Zie p. 4 van het bestreden arrest.
HR, 31-03-2026, nr. 23/01093
ECLI:NL:HR:2026:503
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31-03-2026
- Zaaknummer
23/01093
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:503, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑03‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1085
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1319
ECLI:NL:PHR:2025:1319, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:503
- Vindplaatsen
Uitspraak 31‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Medeplegen opzettelijk op Nederlandse markt brengen van niet-toegestane gewasbeschermingsmiddelen door rechtspersoon, meermalen gepleegd (art. 20 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden), valsheid in geschrift begaan door rechtspersoon, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr) en medeplegen valsheid in geschrift begaan door rechtspersoon, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr). 1. Bewijsklachten overtreding art. 20 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Kon hof oordelen dat bij kwekerij inbeslaggenomen bruine papieren zak (met inhoud van 20 kilo) afkomstig is van (mede)verdachte, nu die blijkens factuur 15 kilo van product heeft geleverd? 2. Gebruik van analyseresultaten van monsters voor bewijs in het licht van recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM. Verweer dat resultaten van onderzoek van bewijs moeten worden uitgesloten, omdat verdachte niet mogelijkheid heeft gehad om tegenonderzoek te laten verrichten, en dat gehanteerde meetmethode onvoldoende betrouwbaar is. 3. Bewijsklacht valsheid in geschrift. 4. Bewijsklacht medeplegen valsheid in geschrift. Verweer dat enkele mededeling van medeverdachte dat op zakken de tekst “Bitoxybacillin” stond, bewezenverklaring niet kan dragen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/01096 P en 23/01102 E.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01093 E
Datum 31 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, economische kamer, van 15 maart 2023, nummer 20-001123-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R.B. Milo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, en tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 70.000.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;
- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 67.500 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.
Conclusie 02‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Opdracht geven tot en feitelijk leidinggeven aan medeplegen van overtreding van art. 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, opdracht geven tot en feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (art. 225 Sr) en medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Bewijsklachten en klachten over het oordeel dat de procesvoering ‘eerlijk’ is geweest, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, en tot verwerping van het beroep. Samenhang met 23/01102 en 23/01096.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01093 E
Zitting 2 december 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[A] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 15 maart 2023 (parketnummer 20-001123-16) het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 april 2016 bevestigd, met vervanging van de bewijsmotivering en met uitzondering van de opgelegde straf en de toepasselijke wettelijke voorschriften. De rechtbank had de bewezenverklaringen gekwalificeerd als: feit 1 primair “medeplegen van overtreding van artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, feit 2 “valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” en feit 3 “medeplegen van valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 70.000,-.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 23/01102 en 23/01096. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. De zaak 23/01102 betreft de strafzaak tegen de enige bestuurder van de verdachte,1.die onder 1 en 2 (in die zaak) als opdrachtgever en feitelijke leidinggever is veroordeeld voor dezelfde misdrijven als waarvoor de verdachte onder 1 en 2 is veroordeeld, terwijl de verdachte en haar bestuurder beiden voor het onder 3 bewezen verklaarde, het gezamenlijk en met anderen medeplegen van valsheid in geschrift, is veroordeeld.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.B. Milo, advocaat in Tilburg, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. Deze middelen zijn mutatis mutandis gelijk aan de middelen die hij in de zaak tegen de bestuurder van de verdachte heeft ingediend, terwijl zij zich op gelijke gronden keren tegen mutatis mutandis dezelfde beslissingen en motiveringen van het hof. Om die reden meen ik voor een bespreking van die middelen te kunnen volstaan met een verwijzing naar mijn conclusie in de zaak 23/01102.
Afronding
4. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.
5. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat in zoverre sprake zal zijn van een overschrijding van de redelijke termijn.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, en tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑12‑2025