Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/12.4.3:12.4.3 Conclusie
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/12.4.3
12.4.3 Conclusie
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS484823:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 5, p. 254.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het zwaartepunt van de verdediging van het schrappen van beide vereisten moet worden gezocht in de mogelijkheid om kwalitatieve verplichtingen ex art. 6:252 in het leven te roepen. Zolang op ruime schaal dergelijke verplichtingen in het leven kunnen worden geroepen is het weinig zinvol de mogelijkheid tot vestiging van erfdienstbaarheden te beperken.1
Er blijft een band bestaan tussen heersend en dienend erf, al is die zwak. Om te herhalen: voldoende is dat de eigenaar van het heersend erf de erfdienstbaarheid als een voordeel bij het gebruik van zijn erf beschouwt, bijvoorbeeld omdat zijn persoonlijk genot erdoor wordt verhoogd. Een redelijk belang zijdens de eigenaar van het heersend erf is voldoende. Deze leer neigt naar de opvattingen van Van Oven zoals hiervoor onder 12.3.2 beschreven.