b), van richtlijn 2008/118 aan de accijns worden onderworpen op het tijdstip van hun invoer in het grondgebied van de Unie.
96
Eerst dient te worden nagegaan of voor goederen zoals die in het hoofdgeding sprake is van ‘invoer’ in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 2008/118.
97
Ingevolge artikel 4, punt 8, van richtlijn 2008/118 wordt als ‘invoer van accijnsgoederen’ aangemerkt het in het grondgebied van de Unie binnenbrengen van accijnsgoederen die bij hun binnenkomst in de Unie niet onder een douaneschorsingsregeling worden geplaatst, alsmede het vrijgeven van onder een douaneschorsingsregeling geplaatste accijnsgoederen.
98
Verder wordt volgens artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 onder ‘douaneschorsingsregeling’ verstaan iedere in het douanewetboek vastgestelde bijzondere procedure inzake douanetoezicht ter zake van niet-communautaire goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, tijdelijke opslag, vrije zones of vrije entrepots, en iedere in artikel 84, lid 1, onder a), van dat wetboek bedoelde regeling.
99
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de goederen in het hoofdgeding bij hun invoer op het douanegebied van de Unie in Slovenië bij de douane zijn aangebracht, en dat zij in het kader van de procedure voor extern douanevervoer zijn aangekomen in Hongarije, waar zij onder de regeling voor tijdelijke opslag en vervolgens die voor douane-entrepot zijn geplaatst.
100
Bijgevolg zijn deze goederen sinds hun aankomst op het douanegebied van de Unie onder een ‘douaneschorsingsregeling’ in de zin van artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 geplaatst, welk artikel verwijst naar artikel 84, lid 1, onder a), van het douanewetboek.
101
In dit geval zal moeten worden onderzocht of de vermelding van een onjuiste tariefpost in een summiere aangifte voor tijdelijke opslag al dan niet met zich brengt dat die goederen niet meer vallen onder de betrokken douaneschorsingsregeling en daarbij tot gevolg heeft dat in voorkomend geval krachtens de artikelen 202 en 204 van het douanewetboek een douaneschuld ontstaat en accijns verschuldigd wordt.
102
Artikel 202 van het douanewetboek definieert ‘op onregelmatige wijze binnenbrengen’ van goederen als elk binnenbrengen van aan rechten bij invoer onderworpen goederen hetzij in het douanegebied van de Unie, hetzij in een ander deel van dat gebied terwijl ze zich in een vrije zone of een vrij entrepot bevinden, in strijd met de artikelen 38 tot en met 41 en artikel 177, tweede streepje, van dat wetboek (arrest van 3 maart 2005, Papismedov e.a., C-195/03, EU:C:2005:131, punt 25).
103
Zo worden op onregelmatige wijze binnengebracht goederen die worden ingevoerd zonder dat de volgende, in het douanewetboek voorgeschreven handelingen zijn verricht. Eerst moeten de goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen, overeenkomstig artikel 38, lid 1, van dit wetboek, onverwijld hetzij naar het aangewezen douanekantoor, hetzij naar een vrije zone worden gebracht. Vervolgens dienen de goederen, wanneer ze bij het douanekantoor aankomen, overeenkomstig artikel 40 van dit wetboek bij de douane te worden aangebracht. Het aanbrengen van goederen bij de douane wordt in artikel 4, punt 19, van hetzelfde wetboek gedefinieerd als de mededeling aan de douaneautoriteiten, in de vereiste vorm, van de aankomst van de goederen bij dat kantoor of op enige andere aangewezen of goedgekeurde plaats (arrest van 3 maart 2005, Papismedov e.a., C-195/03, EU:C:2005:131, punt 26).
104
Bij de uitlegging van de artikelen 40 en 43 tot en met 45 van het douanewetboek heeft het Hof geoordeeld dat de verplichting om goederen aan te brengen immers gepaard gaat met de verplichting om onverwijld een summiere aangifte in te dienen of binnen dezelfde termijn de formaliteiten te vervullen om de betrokken goederen een douanebestemming te geven, dat wil zeggen dat indien gevraagd wordt, de goederen onder een douaneregeling te plaatsen, een aangifte voor een douaneregeling moet worden gedaan. In het bijzonder volgde uit de bewoordingen van artikel 43, tweede alinea, van dit wetboek dat beide handelingen doorgaans tegelijkertijd werden verricht, want het uitstel dat de douaneautoriteiten voor de indiening van deze aangifte konden verlenen, verstreek uiterlijk op de eerste werkdag volgende op die waarop de goederen bij de douane waren aangebracht. Bovendien bepaalde artikel 44, lid 1, van genoemd wetboek dat de summiere aangifte de voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens moest bevatten (zie in deze zin arrest van 3 maart 2005, Papismedov e.a., C-195/03, EU:C:2005:131, punt 30).
105
Weliswaar zijn de artikelen 43 tot en met 45 van het douanewetboek ingetrokken bij verordening nr. 648/2005, maar het verband tussen het aanbrengen bij de douane overeenkomstig artikel 40 van het douanewetboek en de summiere aangifte wordt thans expliciet tot uitdrukking gebracht in artikel 186, lid 1, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 122 van haar conclusie.
106
Gelet daarop dient te worden geconstateerd dat, wanneer overeenkomstig artikel 40 van het douanewetboek goederen bij de douane worden aangeboden en tegelijkertijd een summiere aangifte voor tijdelijke opslag in de zin van artikel 186 van de uitvoeringsverordening, met een niet met de werkelijkheid strokende beschrijving van het soort goederen wordt ingediend, ontbreekt bijgevolg de mededeling aan de douaneautoriteiten van de aankomst van de goederen in de zin van artikel 4, punt 19, van hetzelfde wetboek. Wanneer in deze verklaringen geen melding wordt gemaakt van een groot deel van de bij de douane aangeboden goederen, moet worden aangenomen dat deze op onregelmatige wijze zijn binnengebracht (zie naar analogie arrest van 3 maart 2005, Papismedov e.a., C-195/03, EU:C:2005:131, punt 31).
107
In dit verband volgt uit de verwijzingsbeslissing dat de summiere aangifte in het hoofdgeding, anders dan aan de orde was in de situatie die is beoordeeld in het arrest van 3 maart 2005, Papismedov e.a. (C-195/03, EU:C:2005:131), alle voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens bevatte. Volgens de verwijzende rechter zijn de goederen namelijk onder een juiste benaming aangegeven — enkel de tariefonderverdeling was onjuist — en zijn de goederen op juiste wijze geïdentificeerd wat betreft de soort, de hoeveelheid en de verpakking.
108
In deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de goederen in het hoofdgeding op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht in de zin van artikel 202 van het douanewetboek. Zij konden bij aankomst in Slovenië dus rechtsgeldig onder een ‘douaneschorsingsregeling’ in de zin van artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 worden geplaatst, aangezien geen invoer in de zin van artikel 2, onder b), van die richtlijn had plaatsgevonden en de accijns dus niet verschuldigd was geworden.
109
Wat betreft artikel 204 van het douanewetboek dient, voor de beoordeling of de accijns op grond van artikel 4, punt 8, van richtlijn 2008/118 al dan niet verschuldigd is geworden, te worden nagegaan of de goederen in het hoofdgeding vervolgens op juiste wijze zijn geplaatst onder de regeling voor extern douanevervoer en, in Hongarije, onder de regeling voor douane-entrepot.
110
Ingevolge artikel 59, lid 1, van het douanewetboek moet voor goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling te worden geplaatst, een aangifte tot plaatsing onder deze douaneregeling worden gedaan.
111
Dienaangaande heeft het Hof bij zijn beoordeling van de aard en reikwijdte van de douaneaangifte in het arrest van 15 september 2011, DP grup (C-138/10, EU:C:2011:587), geoordeeld dat de op de aangever rustende verplichting om juiste informatie te verstrekken, ook slaat op de vaststelling van de juiste postonderverdeling bij de tariefindeling van de goederen waarbij de aangever conform artikel 12 van het douanewetboek bij twijfel de douaneautoriteiten vooraf om een bindende tariefinlichting kan verzoeken.
112
Het is dus niet uitgesloten dat op grond van artikel 204 van het douanewetboek een douaneschuld kan ontstaan.
113
Volgens artikel 204, lid 1, onder a), van dat wetboek ontstaat een douaneschuld bij invoer indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de betrokken douaneregeling.
114
In de situatie in het hoofdgeding zijn de goederen onder het juiste hoofdstuk van de GN ingedeeld, maar onder een onjuiste onderverdeling daarvan.
115
Er zij aan herinnerd dat artikel 859 van de uitvoeringsverordening een regelmatig tot stand gekomen uitputtende regeling behelst van de vormen van verzuim in de zin van artikel 204 van het douanewetboek die ‘zonder werkelijke gevolgen zijn gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling’ (arrest van 6 september 2012, Eurogate Distribution, C-28/11, EU:C:2012:533, punt 34).
116
In dit verband dient benadrukt te worden dat op grond van artikel 859 van de uitvoeringsverordening als zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de regeling voor douanevervoer kan worden aangemerkt het niet voldoen aan een van de verplichtingen die voortvloeien uit het gebruik van die regeling wanneer de drie in punt 2 van dat artikel genoemde voorwaarden zijn vervuld en mits is voldaan aan de drie voorwaarden in de eerste alinea van dat artikel.
117
Het is aan de verwijzende rechter om te beoordelen of in het hoofdgeding aan al deze voorwaarden is voldaan.
118
Bij een bevestigend antwoord kan de fout bij de indeling van de goederen worden aangemerkt als zonder werkelijke gevolgen voor de goede werking van de achtereenvolgende douaneregelingen.
119
Pas na de in punt 114 bedoelde verificatie kan de verwijzende rechter vaststellen of de goederen in het hoofdgeding sinds hun aankomst op het grondgebied van de Unie onder een ‘douaneschorsingsregeling’ in de zin van artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 zijn geplaatst.
120
Gelet op een en ander dient op de tweede en de derde vraag te worden geantwoord dat het begrip ‘douaneschorsingsregeling’ in artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 aldus moet worden uitgelegd dat goederen onder de douaneschorsingsregeling kunnen worden geplaatst wanneer de begeleidende documenten het juiste hoofdstuk vermelden van het gemeenschappelijk douanetarief waaronder die goederen vallen, maar niet de juiste specifieke onderverdeling. In een dergelijk geval moeten artikel 2, onder b), en artikel 4, punt 8, van richtlijn 2008/118 aldus worden uitgelegd dat die goederen dan niet zijn ingevoerd en niet zijn onderworpen aan accijns.
Vierde vraag
121
Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of het begrip ‘onregelmatigheid’ in de zin van artikel 38 van richtlijn 2008/118 in een situatie als die in het hoofdgeding aldus moet worden uitgelegd dat dit begrip mede ziet op goederen die onder een ‘douaneschorsingsregeling’ in de zin van artikel 4, punt 6, van die richtlijn zijn geplaatst en die vergezeld gaan van een document met vermelding van een onjuiste tariefindeling.
122
Artikel 38, lid 1, van richtlijn 2008/118 bepaalt dat wanneer tijdens een overbrenging van accijnsgoederen een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar die goederen tot verbruik zijn uitgeslagen, die goederen aan de accijns worden onderworpen en de accijns verschuldigd wordt in de lidstaat waar die onregelmatigheid heeft plaatsgevonden.
123
Volgens artikel 38, lid 2, van die richtlijn wordt, indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen een onregelmatigheid is geconstateerd en niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid plaatsvond, deze geacht te hebben plaatsgevonden en wordt de accijns verschuldigd in de lidstaat waar de onregelmatigheid werd geconstateerd.
124
Artikel 38, lid 1, van richtlijn 2008/118 heeft betrekking op onregelmatigheden als gedefinieerd in lid 4 ervan. In dit lid is bepaald dat onder ‘onregelmatigheid’ onder meer wordt verstaan een situatie die zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen overeenkomstig artikel 33, lid 1, van die richtlijn voordoet en als gevolg waarvan een overbrenging of een onderdeel van een overbrenging van accijnsgoederen niet op regelmatige wijze is geëindigd.
125
Er is dus sprake van overbrenging van accijnsgoederen in de zin van artikel 33, lid 1, van die richtlijn wanneer accijnsproducten reeds in een lidstaat tot verbruik zijn uitgeslagen en voor commerciële doeleinden voorhanden worden gehouden in een andere lidstaat om er te worden geleverd of gebruikt.
126
In een situatie zoals die in het hoofdgeding dient te worden geoordeeld dat de voorwaarden van artikel 38, lid 4, van richtlijn 2008/118, gelezen in samenhang met artikel 33, lid 1, van die richtlijn, niet zijn vervuld.
127
Ten eerste zijn de goederen in het hoofdgeding immers niet in Slovenië tot verbruik uitgeslagen, gegeven het feit dat zij onder een ‘douaneschorsingsregeling’ in de zin van artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 zijn geplaatst, en ten tweede zijn zij niet voor commerciële doeleinden in Hongarije voorhanden gehouden om er te worden geleverd of gebruikt, maar zijn zij bestemd om weer naar Oekraïne te worden uitgevoerd.
128
Gelet op een en ander dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat het begrip ‘onregelmatigheid’ in de zin van artikel 38 van richtlijn 2008/118 in een situatie als die in het hoofdgeding aldus moet worden uitgelegd dat dit begrip niet mede ziet op goederen die onder een ‘douaneschorsingsregeling’ zijn geplaatst en die vergezeld gaan van een document met vermelding van een onjuiste tariefindeling.
Kosten
129
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 861/2010 van de Commissie van 5 oktober 2010, moet aldus worden uitgelegd dat goederen zoals die in het hoofdgeding, bestaande uit rooktabak, ondanks de aanwezigheid van tabaksafval niet vallen onder post 2401 van de gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij verordening nr. 2658/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 861/2010, aangezien dat afval niet afdoet aan de bestemming van het betrokken product. Dergelijke goederen kunnen evenwel vallen onder post 2403 van die nomenclatuur, en meer in het bijzonder onderverdeling 2403 10 90 van genoemde nomenclatuur, wanneer deze in bulk zijn verpakt en zijn samengeperst in met plastic gevoerde dozen met een nettogewicht van 30 kg.
- 2)
Het begrip ‘douaneschorsingsregeling’ in artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG, moet aldus worden uitgelegd dat goederen onder de douaneschorsingsregeling kunnen worden geplaatst wanneer de begeleidende documenten het juiste hoofdstuk vermelden van het gemeenschappelijk douanetarief waaronder die goederen vallen, maar niet de juiste specifieke onderverdeling. In een dergelijk geval moeten artikel 2, onder b), en artikel 4, punt 8, van richtlijn 2008/118 aldus worden uitgelegd dat die goederen dan niet zijn ingevoerd en niet zijn onderworpen aan accijns.
- 3)
Het begrip ‘onregelmatigheid’ in de zin van artikel 38 van richtlijn 2008/118 moet in een situatie als die in het hoofdgeding aldus worden uitgelegd dat dit begrip niet mede ziet op goederen die onder een ‘douaneschorsingsregeling’ zijn geplaatst en die vergezeld gaan van een document met vermelding van een onjuiste tariefindeling.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑09‑2016
Conclusie 04‑02‑2016
J. Kokott
Partij(en)
Zaak C-409/141.
Schenker Nemzetközi Szállítmányozási és Logisztikai Kft
[verzoek van de Debreceni Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (bestuurs- en arbeidsgerecht Debrecin, Hongarije) om een prejudiciële beslissing]
I — Inleiding
1.
Het prejudiciële verzoek van de Debreceni Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság2. (hierna: ‘verwijzende rechter’) vindt zijn oorsprong in een geding tussen Schenker Nemzetközi Szállítmányozási és Logisztikai Kft (hierna: ‘Schenker’) en Nemzeti Adó és Vámhivatal Észak-alföldi Regionális Vám és Pénzügyőri Főigazgatósága3. (hierna: ‘algemene directie douane en belastingen’).
2.
Thematisch beweegt dit geding zich op het snijvlak van het Europese douanerecht en de Europese accijnswetgeving, waardoor het noodzakelijk is de verbanden tussen beide rechtsgebieden te verduidelijken.
3.
Concreet gaat het om de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, onjuiste douanedocumenten voor in de EU binnengekomen goederen ertoe kunnen leiden dat in de betrokken lidstaat accijns over deze goederen verschuldigd wordt.
II — Toepasselijke bepalingen
4.
De indeling van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen geschiedt op basis van het geharmoniseerde systeem en de gecombineerde nomenclatuur. Het rechtskader voor de overige aspecten van de zaak wordt gevormd door het communautair douanewetboek, de richtlijn houdende een algemene regeling betreffende de accijns, de richtlijn betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten en de Hongaarse accijnswet.
A — Het geharmoniseerde systeem
5.
Het Internationaal verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codificatie van goederen4. (hierna: ‘geharmoniseerd systeem’ of ‘GS’) stelt een multifunctionele nomenclatuur vast waarmee alle in de internationale handel voorkomende goederen moeten kunnen worden omschreven. De Unie is verdragspartij bij deze overeenkomst, waarvan de Engelse en de Franse taalversie authentiek zijn.5.
6.
Het GS bevat onder afdeling IV in hoofdstuk 24 (‘Tabacs et succédanés de tabac fabriqués’; ‘Tobacco and manufactured tobacco substitutes’) bepaalde posten en onderverdelingen voor deze categorie producten.
7.
De Werelddouaneorganisatie publiceert daarnaast toelichtingen op het GS (hierna: ‘GS-toelichtingen’). Ook daarvan zijn de Franse en de Engelse taalversie authentiek.6.
B — Unierecht
1. Gecombineerde nomenclatuur
8.
De Gecombineerde Nomenclatuur van verordening (EEG) nr. 2658/877. (hierna: ‘gecombineerde nomenclatuur’ of ‘GN’) is gebaseerd op het GS. Zij heeft de structuur van het GS overgenomen, maar kent aanvullend een verdergaande onderverdeling voor tarief- en statistische doeleinden. Op het GS berusten onder meer de posten (dat wil zeggen de eerste vier cijfers) en de eerste onderverdelingen tot en met het zesde cijfer van het douanetarief. De verdere onderverdelingen zijn gebaseerd op afgeleid Unierecht.
9.
De GN bevatte in de ten tijde van het hoofdgeding geldende versie8. in het eerste deel (‘Inleidende bepalingen’) onder Titel 1 (‘Algemene regels’) de volgende regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur:
‘Voor de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur gelden de volgende bepalingen:
- 1.
De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en — voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen — de navolgende regels.
[…]
- 3.
Indien goederen […] vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt:
[…]
- b)
Mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen […] worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald;
[…]’
10.
De GN vermeldde in het tweede deel (‘Tabel van de rechten’) in hoofdstuk 24 (‘Tabak en tot verbruik bereide tabakssurrogaten’) van afdeling IV (‘Producten van de voedselindustrie; dranken, alcoholhoudende vloeistoffen en azijn; tabak en tot verbruik bereide tabakssurrogaten’) de volgende posten en onderverdelingen:
‘GN-code | Omschrijving | Conventioneel douanerecht (%) | Bijzondere maatstaf |
|---|---|---|---|
1 | 2 | 3 | 4 |
2401 | Ruwe en niet tot verbruik bereide tabak; afvallen van tabak: | ||
2401 10 | - ongestripte tabak | ||
2401 10 35 | - - ‘light-air-cured’ | 11,2 MIN 22 € MAX 56 €/100 kg/net | - |
[…] | |||
2401 30 00 | - afvallen van tabak | 11,2 MIN 22 € MAX 56 €/100 kg/net | - |
[…] | |||
2403 | Andere tabak en tabakssurrogaten, tot verbruik bereid; ‘gehomogeniseerde’ en ‘gereconstitueerde’ tabak; tabaksextracten en tabakssausen’ |
Onder GN-code 2403 10 moet ‘rooktabak, ook indien tabakssurrogaten bevattend, ongeacht in welke verhouding’ worden ingedeeld, waarbij de onderverdeling 2403 10 10 rooktabak ‘in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 500 g’ betreft. ‘Andere’ rooktabak valt onder GN-code 2403 10 90.
11.
Ook voor de in de GN genoemde posten en onderverdelingen bestaan aanwijzingen voor de indeling (hierna: ‘GN-toelichtingen’). De GN-toelichtingen verwijzen ten dele naar de toelichtingen op het GS en moeten derhalve in combinatie daarmee worden toegepast. De GN-toelichting op hoofdstuk 24 gaf in de voor deze zaak relevante versie9. onder meer de volgende aanwijzingen bij post 2401:
‘2401 Ruwe en niet tot verbruik bereide tabak
Voor ruwe en niet tot verbruik bereide tabak wordt verwezen naar punt 1 van de GS-toelichting op post 2401.
Er wordt verstaan onder:
[…]
- b)
tabak van de soort Burley, Burleyhybriden daaronder begrepen ‘light air cured’: tabak die met warme lucht is gedroogd in natuurlijke atmosferische omstandigheden en die geen rookgeur heeft wanneer van extra warmte of van een bijkomende luchtstroom gebruik werd gemaakt. De bladeren variëren van taankleurig tot roodachtig. Andere kleuren en combinaties van kleuren zijn dikwijls een gevolg van de rijpheidsgraad, de teeltwijze of de droogtechniek;
[…]’
12.
Met betrekking tot post 2403 bevatten de toelichtingen onder meer de volgende aanwijzingen voor de indeling:
‘2403 Andere tabak en tabakssurrogaten, tot verbruik bereid; […]
2403 10 10 en 2403 10 90 rooktabak, ook indien tabakssurrogaten bevattend, ongeacht in welke verhouding
Rooktabak is gesneden of op andere wijze versnipperde, gesponnen of tot flakes geperste tabak die geschikt is om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt.
Tabaksafval wordt als rooktabak beschouwd indien het geschikt is om te worden gerookt, verpakt is voor de verkoop in het klein en niet is in te delen als sigaren, cigarillo's of sigaretten (zie de toelichtingen op de onderverdelingen 2402 10 00, 2402 20 10 en 2402 20 90).
[…]’
2. Verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek
13.
Verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek10. (hierna: ‘douanewetboek’ of ‘CDW’) vat de algemene douanewetgeving en douaneprocedures samen.11.
14.
Artikel 4 CDW bevat onder meer de volgende definitie:
‘[…]
- 13.
toezicht van de douaneautoriteiten: de activiteiten die door deze autoriteiten in het algemeen worden ontplooid teneinde te zorgen voor de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, van de andere bepalingen die op goederen onder douanetoezicht van toepassing zijn;
[…]’
15.
Uit artikel 37 CDW blijkt wanneer het toezicht van de douaneautoriteiten aanvangt en eindigt: de in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen zijn vanaf het ogenblik waarop zij worden binnengebracht aan douanetoezicht onderworpen en kunnen door de douaneautoriteiten worden gecontroleerd.
16.
De artikelen 84 tot en met 90 CDW bevatten bepalingen die schorsingsregelingen en economische douaneregelingen gemeen hebben.
17.
Artikel 84 CDW luidt:
‘(1) Indien in de artikelen 85 tot en met 90
- a)
de term ‘schorsingsregeling’ wordt gebruikt, heeft deze in het geval van niet-communautaire goederen betrekking op de volgende regelingen:
- —
extern douanevervoer,
- —
douane-entrepot,
[…]’
18.
De zogenoemde regeling extern douanevervoer overeenkomstig artikel 91 CDW maakt het mogelijk dat ‘niet-communautaire goederen zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer […] worden onderworpen’ van een plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd.
19.
De artikelen 201 tot en met 216 CDW bepalen wanneer een de douaneschuld ontstaat. Daarvan hebben de artikelen 202 tot en met 205 CDW betrekking op het ontstaan van een douaneschuld bij bepaalde douanerechtelijke inbreuken.
20.
Artikel 202 CDW luidt:
- ‘(1)
Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
- a)
indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht […]
- (2)
De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen op onregelmatige wijze worden binnengebracht.
[…]’
3. Richtlijn 2008/118/EG houdende een algemene regeling inzake accijns
21.
Bij richtlijn 2008/11812. wordt een regeling voor accijnsgoederen vastgesteld, teneinde het vrije verkeer daarvan en daarmee de goede werking van de interne markt in de Europese Unie te garanderen.
22.
Volgens overweging 7 van de richtlijn hoeft, aangezien de schorsingsregelingen van het douanewetboek passend toezicht garanderen, ‘voor de accijns geen afzonderlijk toezichtsysteem te worden toegepast gedurende de tijd dat accijnsgoederen onder een communautaire douaneschorsingsregeling staan’.
23.
Tot de accijnsgoederen behoren volgens artikel 1 van de richtlijn ‘tabaksfabrikaten vallende onder de richtlijnen 95/59/EG, 92/79/EEG en 92/80/EEG’.
24.
Artikel 2, onder b), van richtlijn 2008/118 bepaalt dat goederen aan de accijns worden onderworpen op het tijdstip van hun invoer in het grondgebied van de Gemeenschap.
25.
Artikel 4, punt 8, van de richtlijn definieert ‘invoer van accijnsgoederen’ als ‘het in het grondgebied van de Gemeenschap binnenbrengen van accijnsgoederen die bij hun binnenkomst in de Gemeenschap niet onder een douaneschorsingsregeling worden geplaatst, alsmede het vrijgeven van onder een douaneschorsingsregeling geplaatste accijnsgoederen’.
26.
Volgens artikel 4, punt 6, van de richtlijn is een ‘douaneschorsingsregeling’ iedere in het douanewetboek ‘vastgestelde bijzondere procedure inzake douanetoezicht ter zake van niet-communautaire goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, tijdelijke opslag, vrije zones of vrije entrepots, en iedere in artikel 84, lid 1, sub a, […] bedoelde regeling’.
27.
Artikel 7 van richtlijn 2008/118 regelt tijdstip en plaats van de verschuldigdheid van accijns en bepaalt:
- ‘1.
De accijns wordt verschuldigd op het tijdstip en in de lidstaat van de uitslag tot verbruik.
- 2.
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder uitslag tot verbruik verstaan:
[…]
- b)
het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht en de nationale wetgeving;
[…]
- d)
de invoer, met inbegrip van onregelmatige invoer, van accijnsgoederen die niet onmiddellijk bij invoer onder een accijnsschorsingsregeling worden geplaatst.
[…]’
28.
Artikel 38 van richtlijn 2008/118 voorziet in regelingen in het geval van conflicten tussen de lidstaten over de heffingsbevoegdheid bij onregelmatigheden tijdens de overbrenging van accijnsgoederen en bepaalt:
- ‘1.
Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen […] een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar die goederen tot verbruik zijn uitgeslagen, worden zij aan de accijns onderworpen en wordt de accijns verschuldigd in de lidstaat waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden.
[…]
- 4.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ‘onregelmatigheid’ verstaan een […] situatie die zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen […] voordoet en als gevolg waarvan een overbrenging of een onderdeel van een overbrenging van accijnsgoederen niet op regelmatige wijze is geëindigd.’
4. Richtlijn 2011/64/EU betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten
29.
In richtlijn 2011/6413. zijn samengebracht de richtlijnen 92/79/EEG, 92/80/EEG en 95/59/EG, waarnaar in artikel 1 van richtlijn 2008/118 met betrekking tot tabaksfabrikaten wordt verwezen. Zij bevat onder meer definities van de verschillende soorten tabaksfabrikaten.
30.
Volgens artikel 2 van richtlijn 2011/64 wordt onder tabaksfabrikaten onder meer ‘rooktabak’ verstaan. Artikel 5 van richtlijn 2011/64 definieert het begrip ‘rooktabak’ als gesneden of op andere wijze versnipperde, gesponnen of tot flakes geperste tabak die geschikt is om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt. Daarbij wordt rooktabak die voor meer dan 25 gewichtsprocenten tabaksdeeltjes met een snijbreedte van minder dan 1,5 mm bevat, beschouwd als tabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten.
III — Hoofdgeding
31.
Schenker verricht diensten op het gebied van douane en logistiek. Op 21 januari 2011 kreeg zij van een in Hongarije ingeschreven onderneming het verzoek om vier partijen tabak in tijdelijke opslag te nemen.
32.
De partijen tabak waren via Slovenië de Europese Unie binnengekomen en waren bestemd voor Oekraïne.
33.
Volgens de bijgevoegde documenten kwamen de partijen Hongarije binnen onder de regeling extern communautair douanevervoer. In de douanedocumenten waren de goederen voorzien van GN-code 2401 10 35 (‘ongestripte tabak — ‘light-air-cured’’) en aangegeven als een product waarvoor geen accijns verschuldigd is.
34.
De tabak werd door Schenker in tijdelijke opslag genomen en vervolgens in een publiek douane-entrepot geplaatst.
35.
De belastingdienst in eerste aanleg liet op 20 april 2011 de partijen controleren en stelde vast dat ze tabak van fijne snede bevatten. Op 5 mei 2011 werd van het product een monster genomen dat vervolgens werd onderzocht.
36.
Het monster bestond volgens de verwijzende rechter uit licht- en donkerbruine gesneden tabak van verschillende afmetingen, in kleine korrels met de karakteristieke geur van tabak, bevatte daarnaast een grote hoeveelheid bredere/grotere korrels, waaronder zich ook resten van stengels bevonden, en bevatte en slotte ook tabakspoeder. Meer dan 25 % (in gewicht) van de tabaksdelen was minder dan 1 mm breed.
37.
Het comité van deskundigen dat met het onderzoek was belast concludeerde dat het bij het monster om ‘kant-en-klare rooktabak’ ging. Volgens het onderzoeksrapport was de tabak ‘in bulk, samengeperst, in met plastic gevoerde dozen verpakt’, waarbij het nettogewicht per doos 30 kilogram bedroeg.
38.
Op basis van deze onderzoeksresultaten was de belastingdienst in eerste aanleg van oordeel dat de in het geding zijnde tabak moest worden ingedeeld onder GN-code 2403 10 90 en aan accijns was onderworpen. Het feit dat de goederen in de begeleidende documenten verkeerd waren ingedeeld, betekende volgens de belastingdienst in eerste aanleg namelijk dat die documenten niet het bewijs konden leveren van de oorsprong van de douanegoederen noch konden aantonen dat de goederen onder een schorsingsregeling werden vervoerd.
39.
Op 21 juni 2011 legde de belastingdienst in eerste aanleg Schenker een boete op. De onderneming had volgens de belastingdienst de Hongaarse accijnswet geschonden door accijnsgoederen op te slaan zonder de herkomst en de oorsprong ervan na te gaan en zonder de verschuldigde accijns te betalen.
40.
Na de bevestiging van het besluit door de algemene directie douane en belastingen op 28 maart 2012 heeft Schenker de zaak aanhangig gemaakt bij de verwijzende rechter.
41.
De verwijzende rechter koestert twijfels omtrent de uitlegging van GN-post 2401 10 35 respectievelijk de juiste indeling van de in het geding zijnde tabak. Daarnaast vraagt hij zich af of een begeleidend document waarin een verkeerde tariefpost is opgegeven, toch kan volstaan als bewijs dat de goederen onder een schorsingsregeling worden vervoerd.
IV — Verzoek om een prejudiciële beslissing
42.
Derhalve heeft de verwijzende rechter het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet de omschrijving van douanegoederen als ‘light-air-cured’ tabak in de zin van GN-code 2401 10 35 van hoofdstuk 24 (‘Tabak en tot verbruik bereide tabakssurrogaten’) van bijlage I bij verordening (EU) nr. 861/2010 aldus worden uitgelegd dat zij slechts ongestripte ‘air-cured’ tabak betreft
- —
die volledige bladeren van de tabaksplant bevat,
- —
die niet gesneden, samengeperst of gecomprimeerd is,
- —
die als ongestripte ‘light-air-cured’ tabak in de zin van GN-code 2401 10 35 geen andere vorm van behandeling (bijvoorbeeld verwijdering van de stengels, snijden of comprimeren van de bladeren) mag ondergaan dan een natuurlijke droging,
- —
die niet geschikt is om te worden gerookt?
- 2)
Moet het begrip ‘douaneschorsingsregeling’ in artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118/EG aldus worden uitgelegd dat deze regeling ook geldt voor douanegoederen (accijnsgoederen) die onder extern douanevervoer, in tijdelijke opslag of in een douane-entrepot worden geplaatst en worden vergezeld van documenten waarin een verkeerde tariefonderverdeling is opgegeven (GN-code 2403 10 9000 in plaats van GN-code 2401 10 35), wanneer het relevante hoofdstuk (hoofdstuk 24 — Tabak) en alle overige gegevens (nummer van de container, hoeveelheid, nettogewicht) wel correct zijn vermeld en de zegels niet zijn verbroken?
(Met andere woorden, kunnen bepaalde goederen onder de douaneschorsingsregeling worden geplaatst wanneer de begeleidende documenten het juiste hoofdstuk van het gemeenschappelijk douanetarief vermelden, maar niet de juiste specifieke tariefonderverdeling?)
- 3)
Moeten de begrippen ‘invoer’ in artikel 2, onder b), van richtlijn 2008/118/EG en ‘invoer van accijnsgoederen’ in artikel 4, punt 8, van deze richtlijn aldus worden uitgelegd dat zij ook betrekking hebben op het geval waarin de tariefonderverdeling van de goederen die daadwerkelijk onder extern douanevervoer zijn geplaatst, verschilt van die welke in de begeleidende documenten is vermeld, maar, afgezien van dit verschil, zowel het opgegeven hoofdstuk (namelijk hoofdstuk 24 — Tabak) als de hoeveelheid en het nettogewicht van de werkelijke goederen overeenstemmen met de vermeldingen in de begeleidende documenten?
- 4)
Vormt de omstandigheid dat goederen onder de douaneschorsingsregeling worden geplaatst, terwijl de begeleidende documenten niet de correcte GN-code vermelden zoals aangegeven in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening nr. 861/2010, een onregelmatigheid in de zin van artikel 38 van richtlijn 2008/118/EG?’
V — Juridische beoordeling
A — Eerste prejudiciële vraag
1. Uitlegging van de prejudiciële vraag
43.
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Hof, wanneer het wordt verzocht om een prejudiciële beslissing op het gebied van de tariefindeling, niet tot taak heeft de betrokken producten correct in de GN in te delen. Het Hof reikt de nationale rechter veeleer de criteria aan aan de hand waarvan deze de in het hoofdgeding aan de orde zijnde producten zelf correct in de GN kan indelen.14.
44.
Daarbij staat het aan het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het hoofdgeding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vraag in voorkomend geval te herformuleren.15.
45.
In de onderhavige zaak kan uit de verwijzingsbeslissing van de verwijzende rechter worden opgemaakt dat hij met zijn eerste vraag niet alleen wenst te vernemen hoe GN-post 2401 10 35 moet worden uitgelegd. Hij wil daarnaast ook weten hoe de GN-posten 2401 tot en met 2403 moeten worden uitgelegd met het oog op de tariefindeling van een product dat de kenmerken heeft van de litigieuze goederen.
2. Criteria voor de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur
46.
Zoals ik in mijn conclusies in de zaken Ikegami en Algemene Scheeps Agentuur Dordrecht, Uroplasty en Turbon International reeds heb uiteengezet16., dient bij de indeling van goederen in de GN als volgt te werk te worden gegaan.
47.
Om te beginnen moeten de aard en de bestemming van het in te delen product nauwkeurig worden bepaald. Vervolgens moet aan de hand van de bewoordingen van de posten van de relevante afdelingen en hoofdstukken telkens een voorlopige indeling van de producten worden verricht naar gelang van het gebruik waarvoor deze bestemd zijn, en de aard ervan. Daarna moet aan de hand van een vergelijking van de bewoordingen van de posten en van de aantekeningen op de relevante afdelingen en hoofdstukken, worden nagegaan of een duidelijke indeling mogelijk is. Indien dat niet het geval is, dienen, om deze normcollisie op te lossen, de algemene regels van de GN te worden toegepast. Ten slotte dient het product in de onderverdelingen te worden ingedeeld.
48.
Daarbij dienen de bewoordingen van de posten en de aantekeningen van de GN, voor zover mogelijk, conform de voorschriften van het GS te worden uitgelegd. De toelichtingen op het GS en de GN beogen een uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief, die derhalve belangrijke middelen vormen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten, maar rechtens niet bindend zijn.17. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet gezien de onverbindendheid van de toelichtingen in voorkomend geval bij wijze van controle worden onderzocht, of de inhoud ervan met de bepalingen van de nomenclatuur in overeenstemming is en de draagwijdte ervan niet wijzigt.18.
3. Toepassing van voornoemde criteria op de onderhavige zaak
a) Bepalen van de aard en de bestemming van het product
49.
Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie gaat het bij het in het geding zijnde product om gesneden tabak van verschillende afmetingen. Het onderzochte monster bevatte voornamelijk fijne, maar lange strengen. Daarnaast bevatte het ook een grote hoeveelheid bredere korrels, waaronder zich ook resten van stengels bevonden, en tabakspoeder. Van de tabaksdelen was meer dan 25 % (in gewicht) minder dan een millimeter breed.
50.
Gelet op de aard van het product heeft de in het geding zijnde tabak dus een bewerking ondergaan. Het gaat bij het goed namelijk niet om gedroogde tabaksbladeren in hun natuurlijke toestand. De tabak was reeds grotendeels van stelen ontdaan, gestript, dat wil zeggen dat de bladnerven waren verwijderd, en gesneden.
51.
De bestemming van het goed moet aan de hand van objectieve kenmerken worden bepaald.19.
52.
De verwijzende rechter merkt in dit verband op dat het bij het monster gaat om ‘kant-en-klare rooktabak’20.. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel laat de beschrijving van de verwijzende rechter derhalve de conclusie toe dat het product reeds voor verbruik bestemd is en niet noodzakelijkerwijs voor verdere verwerking.
53.
Voor zover het product korrels bevat, waarin zich ook resten van stengels bevinden, kan de gebruiksbestemming niet eenduidig worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare informatie is het mogelijk dat de korrels kunnen worden gebruikt voor het produceren van rooktabak, maar ook dat zij als afval van tabak worden verwerkt.
b) Indeling aan de hand van de bewoordingen van de posten
54.
Het voor tabak relevante hoofdstuk 24 van de GN omvat de posten 2401 tot en met 2403. Terwijl ruwe en niet tot verbruik bereide tabak en afvallen van tabak onder GN-code 2401 vallen, zijn in de overige posten tot verbruik bewerkte tabak in de vorm van sigaren, cigarillo's en sigaretten (GN-code 2402) of in andere vormen (GN-code 2403) opgenomen.
55.
Op grond van de bewoordingen ervan komen met betrekking tot de aard van de tabak de GN-posten 2401 en 2403 in aanmerking.
56.
GN-post 2401 omvat blijkens de bewoordingen ervan twee varianten, namelijk goederen met de kenmerken ‘ruwe en niet tot verbruik bereide tabak’ en ‘afvallen van tabak’.
i) Begrip ‘ruwe en niet tot verbruik bereide tabak’
57.
De GN zelf bevat geen duidelijke aanwijzing op grond waarvan kan worden bepaald vanaf wanneer moet worden uitgegaan van een vorm van ‘behandeling’ die indeling in post 2401 GN uitsluit.21. Dat niet elke bewerking a priori het kenmerk ‘ruw en niet tot verbruik bereid’ tenietdoet, bewijst onderverdeling 2401 20 GN, die als subcategorie van post 2401 GN ook ‘geheel of gedeeltelijk gestripte’ tabak bevat.
58.
Op basis daarvan dienen voor de uitlegging van post 2401 GN de daarop betrekking hebbende aanwijzingen voor de indeling bij de gecombineerde nomenclatuur te worden geraadpleegd.
59.
Voor ‘ruwe en niet tot verbruik bereide tabak’ verwijst de GN-toelichting op post 2401 naar punt 1 van de GS-toelichting op post 2401. Deze bevat in de authentieke Franse en Engelse taalversies de volgende aanwijzingen voor de indeling onder het begrip ‘ruwe en niet tot verbruik bereide tabak’:
‘Le tabac à l'état naturel sous forme de plantes entières ou de feuilles et les feuilles séchées ou fermentées, ces feuilles pouvant être entières ou écôtées, rognées ou non, brisées ou découpées même sous une forme régulière, mais à la condition qu'il ne s'agisse pas d'un produit prêt à être fumé22..
‘Unmanufactured tobacco in the form of whole plants or leaves in the natural state or as cured or fermented leaves, whole or stemmed/stripped, trimmed or untrimmed, broken or cut (including pieces cut to shape, but not tobacco ready for smoking).’23.
60.
Daaruit volgt dat voor de afbakening van onbewerkte tabak van bewerkte tabak bepalend is of de tabak zich in een toestand bevindt die als ‘prêt à être fumé’ respectievelijk ‘ready for smoking’ kan worden aangemerkt. Als dat laatste — zoals in het hoofdgeding — het geval is, komt indeling onder post 2401 GN (‘ruwe en niet tot verbruik bereide tabak’) derhalve niet in aanmerking.
61.
Aangezien de in het geding zijnde tabak niet onder post 2401 GN valt, kan het product ook niet bij onderverdeling 2401 10 35 GN worden ingedeeld, zoals de verwijzende rechter in verband met de omschrijving als ‘light air cured’ tabak vraagt. De eerste en de tweede onderverdelingen moeten namelijk alle kenmerken van de overkoepelende tariefpost bezitten.
62.
Aanwijzingen die erop duiden dat de inhoud van de GN-toelichtingen, waarop deze conclusie is gebaseerd, niet in overeenstemming zou kunnen zijn met de bepalingen van het gemeenschappelijk douanetarief of de draagwijdte ervan zou wijzigen24., zijn niet naar voren gebracht en blijken ook niet op andere wijze.
ii) Begrip ‘afvallen van tabak’
63.
De in het geding zijnde tabak kan ook niet onder de tweede variant van GN-post 2401 (‘afvallen van tabak’) worden ingedeeld.
64.
Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie bevat het product een grote hoeveelheid korrels, waaronder zich ook resten van stengels bevinden. Een dergelijk bestanddeel van een goed kan in beginsel onder GN-post 2401 worden ingedeeld. Volgens de bijbehorende toelichting25. omvat het begrip ‘afvallen van tabak’ namelijk onder meer bladstelen en tabaksstof die bij de bewerking van de bladeren of bij de vervaardiging van tabaksproducten ontstaan.
65.
Daaruit volgt echter niet dat het in het geding zijnde goed als geheel onder GN-post 2401 zou moeten worden ingedeeld.
66.
Gemengde stoffen die onder verschillende GN-posten vallen, moeten namelijk worden ingedeeld volgens de Algemene regels van de GN (hierna: ‘AR’). Volgens die regels moet het product worden ingedeeld naar de stof waaraan het zijn wezenlijk karakter ontleent [punt 3, onder b), AR].
67.
De door de verwijzende rechter verstrekte gegevens (‘Het monster bevat voornamelijk[26.] fijne, maar lange strengen’) pleiten voor de veronderstelling dat vooral het aandeel aan kant-en-klare rooktabak het product zijn kenmerkende eigenschappen verleent.
68.
Het staat echter aan de verwijzende rechter om zulks definitief vast te stellen.
69.
Daarvan uitgaande, moet tabak met de kenmerken van het in het geding zijnde product, nu de GN-posten 2401 en 240227. niet in aanmerking komen, als ‘[a]ndere tabak […], tot verbruik bereid’ worden beschouwd en onder GN-post 2403 worden ingedeeld.
c) Indeling aan de hand van de bewoordingen van de onderverdelingen
70.
Allereerst moet worden vastgesteld dat het bij het goed als geheel gaat om ‘rooktabak’ in de zin van de eerste onderverdeling 2403 10 GN. Van indeling in de overige categorieën, die onder het opschrift ‘andere’ worden samengevat (2403 91 00, 2403 99 GN), kan dus geen sprake zijn.
71.
Vervolgens is voor het onderscheid tussen de andere GN-onderverdelingen 2403 10 10 en 2403 10 90 aan de hand van de bewoordingen ervan doorslaggevend of het goed zich ‘in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 500 g’ (aldus GN-onderverdeling 2403 10 10) bevindt.
72.
Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie was het goed ‘in bulk, samengeperst, in met plastic gevoerde dozen’ verpakt en bedroeg het ‘nettogewicht per doos […] 30 kg’, waardoor het onder GN-post 2403 10 90 zou moeten worden ingedeeld.
4. Conclusie met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag
73.
Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord dat een goed dat zonder verdere verwerking als rooktabak kan worden gebruikt, zoals het product in het hoofdgeding, niet als ‘‘light-air-cured’ tabak’ in de zin van GN-code 2401 10 35 moet worden beschouwd, maar, wanneer het niet in hoofdzaak uit afvallen van tabak bestaat, als ‘[a]ndere tabak […], tot verbruik bereid’, en moet worden ingedeeld onder GN-post 2403. Indien het goed voorts in bulk, samengeperst, in met plastic gevoerde dozen met een nettogewicht van 30 kg is verpakt, moet het onder GN-post 2403 10 90 worden ingedeeld.
B — Tweede en derde prejudiciële vraag
74.
De tweede en de derde prejudiciële vraag hebben betrekking op de uitlegging van richtlijn 2008/118, waarin een algemene regeling inzake de heffing van accijns op het verbruik van bepaalde goederen is neergelegd. De twee vragen moeten gezamenlijk worden behandeld en betreffen in hoofdzaak de uitlegging van de begrippen ‘invoer’ en ‘schorsingsregeling’ in de zin van de genoemde richtlijn.
75.
De verwijzende rechter wenst daarbij in wezen te vernemen of het begrip ‘douaneschorsingsregeling’ — onder die regeling kan, indien daarvan in het hoofdgeding sprake is, naar Hongaars recht geen boete worden opgelegd — in de zin van artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 ook betrekking heeft op situaties waarin, zoals in het hoofdgeding, de documenten waarvan een goed vergezeld gaat een verkeerde tariefonderverdeling vermelden, of dat een dergelijke situatie als ‘invoer’ [artikel 2, onder b)] dan wel als ‘invoer van accijnsgoederen’ (artikel 4, punt 8) in de zin van deze richtlijn moet worden beschouwd.
76.
De prejudiciële vragen hebben weliswaar betrekking op richtlijn 2008/118, maar bewegen zich inhoudelijk op het snijvlak van accijnswetgeving en douanerecht. Daarom is het zinvol om bij wijze van inleiding te verduidelijken hoe beide rechtsgebieden zich tot elkaar verhouden.
1. Douane- en accijnswetgeving
77.
De wetgevings- en heffingsbevoegdheid op het gebied van het douanerecht is inmiddels vrijwel geheel op de Unie overgegaan. Het douanerecht is op Europees niveau neergelegd in de artikelen 28 tot en met 37 VWEU en bestaat met name uit het douanewetboek, de bijbehorende uitvoeringsbepalingen en de gecombineerde nomenclatuur. Het Unierecht voorziet onder meer in een uniforme vaststelling van de invoerrechten die aan de buitengrenzen van de EU worden geheven.
78.
Van de douaneschuld te onderscheiden is de accijns als nationale heffing. Zij belast het verbruik van bepaalde goederen zoals tabak en wordt als indirecte belasting geheven van de producent of verkoper van de goederen.
79.
Hoewel de wetgevings- en heffingsbevoegdheid voor accijnzen bij de lidstaten berust, is de nationale accijnswetgeving in het kader van de totstandbrenging van de interne markt door middel van richtlijnen tot op zekere hoogte geharmoniseerd. Anders dan bij het douanerecht hanteren de lidstaten echter verschillende accijnstarieven.28.
2. Accijns volgens richtlijn 2008/118
80.
Richtlijn 2008/118 harmoniseert in de artikelen 1, 2 en 7 de voorwaarden voor de verschuldigdheid van accijns.
81.
Volgens artikel 1, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/118 wordt accijns geheven op het verbruik van tabaksfabrikaten die onder het toepassingsgebied van richtlijn 2011/64 vallen.29.
82.
Voor welke tabaksfabrikaten richtlijn 2011/64 geldt, kan uit de artikelen 1 tot en met 5 van die richtlijn worden opgemaakt. De vraag of tabak die overeenkomt met de door de verwijzende rechter verstrekte informatie onder de richtlijn valt en daarmee aan accijns is onderworpen, moet daarbij onafhankelijk van het antwoord op de eerste prejudiciële vraag worden onderzocht. De maatstaf daarvoor is namelijk niet de gecombineerde nomenclatuur, maar richtlijn 2011/64.
83.
In het onderhavige geval gaat het volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie om versnipperde tabak die geschikt is om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt en voor meer dan 25 gewichtsprocenten tabaksdeeltjes met een snijbreedte van minder dan 1,5 mm bevat. Tabak met deze kenmerken valt als ‘tabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten’ onder richtlijn 2011/6430. en daarmee ook onder accijnsrichtlijn 2008/118.
84.
Vervolgens bepaalt artikel 2, onder b), van richtlijn 2008/118 dat accijnsgoederen op het tijdstip van hun ‘invoer’ in het grondgebied van de Unie aan de accijns worden onderworpen.
85.
De ‘invoer van accijnsgoederen’ wordt in artikel 4, punt 8, van richtlijn 2008/118 gedefinieerd als het in het grondgebied van de Unie binnenbrengen van goederen ‘die bij hun binnenkomst […] niet onder een douaneschorsingsregeling worden geplaatst […]’.
86.
De in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen zijn via de Sloveense grens het gebied van de Unie binnengekomen. Derhalve moet worden vastgesteld of de goederen op dat tijdstip onder een douaneschorsingsregeling werden geplaatst. Zou dat het geval zijn, dan zou er geen sprake zijn van invoer31. en bijgevolg geen accijns verschuldigd zijn.
87.
Beslissend is derhalve het antwoord op de vraag wat onder een schorsingsregeling in de zin van de betrokken richtlijn moet worden verstaan.
88.
Volgens de definitie van artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/11832. is een ‘douaneschorsingsregeling’ ‘iedere in [het douanewetboek] vastgestelde bijzondere procedure inzake douanetoezicht ter zake van niet-communautaire goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, tijdelijke opslag, vrije zones of vrije entrepots, en iedere in artikel 84, lid 1, sub a, [van het douanewetboek] bedoelde regeling’. Onder de laatste van de vier genoemde varianten vallen onder meer het externe douanevervoer en het douane-entrepot.
89.
Schenker stelt33. dat ook het douanetoezicht in de zin van artikel 37 CDW onder deze definitie valt [zie hierna onder a)]. De andere belanghebbenden nemen daarentegen in aanmerking of de goederen op correcte wijze in tijdelijke opslag zijn geplaatst en overeenkomstig de voorschriften onder extern douanevervoer en in een douane-entrepot zijn geplaatst [zie hierna onder b)].
a) Douanetoezicht als schorsingsregeling in de zin van richtlijn 2008/118
90.
Onderzocht moet worden of op grond van de feiten van het hoofdgeding überhaupt kan worden aangenomen dat er sprake is geweest van douanetoezicht. Vervolgens dient te worden beoordeeld of dit als een ‘bijzondere procedure inzake douanetoezicht’ leidt tot een schorsingsregeling die aan accijnsheffing in de weg staat.
i) Bestaan van douanetoezicht in het hoofdgeding
91.
Het toezicht van de douaneautoriteiten omvat volgens artikel 4, punt 13, CDW alle activiteiten die door deze autoriteiten in het algemeen worden ontplooid teneinde te zorgen voor de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, van de andere bepalingen die op goederen onder douanetoezicht van toepassing zijn.
92.
Het douanetoezicht is in het onderhavige geval overeenkomstig artikel 37, lid 1, CDW begonnen met de feitelijke handeling van het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied. Een eventuele onjuiste beschrijving van de goederen doet daar niets aan af. Voor de aanvang van het douanetoezicht is het namelijk niet relevant of de goederen op regelmatige wijze in het Uniegebied zijn binnengebracht.34.
93.
Het douanetoezicht is ook niet beëindigd in de zin van artikel 37, lid 2, CDW. Het blijft namelijk bij niet-Uniegoederen van kracht tot het ogenblik waarop deze goederen de douanestatus van Uniegoed krijgen, hetzij in een vrije zone of een vrij entrepot worden binnengebracht, hetzij worden wederuitgevoerd of vernietigd.35. Geen van deze situaties is in het onderhavige geval van toepassing.36.
94.
Evenmin zijn de goederen aan het toezicht onttrokken37., aangezien de autoriteiten te allen tijde de facto en de jure de mogelijkheid hadden maatregelen op douanegebied te nemen en daarvan in Hongarije ook gebruik hebben gemaakt.
95.
Derhalve moet thans worden onderzocht of het douanetoezicht op de in het geding zijnde goederen een ‘bijzondere procedure inzake douanetoezicht’ ter zake van niet-communautaire goederen is zoals bedoeld in artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118.
ii) Begrip ‘bijzondere procedure inzake douanetoezicht’
96.
De formulering ‘bijzondere procedure’ (‘besonderes Verfahren’ in de Duitse versie) van artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 roept twijfels op omtrent de vraag of daarmee ook het douanetoezicht in de zin van artikel 37 CDW kan zijn bedoeld.
97.
Het woord ‘bijzonder’ doet namelijk op het eerste gezicht vermoeden dat de opstellers van de richtlijn niet alle, maar slechts een deel van de procedures inzake douanetoezicht als schorsingsregeling hebben willen aanmerken, waarbij onduidelijk blijft welke procedures daarmee zijn bedoeld.
98.
De zinsnede ‘die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht’ in artikel 4, punt 6, van de richtlijn duidt er echter op dat de bepaling aanknoopt bij de feitelijke handeling van het overschrijden van de grens, waarmee het douanetoezicht aanvangt, en dat de schorsing van de accijns niet pas ingaat wanneer de aangifte voor een douaneregeling wordt gedaan.
99.
Lezing van de tekst van artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 in de verschillende officiële talen van de Unie levert geen duidelijk beeld op. Terwijl de meeste versies bewoordingen bevatten die vergelijkbaar zijn met die van de Duitse versie38., bevat bijvoorbeeld de Spaanse versie geen beperking tot ‘bijzondere’ procedures inzake douanetoezicht.39.
100.
Ook de ontstaansgeschiedenis van de bepaling geeft geen uitsluitsel omtrent de vraag of het douanetoezicht in de opvatting van de opstellers van de richtlijn een ‘bijzondere procedure inzake douanetoezicht’ moet zijn. In het oorspronkelijke voorstel van de Commissie was het woord ‘bijzondere’ nog niet opgenomen. Volgens het voorstel is ‘iedere in [het douanewetboek] vastgestelde regeling inzake douanetoezicht ter zake van niet-communautaire goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht’ een schorsingsregeling.40. Uit de verdere ontstaansgeschiedenis van de bepaling kan niet worden opgemaakt of, en zo ja, in hoeverre, de latere toevoeging van het bijvoeglijk naamwoord ‘bijzondere’ in een groot aantal taalversies bedoeld was om de draagwijdte van de schorsende werking met betrekking tot de accijns te beperken.
101.
Vanwege deze terminologische onduidelijkheid dient de betekenis van het begrip in kwestie langs systematische en teleologische weg te worden bepaald. Daaruit kan een ruime uitlegging van het begrip worden afgeleid.
102.
Wil het criterium ‘bijzondere procedure inzake douanetoezicht’ in het kader van artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 een op zichzelf staand en praktisch relevant toepassingsgebied hebben, dan moet het kunnen worden onderscheiden van de andere in de definitie genoemde regelingen — ‘tijdelijke opslag, vrije zones of vrije entrepots, en iedere in artikel 84, lid 1, sub a, [van het douanewetboek] bedoelde regeling’ — die ieder voor zich ook tot een schorsingsregeling kunnen leiden.
103.
De tweede genoemde regeling, de ‘tijdelijke opslag’, begint met het aanbrengen van het goed bij de douane41. en eindigt op het tijdstip waarop het een douanebestemming krijgt.
104.
Het strookt derhalve met de systematiek van de bepaling dat bijzondere procedures inzake douanetoezicht in de zin van het eerstgenoemde criterium van artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 betrekking hebben op de feitelijke en juridische handelingen vanaf het overschrijden van de grens tot aan het aanbrengen bij de douane, zoals geregeld in de artikelen 37 tot en met 39 CDW. Daartoe behoort onder meer het douanetoezicht.
105.
Voor de opvatting dat het douanetoezicht in de zin van artikel 37 CDW reeds een schorsingsregeling is, pleit echter vooral overweging 7 van richtlijn 2008/118, waarin het door de opstellers beoogde doel wordt verhelderd.
106.
Volgens de overweging berust de richtlijn op de premisse dat ‘de schorsingsregelingen […] passend toezicht garanderen zolang accijnsgoederen onder de bepalingen van [het douanewetboek] vallen’42., en dat derhalve ‘voor de accijns geen afzonderlijk toezichtsysteem hoeft te worden toegepast gedurende de tijd dat accijnsgoederen onder een communautaire douaneschorsingsregeling staan’.
107.
Wanneer de verplichting tot betaling van accijns al op het moment waarop de goederen de grens overschrijden wordt geschorst, is dat in overeenstemming met het uitgangspunt van de opstellers van de richtlijn, namelijk een dubbele — douanerechtelijke en accijnsrechtelijke — procedure te voorkomen. Vanaf dat ogenblik zijn de goederen ingevolge artikel 37 CDW namelijk reeds aan douanetoezicht onderworpen en hoeft er voor de accijns geen afzonderlijk toezichtsysteem te worden toegepast.43.
108.
Zou het douanetoezicht nog geen schorsingsregeling in de zin van de richtlijn tot gevolg hebben en zou op het tijdstip van het overschrijden van de grens een verplichting tot betaling van accijns ontstaan, dan zou bovendien de opsomming van de overige regelingen44. in artikel 4, punt 6, van de richtlijn als grondslag voor schorsing van de accijns nagenoeg elke betekenis verliezen. Een eenmaal bij binnenkomst van het goed ontstane verplichting tot betaling van accijns zou namelijk niet vervallen wanneer het goed daarna onder een schorsingsregeling wordt geplaatst.
109.
Hieruit volgt dat volgens richtlijn 2008/118 de schorsende werking ten aanzien van accijns reeds moet ingaan zodra en zolang het goed aan douanetoezicht ingevolge artikel 37 CDW is onderworpen.
110.
De in het geding zijnde goederen waren derhalve vanaf hun binnenkomst in het Uniegebied onderworpen aan douanetoezicht, dat een ‘schorsingsregeling’ in de zin van artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 is, hetgeen tot gevolg heeft dat er geen sprake was van invoer in de zin van artikel 4, punt 8, van dezelfde richtlijn en de goederen derhalve niet ingevolge artikel 2, onder b), aan de accijns waren onderworpen.
111.
Indien men deze zienswijze aanvaardt, doen de in de tweede en de derde prejudiciële vraag genoemde situaties niet meer ter zake: op de verschillende daar genoemde regelingen — tijdelijke opslag, extern douanevervoer en douane-entrepot — zou derhalve niet meer hoeven te worden ingegaan, aangezien deze, nu reeds het douanetoezicht leidt tot een schorsingsregeling die accijns uitsluit, niet van belang zijn voor de beslissende vraag betreffende de accijnsverplichting, noch voor de vraag naar de relevantie van de onjuiste documenten waarvan de goederen vergezeld gingen.
112.
Voorzichtigheidshalve dient vervolgens echter nog te worden onderzocht hoe de feiten van het hoofdgeding zouden moeten worden beoordeeld indien uit het douanetoezicht alleen nog niet zou mogen worden geconcludeerd dat er sprake is van een schorsingsregeling die schorsing van accijns tot gevolg heeft.
113.
Ten aanzien van de in de tweede prejudiciële vraag genoemde regelingen moet worden onderzocht of de verkeerde tariefindeling in de documenten waarvan de goederen vergezeld gaan, de plaatsing in tijdelijke opslag, het externe douanevervoer naar Hongarije en de plaatsing in een douane-entrepot aldaar in twijfel trekt. In dit verband moet op grond van de door de verwijzende rechter verstrekte informatie worden aangenomen dat de goederen bij al deze handelingen waren voorzien van de (onjuiste) GN-post 2401 10 35.
b) Tijdelijke opslag, extern douanevervoer en douane-entrepot als schorsingsregelingen in de zin van richtlijn 2008/118
114.
Zoals reeds is uiteengezet worden volgens artikel 2, onder b), van richtlijn 2008/118 goederen aan de accijns onderworpen op het tijdstip van hun invoer, waaronder volgens artikel 4, punt 8, het in het grondgebied van de Unie binnenbrengen valt van goederen die niet onder een douaneschorsingsregeling worden geplaatst. In dat opzicht bestaat er een parallellie tussen de aan de invoer aanknopende douaneschuld en de accijns.
115.
De tijdelijke opslag, het externe douanevervoer en het douane-entrepot zijn volgens artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 juncto artikel 84, lid 1, onder a), CDW ‘douaneschorsingsregelingen’ in de zin van de genoemde richtlijn.
116.
Richtlijn 2008/118 regelt echter niet onder welke voorwaarden een goed in tijdelijke opslag, onder extern douanevervoer of in een douane-entrepot is geplaatst. Daarvoor dienen dan ook de bepalingen van het douanewetboek te worden geraadpleegd. Of de vermelding van een onjuiste tariefpost tot verschuldigdheid van accijns leidt, hangt dus uiteindelijk af van de vraag of de voorschriften van het douanewetboek in acht zijn genomen.
117.
Daarbij moet echter worden bedacht dat niet iedere inbreuk op een bepaling van het douanewetboek automatisch tot gevolg heeft dat een goed niet onder een schorsingsregeling wordt geplaatst in de zin van artikel 4, punt 8, van richtlijn 2008/118 en daardoor een accijnsschuld ontstaat. In het onderhavige geval is veeleer beslissend of het feit dat in de begeleidende documenten een onjuiste tariefpost is opgegeven, volgens de artikelen 202 tot en met 205 CDW tot het ontstaan van een douaneschuld zou leiden.
i) Tijdelijke opslag
118.
Volgens artikel 50 CDW hebben de bij de douane aangebrachte goederen, zodra ze zijn aangebracht, tot het tijdstip waarop zij een douanebestemming krijgen de status van goederen in tijdelijke opslag.
119.
Het aanbrengen bij de douane is geregeld in artikel 40 CDW en wordt in artikel 4, punt 19, CDW gedefinieerd als mededeling aan de douaneautoriteiten van de aankomst van de goederen bij het douanekantoor of op enige andere goedgekeurde plaats.
120.
Overeenkomstig artikel 202, lid 1, CDW leidt niet-nakoming van de verplichting om goederen bij de douane aan te brengen — doordat aan rechten bij invoer onderworpen goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied worden binnengebracht — tot het ontstaan van de douaneschuld bij invoer.
121.
De verplichting om goederen aan te brengen bij de douane behelst daarbij in eerste instantie enkel de mededeling dat de goederen bij het douanekantoor zijn aangekomen. Het Hof heeft in de zaak Papismedov onder verwijzing naar de artikelen 43 en 45 CDW (oude versie) echter een verband vastgesteld tussen summiere aangifte en het op regelmatige wijze aanbrengen bij de douane en geoordeeld dat er sprake is van niet-nakoming van de verplichting tot aanbrenging bij de douane ‘[w]anneer […] goederen bij de douane worden aangeboden en tegelijkertijd een summiere aangifte of een aangifte voor een douaneregeling met een niet met de werkelijkheid strokende beschrijving van het soort goederen wordt ingediend’.45.
122.
Dit verband brengt artikel 186, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2454/93 (hierna: ‘uitvoeringsverordening CDW’)46. thans expliciet tot uitdrukking. Dienovereenkomstig moet voor bij de douane aangebrachte niet-communautaire goederen een summiere aangifte voor tijdelijke opslag worden gedaan, die uiterlijk bij het aanbrengen van de goederen moet worden ingediend.
123.
Anders dan in de zaak Papismedov (waarin de goederen als ‘kookgerei’ in plaats van onder de juiste benaming ‘kookgerei en sigaretten’ waren aangebracht) verhult de verkeerde omschrijving in de onderhavige zaak echter niet de ware aard van een groot deel van de goederen. In casu ontbreekt niet met betrekking tot een deel van de goederen geheel en al de mededeling dat deze goederen bij het douanekantoor zijn aangekomen. Enkel en alleen de vermelding van GN-post 2401 10 35 is in tegenspraak met de feitelijke omstandigheden, aangezien de waar in werkelijkheid onder GN-post 2403 10 90 moet worden ingedeeld.
124.
Tegen deze achtergrond moet derhalve worden onderzocht of de inhoudelijk onjuiste vermelding van de tariefpost in een summiere aangifte voor tijdelijke opslag er reeds toe leidt dat de goederen als niet aangebracht moeten worden aangemerkt, waardoor een douane- en accijnsschuld kan ontstaan.
125.
De summiere aangifte voor tijdelijke opslag verschilt naar inhoud en strekking van de summiere aangifte bij binnenkomst, die overeenkomstig artikel 36 bis CDW moet worden gedaan voordat de goederen in het douanegebied worden binnengebracht, en van de douaneaangifte volgens artikel 59 CDW.
126.
Terwijl volgens het douanewetboek en de uitvoeringsbepalingen daarvan voor de aangifte bij binnenkomst en de douaneaangifte specifieke GN-gegevens vereist zijn, bepaalt artikel 186, lid 1, eerste alinea, uitvoeringsverordening CDW zulks niet voor de summiere aangifte voor tijdelijke opslag, maar alleen dat de douaneautoriteiten nadere regels vaststellen. Formulier 0306 van de Duitse douaneautoriteiten bevat bijvoorbeeld geen vereiste voor de vermelding van de tariefonderverdeling volgens de GN.
127.
Dat de juiste vermelding van de GN-post in het kader van de summiere aangifte voor tijdelijke opslag derhalve niet doorslaggevend mag zijn, beantwoordt ook aan de strekking van de uitvoeringsbepalingen dienaangaande.
128.
De summiere aangifte voor tijdelijke opslag moet de douaneautoriteiten namelijk in staat stellen te controleren of de goederen binnen de gestelde termijn een douanebestemming hebben gekregen47. en de in tijdelijke opslag geplaatste goederen uitsluitend op de daarvoor bestemde plaatsen en onder de vastgestelde voorwaarden worden opgeslagen.
129.
Uit deze doelstelling volgt dat het enkele feit van een verkeerde vermelding van de tariefpost niet in de weg hoeft te staan aan een regelmatige douaneaangifte, zolang de goederen gezien hun aard op de belangrijkste punten juist worden omschreven, de hoeveelheid goederen juist wordt vermeld en de informatie over de verpakking van de goederen overeenstemt met de feitelijke omstandigheden. Voor de vraag of de informatie in dat opzicht volstaat, is niet doorslaggevend of het toepasselijke hoofdstuk van de GN juist is vermeld. De gecombineerde nomenclatuur schaart soms ook goederen van zeer verschillende aard onder hetzelfde hoofdstuk. Het hier van toepassing zijnde hoofdstuk 24 geldt bijvoorbeeld zowel voor afvallen van tabak als voor sigaren. Of een omschrijving van de goederen met het oog op de douaneaangifte en de tijdelijke opslag als in wezen juist moet worden aangemerkt, dient veeleer te worden beoordeeld aan de hand van de vraag of de beschikbare gegevens als geheel een eenduidige indeling van het goed ten behoeve van de aangifte mogelijk maken.
130.
Dat dit in de situatie van het hoofdgeding met betrekking tot het aanbrengen van de goederen bij de douane het geval was, lijkt op grond van de aan het Hof ter kennis gebrachte gegevens waarschijnlijk. Het staat echter aan de verwijzende rechter om dat te beoordelen.
131.
Bij gebreke van een onregelmatigheid in de zin van artikel 202 CDW zouden de betrokken goederen dus op het tijdstip van hun binnenkomst in Slovenië rechtsgeldig onder een schorsingsregeling overeenkomstig artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 zijn geplaatst, zodat er geen invoer in de zin van artikel 2, onder b), van dezelfde richtlijn heeft plaatsgevonden en er geen accijns verschuldigd is.
132.
Tot slot moet nog worden onderzocht of de goederen in tijdelijke opslag ondanks de vermelding van de onjuiste tariefpost vervolgens rechtsgeldig onder extern douanevervoer en in Hongarije op regelmatige wijze in een douane-entrepot zijn geplaatst, waardoor nog steeds geen verplichting tot betaling van accijns in de zin van artikel 4, punt 8, van richtlijn 2008/118 is ontstaan.
ii) Plaatsing onder extern douanevervoer en in een douane-entrepot
133.
Overeenkomstig artikel 59, lid 1, CDW moet voor goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling te worden geplaatst, een aangifte tot plaatsing onder de betrokken regeling worden gedaan. In het kader van deze aangifte moet de tariefpost van de goederen worden vermeld, waaronder de juiste postonderverdeling.48. Dit geldt zowel voor het extern douanevervoer als voor het douane-entrepot. De vermelding van een onjuiste tariefpost houdt schending van deze verplichting in.
134.
Niettemin moet worden vastgesteld dat het in gevallen als het onderhavige om de plaatsing van goederen onder een schorsingsregeling gaat, dat wil zeggen om de vraag of er überhaupt rechten bij invoer moeten worden betaald en niet om de vraag uit welk bedrag deze bestaan. In beginsel kunnen alle niet-communautaire goederen onder extern douanevervoer of in een douane-entrepot worden geplaatst zonder dat dit van de tariefonderverdeling afhangt.
135.
Bovendien moet in aanmerking worden genomen dat de regelingen met betrekking tot de tariefindeling complex zijn en in hun toepassing niet alleen van feiten, maar ook van juridische beoordelingen afhangen. De juiste uitlegging en toepassing van de posten van de gecombineerde nomenclatuur is geregeld voorwerp van rechtsgeschillen en rechterlijke beslissingen, zoals ook de onderhavige zaak aantoont. Niet iedere onjuistheid op dit terrein is noodzakelijkerwijs ernstig.
136.
In de onderhavige zaak werden de goederen weliswaar verkeerd ingedeeld, maar niet voorzien van een GN-post die volkomen in strijd is met de aard van die goederen. De opgegeven en de toepasselijke post zijn veeleer over het geheel genomen vergelijkbaar. Hoewel van een transport- en logistiekbedrijf als Schenker deskundigheid op het gebied van de tariefindeling mag worden verwacht, gaat het hier niet om een klaarblijkelijke totaal onjuiste indeling.
137.
Ook de in beginsel bestaande mogelijkheid om overeenkomstig artikel 12, lid 1, CDW de douaneautoriteiten vooraf om bindende tariefinlichtingen te verzoeken en de goederen dienovereenkomstig te beschrijven, betekent niet dat elke onjuiste indeling een douaneschuld doet ontstaan. Anders zou artikel 12 CDW ertoe leiden dat goederenvervoerders bij de minste onzekerheid gedwongen zouden zijn een dergelijk verzoek in te dienen. Dit zou enerzijds zowel voor de vervoerder als voor de douaneautoriteiten niet werkbaar zijn, zoals ter terechtzitting is opgemerkt, en anderzijds in strijd zijn met de strekking van artikel 12 CDW, dat in de eerste plaats bedoeld is als een optioneel hulpmiddel waardoor beter kan worden voorzien aan welke tariefbehandeling de douaneautoriteiten een goed zullen onderwerpen.
138.
Bovendien zou artikel 65 CDW, dat de mogelijkheid biedt onjuistheden in de douaneaangifte te herstellen, nagenoeg elke betekenis verliezen als het enkele feit dat in de douaneaangifte een onjuiste tariefpost wordt vermeld, automatisch het ontstaan van een douaneschuld tot gevolg zou hebben.
139.
Samenvattend lijkt het derhalve niet gerechtvaardigd de vermelding van een onjuiste tariefpost bij de aangifte voor extern douanevervoer of tot plaatsing in een douane-entrepot te bestraffen met het ontstaan van een douaneschuld, zolang de goederen op de voornaamste punten juist worden beschreven.
140.
Ook al staat het aan de verwijzende rechter om zulks te beoordelen, de beschikbare informatie pleit tegen het vermoeden van voldoende gekwalificeerde schending.49. In dat geval zou de schorsende werking overeenkomstig artikel 4, punt 8, van richtlijn 2008/118 ook blijven gelden gedurende het binnenbrengen in Hongarije en de opslag aldaar. Omdat er geen sprake zou zijn van ‘invoer’ in de zin van artikel 2, onder b), van de genoemde richtlijn, zou er bijgevolg geen accijns verschuldigd zijn.
3. Conclusie met betrekking tot de tweede en de derde prejudiciële vraag
141.
Al met al moet op de tweede en de derde prejudiciële vraag worden geantwoord dat de in het geding zijnde goederen, aangezien zij vanaf hun binnenkomst in het Uniegebied waren onderworpen aan douanetoezicht, dat leidt tot een ‘schorsingsregeling’ overeenkomstig artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118, en er geen sprake was van invoer in de zin van artikel 4, punt 8, van dezelfde richtlijn, niet ingevolge artikel 2, onder b), aan accijns waren onderworpen en er ondanks onjuiste vermeldingen in de begeleidende documenten geen accijnsschuld is ontstaan. Artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 moet aldus worden uitgelegd dat goederen ondanks de vermelding van een onjuiste tariefonderverdeling geacht kunnen worden in tijdelijke opslag, onder extern douanevervoer of in een douane-entrepot en dus in een ‘douaneschorsingsregeling’ te zijn geplaatst, zolang de goederen gezien hun aard op de voornaamste punten juist worden omschreven en de hoeveelheid goederen en de informatie over de verpakking van de goederen overeenstemmen met de feitelijke omstandigheden. Indien dit het geval is, is er geen sprake van invoer in de zin van artikel 4, punt 8, en zijn de goederen niet ingevolge artikel 2, onder b), van richtlijn 2008/118 aan accijns onderworpen.
C — Vierde prejudiciële vraag
142.
Met de vierde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip ‘onregelmatigheid’ in het kader van artikel 38 van richtlijn 2008/118 aldus moet worden uitgelegd dat het betrekking heeft op situaties waarin goederen in de begeleidende documenten voorzien zijn van een verkeerde tariefonderverdeling.
143.
Artikel 38 van richtlijn 2008/118 bevat — anders dan de artikelen 2 en 7 — geen regels voor de verschuldigdheid van accijns, maar voorziet in regelingen in het geval van conflicten tussen lidstaten over de bevoegdheid tot het heffen van de accijns. De uitlegging van het begrip ‘onregelmatigheid’ is derhalve alleen relevant voor de vraag aan welke lidstaat de inkomsten uit accijnzen toekomen, maar niet voor de vraag of er sprake is van verschuldigdheid van accijns.
144.
Artikel 38, lid 1, van richtlijn 2008/118 bepaalt dat in gevallen waarin tijdens een overbrenging van accijnsgoederen een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar die goederen tot verbruik zijn uitgeslagen, de goederen aan de accijns worden onderworpen en de accijns verschuldigd wordt in de lidstaat waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden.
145.
Artikel 38, lid 4, van richtlijn 2008/118 definieert het begrip ‘onregelmatigheid’ daarbij als een niet onder artikel 3750. vallende situatie die zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen overeenkomstig artikel 33, lid 1, of artikel 36, lid 1, voordoet en als gevolg waarvan een overbrenging of een onderdeel van een overbrenging van accijnsgoederen niet op regelmatige wijze is geëindigd.51.
146.
Van overbrenging van accijnsgoederen in de zin van richtlijn 2008/118 is sprake wanneer goederen die in een lidstaat reeds tot verbruik zijn uitgeslagen, in een andere lidstaat voor commerciële doeleinden52. voorhanden worden gehouden om er te worden geleverd of gebruikt, dan wel vanuit een andere lidstaat zijn verkregen en door de verkoper worden verzonden of vervoerd.
147.
In de omstandigheden van de onderhavige zaak zijn de voorwaarden van artikel 38, lid 4, van richtlijn 2008/118 niet vervuld.
148.
Ten eerste zijn de goederen niet in Slovenië tot verbruik uitgeslagen, maar waren zij onder een schorsingsregeling geplaatst. Ten tweede zijn de goederen door Schenker niet in de zin van artikel 33 van richtlijn 2008/118 in Hongarije voorhanden gehouden om er te worden geleverd of gebruikt, maar om ze verder te vervoeren naar Oekraïne.
149.
Bijgevolg moet daarom met de Commissie, Hongarije en Schenker worden geoordeeld dat de vermelding van de onjuiste tariefonderverdeling in de onderhavige situatie niet leidt tot een onder artikel 38 van richtlijn 2008/118 vallende onregelmatigheid.
VI — Conclusie
150.
Derhalve geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
‘Een goed dat zonder verdere verwerking als rooktabak kan worden gebruikt, zoals het product in het hoofdgeding, moet niet als ‘‘light-air-cured’ tabak’ in de zin van GN-code 2401 10 35 worden beschouwd, maar, wanneer het niet in hoofdzaak uit afvallen van tabak bestaat, als ‘[a]ndere tabak […], tot verbruik bereid’ en worden ingedeeld onder GN-post 2403. Indien het goed voorts in bulk, samengeperst, in met plastic gevoerde dozen met een nettogewicht van 30 kg is verpakt, moet het onder GN-post 2403 10 90 worden ingedeeld.
Aangezien de in het geding zijnde goederen vanaf hun binnenkomst in het Uniegebied waren onderworpen aan douanetoezicht, dat leidt tot een ‘schorsingsregeling’ overeenkomstig artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118, en er geen sprake was van invoer in de zin van artikel 4, punt 8, van dezelfde richtlijn, waren zij niet ingevolge artikel 2, onder b), aan de accijns onderworpen en is er ondanks onjuiste vermeldingen in de begeleidende documenten geen accijnsschuld ontstaan. Artikel 4, punt 6, van richtlijn 2008/118 moet aldus worden uitgelegd dat goederen ondanks de vermelding van een verkeerde tariefonderverdeling geacht kunnen worden in tijdelijke opslag, onder extern douanevervoer of in een douane-entrepot en dus in een ‘douaneschorsingsregeling’ te zijn geplaatst, zolang de goederen gezien hun aard op de voornaamste punten juist worden omschreven en de hoeveelheid goederen en de informatie over de verpakking van de goederen overeenstemmen met de feitelijke omstandigheden. Indien dit het geval is, is er geen sprake van invoer in de zin van artikel 4, punt 8, en zijn de goederen niet ingevolge artikel 2, onder b), van richtlijn 2008/118 aan accijns onderworpen.
De vermelding van de onjuiste tariefonderverdeling in de onderhavige situatie leidt niet tot een onder artikel 38 van richtlijn 2008/118 vallende onregelmatigheid.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑02‑2016
Oorspronkelijke taal: Duits.
Bestuurs- en arbeidsgerecht te Debrecen.
Algemene directie douane en belastingen van de regio Észak-Alföld.
PB 1987, L 198, blz. 3.
Zie de slotbepalingen van het Internationaal verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codificatie van goederen, PB 1987, L 198, blz. 9: ‘Done […] in the English and French languages, both texts being equally authentic […]’.
Aangezien voor het hoofdgeding de rechtssituatie van voorjaar 2011, toen de goederen het gebied van de Unie binnenkwamen, maatgevend is, zijn de toelichtingen in de versie van 2007 en niet in de versie van 2012 van toepassing.
De betrokken versie is krachtens artikel 2 van verordening nr. 861/2010 op 1 januari 2011 in werking getreden en is maatgevend voor de beoordeling van de rechtssituatie van deze zaak.
Toelichtingen van de Europese Commissie op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie (2011/C 137/01), gepubliceerd op grond van artikel 9, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 2011, C137, blz. 1).
Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad van 20 november 2006 (PB L 363, blz. 1).
Verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 145, blz. 1) is voor de beoordeling van de rechtssituatie ten tijde van de feiten niet relevant. Weliswaar noemt artikel 188, lid 1, van deze handeling regelingen die al vanaf 24 juni 2008 van toepassing zijn, maar daarbij gaat het uitsluitend om regelingen die als rechtsgrondslag voor uitvoeringsbepalingen dienen. Met uitzondering van artikel 30 over de heffingen en kosten zijn volgens artikel 188, lid 2, alle andere bepalingen pas van toepassing zodra de krachtens de in lid 1 vermelde artikelen vastgestelde uitvoeringsbepalingen toepasselijk zijn. Het laatste was ten tijde van de feiten (januari 2011) niet het geval.
Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG (PB 2009, L9, blz. 12), zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/12/EU van de Raad van 16 februari 2010 tot wijziging van richtlijnen 92/79/EEG, 92/80/EEG en 95/59/EG wat betreft de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten en richtlijn 2008/118/EG (PB L 50, blz. 1).
Richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten (PB L 176, blz. 24). Deze richtlijn is ingevolge artikel 22 op 1 januari 2011 in werking getreden.
Zie arresten Lohmann en Medi Bayreuth (C-260/00–C-263/00, EU:C:2002:637, punt 26) en Lukoyl Neftohim Burgas (C-330/13, EU:C:2014:1757, punten 27 en 28).
Zie arresten Krüger (C-334/95, EU:C:1997:378, punten 22 en 23), Byankov (C-249/11, EU:C:2012:608, punt 57) en Lukoyl Neftohim Burgas (C-330/13, EU:C:2014:1757, punt 29).
Zie mijn conclusies in de zaken Ikegami Electronics (C-467/03, EU:C:2005:49, punten 31-36), Algemene Scheeps Agentuur Dordrecht (C-311/04, EU:C:2005:595, punten 27, 28 en 35), Uroplasty (C-514/04, EU:C:2006:56, punten 42–44) en Turbon International (C-250/05, EU:C:2006:384, punten 38 en 40).
Zie onder meer arresten Dittmeyer (C-69/76 en C-70/76, EU:C:1977:25, punt 4), LTM (C-201/96, EU:C:1997:523, punt 17) en Glob-Sped AG (C-328/97, EU:C:1998:601, punt 26).
Arrest Dittmeyer (C-69/76 en C-70/76, EU:C:1977:25, punt 4).
Zie mijn conclusie in de zaak Ikegami Electronics (467/03, EU:C:2005:49, punt 35).
Het advies van het comité van deskundigen gebruikt in het Hongaarse origineel het begrip ‘dohányzásra kész dohány’.
Dit geldt ook voor de omschrijvingen ‘Tabacs bruts ou non fabriqués’ en ‘unmanufactured tobacco’ van de betreffende posten in de authentieke taalversies van het GS.
Cursivering van mij.
Cursivering van mij.
Zie met betrekking tot deze controlegrond arrest Dittmeyer (C-69/76 en C-70/76, EU:C:1977:25, punt 4).
Zie punt 2 van de GS-toelichting (toelichting op onderverdeling 2401 30 00 GN).
Cursivering van mij.
GN-post 2402 komt niet in aanmerking. De bewoordingen ervan (‘sigaren, cigarillo's en sigaretten […]’) en de GN-toelichtingen maken duidelijk dat deze post alleen betrekking heeft op ‘tabaksrolletjes die geschikt zijn om als zodanig te worden gerookt’ en dus niet op losse tabak zonder dek- of omblad, zoals de tabak in het hoofdgeding. Het is derhalve niet nodig deze post nader te onderzoeken.
Het oorspronkelijke voorstel voor richtlijn 2011/64 beoogde een volledige harmonisatie van de accijnstarieven voor tabaksfabrikaten. In de definitieve richtlijn worden enkel minimumtarieven vastgesteld.
Richtlijn 2011/64 brengt de in artikel 1, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/118 genoemde richtlijnen 95/59, 92/79 en 92/80 samen.
Zie de artikelen 1 en 2, lid 1, onder c), punt i), juncto artikel 5, lid 1, onder a), en artikel 5, lid 2.
Er zijn geen aanwijzingen dat de betrokken goederen in de zin van artikel 4, punt 8, van richtlijn 2008/118 onder een douaneschorsingsregeling dan wel onder extern douanevervoer of in een douane-entrepot waren geplaatst en vervolgens zijn ‘vrijgegeven’. Derhalve is alleen de vraag aan de orde of de goederen onder een douaneschorsingsregeling werden geplaatst.
Deze in casu relevante definitie is ruimer geformuleerd dan die van het douanewetboek, dat alleen regelingen zoals bedoeld in artikel 84, lid 1, onder a), CDW als schorsingsregelingen kwalificeert.
Zie hoofdstuk D.II, 2.4 van haar schriftelijke opmerkingen.
Arrest Papismedov e.a. (C-195/03, EU:C:2005:131, punt 22).
Arrest Papismedov e.a. (C-195/03, EU:C:2005:131, punt 21).
Vooral van belang is dat het goed geen andere douanestatus heeft gekregen, aangezien dit volgens artikel 79 CDW veronderstelt dat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, wat onder meer afhangt van de vraag of de rechten bij invoer zijn betaald. Zie in dat verband arrest D. Wandel (C-66/99, EU:C:2001:69, punt 36).
Zie in dit verband ook mijn conclusie in de zaak Papismedov (C-195/03, EU:C:2004:572, punt 38).
Zie bijvoorbeeld de formuleringen ‘any one of the special procedures’, ‘l'un des régimes spéciaux’, ‘vastgestelde bijzondere procedure’, ‘una delle procedure speciali’, ‘um dos procedimentos especiais’.
‘«[R]égimen aduanero suspensivo»: cualquiera de los regímenes previstos en el Reglamento (CEE) no 2913/92 en relación con el control aduanero del que su objeto las mercancías no comunitarias en el momento de su introducción en el territorio aduanero de la Comunidad, en depósitos temporales […]’.
Zie artikel 4, lid 2, van het voorstel voor een richtlijn van de Raad houdende een algemene regeling inzake accijns in de versie van 26 februari 2008 [COM(2008) 78 def.].
Zie artikel 50 CDW. Volgens artikel 4, punt 19, CDW verstaat men onder ‘aanbrengen bij de douane’ de mededeling aan de douaneautoriteiten, in de vereiste vorm, van de aankomst van de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats.
Cursivering van mij.
Een dubbele procedure moet ook volgens de toelichting bij het voorstel van de Commissie voor richtlijn 2008/118 worden voorkomen; zie in dat verband blz. 6 van de toelichting bij het voorstel voor een richtlijn van de Raad houdende een algemene regeling inzake accijns in de versie van 26 februari 2008.
De bepaling noemt tijdelijke opslag, vrije zones, vrije entrepots en regelingen zoals bedoeld in artikel 84, lid 1, van de verordening.
Arrest Papismedov e.a. (C-195/03, EU:C:2005:131, punt 31).
Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1063/2010 van de Commissie van 18 november 2010 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 307, blz. 1).
Zie artikel 186, lid 7, uitvoeringsbepalingen CDW.
Arrest DP grup EOOD (C-138/10, EU:C:2011:587, punt 40) onder verwijzing naar arrest Top Hitz Holzvertrieb/Commissie (C-378/87, EU:C:1989:209, punt 26).
Zie in dit verband reeds de overwegingen in de punten 134-137 van deze conclusie.
Artikel 37 van richtlijn 2008/118 is van toepassing op situaties waarin accijnsgoederen algeheel vernietigd of onherstelbaar verloren gegaan zijn.
Zie artikel 10, lid 6, van richtlijn 2008/118, dat het begrip ‘onregelmatigheid’ in de context van accijnsschorsingsregelingen definieert.
Volgens artikel 33, lid 1, eerste alinea, wordt onder ‘voor commerciële doeleinden voorhanden hebben’ verstaan het voorhanden hebben van accijnsgoederen door anderen dan particulieren.