Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/2.2.1.1
2.2.1.1 Het eigendomsvoorbehoud onder het BW (oud)
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90813:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
De fiscus vormt hierop een uitzondering. Zie hierover hoofdstuk 6, paragrafen 6.2.1.2 en 6.3.1.2.
Jansen 1999, p. 9-12.
Frank 1929, p. 2.
Kamerstukken II 1933/34, 431, nr. 3 p. 6. Zie ook Jansen 1999, p. 10-11; Jansen, AA 2014, p. 519.
Kamerstukken II 1933/34, 431, nr. 3. Jansen 1999, p. 10 e.v.; Jansen AA 2014, p. 519. Vgl. Schubert, Zeitschrift der Savigny-Stiftung für Rechtsgeschichte 1985, p. 130-167; Heckelmann 1977, p. 57-58.
Kamerstukken II 1933/34, 431, p. 5. Vgl. Abzahlungsgesetz, RGBl 1894, 450–451.
De Coster 1929, p. 32-34; KamerstukkenII1933/34, 431, nr. 3 p. 6. Vgl. de Tijdelijke Wet Huurkoop Onroerende Zaken. Deze wet schoot te ver door in de bescherming van de huurkoper van een onroerende zaak. De wet vormt een belemmering voor de financiering van bedrijfspanden en voor de ontwikkeling van huurkoopachtige financieringsconstructies en had (potentieel) een negatief effect op de economie. Heyman & Bartels, WPNR 2017/7143, p. 258.
Het eigendomsvoorbehoud is in het Nederlandse recht een veel gebruikte rechtsfiguur die een voorrangspositie voor de kredietverstrekkende leverancier creëert. De leverancier kan zich de eigendom van de geleverde zaken voorbehouden totdat de koopprijs is betaald. Blijft de koper in verzuim met zijn betalingsverplichting, dan kan de leverancier de zaken revindiceren. Daardoor ontstaat geen concursus met andere schuldeisers van de koper, maar feitelijke voorrang.1
Het eigendomsvoorbehoud kwam aan het einde van de negentiende eeuw door middel van het afbetalingscontract uit het Duitse recht in de Nederlandse financieringspraktijk terecht.2 De praktijk hield kort gezegd in dat een leverancier zaken leverde aan de koper waarbij een betaling van de koopprijs in termijnen werd afgesproken. Tot zekerheid van betaling behield de leverancier zich de eigendom van de geleverde zaken voor totdat alle termijnen waren voldaan. De koper kreeg de zaak wel direct onder zich en kon deze ook gebruiken.3
Deze financieringspraktijk ontwikkelde zich buiten de wet om. In 1902 oordeelde de Hoge Raad dat deze praktijk niet in strijd was met de wet. In 1934 kreeg deze praktijk een wettelijke basis met de Wettelijke regeling overeenkomst koop en verkoop op afbetaling.4 Deze regeling diende twee doelen. Ten eerste moesten kopers beschermd worden tegen leveranciers die hun machtspositie misbruikten. Deze leveranciers bedongen voor de koper zeer nadelige clausules, zoals vervalbedingen op grond waarvan de leverancier bij verzuim door de koper zowel de zaak kon revindiceren als de betaalde koopprijstermijnen mocht behouden.
Ten tweede beoogde de regeling de verlening van krediet door leveranciers te faciliteren.5 In de memorie van toelichting werd opgemerkt dat huurkoop, zijnde een koop op afbetaling met een eigendomsvoorbehoud, een nieuwe mogelijkheid van kredietverstrekking is die moet worden gestimuleerd. Door huurkoop kunnen niet-kapitaalkrachtige kopers machines en andere productiemiddelen verwerven en gebruiken in het productieproces.6 Deze kopers kunnen de productie van zaken starten of uitbreiden en hiermee hun omzet vergroten, zonder direct de gehele koopprijs te hoeven voldoen. Ook voor een leverancier heeft huurkoop voordelen. Hij kan namelijk zaken op krediet leveren en hiervoor zekerheid bedingen. Op deze wijze kan hij zaken verkopen aan kopers die de zaken niet direct kunnen betalen, waarbij hij het risico op niet-betaling afdekt met een zekerheidsrecht. Dit leidt tot een verhoging van zijn afzet en een stijging van zijn omzet. Voor beide partijen geldt dus dat zij hun productie en afzet kunnen vergroten. Dit heeft tot gevolg dat er meer arbeidskrachten nodig zijn, waardoor een lagere werkloosheid en hogere consumentenuitgaven ontstaan, hetgeen weer resulteert in een hogere afzet voor de leverancier en de koper, zodat zij de productie weer kunnen vergroten. Deze opwaartse spiraal kan steeds doorgaan en heeft positieve gevolgen voor de gehele economie, zo was de gedachte van de wetgever.7