Procestaal: Duits.
HvJ EU, 27-04-2017, nr. C-680/15, nr. C-681/15
ECLI:EU:C:2017:317
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
27-04-2017
- Magistraten
L. Bay Larsen, M. Vilaras, J. Malenovský, M. Safjan, D. Šváby
- Zaaknummer
C-680/15
C-681/15
- Conclusie
Y. Bot
- Roepnaam
Asklepios Kliniken Langen-Seligenstadt/Ivan Felja
Asklepios Dienstleistungsgesellschaft/Vittoria Graf
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2017:317, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 27‑04‑2017
ECLI:EU:C:2017:30, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 19‑01‑2017
Uitspraak 27‑04‑2017
L. Bay Larsen, M. Vilaras, J. Malenovský, M. Safjan, D. Šváby
Partij(en)
In de gevoegde zaken C-680/15 en C-681/15,*
betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesarbeitsgericht (hoogste federale rechter in arbeidszaken, Duitsland) bij beslissingen van 17 juni 2015, ingekomen bij het Hof op 17 december 2015, in de procedures
Asklepios Kliniken Langen-Seligenstadt GmbH
tegen
Ivan Felja (C-680/15)
en
Asklepios Dienstleistungsgesellschaft mbH
tegen
Vittoria Graf (C-681/15),
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, M. Vilaras, J. Malenovský (rapporteur), M. Safjan en D. Šváby, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: K. Malacek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 23 november 2016,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Asklepios Kliniken Langen-Seligenstadt GmbH en Asklepios Dienstleistungsgesellschaft mbH, vertegenwoordigd door A. Dziuba en W. Lipinski, Rechtsanwälte,
- —
Ivan Felja en Vittoria Graf, vertegenwoordigd door R. Buschmann, juridisch adviseur,
- —
Koninkrijk Noorwegen, vertegenwoordigd door C. Anker, C. Rydning en P. Wennerås als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Maxian Rusche en M. Kellerbauer als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 januari 2017,
het navolgende
Arrest
1
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB 2001, L 82, blz. 16) en van artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van geschillen die Ivan Felja en Vittoria Graf (hierna, samen: ‘werknemers’) hadden met Asklepios Kliniken Langen-Seligenstadt GmbH, respectievelijk Asklepios Dienstleistungsgesellschaft mbH (hierna, samen: ‘Asklepios’), over de toepassing van een collectieve arbeidsovereenkomst.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Bij richtlijn 2001/23 is overgegaan tot codificatie van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB 1977, L 61, blz. 26), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/50/EG van de Raad van 29 juni 1998 (PB 1998, L 201, blz. 88) (hierna: ‘richtlijn 77/178’).
4
Artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2001/23 luidt:
‘Deze richtlijn is van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst of een fusie.’
5
Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt:
- ‘1.
De rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking, gaan door deze overgang op de verkrijger over.
[…]
- 3.
Na de overgang handhaaft de verkrijger de in een collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden in dezelfde mate als in deze overeenkomst vastgesteld voor de vervreemder, tot op het tijdstip waarop de collectieve overeenkomst wordt beëindigd of afloopt, of waarop een andere collectieve overeenkomst in werking treedt of wordt toegepast.
De lidstaten kunnen het tijdvak waarin de arbeidsvoorwaarden moeten worden gehandhaafd beperken, mits dit tijdvak niet korter is dan één jaar.
[…]’
Duits recht
6
In Duitsland worden de rechten en verplichtingen bij overgang van een vestiging geregeld door § 613a van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek), waarvan lid 1 luidt:
‘Wanneer een vestiging of een onderdeel daarvan ten gevolge van een rechtshandeling overgaat op een andere eigenaar, treedt deze in de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de ten tijde van de overgang bestaande arbeidsverhoudingen. Voor zover deze rechten en verplichtingen worden beheerst door bepalingen van een collectieve overeenkomst of door een ondernemingsovereenkomst, gaan zij deel uitmaken van de arbeidsverhouding tussen de nieuwe eigenaar en de werknemer en mogen zij niet eerder dan een jaar na de datum van overgang ten nadele van de werknemer worden gewijzigd. De tweede volzin is niet van toepassing wanneer de rechten en verplichtingen bij de nieuwe eigenaar worden beheerst door de bepalingen van een andere collectieve overeenkomst of door een andere ondernemingsovereenkomst. Vóór het verstrijken van de in de tweede volzin genoemde termijn kunnen de rechten en verplichtingen worden gewijzigd wanneer de collectieve overeenkomst of de ondernemingsovereenkomst niet langer van toepassing is, dan wel bij gebreke van wederzijdse gebondenheid aan een andere collectieve overeenkomst waarvan de toepassing tussen de nieuwe eigenaar en de werknemer wordt overeengekomen.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
7
De werknemers werkten in het ziekenhuis van Dreieich-Lange (Duitsland), dat destijds onder de verantwoordelijkheid van een gemeentelijke overheid viel. Felja werkte er als klusjesman/tuinman sinds 1978 en Graf als verpleeghulp sinds 1986. Nadat die gemeentelijke overheid in 1995 het ziekenhuis had overgedragen aan een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (GmbH), is het onderdeel van de vestiging waar de werknemers werkten, in 1997 overgegaan op KLS Facility Management GmbH (hierna: ‘KLS FM’).
8
De arbeidsovereenkomsten tussen de werknemers en KLS FM, die niet was aangesloten bij een werkgeversorganisatie die was betrokken bij onderhandelingen over en de vaststelling van een collectieve arbeidsovereenkomst, bevatten een ‘dynamisch’ verwijzingsbeding, waarin was bepaald dat hun arbeidsverhouding net als vóór de overgang zou worden beheerst door de Bundesmanteltarifvertrag für Arbeiter gemeindlicher Verwaltungen und Betriebe (federale collectieve overeenkomst voor werknemers van gemeentelijke instanties en bedrijven; hierna: ‘BMT-G II’) maar ook, in de toekomst, door de collectieve overeenkomsten waarbij die overeenkomst zou worden aangevuld, gewijzigd of vervangen.
9
Vervolgens is KLS FM onderdeel geworden van een concern in de ziekenhuissector.
10
Op 1 juli 2008 is het deel van de vestiging waar de werknemers werkten, overgegaan op een andere vennootschap binnen dat concern, namelijk Asklepios. Asklepios is, net zoals KLS FM, niet gebonden door de BMT-G II als lid van een werkgeversorganisatie, noch door de op 1 oktober 2005 daarvoor in de plaats gekomen Tarifvertrag für den öffentlichen Dienst (collectieve overeenkomst voor de openbare dienst; hierna: ‘TVöD’) of de Tarifvertrag zur Überleitung der Beschäftigten der kommunalen Arbeitgeber in den TVöD und zur Regelung des Übergangsrechts (collectieve overeenkomst tot regeling van de overgang van werknemers van gemeentelijke overheden naar de TVöD en houdende overgangsbepalingen; hierna: ‘TVÜ-VKA’).
11
De werknemers hebben zich tot de rechter gewend om te doen vaststellen dat de bepalingen van de TVöD en van de ter aanvulling daarop gesloten collectieve overeenkomsten, alsmede die van de TVÜ-VKA, overeenkomstig het beding in hun respectieve arbeidsovereenkomsten dat op dynamische wijze verwijst naar de BMT-G II, op hun arbeidsverhouding van toepassing zijn, in de versie zoals van kracht op het ogenblik van hun verzoek.
12
Asklepios stelt zich op het standpunt dat richtlijn 2001/23 en artikel 16 van het Handvest zich verzetten tegen het in het nationale recht vastgestelde rechtsgevolg van een dergelijke ‘dynamische’ toepassing van collectieve overeenkomsten voor de openbare dienst waarnaar in de arbeidsovereenkomst wordt verwezen. Volgens haar moeten die overeenkomsten na de overgang van de betrokken werknemers naar een andere werkgever op ‘statische’ wijze worden toegepast, in die zin dat enkel de in de arbeidsovereenkomst met de overdragende werkgever overeengekomen arbeidsvoorwaarden die zijn ontleend aan de in deze overeenkomst genoemde collectieve overeenkomsten, de verkrijgende werkgever kunnen binden.
13
De lagere rechters hebben de werknemers in het gelijk gesteld, waarop Asklepios beroep in Revision heeft ingesteld bij de verwijzende rechter.
14
In deze omstandigheden heeft het Bundesarbeitsgericht (hoogste federale rechter in arbeidszaken, Duitsland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
- a)
Verzet artikel 3 van richtlijn [2001/23] zich tegen een nationale regeling op grond waarvan bij overgang van een onderneming of vestiging alle arbeidsvoorwaarden die de vervreemder en de werknemer in contractuele vrijheid en individueel zijn overeengekomen, onveranderd op de verkrijger overgaan alsof hij deze zelf in een individuele overeenkomst met de werknemer was overeengekomen, wanneer het nationale recht zowel in consensuele als in eenzijdige aanpassingsmogelijkheden voor de verkrijger voorziet?
- b)
Indien de eerste vraag[, onder a),] in het algemeen dan wel voor een bepaalde categorie individueel overeengekomen arbeidsvoorwaarden uit de arbeidsovereenkomst tussen de vervreemder en de werknemer bevestigend wordt beantwoord:
Volgt uit de toepassing van artikel 3 van richtlijn [2001/23] dat bepaalde arbeidsvoorwaarden die de vervreemder en de werknemer in contractuele vrijheid zijn overeengekomen, van de onveranderde overgang op de verkrijger moeten worden uitgesloten en louter op grond van de overgang van onderneming of vestiging moeten worden aangepast?
- c)
Wanneer volgens de antwoorden van het Hof op de [eerste vraag, onder a) en b),] een in een individuele overeenkomst opgenomen verwijzing op grond waarvan bepaalde regelingen uit een collectieve overeenkomst op dynamische wijze in contractuele vrijheid in de arbeidsovereenkomst worden geïncorporeerd, niet in onveranderde vorm overgaat op de verkrijger:
- i)
Geldt dit ook wanneer de vervreemder noch de verkrijger partij is bij een collectieve overeenkomst of bij een dergelijke partij is aangesloten, dat wil zeggen wanneer de regelingen uit de collectieve overeenkomst reeds vóór de overgang van de onderneming of vestiging zonder een contractueel incorporatiebeding niet op de arbeidsverhouding met de vervreemder van toepassing zouden zijn geweest?
- ii)
Zo ja:
Geldt dit ook wanneer de vervreemder en de verkrijger tot hetzelfde concern behoren?
- 2)
Verzet artikel 16 van het [Handvest] zich tegen een ter omzetting van richtlijn [77/187] of richtlijn [2001/23] vastgestelde nationale regeling volgens welke bij overgang van een onderneming of vestiging de verkrijger ook aan de door de vervreemder en de werknemer vóór de overgang in contractuele vrijheid en individueel overeengekomen arbeidsvoorwaarden gebonden is alsof hij deze zelf was overeengekomen, wanneer deze voorwaarden bepaalde regelingen uit een collectieve overeenkomst die anders niet op de arbeidsverhouding van toepassing zou zijn, op dynamische wijze in de arbeidsovereenkomst incorporeren, voor zover het nationale recht zowel in consensuele als in eenzijdige aanpassingsmogelijkheden voor de verkrijger voorziet?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
15
Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3 van richtlijn 2001/23, gelezen in samenhang met artikel 16 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat bij de overgang van een vestiging het behoud van de rechten en verplichtingen die voor de vervreemder uit een arbeidsovereenkomst voortvloeien, zich uitstrekt tot een door de vervreemder en de werknemer op basis van de contractvrijheid overeengekomen beding op grond waarvan hun arbeidsverhouding niet alleen wordt beheerst door de op het ogenblik van de overgang geldende collectieve overeenkomst, maar ook door latere overeenkomsten waarbij die overeenkomst wordt aangevuld, gewijzigd of vervangen, wanneer het nationale recht zowel in consensuele als in eenzijdige aanpassingsmogelijkheden voor de verkrijger voorziet.
16
Vooraf dient te worden opgemerkt dat een arbeidsovereenkomst door middel van contractuele bedingen kan verwijzen naar andere rechtsinstrumenten, zoals collectieve arbeidsovereenkomsten. Dergelijke bedingen kunnen zoals ‘statische’ verwijzingsbedingen enkel verwijzen naar de rechten en verplichtingen die zijn vastgesteld in de tekst van de collectieve overeenkomst die van kracht was op het ogenblik van de overgang van de onderneming, dan wel, zoals de ‘dynamische’ verwijzingsbedingen in het hoofdgeding, ook verwijzen naar toekomstige ontwikkelingen van de overeenkomst waardoor die rechten en verplichtingen worden gewijzigd.
17
In dat verband heeft het Hof in het geval van een ‘statisch’ contractueel beding en in de context van richtlijn 77/178 verduidelijkt dat uit de bewoordingen van die richtlijn geenszins volgt dat de Uniewetgever de verkrijger heeft willen binden aan andere collectieve overeenkomsten dan de overeenkomst die van kracht was op het tijdstip van de overgang en hem bijgevolg heeft willen verplichten de arbeidsvoorwaarden naderhand te wijzigen door de toepassing van een nieuwe, na de overgang gesloten collectieve arbeidsovereenkomst (zie in die zin arrest van 9 maart 2006, Werhof, C-499/04, EU:C:2006:168, punt 29).
18
Het doel van richtlijn 77/178 was immers enkel om de op de dag van de overgang bestaande rechten en verplichtingen van de werknemers te handhaven en niet om loutere verwachtingen en derhalve hypothetische voordelen ten gevolge van toekomstige ontwikkelingen van collectieve overeenkomsten te beschermen (zie in die zin arrest van 9 maart 2006, Werhof, C-499/04, EU:C:2006:168, punt 29).
19
Uit de in het vorige punt van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof volgt weliswaar dat artikel 3 van richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat het geen ‘dynamische’ invulling van een ‘statisch’ beding vereist, maar het Hof heeft daarin ook in herinnering gebracht dat een overeenkomst wordt gekenmerkt door het beginsel van de wilsautonomie, volgens hetwelk partijen vrij zijn om wederzijds verbintenissen aan te gaan (arrest van 9 maart 2006, Werhof, C-499/04, EU:C:2006:168, punt 23).
20
Uit de bewoordingen van richtlijn 2001/23, en in het bijzonder van artikel 3 daarvan, blijkt geenszins dat de Uniewetgever van dit beginsel heeft willen afwijken. Bijgevolg kan richtlijn 2001/23, en met name artikel 3 daarvan, niet aldus worden begrepen dat daarbij in elk geval wordt belet dat een ‘dynamisch’ contractueel beding gevolgen heeft.
21
Indien de vervreemder en de werknemers vrij een ‘dynamisch’ beding zijn overeengekomen en dat beding van kracht is op het ogenblik van de overgang, dan moet richtlijn 2001/23, en met name artikel 3 daarvan, derhalve in die zin worden gelezen dat die uit een arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting in beginsel overgaat op de verkrijger.
22
Het Hof heeft evenwel, in het geval van een ‘dynamisch’ contractueel beding, benadrukt dat richtlijn 2001/23 niet louter tot doel heeft om de belangen van de werknemers te beschermen, maar beoogt een billijk evenwicht tussen de belangen van laatstgenoemden en die van de verkrijger te verzekeren. Daaruit volgt met name dat de verkrijger na de overgang de aanpassingen en veranderingen moet kunnen doorvoeren waartoe de voortzetting van zijn activiteiten noopt (zie in die zin arresten van 18 juli 2013, Alemo-Herron e.a., C-426/11, EU:C:2013:521, punt 25, en 11 september 2014, Österreichischer Gewerkschaftsbund, C-328/13, EU:C:2014:2197, punt 29).
23
Meer bepaald volgt uit artikel 3 van richtlijn 2001/23, gelezen in het licht van de vrijheid van ondernemerschap, dat de verkrijger bij de totstandkoming van een overeenkomst waarbij hij partij is, zijn belangen doeltreffend moet kunnen doen gelden en met het oog op zijn toekomstige economische activiteit moet kunnen onderhandelen over de factoren die bepalend zijn voor de evolutie van de arbeidsvoorwaarden van zijn werknemers (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Alemo-Herron e.a., C-426/11, EU:C:2013:521, punt 33).
24
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing, en met name uit de bewoordingen van de prejudiciële vragen, dat de verkrijger op grond van de nationale wettelijke regeling in het hoofdgeding mogelijkheden heeft om de op het ogenblik van de overgang geldende arbeidsvoorwaarden na de overgang consensueel of eenzijdig te wijzigen.
25
De nationale wettelijke regeling in het hoofdgeding voldoet dus aan de vereisten die voortvloeien uit de in punt 23 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
26
Aangezien in die rechtspraak rekening wordt gehouden met artikel 16 van het Handvest, hoeft niet meer te worden onderzocht of de nationale wettelijke regeling in het hoofdgeding verenigbaar is met dat artikel.
27
Asklepios lijkt te betwisten dat de betrokken aanpassingsmogelijkheden bestaan of doeltreffend zijn. In dat verband kan er evenwel mee worden volstaan op te merken dat het niet aan het Hof staat zich daarover uit te spreken.
28
De verwijzende rechter is immers als enige bevoegd om de feiten te beoordelen en de nationale wetgeving uit te leggen (zie in die zin met name arrest van 4 februari 2016, Ince, C-336/14, EU:C:2016:72, punt 88).
29
Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 3 van richtlijn 2001/23, gelezen in samenhang met artikel 16 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat bij de overgang van een vestiging het behoud van de rechten en verplichtingen die voor de vervreemder uit een arbeidsovereenkomst voortvloeien, zich uitstrekt tot een door de vervreemder en de werknemer op basis van de contractvrijheid overeengekomen beding op grond waarvan hun arbeidsverhouding niet alleen wordt beheerst door de op het ogenblik van de overgang geldende collectieve overeenkomst, maar ook door latere overeenkomsten waarbij die overeenkomst wordt aangevuld, gewijzigd of vervangen, wanneer het nationale recht zowel in consensuele als in eenzijdige aanpassingsmogelijkheden voor de verkrijger voorziet.
Kosten
30
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3 van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen, gelezen in samenhang met artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat bij de overgang van een vestiging het behoud van de rechten en verplichtingen die voor de vervreemder uit een arbeidsovereenkomst voortvloeien, zich uitstrekt tot een door de vervreemder en de werknemer op basis van de contractvrijheid overeengekomen beding op grond waarvan hun arbeidsverhouding niet alleen wordt beheerst door de op het ogenblik van de overgang geldende collectieve overeenkomst, maar ook door latere overeenkomsten waarbij die overeenkomst wordt aangevuld, gewijzigd of vervangen, wanneer het nationale recht zowel in consensuele als in eenzijdige aanpassingsmogelijkheden voor de verkrijger voorziet.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑04‑2017
Conclusie 19‑01‑2017
Y. Bot
Partij(en)
Gevoegde zaken C-680/15 en C-681/151.
Asklepios Kliniken Langen-Seligenstadt GmbH (C-680/15),
Asklepios Dienstleistungsgesellschaft mbH (C-681/15)
tegen
Ivan Felja,
Vittoria Graf
[verzoeken van het Bundesarbeitsgericht (hoogste federale rechter in arbeidszaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
1.
De onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen2., en van artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2.
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van geschillen tussen Ivan Felja en Vittoria Graf (hierna: ‘verzoekers’) en Asklepios Kliniken Langen-Seligenstadt GmbH en Asklepios Dienstleistungsgesellschaft mbH (hierna: ‘Asklepios’), over de toepassing van een collectieve overeenkomst.
3.
Ten vervolge op de arresten van 9 maart 2006, Werhof (C-499/04, EU:C:2006:168; hierna: ‘arrest Werhof’), en 18 juli 2013, Alemo-Herron e.a. (C-426/11, EU:C:2013:521; hierna: ‘arrest Alemo-Herron e.a.’), stelt de onderhavige zaak de algemene vraag aan de orde of een verkrijgende werkgever na een overgang van onderneming kan worden verplicht de arbeidsvoorwaarden toe te passen die voortvloeien uit na die overgang vastgestelde collectieve overeenkomsten.
4.
De bijzonderheid van de genoemde arresten en van de onderhavige zaak is dat de collectieve overeenkomsten op de arbeidsverhouding tussen een werkgever en diens werknemers van toepassing zijn als gevolg van een in de arbeidsovereenkomsten opgenomen incorporatiebeding.
5.
Een dergelijk incorporatiebeding kan een statisch of een dynamisch karakter hebben.
6.
Waar in het eerste geval uitsluitend wordt verwezen naar een specifieke van kracht zijnde collectieve overeenkomst, ziet in het tweede geval het incorporatiebeding ook op de toekomstige ontwikkelingen van die overeenkomst.
7.
Een statisch beding verwijst dus uitsluitend naar de op het tijdstip van de overgang geldende versie van een bepaalde collectieve arbeidsovereenkomst.
8.
In het geval van een dynamisch beding komen de partijen bij een arbeidsovereenkomst daarentegen overeen dat bepaalde materiële aspecten van de tussen hen bestaande arbeidsverhouding op dynamische wijze worden geregeld door een extern rechtskader en dus aan verandering onderhevig zijn. De toepasselijke arbeidsvoorwaarden corresponderen dus met die welke worden vastgelegd in de collectieve overeenkomsten die periodiek na onderhandelingen tussen de bevoegde organisaties tot stand komen.
9.
De opneming van incorporatiebedingen in arbeidsovereenkomsten vindt in de context van het Duitse recht haar verklaring in de wens om voor de werknemers bepaalde rechten te waarborgen, ongeacht of zij al dan niet bij een vakbond zijn aangesloten.
10.
Werkgevers die lid zijn van een werkgeversorganisatie die na onderhandelingen een collectieve overeenkomst voor een bepaalde bedrijfstak heeft vastgesteld, kunnen dus via incorporatiebedingen die overeenkomst ook op de niet bij een vakbond aangesloten werknemers toepassen.
11.
Ook werkgevers die geen lid zijn van een werkgeversorganisatie die na onderhandelingen een collectieve overeenkomst heeft vastgesteld, kunnen op die manier die overeenkomst vrijwillig op hun werknemers (zowel vakbondsleden als niet-vakbondsleden) toepassen.
12.
De onderhavige zaak heeft betrekking op die laatste situatie: een vervreemder die niet is aangesloten bij een werkgeversorganisatie die na onderhandelingen een collectieve overeenkomst heeft vastgesteld, heeft ervoor gekozen om in de arbeidsovereenkomsten van zijn werknemers een beding met een verwijzing naar die overeenkomst op te nemen. Dat incorporatiebeding heeft een dynamisch karakter, in zoverre het ook ziet op de toekomstige ontwikkelingen van die collectieve overeenkomst.
13.
Nadat de vestiging van de vervreemder is overgegaan, stelt de verkrijger zich op het standpunt dat hij niet verplicht is de arbeidsvoorwaarden toe te passen die voortvloeien uit de wijzigingen van de collectieve overeenkomst na die overgang.
14.
Het Hof wordt gevraagd voor recht te verklaren of richtlijn 2001/23 zich in dergelijke omstandigheden tegen het dynamische karakter van het incorporatiebeding verzet. Anders gezegd: verzet deze richtlijn zich ertegen dat de verkrijger wordt verplicht de arbeidsvoorwaarden toe te passen die het resultaat zijn van toekomstige ontwikkelingen van de collectieve overeenkomst waarnaar de arbeidsovereenkomsten verwijzen?
15.
In deze conclusie zal ik deze vraag bevestigend beantwoorden.
I — Toepasselijke bepalingen
A — Unierecht
16.
Artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2001/23, waarbij richtlijn 77/187/EEG3. is vervangen en gecodificeerd, bepaalt:
‘Deze richtlijn is van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst of een fusie.’
17.
Artikel 3 van richtlijn 2001/23 bepaalt:
- ‘1.
De rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking, gaan door deze overgang op de verkrijger over.
[…]
- 3.
Na de overgang handhaaft de verkrijger de in een collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden in dezelfde mate als in deze overeenkomst vastgesteld voor de vervreemder, tot op het tijdstip waarop de collectieve overeenkomst wordt beëindigd of afloopt, of waarop een andere collectieve overeenkomst in werking treedt of wordt toegepast.
De lidstaten kunnen het tijdvak waarin de arbeidsvoorwaarden moeten worden gehandhaafd beperken, mits dit tijdvak niet korter is dan één jaar.
[…]’
18.
Artikel 8 van dezelfde richtlijn luidt:
‘Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers of om de toepassing van collectieve overeenkomsten of tussen de sociale partners gesloten akkoorden te bevorderen of mogelijk te maken die gunstiger zijn voor de werknemers.’
B — Duits recht
19.
In Duitsland worden de rechten en verplichtingen bij overgang van een onderneming geregeld door § 613a van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek; hierna: ‘BGB’), waarvan het eerste lid luidt:
‘Wanneer een onderneming of een onderdeel daarvan ten gevolge van een rechtshandeling overgaat op een andere eigenaar, treedt deze in de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de ten tijde van de overgang bestaande arbeidsverhoudingen. Voor zover deze rechten en verplichtingen worden beheerst door bepalingen van een collectieve overeenkomst of door een ondernemingsovereenkomst, gaan zij deel uitmaken van de arbeidsverhouding tussen de nieuwe eigenaar en de werknemer en mogen zij niet eerder dan een jaar na de datum van overgang ten nadele van de werknemer worden gewijzigd. De tweede volzin is niet van toepassing wanneer de rechten en verplichtingen bij de nieuwe eigenaar worden beheerst door de bepalingen van een andere collectieve overeenkomst of door een andere ondernemingsovereenkomst. Vóór het verstrijken van de in de tweede volzin genoemde termijn kunnen de rechten en verplichtingen worden gewijzigd wanneer de collectieve overeenkomst of de ondernemingsovereenkomst niet langer van toepassing is, dan wel bij gebreke van wederzijdse gebondenheid aan een andere collectieve overeenkomst waarvan de toepassing tussen de nieuwe eigenaar en de werknemer wordt overeengekomen.’
II — Hoofdgeding en prejudiciële vragen
20.
Verzoekers zijn sinds het jaar 1978 respectievelijk het jaar 1986 bij het ziekenhuis Dreieich-Langen (Duitsland) tewerkgesteld als medewerker huishoudelijke dienst/tuinman en als afdelingsassistente. Nadat het district Offenbach (Duitsland), een gemeentelijk territoriaal lichaam, het ziekenhuis in 1995 had overgedragen aan een privaatrechtelijk georganiseerde GmbH (vennootschap met beperkte aansprakelijkheid), is het onderdeel waarbij verzoekers zijn tewerkgesteld, in 1997 overgegaan naar de onderneming KLS Facility Management GmbH (hierna: ‘KLS FM’).
21.
KLS FM, die niet bij een werkgeversorganisatie was aangesloten, is bij individuele overeenkomst met verzoekers overeengekomen dat hun arbeidsverhouding net als vóór de overgang zou worden beheerst door de Bundesmanteltarifvertrag für Arbeiter gemeindlicher Verwaltungen und Betriebe (federale collectieve overeenkomst voor werknemers van gemeentelijke instanties en bedrijven; hierna: ‘BMT-G II’) en door de collectieve arbeidsovereenkomsten waarbij die overeenkomst zou worden aangevuld, gewijzigd en vervangen.
22.
Vervolgens is KLF FM onderdeel geworden van het Asklepios-concern, waartoe talrijke in de ziekenhuissector actieve ondernemingen behoren.
23.
Op 1 juli 2008 is het deel van de onderneming waarin verzoekers zijn tewerkgesteld, van KLS FM overgegaan naar een andere tot het concern behorende vennootschap, namelijk Asklepios. Ook deze onderneming was en is niet als lid van een werkgeversorganisatie gebonden aan de BMT-G II, noch aan de op 1 oktober 2005 daarvoor in de plaats gekomen Tarifvertrag für den öffentlichen Dienst (collectieve overeenkomst voor de openbare dienst; hierna: ‘TVöD’) of aan de Tarifvertrag zur Überleitung der Beschäftigten der kommunalen Arbeitgeber in den TVöD und zur Regelung des Übergangsrechts (overgangsregeling; hierna: ‘TVÜ-VKA’).
24.
Verzoekers hebben zich tot de rechter gewend met het verzoek om vast te stellen dat de bepalingen van de TVöD en van de ter aanvulling daarop gesloten collectieve overeenkomsten, alsmede die van de TVÜ-VKA op hun arbeidsverhouding van toepassing zijn in hun respectieve geldende versies, dat wil zeggen op dynamische wijze.
25.
Asklepios heeft zich op het standpunt gesteld dat richtlijn 2001/23 en artikel 16 van het Handvest zich verzetten tegen het in het nationale recht voorziene rechtsgevolg van een dynamische toepassing van de bepalingen van de collectieve overeenkomsten voor de openbare dienst waarnaar in de arbeidsovereenkomst wordt verwezen. Dit betekent in haar ogen dat er na de overgang slechts sprake kan zijn van een statische toepassing van de in de arbeidsovereenkomst overeengekomen arbeidsvoorwaarden die zijn ontleend aan de in deze overeenkomst genoemde collectieve overeenkomsten.
26.
De lagere rechters hebben verzoekers in het gelijk gesteld.
27.
Het Bundesarbeitsgericht (hoogste federale rechter in arbeidszaken, Duitsland), waarbij beroep in Revision is ingesteld, verzoekt het Hof om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘I.
- 1)
Verzet artikel 3 van richtlijn 2001/23 zich tegen een nationale regeling op grond waarvan bij overgang van een onderneming of vestiging alle arbeidsvoorwaarden die de vervreemder en de werknemer in contractuele vrijheid en individueel zijn overeengekomen, onveranderd op de verkrijger overgaan alsof hij deze zelf in een individuele overeenkomst met de werknemer was overeengekomen, wanneer het nationale recht zowel in consensuele als in eenzijdige aanpassingsmogelijkheden voor de verkrijger voorziet?
- 2)
Indien de eerste vraag in het algemeen dan wel voor een bepaalde categorie individueel overeengekomen arbeidsvoorwaarden uit de arbeidsovereenkomst tussen de vervreemder en de werknemer bevestigend wordt beantwoord:
Volgt uit de toepassing van artikel 3 van richtlijn 2001/23 dat bepaalde arbeidsvoorwaarden die de vervreemder en de werknemer in contractuele vrijheid zijn overeengekomen, van de onveranderde overgang op de verkrijger moeten worden uitgesloten en louter op grond van de overgang van onderneming of vestiging moeten worden aangepast?
- 3)
Wanneer volgens de antwoorden van het Hof van Justitie op de eerste en de tweede vraag een in een individuele overeenkomst opgenomen verwijzing op grond waarvan bepaalde regelingen uit een collectieve overeenkomst op dynamische wijze in de arbeidsovereenkomst worden geïncorporeerd, niet in onveranderde vorm overgaat op de verkrijger:
- a)
Geldt dit ook wanneer de vervreemder noch de verkrijger partij is bij een collectieve overeenkomst of bij een dergelijke partij is aangesloten, dat wil zeggen wanneer de regelingen uit de collectieve overeenkomst reeds vóór de overgang van de onderneming of vestiging zonder een contractueel incorporatiebeding niet op de arbeidsverhouding met de vervreemder van toepassing zouden zijn geweest?
- b)
Zo ja:
Geldt dit ook wanneer de vervreemder en de verkrijger tot hetzelfde concern behoren?
- II.
Verzet artikel 16 van het [Handvest] zich tegen een ter omzetting van richtlijn 77/187/EEG of richtlijn 2001/23/EG vastgestelde nationale regeling volgens welke bij overgang van een onderneming of vestiging de verkrijger ook aan de door de vervreemder en de werknemer vóór de overgang in contractuele vrijheid en individueel overeengekomen arbeidsvoorwaarden gebonden is alsof hij deze zelf was overeengekomen, wanneer deze voorwaarden bepaalde regelingen uit een collectieve overeenkomst die anders niet op de arbeidsverhouding van toepassing zouden zijn, op dynamische wijze in de arbeidsovereenkomst incorporeren, voor zover het nationale recht zowel in consensuele als in eenzijdige aanpassingsmogelijkheden voor de verkrijger voorziet?’
III — Mijn analyse
28.
Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, verzoekt de verwijzende rechter het Hof in wezen om voor recht te verklaren of artikel 3 van richtlijn 2001/23, gelezen in het licht van artikel 16 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke bij een overgang van onderneming het behoud van de rechten en verplichtingen die een arbeidsovereenkomst voor de vervreemder meebrengt, zich uitstrekt tot het in een dergelijke overeenkomst opgenomen beding dat een dynamische verwijzing naar de in een collectieve arbeidsovereenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden bevat, wanneer het nationale recht zowel in consensuele als in eenzijdige aanpassingsmogelijkheden voor de verkrijger voorziet. De verwijzende rechter legt de nadruk op het feit dat de vervreemder noch de verkrijger direct of indirect partij is bij de betrokken collectieve overeenkomst, en op het feit dat de vervreemder en de verkrijger tot hetzelfde concern behoren.
A — Inleidende opmerkingen
29.
Om te beginnen lijkt mij een bespreking van de eerdere arresten Werhof en Alemo-Herron e.a. noodzakelijk.
1. Arrest Werhof
30.
Het aan die zaak ten grondslag liggende geding betrof een arbeidsovereenkomst die voor loonsverhogingen verwees naar een collectieve overeenkomst waarover was onderhandeld en die was ondertekend door een werkgeversorganisatie waarbij de vervreemder wel en de verkrijger niet was aangesloten. Het in die zaak aan de orde zijnde incorporatiebeding had een statisch karakter: het verwees naar een specifieke van kracht zijnde collectieve overeenkomst, maar niet naar de opvolgers daarvan.
31.
Nadat het deel van de onderneming waarin Werhof was tewerkgesteld, was overgegaan, werd er een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst gesloten. Aangezien die overeenkomst in een loonsverhoging voorzag, vorderde Werhof veroordeling van zijn werkgever om die loonsverhoging ten aanzien van hem toe te passen.
32.
Werhof stelde zich dus op het standpunt dat wanneer een individuele arbeidsovereenkomst een beding met een verwijzing naar de in een bepaalde bedrijfstak gesloten collectieve overeenkomsten bevat, dit beding noodzakelijkerwijs een ‘dynamisch’ karakter heeft en overeenkomstig artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 — dat correspondeert met artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23 — verwijst naar de collectieve overeenkomsten die na de datum van de overgang worden gesloten.
33.
Het Hof heeft dit standpunt niet aanvaard. Het heeft integendeel voor recht verklaard dat de betrokken bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzet dat wanneer een arbeidsovereenkomst verwijst naar een collectieve overeenkomst die de vervreemder bindt, de verkrijger die geen partij is bij een dergelijke overeenkomst niet gebonden is aan collectieve overeenkomsten die tot stand komen na die welke van kracht was op het moment van de overgang van de onderneming.
34.
Het Hof heeft daarbij de volgende redenering gevolgd.
35.
Om te beginnen heeft het opgemerkt dat een incorporatiebeding als in die zaak aan de orde onder artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 valt. Krachtens deze richtlijn ‘gaan dus de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit een collectieve overeenkomst waarnaar de arbeidsovereenkomst verwijst, van rechtswege over op de nieuwe eigenaar, zelfs wanneer deze […] geen partij is bij een collectieve overeenkomst. De rechten en verplichtingen uit een collectieve overeenkomst blijven de nieuwe eigenaar dus binden na de overgang van de onderneming’4..
36.
Het is derhalve duidelijk dat volgens het Hof de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit een collectieve overeenkomst waarnaar een beding in een arbeidsovereenkomst verwijst, op grond van artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 overgaan op de verkrijger.
37.
Na deze precisering moest het Hof vervolgens nog nagaan of een dergelijk beding, gelet op de bepalingen van richtlijn 77/187, moest worden geacht uitsluitend te verwijzen naar de collectieve overeenkomst die bij de vervreemder van kracht was op het tijdstip van de overgang, dan wel of daaraan een ruimere uitlegging moest worden gegeven, in die zin dat ook naar de toekomstige ontwikkelingen van die overeenkomst werd verwezen.
38.
Het Hof heeft in dit verband een aantal regels geformuleerd, die, zoals wij zullen zien, zonder meer relevant blijken voor de beantwoording van de in het kader van deze zaak door het Bundesarbeitsgericht gestelde vragen.
39.
Het Hof heeft namelijk duidelijk te kennen gegeven dat ‘[v]oor de uitlegging van artikel 3, lid 1, van […] richtlijn [77/187] […] een clausule die verwijst naar een collectieve overeenkomst niet [kan] worden geacht een grotere reikwijdte te hebben dan de overeenkomst waarnaar zij verwijst. Bijgevolg moet rekening worden gehouden met artikel 3, lid 2, van de richtlijn, dat beperkingen aanbrengt op het beginsel dat [die] collectieve overeenkomst waarnaar de arbeidsovereenkomst verwijst toepasselijk is’.5.
40.
Wanneer er sprake is van een contractueel beding dat verwijst naar de in een collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden, vormt volgens het Hof dus weliswaar artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 de grondslag voor de overgang van de rechten en verplichtingen op de verkrijger, maar dit neemt niet weg dat deze bepaling moet worden gelezen in het licht van artikel 3, lid 2, van diezelfde richtlijn, dat correspondeert met artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/23. Ik herinner eraan dat volgens deze laatste bepaling bij een overgang van onderneming de in een collectieve arbeidsovereenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden tijdelijk worden gehandhaafd.
41.
Dit betekent volgens het Hof dat overeenkomstig de tekst van artikel 3, lid 2, van richtlijn 77/187 in de eerste plaats de in een collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden ‘slechts gehandhaafd [blijven] tot het tijdstip waarop deze wordt beëindigd of afloopt of waarop een andere collectieve overeenkomst in werking treedt of wordt toegepast. Uit de bewoordingen van [deze] richtlijn volgt dus geenszins dat de […] wetgever [van de Unie] de verkrijger heeft willen binden aan andere collectieve overeenkomsten dan die welke van kracht was op het tijdstip van de overgang en hem bijgevolg heeft willen verplichten de arbeidsvoorwaarden naderhand te wijzigen door de toepassing van een nieuwe, na de overgang gesloten overeenkomst.’6.
42.
Het Hof wijst erop dat ‘[e]en en ander […] bovendien in overeenstemming [is] met het doel van […] richtlijn [77/187], die enkel ertoe strekt de op de dag van overgang bestaande rechten en verplichtingen van de werknemers te handhaven. Daarentegen beoogt [deze] richtlijn niet de bescherming van loutere verwachtingen en derhalve hypothetische voordelen ten gevolge van toekomstige ontwikkelingen van collectieve overeenkomsten.’7.
43.
In de tweede plaats heeft het Hof gewezen op de in artikel 3, lid 2, van richtlijn 77/187 opgenomen bepaling dat ‘de lidstaten het tijdvak waarin de uit de collectieve overeenkomst voortvloeiende arbeidsvoorwaarden moeten worden gehandhaafd [mogen] beperken, mits dit tijdvak niet korter is dan een jaar’.8.
44.
Het Hof heeft bovendien gepreciseerd dat ‘hoewel overeenkomstig het doel van de richtlijn de belangen van de door de overgang geraakte werknemers moeten worden beschermd, niet voorbij [mag] worden gegaan aan de rechten van de verkrijger, die de aanpassingen en veranderingen moet kunnen doorvoeren waartoe de voortzetting van zijn activiteiten noopt’.9.
45.
Vervolgens heeft het Hof de door Werdorf verlangde dynamische uitlegging van het incorporatiebeding beoordeeld vanuit het oogpunt van de vrijheid van de verkrijger om zich te verenigen.
46.
Volgens het Hof kan met ‘de […] ‘statische’ uitlegging van genoemde clausule worden voorkomen dat de verkrijger van de onderneming, die geen partij is bij de collectieve overeenkomst, gebonden is aan toekomstige ontwikkelingen daarvan. Zijn recht zich niet te verenigen wordt daarmee ten volle gewaarborgd’.10. In deze omstandigheden, aldus het Hof, ‘kan verzoeker niet betogen dat een clausule in een individuele arbeidsovereenkomst die verwijst naar in een bepaalde sector gesloten collectieve overeenkomsten, noodzakelijkerwijze een ‘dynamisch’ karakter heeft en op grond van artikel 3, lid 1, van […] richtlijn [77/187] verwijst naar collectieve overeenkomsten die na de datum van overgang van de onderneming worden gesloten’.11.
47.
Op grond van deze redenering is het Hof tot de in punt 33 van deze conclusie vermelde oplossing gekomen.
48.
Ofschoon het Hof, gelet op de context van de prejudiciële verwijzing, niet zo ver is gegaan dat het voor recht heeft verklaard dat artikel 3 van richtlijn 77/187 zich ertegen verzette dat na de overgang van de onderneming tot stand gekomen collectieve arbeidsovereenkomsten de verkrijger konden binden, heeft het met zijn redenering de kiem gelegd voor deze oplossing, die overigens enige jaren later in het arrest Alemo-Herron e.a. is aanvaard. Wij zullen echter zien dat het Hof een andere redenering volgt om tot die oplossing te komen.
2. Arrest Alemo-Herron e.a.
49.
In deze zaak waren de activiteiten van de dienst ‘vrije tijd’ van een van de regionale raden te Londen overgedragen aan een onderneming uit de particuliere sector, die de werknemers van die dienst had overgenomen. Die onderneming had de betrokken dienst vervolgens op haar beurt overgedragen aan een andere onderneming uit de particuliere sector.
50.
Toen de dienst ‘vrije tijd’ nog tot de publieke sector behoorde, golden voor de bij die dienst werkzame werknemers de arbeidsvoorwaarden die periodiek werden overeengekomen binnen de NJC, een orgaan voor collectieve onderhandeling ten behoeve van de lokale overheid. De gebondenheid aan de binnen de NJC vastgestelde overeenkomsten vloeide niet voort uit de wet, maar uit een in de arbeidsovereenkomst opgenomen incorporatiebeding.
51.
Na de overgang van de onderneming werd binnen de NJC een nieuwe overeenkomst bereikt. De verkrijgende onderneming stelde zich op het standpunt dat die nieuwe overeenkomst, daar zij na de overgang tot stand was gekomen, haar niet bond. Zij weigerde dan ook de werknemers de uit die overeenkomst voortvloeiende salarisverhoging toe te kennen met het argument dat de overeenkomst na de overgang was gesloten.
52.
Het Hof, dat in het kader van het geding tussen de werknemers en de verkrijgende onderneming om een prejudiciële beslissing was verzocht, heeft voor recht verklaard dat artikel 3 van richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen bepalingen van een lidstaat op grond waarvan bij overgang van een onderneming de verkrijger gebonden is aan dynamische bedingen die verwijzen naar collectieve overeenkomsten waarover wordt onderhandeld en die worden vastgesteld na de datum van overgang, wanneer die verkrijger niet de mogelijkheid heeft om deel te nemen aan de onderhandelingen over dergelijke na de overgang gesloten collectieve overeenkomsten.
53.
Het Hof heeft daartoe om te beginnen in herinnering gebracht dat volgens zijn arrest Werhof artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat, wanneer een arbeidsovereenkomst verwijst naar een collectieve overeenkomst die de vervreemder bindt, de verkrijger die geen partij is bij een dergelijke overeenkomst, niet gebonden is aan collectieve overeenkomsten die tot stand komen na die welke van kracht was op het tijdstip van de overgang van de onderneming.
54.
Daar het niet met genoemde bepaling in strijd is wanneer een incorporatiebeding naar nationaal recht uitsluitend een statisch karakter heeft, heeft het Hof vervolgens onderzocht of de lidstaten aan artikel 8 van richtlijn 2001/23 de bevoegdheid konden ontlenen om nationale bepalingen vast te stellen die gunstiger waren voor de werknemers. Zoals wij hebben gezien, doet volgens die bepaling richtlijn 2001/23 ‘geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers of om de toepassing van collectieve overeenkomsten of tussen de sociale partners gesloten akkoorden te bevorderen of mogelijk te maken die gunstiger zijn voor de werknemers’. Dat onderzoek was volgens het Hof gerechtvaardigd omdat dynamische incorporatiebedingen voor de werknemers gunstiger zijn dan statische bedingen.
55.
In het kader van zijn beoordeling van de speelruimte die artikel 8 van richtlijn 2001/23 de lidstaten in de specifieke omstandigheden van het geval liet, heeft het Hof het volgende overwogen.
56.
In de eerste plaats beoogt richtlijn 2001/23 volgens het Hof ‘niet alleen de belangen van de werknemers te beschermen, maar wil [zij] een billijk evenwicht verzekeren tussen hun belangen en die van de verkrijger. Zij preciseert meer bepaald dat de verkrijger de aanpassingen en veranderingen moet kunnen doorvoeren waartoe de voortzetting van zijn activiteiten noopt’.12.
57.
Dit is des te meer noodzakelijk wanneer een onderneming uit de publieke sector overgaat naar de particuliere sector.13. Volgens het Hof kan echter ‘[e]en dynamische clausule die verwijst naar collectieve overeenkomsten waarover wordt onderhandeld en worden vastgesteld na de betrokken overgang van de ondernemingen, en die de evolutie van de arbeidsvoorwaarden in de publieke sector beogen te regelen, […] de manoeuvreerruimte die een particuliere verkrijger nodig heeft om dergelijke aanpassingsmaatregelen te treffen, […] aanmerkelijk beperken.’14. In die situatie, aldus het Hof, ‘kan een dergelijke clausule het evenwicht tussen de belangen van de verkrijger als werkgever en die van de werknemers verstoren’.15.
58.
In de tweede plaats heeft het Hof overwogen dat artikel 3 van richtlijn 2001/23 moet worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 16 van het Handvest, dat de vrijheid van ondernemerschap betreft, die onder meer de contractvrijheid omvat.16.
59.
In het licht van artikel 3 van richtlijn 2001/23 volgt hieruit volgens het Hof ‘dat de verkrijger, overeenkomstig de vrijheid van ondernemerschap, bij de totstandkoming van een overeenkomst waarbij hij partij is, zijn belangen doeltreffend moet kunnen doen gelden en met het oog op zijn toekomstige economische activiteit moet kunnen onderhandelen over de factoren die bepalend zijn voor de evolutie van de arbeidsvoorwaarden van zijn werknemers’.17.
60.
Het Hof heeft echter vastgesteld dat de verkrijger in die zaak onmogelijk bij de onderhandelingen binnen het orgaan voor collectieve onderhandeling kon worden betrokken, zodat hij zijn belangen niet doeltreffend kon doen gelden.18. Het heeft dan ook geoordeeld dat de contractvrijheid van die verkrijger zodanig was beperkt dat zijn vrijheid van ondernemerschap in de kern dreigde te worden aangetast.19.
61.
Aangezien ‘artikel 3 van richtlijn 2001/23, gelezen in samenhang met artikel 8 daarvan, […] niet aldus [kan] worden uitgelegd dat het de lidstaten toestaat maatregelen te nemen die weliswaar gunstiger zijn voor de werknemers, maar de vrijheid van ondernemerschap van de verkrijger in de kern kunnen aantasten’20., is het Hof tot de in punt 52 van deze conclusie vermelde oplossing gekomen.
62.
Uit het arrest Alemo-Herron e.a. blijkt dus dat het de lidstaten weliswaar in beginsel op grond van artikel 8 van richtlijn 2001/23 vrijstaat een dynamisch karakter toe te kennen aan incorporatiebedingen, maar dat zij daarbij de grondrechten, en dan met name de vrijheid van ondernemerschap van de verkrijger, in acht moeten nemen. Die vrijheid nu wordt niet geëerbiedigd wanneer de verkrijger niet de mogelijkheid heeft om deel te nemen aan de onderhandelingen over na de overgang gesloten collectieve overeenkomsten.
B — Mijn beoordeling
63.
Ik meen dat het Hof bij het beantwoorden van de vragen van het Bundesarbeitsgericht zou moeten voortbouwen op de in het arrest Werhof ontwikkelde redenering. Dit geldt te meer daar beide zaken betrekking hebben op de verenigbaarheid van het Duitse recht met de bepalingen van richtlijn 2001/23 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van een onderneming. Met name zou het Hof naar mijn mening de door de onderhavige zaak geboden gelegenheid moeten aangrijpen om de verhouding tussen artikel 3, leden 1 en 3, en artikel 8 van deze richtlijn te verduidelijken.
1. Uitgangspunt: het incorporatiebeding valt onder artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23
64.
Volgens de bewoordingen van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23 gaan ‘[d]e rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking, […] door deze overgang op de verkrijger over’. Zoals het Hof reeds heeft gepreciseerd, spreekt deze bepaling ‘in algemene bewoordingen en zonder enig voorbehoud van [die] rechten en verplichtingen’.21. Uit artikel 3, lid 1, volgt dus dat alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de tussen de vervreemder en de werknemers van de overgedragen onderneming gesloten arbeidsovereenkomsten, op de verkrijger overgaan.
65.
Volgens vaste rechtspraak beoogt richtlijn 2001/23 te verzekeren dat de werknemers bij verandering van ondernemer hun rechten behouden, door het mogelijk te maken dat zij op dezelfde voorwaarden als zij met de vervreemder waren overeengekomen, in dienst van de nieuwe werkgever blijven.22.
66.
Ingevolge artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23 treedt de verkrijger in de rechten en verplichtingen die voor de vervreemder uit de arbeidsverhouding voortvloeien.23.
67.
Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat de bepalingen van richtlijn 2001/23 als dwingend moeten worden beschouwd in die zin dat er niet van mag worden afgeweken in een voor de werknemers ongunstige zin. De arbeidsovereenkomsten en arbeidsverhoudingen die op het tijdstip van de overgang van de onderneming tussen de vervreemder en de werknemers van de over te dragen onderneming bestaan, gaan derhalve door het enkele feit van de overgang van rechtswege over op de vervreemder.24.
68.
Volgens de Noorse regering moet op grond van een letterlijke en teleologische uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23 worden aangenomen dat de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer en de vervreemder — zoals in casu — zijn overeengekomen de arbeidsvoorwaarden na te leven die zijn vastgelegd in een collectieve overeenkomst in haar toepasselijke dynamische versie, overgaan op de verkrijger.
69.
De opvatting volgens welke de werknemers aanspraak blijven houden op toepassing van de arbeidsvoorwaarden die zijn vastgelegd in collectieve overeenkomsten waarover wordt onderhandeld en die worden vastgesteld na de datum van de overgang, berust op de gedachte dat de vervreemder en de werknemers, door in hun arbeidsovereenkomst een beding met een verwijzing naar een collectieve overeenkomst op te nemen, vrijwillig hebben geaccepteerd dat hun arbeidsverhouding door de bepalingen van die overeenkomst wordt beheerst. Er zou dus sprake zijn van een contractueel recht van de werknemer op toepassing van de voorwaarden zoals die periodiek op collectief niveau worden vastgesteld. De bron van de verbintenis zou de individuele arbeidsovereenkomst en niet de collectieve overeenkomst zijn. Deze vaststelling zou neerkomen op een strikte toepassing van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23, ten gunste van de voortzetting van de in de arbeidsovereenkomst vastgelegde rechten en verplichtingen. Aangezien het recht van de werknemer op toepassing van de voorwaarden zoals die periodiek op collectief niveau worden vastgesteld, aan de vervreemder kan worden tegengeworpen, zou het na de overgang ook aan de verkrijger moeten kunnen worden tegengeworpen, omdat de overeenkomst wordt geacht van meet af aan met de verkrijger te zijn gesloten.
70.
Ik ben echter van mening dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23 niet geïsoleerd kan worden gelezen, maar moet worden uitgelegd in samenhang met artikel 3, lid 3, van deze richtlijn.
2. Beperking: in het geval van een incorporatiebeding moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23 worden gelezen in samenhang met artikel 3, lid 3, van deze richtlijn
71.
Ik herinner eraan dat artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/23 luidt als volgt:
‘Na de overgang handhaaft de verkrijger de in een collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden in dezelfde mate als in deze overeenkomst vastgesteld voor de vervreemder, tot op het tijdstip waarop de collectieve overeenkomst wordt beëindigd of afloopt, of waarop een andere collectieve overeenkomst in werking treedt of wordt toegepast.
De lidstaten kunnen het tijdvak waarin de arbeidsvoorwaarden moeten worden gehandhaafd beperken, mits dit tijdvak niet korter is dan één jaar.’
72.
In artikel 3, leden 1 en 3, van richtlijn 2001/23 zijn twee met elkaar samenhangende regels geformuleerd: waar lid 1 de algemene regel bevat dat de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de ten tijde van een overgang in de zin van deze richtlijn bestaande arbeidsovereenkomst, overgaan op de verkrijger, heeft lid 3 betrekking op de mate waarin de verkrijger gebonden blijft aan voorwaarden die zijn overeengekomen in het kader van een collectieve overeenkomst die op het tijdstip van de overgang op de vervreemder van toepassing is.
73.
Wanneer de tussen de vervreemdende werkgever en zijn personeel gesloten arbeidsovereenkomsten een beding bevatten dat verwijst naar de arbeidsvoorwaarden zoals die periodiek na collectieve onderhandelingen worden vastgesteld, wordt de situatie naar mijn mening beheerst door artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 3, van deze richtlijn.
74.
Op grond van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23 gaat een dergelijk incorporatiebeding door de overgang van de onderneming over op de verkrijger.
75.
Aangezien echter wordt verwezen naar arbeidsvoorwaarden die zijn vastgelegd in een collectieve overeenkomst, beperkt artikel 3, lid 3, van deze richtlijn de omvang van de verplichtingen die het incorporatiebeding voor de verkrijger meebrengt. Uit deze bepaling volgt dat uitsluitend de arbeidsvoorwaarden die zijn vastgelegd in de op het tijdstip van de overgang geldende collectieve overeenkomst, door de verkrijger moeten worden gehandhaafd. Ingevolge die bepaling geldt de verplichting tot naleving van die arbeidsvoorwaarden namelijk zolang de op het moment van de overgang geldende collectieve overeenkomt zelf van kracht blijft, dat wil zeggen ‘tot op het tijdstip waarop de collectieve overeenkomst wordt beëindigd of afloopt, of waarop een andere collectieve overeenkomst in werking treedt of wordt toegepast’.
76.
Daarnaast kunnen de lidstaten het tijdvak waarin de arbeidsvoorwaarden moeten worden gehandhaafd, beperken, mits dit tijdvak niet korter is dan één jaar. Ik wijs erop dat het Duitse recht met zoveel woorden in een dergelijke temporele beperking voorziet.
77.
De regeling van artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/23 is een compromisoplossing, bedoeld om de belangen van de verkrijger en die van de werknemers van de overgedragen onderneming met elkaar te verzoenen.
78.
Ik wijs erop dat de Commissie in haar op 29 mei 1974 ingediende richtlijnvoorstel reeds rekening had gehouden met ondernemingsovergangen waarbij de verwerver geen partij is bij de collectieve overeenkomst die de vervreemder bindt, en waarbij deze overeenkomst evenmin verbindend is verklaard.25. Volgens de Commissie ‘zou [het] in een dergelijk geval indruisen tegen het beginsel van de vrijheid van vereniging de verwerver te verplichten zich tegen zijn wil bij een collectieve overeenkomst aan te sluiten. Om echter te voorkomen dat op de werknemers niet verder de in de overeenkomst neergelegde beschermende arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn, heeft men in lid 3 getracht een compromisoplossing tot stand te brengen: alhoewel niet gebonden door de collectieve overeenkomsten, zou de verwerver niettemin verplicht zijn de in deze overeenkomsten vastgestelde voorwaarden na te leven, en wel tot deze overeenkomsten vervallen, indien het gaat om een overeenkomst die voor een bepaalde tijd werd aangegaan, of gedurende één jaar, wanneer het een overeenkomst betreft die voor onbepaalde tijd werd aangegaan’.26.
79.
Artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/23 zorgt daarmee voor een evenwicht tussen concurrerende belangen: waar enerzijds de werknemer recht heeft op toepassing van de specifieke voorwaarden die eerder met de vervreemder zijn overeengekomen, heeft anderzijds de verkrijger een legitiem recht om de omvang van zijn toekomstige verplichtingen te kennen en om dus niet te worden gebonden door nieuwe arbeidsvoorwaarden die worden vastgesteld als resultaat van collectieve onderhandelingen waaraan hij niet wil of niet kan deelnemen.
80.
Artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/23 biedt de lidstaten zelfs de mogelijkheid om in het belang van de verkrijger de duur van de periode gedurende welke deze laatste zal zijn gebonden door de arbeidsvoorwaarden die zijn vastgelegd in de op het tijdstip van de overgang geldende collectieve overeenkomst, te beperken, mits die periode niet minder dan één jaar bedraagt. Ook deze bepaling weerspiegelt het evenwicht dat de wetgever van de Unie heeft willen verzekeren tussen de belangen van de werknemers van een overgedragen onderneming en die van de verkrijger.
81.
Het dynamische incorporatiebeding sorteert volgens mij geen effect meer in de gevallen van artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/23: de afloop, de beëindiging of de vervanging door een andere overeenkomst, alsook, voor zover door de lidstaat bepaald, het verstrijken van ten minste één jaar sinds de overgang van de onderneming. Een dergelijk beding strekt zich dus niet uit tot na de datum van de overgang tot stand gekomen collectieve overeenkomsten, behoudens een andersluidende wilsuiting van de nieuwe werkgever.
82.
Het in het hoofdgeding aan de orde zijnde probleem kan volgens mij niet worden benaderd door middel van een geïsoleerde lezing van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23. Een dergelijke lezing zou ertoe leiden dat op grond van deze bepaling de verkrijger wordt gebonden door alle contractuele bedingen die de vervreemder bonden, ongeacht de aard ervan. Hoewel artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23 inderdaad geen onderscheid maakt naargelang van de inhoud van de contractuele bedingen, heeft de situatie waarin een dergelijk beding verwijst naar de in een collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden, een bijzonder karakter, omdat dan het behoud van de uit een arbeidsovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen tegelijkertijd het behoud van de uit een collectieve overeenkomst voortvloeiende arbeidsvoorwaarden impliceert.
83.
Wegens deze hybride situatie ben ik van mening dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23 niet kan worden uitgelegd zonder rekening te houden met artikel 3, lid 3, van deze richtlijn, waarin het tijdelijke karakter van het behoud van de in een collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden tot uitdrukking wordt gebracht.
84.
Het is in dit verband van weinig belang of de toepassing van de in een collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden op de werknemers rechtstreeks voortvloeit uit de collectieve overeenkomst, wegens de dwingende werking van deze overeenkomst voor de betrokken onderneming of bedrijfstak, dan wel of die toepassing indirect uit de collectieve overeenkomst voortvloeit als gevolg van een in de arbeidsovereenkomst opgenomen incorporatiebeding.
85.
In dit verband moet worden gewezen op het arrest van 11 september 2014, Österreichischer Gewerkschaftsbund (C-328/13, EU:C:2014:2197; hierna: ‘arrest Österreichischer Gewerkschaftsbund’). Daarin heeft het Hof namelijk gepreciseerd dat ‘artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/23 niet [beoogt] een collectieve overeenkomst als zodanig te handhaven, maar wél de ‘arbeidsvoorwaarden’ die daarin zijn vastgelegd’.27. Derhalve ‘verlangt artikel 3, lid 3, van [genoemde] richtlijn dat de bij collectieve overeenkomst vastgestelde arbeidsvoorwaarden worden gehandhaafd, zonder dat de specifieke oorsprong van de toepassing ervan doorslaggevend is’.28. Bijgevolg vallen volgens het Hof ‘bij collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden […] in beginsel onder artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/23, ongeacht de techniek die wordt gebruikt om die arbeidsvoorwaarden van toepassing te maken op de betrokkenen. In dit verband is het voldoende dat dergelijke voorwaarden in een collectieve overeenkomst zijn vastgelegd en de vervreemder en de overgegane werknemers daadwerkelijk binden.’29. Het Hof heeft deze redenering toegepast op de aan hem voorgelegde zaak en geoordeeld dat ‘bij collectieve overeenkomst vastgestelde arbeidsvoorwaarden niet [kunnen] worden geacht buiten de werkingssfeer van die bepaling te vallen op de enkele grond dat zij van toepassing zijn op de betrokkenen ingevolge een regel als die in het hoofdgeding, die voorziet in de handhaving van de rechtsgevolgen van een collectieve overeenkomst’.30.
86.
Dat arrest had weliswaar geen betrekking op een in een arbeidsovereenkomst opgenomen incorporatiebeding, maar moet naar mijn mening naar analogie worden toegepast in het kader van de zaak die ons thans bezighoudt.
87.
Met een incorporatiebeding wordt immers beoogd hetzelfde resultaat te bereiken als wanneer de collectieve overeenkomst rechtstreeks op de betrokken onderneming of bedrijfstak van toepassing was, bijvoorbeeld wegens het lidmaatschap van die onderneming van de werkgeversorganisatie die de collectieve overeenkomst heeft afgesloten, of wegens het feit dat die overeenkomst algemeen verbindend is verklaard, dat wil zeggen door de staat van toepassing is verklaard op alle werkgevers en dus op alle werknemers in een bepaalde bedrijfstak. Het incorporatiebeding dicht daarmee het gat dat ontstaat doordat de werkgever niet wegens de normatieve werking van een collectieve overeenkomst aan die overeenkomst gebonden is.
88.
Werkgevers die lid zijn van een werkgeversorganisatie die na onderhandelingen een collectieve overeenkomst voor een bepaalde bedrijfstak heeft vastgesteld, kunnen dus via een incorporatiebeding die overeenkomst ook op de niet bij een vakbond aangesloten werknemers toepassen.
89.
Ook werkgevers die — zoals in casu — geen lid zijn van een werkgeversorganisatie die na onderhandelingen een collectieve overeenkomst heeft vastgesteld, kunnen op die manier die overeenkomst vrijwillig op hun werknemers (zowel vakbondsleden als niet-vakbondsleden) toepassen.
90.
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 3, van deze richtlijn, ziet naar mijn mening op deze twee soorten situaties. Het doet in mijn ogen dus niet ter zake dat de vervreemder niet is aangesloten bij de werkgeversorganisatie die na onderhandelingen de betrokken collectieve overeenkomst heeft vastgesteld.
91.
Het is juist dat volgens artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/23 de arbeidsvoorwaarden moeten worden gehandhaafd ‘in dezelfde mate als in [de collectieve overeenkomst] vastgesteld voor de vervreemder’. Deze bepaling waarborgt dus dat ondanks de overgang van onderneming de in een collectieve overeenkomst geregelde arbeidsvoorwaarden worden gehandhaafd ‘in overeenstemming met de wil van de partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst’.31. In tegenstelling tot de verwijzende rechter en de Noorse regering ben ik echter niet van mening dat het aldus door het Hof uitgelegde artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/23 slechts van toepassing is wanneer de vervreemder is aangesloten bij de werkgeversorganisatie die na onderhandelingen de betrokken collectieve overeenkomst heeft vastgesteld. Zoals het Hof in punt 25 van het arrest Österreichischer Gewerkschaftsbund heeft verklaard, gaat het erom dat die collectieve overeenkomst de vervreemder daadwerkelijk bindt. De vervreemder kan dus direct of indirect aan de betrokken collectieve overeenkomst zijn gebonden. In beide gevallen heeft hij op de een of andere manier zijn wil kenbaar gemaakt om aan die overeenkomst te worden gebonden.
92.
Als de positie van de vervreemder ten opzichte van de betrokken collectieve overeenkomst bepalend was voor het al dan niet van toepassing zijn van artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/23, zou dit naar mijn mening bovendien betekenen dat werknemers bij een overgang van onderneming verschillend worden behandeld al naargelang de vervreemder wel of niet is aangesloten bij de werkgeversorganisatie die na onderhandelingen die overeenkomst heeft vastgesteld.
93.
Ik voeg hieraan nog toe dat de overwegingen van het Hof in het arrest Werhof ten aanzien van artikel 3, leden 1 en 2, van richtlijn 77/187, in onderlinge samenhang gelezen, algemeen zijn geformuleerd en niet beperkt lijken te zijn tot de situatie waarin de vervreemder is aangesloten bij de werkgeversorganisatie die na onderhandelingen de betrokken collectieve overeenkomst heeft vastgesteld.
94.
Gelet op een en ander ben ik dan ook van mening dat uit artikel 3, leden 1 en 3, van richtlijn 2001/23, in onderlinge samenhang gelezen, volgt dat in een situatie als in het hoofdgeding collectieve overeenkomsten die niet golden op het tijdstip van de overgang, maar waarover is onderhandeld en die zijn vastgesteld na de overgang, de verkrijger niet eindeloos kunnen binden.
95.
Zoals het Hof in punt 29 van het arrest Werhof heeft verklaard, strekt de richtlijn enkel en alleen ertoe ‘de op de dag van overgang bestaande rechten en verplichtingen van de werknemers te handhaven’.32. Richtlijn 2001/23 garandeert de werknemer dus niet dat hij bij de verkrijger dezelfde arbeidsvoorwaarden zal houden als die welke op grond van het dynamische incorporatiebeding voor hem zouden hebben gegolden wanneer hij bij de vervreemder tewerkgesteld was gebleven.
96.
Door in hetzelfde arrest te verklaren dat ‘de richtlijn niet de bescherming van loutere verwachtingen en derhalve hypothetische voordelen ten gevolge van toekomstige ontwikkelingen van collectieve overeenkomsten [beoogt]’33., heeft het Hof bovendien zonder meer oog gehad voor het onzekere en onvoorzienbare karakter van de uit de toekomstige ontwikkeling van collectieve overeenkomsten voortvloeiende arbeidsvoorwaarden, en voor de nadelige gevolgen die de verkrijger daarvan kan ondervinden.
97.
‘Wanneer toekomstige collectieve arbeidsovereenkomsten permanent golden voor een werkgever die niet bij de onderhandeling ervan betrokken is geweest’, aldus advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in zijn conclusie in de zaak Werhof, zouden ‘aan de werkgever die een collectieve arbeidsovereenkomst niet heeft ondertekend, zelfs meer verplichtingen worden opgelegd dan aan degene die ze heeft ondertekend: hij zou in het ongewisse verkeren en zijn blootgesteld aan mogelijk achter zijn rug gesloten overeenkomsten’.34.
98.
Het Hof lijkt te hebben aanvaard dat in een bepaald stadium de belangen van de verkrijger vereisen dat beperkingen worden gesteld aan de bij een overgang van onderneming aan de werknemers geboden bescherming. Het heeft in dit verband met zoveel woorden gerefereerd aan de beperkingen van artikel 3, lid 2, van richtlijn 77/187, dat als gezegd correspondeert met artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/23.
99.
In punt 28 van het arrest Werhof heeft het Hof verklaard dat die bepaling ‘beperkingen aanbrengt op het beginsel dat de collectieve overeenkomst waarnaar de arbeidsovereenkomst verwijst toepasselijk is’. Volgens punt 29 van hetzelfde arrest is een van die beperkingen dat ‘de in deze overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden slechts gehandhaafd [blijven] tot het tijdstip waarop deze wordt beëindigd of afloopt of waarop een andere collectieve overeenkomst in werking treedt of wordt toegepast’.
100.
Het zou onverenigbaar zijn met artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/23 wanneer artikel 3, lid 1, van deze richtlijn tot gevolg had dat de verkrijger werd gebonden aan na de overgang vastgestelde collectieve overeenkomsten waarnaar in een in de arbeidsovereenkomst opgenomen beding wordt verwezen, omdat daarmee de in artikel 3, lid 3, van de richtlijn uitdrukkelijk geformuleerde beperking zou worden miskend.
101.
In een situatie als in het hoofdgeding, waarin de vervreemder noch de verkrijger partij is bij een collectieve overeenkomst, kan een beding met een verwijzing naar die overeenkomst bijgevolg slechts binnen de grenzen van artikel 3, lid 3, van richtlijn 2001/23 aan de verkrijger worden tegengeworpen.
102.
Ik zie geen enkele reden waarom dit anders zou moeten zijn in het geval van een overgang van onderneming in concernverband. Het Hof heeft immers reeds uitgemaakt dat richtlijn 77/187 ook ziet op een overgang tussen twee dochtermaatschappijen van eenzelfde concern.35. In casu is het incorporatiebeding door KLS FM in de arbeidsovereenkomsten opgenomen toen deze vennootschap nog geen onderdeel was van het Asklepios-concern. Gelet op de aangehaalde rechtspraak sluit de omstandigheid dat het dynamische karakter van dat beding is betwist nadat KLS FM tot dat concern was gaan behoren, preciezer gezegd bij de overgang naar Asklepios van het deel van de onderneming waarin verzoekers zijn tewerkgesteld, de toepassing van de bepalingen van richtlijn 2001/23 niet uit.
103.
Tot slot heeft de Noorse regering beklemtoond dat de context van de onderhavige zaak verschilt van die van de zaak die heeft geleid tot het arrest Werhof.
104.
In laatstgenoemde zaak ging het om een statisch geformuleerd incorporatiebeding, dat volgens de werknemer dynamisch moest worden uitgelegd. Zijn conclusie dat volgens richtlijn 77/187 aan het beding niet noodzakelijkerwijs een dynamisch karakter hoefde te worden toegekend, heeft het Hof gebaseerd op een redenering waarbij het gedetailleerd heeft uiteengezet om welke redenen aan artikel 3, lid 1, van die richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, ervan, een uitlegging moest worden gegeven volgens welke dat soort incorporatiebedingen een statisch karakter hebben. Het Hof heeft met andere woorden de redenen genoemd waarom de verkrijger niet kon worden verplicht de loonsverhogingen toe te passen die waren voorzien in na de overgang vastgestelde collectieve overeenkomsten.
105.
De situatie in het hoofdgeding is juist omgekeerd, daar het incorporatiebeding dynamisch is geformuleerd. Naar aanleiding van het verzoek van de werknemers om vast te stellen dat de verkrijger gebonden is aan de wijzigingen die na de datum van overgang zijn aangebracht in de collectieve overeenkomst waarnaar dat beding verwijst, verzoekt de verwijzende rechter het Hof voor recht te verklaren of richtlijn 2001/23 zich tegen het dynamische karakter van het beding verzet.
106.
Dit verschil tussen de omstandigheden van de twee zaken mag echter niet verhullen dat in beide gevallen hetzelfde juridische probleem speelt, namelijk de verenigbaarheid van het dynamische karakter van een incorporatiebeding met het afgeleide recht van de Unie op het gebied van de overgang van ondernemingen.
107.
Ondanks die verschillende context zijn daarom de redenen die het Hof in het arrest Werhof heeft aangevoerd om duidelijk te maken waarom aan een statisch beding, gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187, gelezen in het licht van artikel 3, lid 2, van deze richtlijn, geen dynamische uitlegging kon worden gegeven, dezelfde als die op grond waarvan het Hof naar mijn mening voor recht zou moeten verklaren dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 3, van deze richtlijn, zich ertegen verzet dat bij een overgang van onderneming het dynamische karakter van een incorporatiebeding behouden blijft.
3. Bevoegdheid van de lidstaten om bepalingen vast te stellen die gunstiger zijn voor de werknemers: artikel 8 van richtlijn 2001/23
108.
Ik herinner eraan dat richtlijn 2001/23 volgens artikel 8 ervan ‘geen afbreuk [doet] aan de bevoegdheid van de lidstaten om wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers of om de toepassing van collectieve overeenkomsten of tussen de sociale partners gesloten akkoorden te bevorderen of mogelijk te maken die gunstiger zijn voor de werknemers’.
109.
Zoals het Hof in het arrest Alemo-Herron e.a. heeft opgemerkt, kan de uitlegging volgens welke contractuele bedingen die naar een collectieve overeenkomst verwijzen, een dynamisch karakter hebben, gunstiger blijken voor de werknemers wanneer ervan wordt uitgegaan dat de toekomstige ontwikkelingen van de collectieve overeenkomst verbeteringen voor de rechten van de werknemers zullen inhouden.
110.
In omstandigheden als die van het hoofdgeding kan naar mijn mening echter niet worden aanvaard dat de nationale rechterlijke instanties, door aan de incorporatiebedingen een dynamische werking toe te kennen onder het mom van een gunstiger oplossing voor de werknemers in de zin van artikel 8 van richtlijn 2001/23, de in artikel 3, leden 1 en 3, van richtlijn 2001/23 opgenomen en door § 613a BGB in Duits recht omgezette bepalingen kunnen omzeilen.
111.
De Bondsrepubliek Duitsland heeft immers bij de omzetting van richtlijn 2001/23 duidelijk geopteerd voor tijdelijke handhaving van de in collectieve overeenkomsten vastgelegde arbeidsvoorwaarden, met name door de duur van de periode gedurende welke die arbeidsvoorwaarden moeten worden gehandhaafd, te beperken tot één jaar. In deze omstandigheden geeft artikel 8 van de richtlijn de nationale rechterlijke instanties naar mijn mening niet de mogelijkheid te kiezen voor een oplossing die in strijd zou zijn met die door de Duitse wetgever gemaakte keuze.
112.
Zoals uit het arrest Alemo-Herron e.a. blijkt, moeten de lidstaten bovendien bij de toepassing van artikel 8 van richtlijn 2001/23 de door het Handvest beschermde grondrechten eerbiedigen.
113.
Het is volgens mij echter niet nodig de door de onderhavige zaak aan de orde gestelde problematiek te benaderen vanuit de invalshoek van de door het Handvest beschermde grondrechten, daar deze problematiek reeds aan de hand van artikel 3, leden 1 en 3, van richtlijn 2001/23 alléén kan worden opgelost. Overigens is de door mij voorgestane oplossing, waarmee wordt vermeden dat de verkrijger zonder tijdslimiet wordt opgezadeld met verplichtingen die voortvloeien uit toekomstige collectieve overeenkomsten waarop hij geen invloed kan uitoefenen, met alle onzekerheid die dit voor hem meebrengt, in overeenstemming met de door het Hof in het arrest Alemo-Herron e.a. geformuleerde noodzaak om de vrijheid van ondernemerschap van de verkrijger te waarborgen.
114.
Aangezien volgens mijn analyse de regel dat de in een collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden bij een overgang van onderneming door de verkrijger slechts tijdelijk hoeven te worden gehandhaafd, ook wanneer in een arbeidsovereenkomst naar die collectieve overeenkomst wordt verwezen, voortvloeit uit artikel 3, leden 1 en 3, van richtlijn 2001/23, zoals omgezet door § 613a BGB, hoeft naar mijn mening niet te worden ingegaan op het — door Asklepios betwiste — bestaan van de mogelijkheden waarover de verkrijger naar Duits overeenkomstenrecht zou beschikken om het in de arbeidsovereenkomst opgenomen incorporatiebeding eenzijdig of met instemming van de werknemer te wijzigen.
IV — Conclusie
115.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Bundesarbeitsgericht te beantwoorden als volgt:
‘In een situatie als in het hoofdgeding, waarin de tussen de vervreemder en de werknemers gesloten arbeidsovereenkomst een beding met een verwijzing naar de in een collectieve arbeidsovereenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden bevat, en waarin de vervreemder noch de verkrijger aan de onderhandelingen over die collectieve overeenkomst kan deelnemen, moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 3, van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een dergelijk beding na de overgang van onderneming een dynamisch karakter heeft, dat wil zeggen wordt geacht tevens te verwijzen naar de aanpassingen die in de toekomst in die collectieve overeenkomst zullen worden aangebracht. Uit artikel 3, leden 1 en 3, van richtlijn 2001/23, in onderlinge samenhang gelezen, volgt integendeel dat voor die verwijzing in het in de arbeidsovereenkomst opgenomen beding de temporele beperkingen moeten gelden die volgens artikel 3, lid 3, van deze richtlijn op bij collectieve overeenkomst vastgestelde arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑01‑2017
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2001, L 82, blz. 16.
Richtlijn van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB 1977, L 61, blz. 26).
Punt 27 van het arrest Werhof.
Punt 28 van het arrest Werhof.
Punt 29 van het arrest Werhof.
Punt 29 van het arrest Werhof.
Punt 30 van het arrest Werhof.
Punt 31 van het arrest Werhof.
Punt 35 van het arrest Werhof.
Punt 36 van het arrest Werhof.
Punt 25 van het arrest Alemo-Herron e.a.
Punten 26 en 27 van het arrest Alemo-Herron e.a.
Punt 28 van het arrest Alemo-Herron e.a.
Punt 29 van het arrest Alemo-Herron e.a.
Punten 31 en 32 van het arrest Alemo-Herron e.a.
Punt 33 van het arrest Alemo-Herron e.a.
Punt 34 van het arrest Alemo-Herron e.a.
Punt 35 van het arrest Alemo-Herron e.a.
Punt 36 van het arrest Alemo-Herron e.a.
Zie met name arrest van 7 februari 1985, Abels (135/83, EU:C:1985:55, punt 36).
Zie met name arresten van 27 november 2008, Juuri (C-396/07, EU:C:2008:656, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 6 maart 2014, Amatori e.a. (C-458/12, EU:C:2014:124, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest van 14 september 2000, Collino en Chiappero (C-343/98, EU:C:2000:441, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest Werhof (punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de lidstaten betreffende het behoud van de rechten en voordelen van de werknemers bij fusies van vennootschappen, overdrachten van vestigingen en concentraties van ondernemingen [COM(74) 351 def.].
Zie blz. 6 van het richtlijnvoorstel.
Punt 23 van het arrest Österreichischer Gewerkschaftsbund.
Punt 24 van het arrest Österreichischer Gewerkschaftsbund.
Punt 25 van het arrest Österreichischer Gewerkschaftsbund. Cursivering van mij.
Punt 26 van het arrest Österreichischer Gewerkschaftsbund.
Zie arrest van 27 november 2008, Juuri (C-396/07, EU:C:2008:656, punt 33).
Cursivering van mij.
Punt 29 van het arrest Werhof.
C-499/04, EU:C:2005:686, punt 52.
Zie arrest van 6 maart 2014, Amatori e.a. (C-458/12, EU:C:2014:124, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).