Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.3.3.3
11.3.3.3 Aandachtspunten voor het vermoeden van acting in concert
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS370010:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Beckman 2008, p. 1005, die lijkt te betogen dat dit moet worden aangepast.
Zie De Brauw, Toezicht Financiële Markten (Groene Serie), art. 1:1, aant. 546.8.
In Duitsland werd de Overnamerichtlijn zo geïmplementeerd dat stemrechten van dochtermaatschappijen ook aan andere dochtermaatschappijen werden toegerekend. Na veel protest uit de praktijk is deze beslissing niet veel later teruggedraaid, zie Faden 2007, p. 48-50. Enkele auteurs betogen dat Duitsland hiermee de richtlijn niet juist heeft omgezet, zie onder meer Wackerbarth 2011, § 30, Rn. 30.
Zie voor de herkomst van de zinsnede “met elkaar” raadsdocumenten 7548/99 van 26 april 1999 en 7505/99 van 21 april 1999. Zie eerder § 3.2 over de totstandkomingsgeschiedenis van de acting in concert- regeling uit de richtlijn.
Vgl. M. Raaijmakers 1999, p. 296, die in de vaagheid van het groepsbegrip van art. 2:24b BW eerder reeds aanleiding zag om daar voor de vaststelling van de controle geen aansluiting bij te zoeken.
Voor de goede orde: de hier bedoelde overlap is niet de reden geweest dat de toerekeningsregel uit de meldingsplicht van hoofdstuk 5.3 Wft (art. 5:45 lid 3 Wft en haar voorgangers) niet naar art. 2:24b BW verwijst. De toerekening in het kader van de meldingsplicht was tot 2008 beperkt tot dochtermaatschappijen als bedoeld in art. 2:24a BW. Sindsdien wordt naar het ruimere begrip “gecontroleerde onderneming” verwezen.
I. Natuurlijke personen
Alleen rechtspersonen of vennootschappen kunnen met elkaar in een groep verbonden zijn. Dat volgt zowel uit art. 2:24b BW als de verwijzing daarnaar in de onderling overleg-definitie. Natuurlijke personen blijven hier buiten beeld; zij kunnen niet tot een groep behoren (vgl. § 11.3.4.3 sub I voor natuurlijke personen als moedermaatschappij).1 In de praktijk zullen natuurlijke personen sowieso wel geacht kunnen worden onderdeel te zijn van de in onderling overleg handelende personen.2
II. Onderling overleg tussen groepsmaatschappijen
Het vermoeden van onderling overleg geldt volgens art. 1:1 Wft voor rechtspersonen of vennootschappen “die met elkaar deel uitmaken van een groep”. Ik lees dit aldus dat alle rechtspersonen of vennootschappen voor wie dit geldt, vermoed worden in onderling overleg te handelen, ook hun “zustermaatschappijen” en hun groepsmaatschappijen. Zie onderstaande afbeelding.
Nederland volgt hierin net als de meeste van de onderzochte landen3 de Overnamerichtlijn, waar “personen over wie een andere persoon de zeggenschap heeft” worden vermoed met elkaar in onderling overleg te handelen (art. 2 lid 2 Overnamerichtlijn).4 Toch kan men zich afvragen welk nut een dergelijke horizontale werking van het vermoeden heeft naast de verticale werking. De stemrechten die B en C via D en E houden worden al binnen de hele groep toegerekend. Mogelijk is de gedachte datindien op grond van een – in Nederland nog niet, maar in andere onderzochte landen wel bestaande (zie nader § 12.5) – uitzondering geen toerekening plaatsvindt tussen A en B en/of tussen A en C er alsnog “onderlangs” toerekening kan plaatsvinden tussen B en C. Maar, ook indien de toerekening tussen A en B wordt geblokkeerd, is B geen groepsmaatschappij meer en vindt ook geen toerekening tussen B en C meer plaats (zie uitgebreid § 12.5.2.5).
III. Overlap
Ten slotte, in bijna alle gevallen waarin sprake is van een groep als bedoeld in art. 2:24b BW zal tevens sprake zijn van een gecontroleerde onderneming, de tweede categorie van vermoedens van onderling overleg. Dit komt door het in de tweede categorie vervatte, zeer ruime begrip overheersende zeggenschap (waarover nader § 11.3.5). Gelet op deze overlap kan overwogen worden om de verwijzing naar art. 2:24b BW te schrappen met overeenkomstige aanpassing van de bepalingen die daar nu naar verwijzen, zoals art. 2 lid 2 Vrijstellingsbesluit overnamebiedingen Wft.5,6