Uw Raad oordeelde in de arresten d.d. 18 november 2016 (nrs. 15/004980 en 4982) in de procedure van [X2] dat voor wat betreft de jaren 1998 en 2000 het belastingverdrag Nederland/Portugal niet in werking was getreden. [X2] kon om die reden in die jaren ook geen beroep doen op het verdrag (r.o. 2.2 t/m 2.6). Uw Raad heeft met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting 2001 overwogen (nr. 15/ 04977) dat Nederland gelet op het belastingverdrag Portugal/Nederland niet mocht heffen over het fictieve loon en heeft de aanslag vernietigd. Onjuist is dan ook het oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden in r.o. 2.9 dat ‘Voor zover de beroepschriften in cassatie zich richten tegen de inhoudelijke oordelen omtrent de aan betrokkene opgelegde belastingaanslagen (…), die oordelen in cassatie in stand [zijn] gebleven.’
HR, 16-11-2018, nr. 18/00665
18/00665, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-11-2018
- Zaaknummer
18/00665
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:2126, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑11‑2018; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2018:142, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑11‑2018
- Vindplaatsen
NLF 2018/2586
FutD 2018-3018
Viditax (FutD) 2018111607
Uitspraak 16‑11‑2018
Inhoudsindicatie
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Geen gezamenlijke behandeling, geen matiging.
Partij(en)
16 november 2018
nr. 18/00665
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X2] te [Z], Portugal (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 januari 2018, nrs. 16/01449, 16/01450, 16/01451, 16/01460, 16/01461, 16/01463 en 16/01464, betreffende het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. De eerste gedingen in cassatie
Bij arresten van 18 november 2018, nrs. 15/04977, 15/04980 en 15/04982, ECLI:NL:HR:2016:2497, ECLI:NL:HR:2016:2498 en ECLI:NL:HR:2016:2499, heeft de Hoge Raad de uitspraken van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch (nrs. 11/00409 tot en met 11/00415) vernietigd, met verwijzing van de gedingen naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaken met inachtneming van die arresten.
2. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1.
Voor het Hof was in geschil de hoogte van de aan belanghebbende toekomende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende voor de fasen van bezwaar, beroep en hoger beroep recht heeft op een schadevergoeding van in beginsel € 10.000.
3.3.
Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de zaken van belanghebbende en de zaken van [X3] B.V. en [X1] B.V. in de hiervoor genoemde fasen in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Daarom moet, aldus het Hof, de aan belanghebbende toe te kennen schadevergoeding worden gematigd. Het Hof heeft de schadevergoeding bepaald op een bedrag van € 3400.
3.4.1.
Het middel betoogt dat de schadevergoeding voor de fasen van bezwaar, beroep en hoger beroep niet mocht worden gematigd.
3.4.2.
De omstandigheid dat zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld, kan een zodanig matigende invloed hebben op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die worden ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen. Bij dit laatste blijft vooropstaan dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft (zie rechtsoverweging 3.10.3 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, hierna: het overzichtsarrest). Indien zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld, kan een matiging als hiervoor omschreven alleen aan de orde zijn indien sprake is van zaken die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (vgl. rechtsoverweging 3.10.2 van het overzichtsarrest en zie rechtsoverweging 3.2.4 van het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2017, nr. 16/05257, ECLI:NL:HR:2017:2875).
3.4.3.
Het Hof is bij de matiging van de schadevergoeding kennelijk ervan uitgegaan dat de zaken van belanghebbende en de zaken van [X3] B.V. en [X1] B.V. in de fasen van bezwaar, beroep en hoger beroep gezamenlijk zijn behandeld.
Dit uitgangspunt is onbegrijpelijk. Gelet op de stukken van het geding – waaronder de hiervoor in onderdeel 1 genoemde uitspraken van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch, waarin is vermeld dat de zaken van belanghebbende en de zaken van [X3] B.V. en [X1] B.V. door dat hof weliswaar gelijktijdig maar niet gezamenlijk zijn behandeld – is geen andere gevolgtrekking mogelijk dan dat de zaken van belanghebbende en de zaken van [X3] B.V. en [X1] B.V. in de fasen van bezwaar, beroep en hoger beroep niet gezamenlijk zijn behandeld.
3.5.
Het middel slaagt. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 10.000. De Inspecteur dient van de schadevergoeding 52/116 deel (€ 4483) te betalen en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) 64/116 deel (€ 5517).
4. Proceskosten
De Staatssecretaris en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) zullen ieder voor de helft worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 18/00661 en 18/00663 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze betreft de beslissing op het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade voor de fasen van bezwaar, beroep en hoger beroep,
wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe,
veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade van belanghebbende, vastgesteld op € 4483,
veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot vergoeding van de aan de beroepsfase en de hogerberoepsfase toerekenbare immateriële schade van € 5517,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt de helft van het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 126, derhalve € 63,
gelast dat de Minister voor Rechtsbescherming aan belanghebbende vergoedt de helft van het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 126, derhalve € 63,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën voor de helft in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 334 (een derde van € 1002), derhalve € 167, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming voor de helft in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 334 (een derde van € 1002), derhalve € 167, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren L.F. van Kalmthout en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2018.
Beroepschrift 16‑11‑2018
Edelhoogachtbaar College,
Betreft: Motivering van beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 3 januari 2018 inzake [X2] te [Z] (Portugal) betreffende de immateriële schadevergoeding met betrekking tot de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en WAV over de jaren 1998, 2000 en 2001; uw zaaknummer F 18/00665
Naar aanleiding van uw brief van 22 februari 2018 motiveer ik namens [X2] het beroepschrift in cassatie als volgt. Het Hof heeft onterecht de immateriële schadevergoeding gematigd. De zaken van de verschillende belanghebbenden hebben in de hoofdzaak niet betrekking op hetzelfde onderwerp.
Voor de goede orde zij opgemerkt dat het Hof de immateriële schadevergoeding ook heeft gematigd bij zowel [X3] B.V. (uw zaaknr. F 18/00661) en bij [X1] B.V. (uw zaaknr. F18/00663). Ook deze belanghebbenden hebben separaat een beroepschrift in cassatie ingediend.
Middel van cassatie
Schending van het recht waaronder art. 8:73 Awb jo art. 8:88 Awb en/of fataal verzuim van vormen omdat het Hof in de uitspraak d.d. 3 januari 2018 heeft geoordeeld in r.o. 4.9 dat matiging van de immateriële schadevergoeding op zijn plaats is omdat zodanige samenhang aanwezig is tussen de procedures van belanghebbende enerzijds en de zaken van [X3] B.V. en [X1] B.V. anderzijds dat kan worden gezegd dat deze in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zulks ter onrechte danwel op gronden die de beslissen niet kunnen dragen.
1. Toelichting
1.1
In r.o. 4.5 heeft het Hof geoordeeld dat [X2] met betrekking tot de 7 aan hem opgelegde aanslagen over de jaren 1998, 2000 en 2001 inkomstenbelasting/PVV en WAV in beginsel recht heeft op een schadevergoeding van € 10.000 vanwege grote overschrijdingen van de redelijke termijn. Uiteindelijk wordt deze immateriële schadevergoeding gematigd (r.o. 4.9) tot € 3.400 (te weten € 1.525 te betalen door de Inspecteur en € 1.875 te betalen door de Minister van rechtsbescherming) (zie r.o. 4.9). [X2] wil dat de volledige immateriële schadevergoeding aan hem wordt uitbetaald, want aan de voorwaarden tot matiging wordt niet voldaan. De inkomstenbelastingprocedures (de lange duur en de wijze waarop de behandeling is gegaan) hebben bij hem bijzonder veel spanning en frustratie opgeleverd. Niet voor niets (de Belastingdienst heeft in zijn memorie na verwijzing van 30 januari 2017 daaraan op blz. 2/3 gerefereerd) heeft [X2] een boek in 2012 geschreven: [TiTEL]
1.2
Uit Hoge Raad 19 februari 2016, BNB 2016/140 en Hoge Raad 17 november 2017, BNB 2018/27 blijkt het volgende. Uw Raad overwoog in dat laatste arrest in r.o. 3.2.4, laatste alinea:
‘Indien zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld, kan een matiging als hiervoor omschreven alleen aan de orde zijn indien sprake is van zaken die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (vgl. rechtsoverweging 3.10.2 van het overzichtsarrest).’
Wil er tot een matiging kunnen worden overgaan bij verschillende belanghebbenden dan dient er dus aan 2 cumulatieve eisen te worden voldaan. Te weten:
- 1.
gezamenlijke behandeling en
- 2.
in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp.
Aan beide vereisten wordt hier niet voldaan.
Geen gezamenlijke behandeling
1.3 Allereerst de gezamenlijke behandeling. In r.o. 3 oordeelt het Hof weliswaar:
‘In geschil is in hoeverre aanleiding bestaat tot matiging van de aan belanghebbende toekomende vergoeding wegens gezamenlijke behandeling en samenhang met de zaken van [X3] B.V., [X1] B.V. en [A] B.V.’
Het oordeel van het Hof dat alle zaken gezamenlijk zijn behandeld is een onjuist oordeel gelet op de onderliggende uitspraken van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 17 september 2015. Immers Gerechtshof 's‑Hertogenbosch oordeelt bij [X2] met betrekking tot de procedure 11/412 t/m 413 onder r.o. 1.11 en 1.17:
‘1.11
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 13 februari 2013 te 's‑Hertogenbosch. (…) De hoger beroepen met de kenmerken 10/00769, 10/00878, 10/00879, 10/00880, 10/00881, 10/00882, 10/00883, 11/00884, 11/00409, 11/00410, 11/00411, 11/00414 en 11/00415 zijn toen gelijktijdig doch niet gezamenlijk behandeld.’
1.17
De nadere zitting heeft plaatsgehad op 21 november 2013 te 's‑Hertogenbosch. (…) De hoger beroepen met de kenmerken 10/00769, 10/00878, 10/00879, 10/00880, 10/00881, 10/00882, 10/00883, 11/00884, 11/00409, 11/00410, 11/00411, 11/00414 en 11/00415 zijn toen gelijktijdig doch niet gezamenlijk behandeld.’
[…]
1.4
Soortgelijke overwegingen zijn te vinden in de parallelle procedures van [X2], alsmede zijn soortgelijke overwegingen te vinden in de procedures van [X1] en [X3]. Voor [X3] B.V. Zie r.o. 1.8 en 1.14 bij Hof 's‑Hertogenbosch, kenmerk 10/00882 t/m 10/00884 en voor [X1] B.V. zie r.o. 1.10 en 1.16, kenmerk 10/00878 t/m 10/00881. Van een gezamenlijke behandeling in deze procedures is juist geen sprake geweest zo heeft Hof Den Bosch (onherroepelijk) geoordeeld; alleen van een gelijktijdige behandeling.
1.5
Uit het overzicht van de Belastingdienst, bijlage 1 bij de memorie na verwijzing van 27 februari 2017, blijkt dat de bezwaarfase voor wat betreft de opgelegde aanslagen aan [X2] danwel [X3] B.V. danwel [X1] B.V. niet gelijktijdig is verlopen. Ook de uitspraken van de Rechtbank zijn in die zaken niet gelijktijdig gedaan. De uitspraken voor [X2] zijn op 27 mei 2011 gedaan en voor de vennootschappen op 29 oktober 2010. Overigens blijkt uit r.o. 1.6 (AWB 07/330, 07/331, 07/328, 07/329, 07/325 — 07/327 (r.o. 1.8)) dat op 27 maart 2008 de zaken tussen de verschillende belanghebbenden niet gezamenlijk zijn behandeld.
1.6.
Het oordeel van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden kan om die reden al niet in stand blijven.
In hoofdzaak niet hetzelfde onderwerp
1.7.
Ook van een in hoofdzaak zelfde onderwerp is geen sprake.
1.8.
Het Hof heeft overwogen in r.o. 4.4 dat alle aanslagen inkomstenbelasting betrekking hadden op hetzelfde onderwerp. Dat de aanslagen inkomstenbelasting in hoofdzaak hetzelfde onderwerp hadden, wordt door [X2] niet weersproken. Onjuist is wel het oordeel in r.o. 4.4 wat het onderwerp bij [X2] inhield.
1.9.
Het Hof overweegt in r.o. 4.4:
‘4.4.
De zeven aan belanghebbende opgelegde aanslagen (…) hebben naar het oordeel van het Hof in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, kort gezegd, de inkomstenbelastingaspecten van winstverschuivingen in internationaal verband (zie hiervoor onder 2.9). (…)’
[…]
1.10.
In r.o. 2.9 heeft het Hof het volgende vastgesteld:
‘2.9.
(…) Aan belanghebbende zijn aanslagen inkomstenbelasting opgelegd, waarbij correcties zijn aangebracht op de ingediende aangjften die corresponderen met de correcties bij [X1] B.V. (te weten correcties voor fictief loon en voor verkapte uitdelingen van winst).
Met dit oordeel gaat het Hof uit van een verkeerde en enigszins creatieve voorstelling van zaken terzake de vraag waar het in de hoofdzaak bij de beoordeling van de aanslagen inkomstenbelasting bij [X2] over ging. Die vastlegging klopt ook niet met hetgeen uit het procesdossier blijkt. Deze onjuiste oordelen werken ook weer door naar r.o. 4.9:
‘In deze zaken gaat het, kort gezegd, om de inkomsten- en vennootschapsbelastingaspecten van winstverschuivingen in internationaal verband. De correcties vloeien voort uit hetzelfde boekenonderzoek en hebben bij [X3] BV en bij [X1] BV tot vergelijkbare winstcorrecties geleid. Ook de aan belanghebbende opgelegde aanslagen inkomstenbelasting vloeien voort uit het ingestelde onderzoek en sluiten aan bij de winstcorrecties bij deze vennootschappen. De omstandigheden dat bij belanghebbende tevens discussie is geweest over diens fiscale woonplaats en het daarmee samenhangende heffingsrecht van Nederland, doet hier niet aan af.’
1.11.
Wat waren de onderwerpen (in hoofdzaak) met betrekking tot de aanslagen inkomstenbelasting (PVV en WAV 1998, 2000 en 2001) van [X2]?
1.12.
De uitspraken van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 17 september 2015 met nrs. 11/00409 — 11/00411 en 11/00412, 11/00413, 11/00414 en 11/00415 zijn relevant. Uit r.o. 4.1 t/m 4.8 van de uitspraak van Hof 's‑Hertogenbosch d.d. 17 september 2015 (nr. 11/00409) blijkt dat in hoofdzaak 3 onderwerpen in geschil waren
- 1.
de fiscale woonplaats van [X2] wel of niet binnenlands belastingplichtig? (r.o. 4.2 t/m 4.4.3);
- 2.
mag Nederland volgens het belastingverdrag Nederland/Portugal heffen over het fictieve loon terwijl [X2] buitenlands belastingplichtige is? (r.o. 4.8).
- 3.
is het fictieve loon van toepassing en op de juiste hoogte vastgesteld? (r.o. 4.9).
1.13.
Uw Raad vatte het geschil als volgt samen (r.o. 2.1.3)1.:
‘In hoger beroep was onder meer in geschil of de Inspecteur bij het vaststellen van de in dit geding bestreden belastingaanslagen terecht toepassing heeft gegeven aan de gebruikelijkloonregeling van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964.’
1.14.
In r.o. 4.10 oordeelt Hof 's‑Hertogenbosch (uitspraak d.d. 17 september 2015):
‘In hoger beroep heeft de Inspecteur afstand gedaan van zijn standpunt dat belanghebbende uitdelingen heeft genoten. Derhalve twisten partijen uitsluitend over de hoogte van het gebruikelijk loon van belanghebbende.’
[…]
Het onderwerp van geschil in deze inkomstenbelastingprocedures was niet: toerekening van verkapte winstuitdeling aan [X2].
1.15.
De hoogte van het fictieve loon waren voor de vennootschapsbelastingaanslagenprocedures van [X1] B.V. allen relevant omdat de Inspecteur het fictieve loon heeft afgetrokken van de te belasten winst. Bij [X3] B.V. speelde het fictieve loon van al helemaal geen rol ven betekenis. Kortom: dat in hoofdzaak sprake was van hetzelfde onderwerp — namelijk ‘inkomstenbelastingaspecten bij winstverschuivingen in internationale verband’ — klopt aantoonbaar niet en al helemaal niet voor de procedures voor Hof 's‑Hertogenbosch. De matiging is derhalve onbegrijpelijk gemotiveerd en/of het Hof heeft een onjuiste maatstaf aangelegd wat in ‘hoofdzaak’ hetzelfde onderwerp inhoudt.
1.16.
Voorts is niet relevant of er samenhang is, zoals het Hof oordeelt in r.o. 4.9. Het gaat erom of in hoofdzaak hetzelfde onderwerp is beoordeeld. De winstcorrecties bij de vennootschappen die de Inspecteur, Rechtbank en Hof, en Hoge Raad hebben beoordeeld, sluiten juist niet aan bij de correcties ‘fictief loon’ bij [X2]. Uit de hierboven opgenomen opsomming blijkt al dat de zaak van begin af aan niet hetzelfde onderwerp tot hoofdzaak had ook bij de Rechtbank niet. Immers, de Rechtbank heeft nadat zij de uitspraken inzake opgelegde aanslagen aan de vennootschappen op 29 oktober 2010 had gedaan wel 7 maanden nodig gehad om de knopen door te hakken voor wat betreft de juistheid van de inkomstenbelasting-aanslagen. Als het allemaal dezelfde ‘issues’ zouden zijn — zoals Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt — had de Rechtbank alle uitspraken gelijktijdig kunnen doen. Juist omdat de onderwerpen niet hetzelfde waren heeft de Rechtbank daarover nog 7 maanden moeten nadenken.
1.17.
Het Hof neemt voorts ten onrechte niet mee dat de hoofdregel is dat elke belanghebbende recht heeft op immateriële schadevergoeding (zie r.o 3.2.4, eerste alinea bij Hoge Raad 17 november 2017). De uitzondering: de zaken van verschillende belanghebbenden hebben in hoofdzaak hetzelfde onderwerp moet dan ook restrictief worden uitgelegd en niet exensief zoals het Hof doet in r.o. 4.9. Dat sprake zou zijn van enige samenhang en dus sprake is van hetzelfde onderwerp is derhalve een onjuist oordeel. Bij de procedure voor Hof 's‑Hertogenbosch was het vermeende zelfde onderwerp (zogenaamde winstverschuiving in internationaal verband) al helemaal geen onderwerp van geschil meer. Ten onrechte heeft het Hof dan ook schadevergoeding van [X2] gematigd. [X2] had een immateriële schadevergoeding van € 10.000 moeten ontvangen.
1.18.
Verzocht wordt om een (ongematigde) proceskostenveroordeling en om vergoeding van griffierecht.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 16‑11‑2018