NJB 2025/2303
Duur redelijke termijn in hoger beroep in verband met voorlopige hechtenis, art. 6 lid 1 EVRM: in de regel geldt als uitgangspunt een redelijke termijn van twee jaren vanaf het instellen van het rechtsmiddel, maar als de verdachte zich in verband met de zaak in voorlopige hechtenis bevindt, moet de behandeling in de regel met een einduitspraak zijn afgerond binnen zestien maanden na het instellen van het rechtsmiddel. In casu is het hof uitgegaan van een termijn van twee jaren omdat de verdachte zich niet in voorlopige hechtenis bevond (op het moment van de einduitspraak). Het hof had echter moeten uitgaan van een termijn van zestien maanden nu de verdachte zich tussen het instellen van het hoger beroep en de uitspraak van het hof gedurende meer dan twee jaren in voorlopige hechtenis bevond.
HR 16-09-2025, ECLI:NL:HR:2025:1307
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16 september 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, T.B. Trotman
- Zaaknummer
23/03866
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1307, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑09‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:674, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑06‑2025
- Wetingang
(art. 6 EVRM)
Essentie
Duur redelijke termijn in hoger beroep in verband met voorlopige hechtenis, art. 6 lid 1 EVRM: in de regel geldt als uitgangspunt een redelijke termijn van twee jaren vanaf het instellen van het rechtsmiddel, maar als de verdachte zich in verband met de zaak in voorlopige hechtenis bevindt, moet de behandeling in de regel met een einduitspraak zijn afgerond binnen zestien maanden na het instellen van het rechtsmiddel. In casu is het hof uitgegaan van een termijn van twee jaren omdat de verdachte zich niet in voorlopige hechtenis bevond (op het moment van de einduitspraak). Het hof ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.