De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/5.3.5.3:5.3.5.3 Eigendom en het zijn van bestuurder en commissaris
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/5.3.5.3
5.3.5.3 Eigendom en het zijn van bestuurder en commissaris
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369716:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het valt buiten het bestek van dit onderzoek om uitvoerig stil te staan bij alle facetten van deze problematiek.
Hetgeen in deze paragraaf wordt opgemerkt over bestuurders geldt eveneens voor commissarissen
Art. 2:129/239 lid 4 BW, respectievelijk art. 2:140/250 lid 2 BW.
Zie bijv. EHRM 29 maart 2010, appl.nr. 34044/02 (Depalle).
Zie par. 5.3.5.1.
Hof Amsterdam (OK) 20 januari 1997, JOR 1999/26 (Hooymans)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het zijn van bestuurder, of commissaris van een rechtspersoon heeft naar Nederlands recht rechtspersoonrechtelijke en vermogensrechtelijke aspecten. Een voorbeeld van een rechtspersoonrechtelijk aspect zijn de bevoegdheden die een bestuurder toekomen binnen de deelrechtsorde (bijvoorbeeld de bevoegdheid om de rechtspersoon te besturen en te vertegenwoordigen). Een voorbeeld van een vermogensrechtelijk aspect is het recht op salaris. Deze rechtspersoonrechtelijke en vermogensrechtelijke aspecten grijpen soms in elkaar. Een voorbeeld daarvan is de rechtspersoonrechtelijke bevoegdheid (van de aandeelhoudersvergadering) om het salaris van de bestuurder vast te stellen. Een meerderheidsaandeelhouder/bestuurder heeft derhalve de rechtspersoonrechtelijke mogelijkheid om zijn vermogensrechtelijke positie als bestuurder vis-à- vis de vennootschap vast te stellen.1
De vermogensrechtelijke aspecten van een bestuurderschap2 zullen veelal in de sfeer van art. 1 EP liggen. Zo kwalificeert een managementovereenkomst mijns inziens als (een onderdeel van) een eigendomsrecht in de zin van art. 1 EP.
Wat betreft de rechtspersoonrechtelijke aspecten van een bestuurderschap ligt dat wat gecompliceerder. De bevoegdheden die bestuurders kunnen uitoefenen hebben zij niet te eigen behoeve. Zij moeten deze uitoefenen in het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming.3 Aldus bezien lijkt geen sprake te zijn van eigendom in de zin van art. 1 EP.
Ik waarschuw er echter voor dat een dergelijke argumentatie uitgaat van het begrippenkader dat in het Nederlandse recht gebruikelijk is. Ook hier mag echter niet worden vergeten dat het voor een juiste toepassing van art. 1 EP nodig is “to look behind the appearances and investigate the realities of the situation complained of”.4 Ik sluit niet uit dat in voorkomende gevallen de positie van een bestuurder niet geïsoleerd mag worden gezien van de positie die hij voor het overige inneemt binnen de rechtspersoon. Stel bijvoorbeeld dat X zowel bestuurder als de meerderheidsaandeelhouder van een BV is. Zou het bestuurder- en aandeelhouderschap dan niet samen kunnen worden bezien als eigendom van X? Ik vind daarvoor wel wat te zeggen. Het bestuurderschap geeft de aandeelhouder immers de mogelijkheid om te kiezen hoe hij gelden onttrekt aan de vennootschap (te weten, via de de facto door hem te bepalen bestuurdersbezoldiging of als dividend), terwijl een aandeel door het EHRM mede als een aanspraak op het vermogen van de vennootschap wordt gezien.5 Dat betekent in de praktijk dat zijn bestuurderschap in zekere zin het verlengde van zijn aandeelhouderschap is. De waarde van het aandelenpakket van X wordt daarnaast mede bepaald door het feit dat hij bestuurder van de vennootschap is en hij als meerderheidsaandeelhouder het in zijn macht heeft om dat te blijven. Daardoor heeft X een grotere mate van controle over de vennootschap, dan hij zou hebben als dat niet het geval zou zijn geweest. Deze controle is geld waard. Het ontslag of de schorsing van X door de ondernemingskamer en het tijdelijk aanstellen van een bestuurder zou dan een inmenging in zijn eigendom zijn.
Ook in de Nederlandse rechtspraak is onderkend dat het voor een aandeelhouder zeer belangrijk kan zijn om tevens bestuurder te zijn. Als de aandeelhouder als bestuurder ontslagen wordt, kan het zijn dat niet meer van hem in redelijkheid gevergd kan worden dat zijn aandeelhouderschap voortduurt en de overige aandeelhouder(s) desgevorderd verplicht zijn om hem uit te kopen op de voet van art. 2:343 BW.6