Hof 's-Hertogenbosch, 09-06-2020, nr. 200.264.909, 01
ECLI:NL:GHSHE:2020:1747
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
09-06-2020
- Zaaknummer
200.264.909_01
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Vermogensrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2020:1747, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 09‑06‑2020; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:1450
ECLI:NL:GHSHE:2020:420, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 11‑02‑2020; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:1450
- Wetingang
art. 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [KEI-Rv]
art. 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [KEI-Rv]
Uitspraak 09‑06‑2020
Inhoudsindicatie
Artikel 2:15 lid 1 aanhef en sub b BW en artikel 2:8 BW. Besluiten die einde maken aan commissariaat en gezamenlijke zeggenschap familielid en 'ultimate beneficial owner' in familieonderneming vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. Nakoming van terugbetalingsverplichtingen inzake rekening-courantschuld en lening. Verjaring van vorderingen bestuurdersaansprakelijkheid; toerekening aan vennootschap van kennis bestuurder en functionaris.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.264.909/01
arrest van 9 juni 2020
gewezen in het (voorwaardelijk) incident ex artikel 118 Rv in de zaak van
[[X ]] Holding B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. P. Haas te Rotterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] , Denemarken,
2. Luckey Establishment,gevestigd te [vestigingsplaats] , Liechtenstein,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. G.H. Gispen te Rotterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 7 juni 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 maart 2019, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen appellante – [[X ]] Holding – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerden – [geïntimeerde 1] en Luckey – als eisers in conventie, verweerders in reconventie.
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/300388/ HA ZA 15-375)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, het tussenvonnis van 18 november 2015 en het vonnis in incident van 16 november 2016.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding in hoger beroep;
- -
de memorie van grieven met producties, verzoek ex artikel 392 Rv en incidentele vordering ex artikel 223 Rv;
- -
de antwoordmemorie in het incident ex artikel 223 Rv;
- -
de memorie van antwoord met producties, tevens houdende vermeerdering van eis en incidentele vordering ex artikel 118 Rv;
- -
het arrest in het incident ex artikel 223 Rv van 11 februari 2020;
- -
de antwoordmemorie in het incident ex artikel 118 Rv.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident ex artikel 118 Rv bepaald.
3. De beoordeling
In het incident
3.1.
[[X ]] Holding is een houdstervennootschap in een groep van ondernemingen ( [[X ]] Groep). De aandelen in [[X ]] Holding worden gehouden door Stichting Administratiekantoor [[X ]] Holding (STAK). De ultimate beneficial owners (uiteindelijk belanghebbenden) van [[X ]] Holding zijn [geïntimeerde 1] en zijn zussen [zus 1] en [zus 2] .
3.2.
Luckey is een vennootschap naar het recht van het Vorstendom Liechtenstein. [geïntimeerde 1] is de begunstigde ten aanzien van het kapitaal en de verdiensten van deze rechtspersoon.
3.3.
Partijen zijn in een geschil verwikkeld over de zeggenschap over/de governance van de [[X ]] Groep.
3.4.
In eerste aanleg hebben [geïntimeerde 1] en Luckey zowel [[X ]] Holding als STAK gedagvaard en onder meer vernietiging van een aantal besluiten van (de algemene vergadering van) [[X ]] Holding en STAK gevorderd. [[X ]] Holding heeft vervolgens een reconventionele vordering ingesteld.
3.5.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank in reconventie de vorderingen van [geïntimeerde 1] en Luckey deels toegewezen en in reconventie de vorderingen van [[X ]] Holding afgewezen.
3.6.
Alleen [[X ]] Holding is in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde 1] en Luckey in conventie en het alsnog toewijzen van haar vorderingen in reconventie.
3.7.
[geïntimeerde 1] en Luckey hebben in hoger beroep bij memorie van antwoord hun eis vermeerderd jegens [[X ]] Holding, en voor zover mogelijk ook jegens STAK.
3.8.
In het onderhavige, voorwaardelijk ingestelde, incident hebben [geïntimeerde 1] en Luckey gevorderd dat het hof gelegenheid geeft om STAK alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv binnen een daartoe door het hof te stellen termijn. [geïntimeerde 1] en Luckey hebben bij memorie van antwoord hun eis gewijzigd. De incidentele vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat het hof, gelet op de volgens [geïntimeerde 1] en Luckey noodzakelijke betrokkenheid van STAK bij de implementatie van de door hen bij eiswijziging gevorderde bevelen tegen [[X ]] Holding, van oordeel is dat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
3.9.
[[X ]] Holding heeft de incidentele vordering gemotiveerd bestreden.
3.10.
Het hof stelt vast dat in de hoofdzaak nog niet is geoordeeld over de toelaatbaarheid van de eiswijziging van [geïntimeerde 1] en Luckey. Een beslissing over de vraag of er door deze eiswijziging sprake is en kan zijn van een processueel ondeelbare rechtsverhouding is derhalve prematuur. Het hof zal de beslissing over deze vraag en over de incidentele vordering aanhouden tot de beslissing in de hoofdzaak.
3.11.
Op dit moment ziet het hof geen aanleiding om ambtshalve de gelegenheid te geven STAK in het hoger beroep te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv. De eiswijziging buiten beschouwing latend, is het hof vooralsnog van oordeel dat er geen sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. Een definitieve beslissing over dit punt wordt evenwel overgelaten aan de kamer die de hoofdzaak zal behandelen, gelet op de verwevenheid met de inhoudelijke behandeling van de zaak.
In de hoofdzaak
3.12.
Hof verwijst de zaak naar de rol van 7 juli 2020 voor beraad partijen, ambtshalve peremptoir. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De beslissing
Het hof:
in het incident:
houdt de beslissing aan tot de beslissing in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 7 juli 2020 voor beraad partijen, ambtshalve peremptoir.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 juni 2020.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 11‑02‑2020
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening (art. 223 Rv) in hoger beroep (verbod overdracht of bezwaren registergoederen) nadat in eerste aanleg de op die registergoederen gelegde conservatoire beslagen zijn opgeheven.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.264.909/01
arrest van 11 februari 2020
gewezen in het incident ex artikel 223 Rv in de zaak van
[de Holding] Holding B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. P. Haas te Rotterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] , Denemarken,
2. [de vennootschap naar het recht van het Vorstendom Lichtenstein] ,gevestigd te [vestigingsplaats] , Liechtenstein,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. G.H. Gispen te Rotterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 7 juni 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 maart 2019, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen appellante – [de Holding] – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerden – [geïntimeerde 1] en [de vennootschap naar het recht van het Vorstendom Lichtenstein] – als eisers in conventie, verweerders in reconventie.
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/300388/ HA ZA 15-375)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, het tussenvonnis van 18 november 2015 en het vonnis in incident van 16 november 2016.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding in hoger beroep;
- -
de memorie van grieven met producties, verzoek ex artikel 392 Rv en incidentele vordering;
- -
de antwoordmemorie in het incident;
- -
de memorie van antwoord (met producties) tevens houdende vermeerdering van eis en een verzoek ex artikel 118 Rv om STAK in het geding op te roepen.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald.
3. De beoordeling
In het incident
3.1.
[de Holding] is een houdstervennootschap in een groep van ondernemingen ( [de Groep] ). De aandelen in [de Holding] worden gehouden door Stichting Administratiekantoor [de Holding] (STAK). De ultimate beneficial owners (uiteindelijk belanghebbenden) van [de Holding] zijn [geïntimeerde 1] en zijn zussen [zus 1 van geintimeerde 1] en [zus 2 van geintimeerde 1] .
3.2.
[de vennootschap naar het recht van het Vorstendom Lichtenstein] is een vennootschap naar het recht van het Vorstendom Liechtenstein. [geïntimeerde 1] is de begunstigde ten aanzien van het kapitaal en de verdiensten van deze rechtspersoon.
3.3.
Partijen zijn in een geschil verwikkeld over de zeggenschap over/de governance van de [de Groep] .
3.4.
In eerste aanleg hebben [geïntimeerde 1] en [de vennootschap naar het recht van het Vorstendom Lichtenstein] onder meer vernietiging van een aantal besluiten van (de algemene vergadering van) [de Holding] en STAK gevorderd.
3.5.
In reconventie heeft [de Holding] hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [de vennootschap naar het recht van het Vorstendom Lichtenstein] gevorderd tot betaling van:
- € 6.753.984,- ter aflossing van een rekening-courant tussen [geïntimeerde 1] en [de Holding];
- USD 4.730.711,- ter aflossing van een lening aan een Deense vennootschapwaarvoor [geïntimeerde 1] als vennoot hoofdelijk aansprakelijk is;
- in totaal USD 3.664.765,- en in totaal € 25.902.688,- ter vergoeding van schade alsgevolg van onbehoorlijke taakvervulling door [geïntimeerde 1] als bestuurder van [de Holding](in de zin van artikel 2:9 BW).
3.6.
[de Holding] heeft conservatoir beslag gelegd ter verzekering van haar reconventionele vorderingen, onder meer op de woning van [geïntimeerde 1] in België ( [de villa] ) en een onverdeeld aandeel van [geïntimeerde 1] in een appartementsrecht in [vestigingsplaats] , Spanje. [geïntimeerde 1] en [de vennootschap naar het recht van het Vorstendom Lichtenstein] hebben in eerste aanleg mede gevorderd [de Holding] te veroordelen alle ten laste van hen gelegde beslagen ter verzekering van de vorderingen in reconventie op te heffen, op verbeurte van een dwangsom.
3.7.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, voor zover in dit incident van belang, de reconventionele vorderingen afgewezen en [de Holding] veroordeeld om alle ten laste van [geïntimeerde 1] en [de vennootschap naar het recht van het Vorstendom Lichtenstein] gelegde beslagen ter verzekering van haar vorderingen in reconventie, waar ook ter wereld gelegd, waaronder de beslagen op [de villa] en het onverdeeld aandeel van [geïntimeerde 1] in het appartementsrecht in [vestigingsplaats] , binnen 48 uur na betekening van het vonnis op te heffen of te doen opheffen, op verbeurte van een dwangsom.
3.8.
In het onderhavige incident vordert [de Holding] een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv, waarbij [geïntimeerde 1] voor de duur van het geding wordt verboden om zijn huizen in België ( [de villa] ) en Spanje ( [vestigingsplaats] ) in eigendom over te dragen en/of op een andere wijze te bezwaren, op straffe van een eenmalige dwangsom van € 5.000.000,-.
Het hof begrijpt uit het bestreden vonnis van 13 maart 2019 en de processtukken van de eerste aanleg dat het hierbij gaat om de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] in België ( [de villa] ) en het onverdeeld aandeel dat [geïntimeerde 1] houdt in een appartementsrecht met nr. [nummer appartementsrecht] , ingeschreven in het eigendomsregister van [vestigingsplaats] , in band [band] , boek [boek] , blad [blad] .
3.9.
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 223 Rv in beginsel iedere voorziening gevorderd kan worden, mits deze samenhangt met de hoofdvordering en zich ervoor leent als voorlopige voorziening gegeven te worden. Het gevorderde verbod voldoet aan deze vereisten. Het betreft een provisionele voorziening die voldoende samenhangt met de hoofdzaak, nu [de Holding] het verbod vordert ter verzekering van haar reconventionele vordering in de hoofdzaak.
3.10.
Bij een beslissing op de vordering tot een voorlopige voorziening dient het belang van de eiser bij toewijzing van de vordering te worden afgewogen tegen het belang van de verweerder om de afloop van de procedure af te wachten. Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken.
3.11.
[de Holding] heeft belang bij de gevorderde voorziening ter verkrijging van verhaalmogelijkheden voor het geval haar reconventionele vordering in de hoofdzaak alsnog wordt toegewezen. Daar tegenover staat het belang van [geïntimeerde 1] om vrijelijk over zijn eigendom te beschikken. Voorts heeft [geïntimeerde 1] aangevoerd dat hij [de villa] te koop heeft gezet, omdat hij daar niet woont en omdat [de villa] kostbaar is om te bezitten en te onderhouden. Hij stelt dat verkoop hem een besparing zal opleveren van € 100.000,- per jaar.
3.12.
Het hof stelt vast dat de gevorderde voorziening verder gaat dan een conservatoir beslag en daarmee een ernstige inbreuk zou vormen op het eigendomsrecht van [geïntimeerde 1] . Voorts heeft [geïntimeerde 1] belang bij verkoop van [de villa] , gelet op de kosten van onderhoud en het feit dat leegstand van de woning niet bevorderlijk is voor de waardeontwikkeling.
Nu bovendien de reconventionele vordering van [de Holding] door een bodemrechter is afgewezen, nadat partijen in de gelegenheid zijn geweest om zowel schriftelijk als mondeling hun standpunten te bepleiten, is niet (en dus ook niet summierlijk) gebleken van de deugdelijkheid van deze vordering. De rechtbank heeft op grond daarvan geoordeeld dat de gelegde conservatoire beslagen moeten worden opgeheven. [de Holding] heeft voorts niet gesteld dat de rechter in eerste aanleg bij zijn beslissing een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag heeft gemaakt. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het belang van [geïntimeerde 1] om vrijelijk over zijn eigendom te beschikken zwaarder weegt dan het belang van [de Holding] om verhaalsmogelijkheden te verkrijgen voor het geval haar reconventionele vordering in de hoofdzaak alsnog wordt toegewezen. Het hof zal de incidentele vordering van [de Holding] derhalve afwijzen.
3.13.
Het hof houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak
3.14.
De zaak staat op de rol van 18 februari 2020 voor antwoordconclusie in het incident ex artikel 118 Rv aan de zijde van [de Holding] . Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De beslissing
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering van [de Holding] af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verstaat dat de zaak op de rol van 18 februari 2020 staat voor antwoordconclusie in het incident ex artikel 118 Rv aan de zijde van [de Holding] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 februari 2020.
griffier rolraadsheer