Procesrecht in arbeidszaken
Einde inhoudsopgave
Procesrecht in arbeidszaken (MSR nr. 88) 2024/6.2.4.1:6.2.4.1 Termijn
Procesrecht in arbeidszaken (MSR nr. 88) 2024/6.2.4.1
6.2.4.1 Termijn
Documentgegevens:
Marcia Smorenburg en Steven Venhuizen, datum 30-04-2024
- Datum
30-04-2024
- Auteur
Marcia Smorenburg en Steven Venhuizen
- JCDI
JCDI:ADS982322:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
O.a. HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413.
Zie bijv. art. 1019o Rv (pacht: één maand), art. 8 en 67 Faillissementswet (acht resp. vijf dagen) en art. 5:130 lid 3 BW (VvE: één maand).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De termijn van hoger beroep bedraagt drie maanden in bodemzaken en vier weken in kort geding (art. 339 lid 1 Rv). Deze termijnen zijn van openbare orde en moeten ambtshalve door het hof worden gehandhaafd. De termijn kan niet door partijautonomie opzij gezet worden.1
Opmerking: de kantonrechter kan een gemachtigde, niet zijnde een advocaat of deurwaarder, weigeren. Tegen die beschikking kan de geweigerde gemachtigde binnen vier weken bij verzoekschrift in hoger beroep komen (art. 81 lid 4 Rv). Er bestaan ook andere afwijkende appeltermijnen, maar die hebben geen betrekking op dagvaardingsprocedures in het arbeidsrecht.2