TFO 2023/188.3
Concernfinanciering en bijkomstige financiële handelingen in de btw
Prof. dr. S.B. Cornielje & dr. mr. W.J.C.M. Gelderblom, datum 07-08-2023
- Datum
07-08-2023
- Auteur
Prof. dr. S.B. Cornielje1 & dr. mr. W.J.C.M. Gelderblom2
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS710103:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Concernfinancieringsactiviteit
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Omzetbelasting / Intracommunautaire transactie
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Belastingrecht algemeen / Algemeen
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
Prof. dr. S.B. Cornielje is bijzonder hoogleraar indirecte belastingen aan de Vrije universiteit Amsterdam en werkzaam bij PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs N.V.
Dr. mr. W.J.C.M. Gelderblom is werkzaam bij KPMG Meijburg & Co.
Daarbij wijzen wij erop dat deze korte bespreking in feite te weinig recht doet aan de complexiteit die deze voorvraag al met zich brengt. Zie uitgebreid W.J. Blokland, Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (diss. Amsterdam VU), 2016.
HvJ EG 11 juli 1996, C-306/94 (Régie Dauphinoise), BNB 1997/38; HvJ EG 29 april 2004, C-07/01 (EDM), BNB 2004/285; HR 5 februari 1992, nr. 27 413, BNB 1992/123; HR 23 september 2011, nr. 10/00383, V-N 2011/47.14.
HvJ EG 29 april 2004, C-07/01 (EDM), BNB 2004/285, r.o. 66.
HvJ EG 29 april 2004, C-07/01 (EDM), BNB 2004/285, r.o. 67 en 68.
HR 23 september 2011, nr. 10/00383, V-N 2011/47.14.
HvJ EG 14 november 2000, C-142/99 (Floridienne/Berginvest), FED 2001/179, r.o. 28. Wij wijzen erop dat het HvJ EU in dit arrest vervolgens oordeelt dat: “[…] moet worden vastgesteld, dat een eenvoudige herbelegging door een holdingvennootschap van dividenden die zij van haar dochterondernemingen ontvangt en die zelf buiten de werkingssfeer van de BTW vallen, in de vorm van leningen aan deze dochterondernemingen, op geen enkele manier een belastbare activiteit uitmaakt. De interesten op dergelijke leningen moeten integendeel worden beschouwd als de opbrengsten van de loutere eigendom van het goed, en zijn dus vreemd aan het stelsel van het recht van aftrek.” Dit oordeel lijkt in tegenspraak met de overige besproken rechtspraak.
Wij wijzen erop dat langs de lijnen van het arrest in de zaak Fuchs (HvJ EU 20 juni 2013, C-219/12 (Fuchs), BNB 2013/245 best kan worden beargumenteerd dat een particulier met een spaarrekening als btw-ondernemer kan worden gezien (maar zie ook de nuancering in HvJ EU 14 oktober 2021, C-45/20 (E) en C-46/20 (Z), FED 2022/4, r.o. 48). Vanzelfsprekend zou dit een onwenselijke uitkomst zijn (vanwege het enorme aantal belastingplichtigen die het zou opleveren). Overigens is de discussie goeddeels zonder belang nu rente-inkomsten van btw vrijgesteld zijn en (dus) geen recht geven op aftrek van voorbelasting.
Zie Hof Amsterdam 16 februari 2023, nr. 21/00271-21/00273, V-N 2023/29.25.20.
Artikel 174 lid 1 Btw-richtlijn, geïmplementeerd in artikel 15 lid 6 Wet OB 1968 jo. artikel 11 lid 1 onderdeel c Uitv.besch. OB 1968.
Artikel 173 lid 2 onderdeel c Btw-richtlijn, een kan-bepaling die in Nederland is geïmplementeerd in artikel 15 lid 6 Wet OB 1968 jo. artikel 11 lid 2 Uitv.besch. OB 1968.
Zie ook H.W.M. van Kesteren & S.B. Cornielje, ‘Evenredige aftrek in de BTW: een voorstel voor uitbreiding van de Nederlandse regeling’, WFR 2015/1077.
In sommige jurisprudentie van het HvJ wordt voor bijkomstige financiële handelingen ten onrechte opgemerkt dat deze louter moet worden uitgesloten van de noemer van de breuk (HvJ EG 14 november 2000, C-142/99 (Floridienne/Berginvest), ECLI:EU:C:2000:623, r.o. 32 en HvJ EU 8 juli 2021, C-695/19 (Rádio Popular), ECLI:EU:C:2021:549, r.o. 22). Op basis van de tekst van de Btw-richtlijn gaan wij ervan uit dat het HvJ hier onvolledig is en ten onrechte aanneemt dat financiële handelingen altijd niet-aftrekgerechtigd zijn.
In artikel 14 Uitv. Besch. OB 1968 is alleen de afstoting van investeringsgoederen opgenomen.
HvJ EU 8 juli 2021, C-695/19 (Rádio Popular), ECLI:EU:C:2021:549, r.o. 47.
Naast de Nederlandse taalversie bijvoorbeeld de Franse (‘accessoires’), Italiaanse (‘accessorie’) en Spaanse (‘accesorias’). Het Duitse ‘Hilfsumsätze’ (en het Zweedse en Deense ‘bitransaktioner’) heeft wellicht een enigszins andere connotatie, maar scharen wij hieronder.
De Engelse (‘incidental’), Letse (‘gadījuma rakstura’), Litouwse (‘atsitiktinių’), Maltese (‘inċidentali’) en Sloveense (‘priložnostn’) taalversie.
COM(73)950 DEF, Publikatieblad EG 1973, nr. C80, p. 15 te raadplegen via https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:1973:080:FULL (geraadpleegd op 26 juni 2023).
Wij wijzen erop dat ook voor de vaststelling of een financieringsactiviteit een economische activiteit in de zin van artikel 9 Btw-richtlijn een onderscheid wordt gemaakt tussen de regelmaat (incidenteel of regelmatig) en de duurzaamheid van de inkomsten (langdurige opbrengsten). De HR heeft in dit verband geoordeeld dat één kredietverstrekking reeds tot ondernemerschap kan leiden. Zie HR 5 februari 1992, nr. 27 413, BNB 1992/123. Zie ook HvJ EU 25 februari 2021, C-604/19 (Gmina Wrocław IV), V-N 2021/12.12, r.o. 70.
HvJ EU 9 juli 2020, C-716/18 (CT), ECLI:EU:C:2020:540, r.o. 37.
COM(73)950 DEF, Bulletin van de Europese Gemeenschap 1973, supplement 11, p. 19, in het Engels te raadplegen via http://aei.pitt.edu/5595/1/5595.pdf.
In de recente uitspraak van Hof Amsterdam van 16 februari 2023, nr. 21/00271-21/00273, V-N 2023/29.25.20 gebeurt dit in onze visie te weinig. Zonder onderscheid wordt tot niet-bijkomstigheid geconcludeerd voor externe leningen, interne leningen en bankdeposito’s.
Blokland geeft deze verhoudingen weer in zijn schillenmodel. Het HvJ beschouwt – in interpretatie van de uitingen van de Europese Wetgever – de onderneming als een organisatie die zich richt op een bepaalde kernactiviteit (de ‘gewone activiteiten’) die deze ‘beroepsmatig en systematisch organiseert’. Rond deze wezenlijke kern ‘zwermt’ een aantal handelingen die wellicht niet de kernactiviteit van de organisatie vormen, maar hier toch zo onlosmakelijk mee verbonden zijn dat deze hiervan het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk vormen. Weer daarbuiten bevinden zich handelingen, die nog net wel tot de ondernemerssfeer behoren, maar slechts ‘losjes’ met de kernactiviteit in relatie zijn te brengen. In deze laatste ‘schil’ bevinden zich de bijkomstige financiële handelingen. W.J. Blokland, Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (diss. Amsterdam VU), 2016, paragraaf 3.5.
Zie hiervoor HvJ 22 februari 2001, C-408/98 (Abbey National I), ECLI:EU:C:2001:110 en – binnen de context van bijkomstig handelen – HvJ 6 maart 2008, C-98/07 (Nordania), ECLI:EU:C:2008:144, r.o. 26.
HvJ EU 9 juli 2020, C-716/18 (CT), ECLI:EU:C:2020:540, r.o. 44.
Zie hiervoor HvJ EU 30 maart 2023, C-612/21 (Gmina O.), ECLI:EU:C:2023:279, r.o. 35.
Zie bijvoorbeeld HvJ EU 9 juli 2020, C-716/18 (CT), ECLI:EU:C:2020:540.
Onder andere HvJ EG 29 april 2004, C-77/01 (EDM), ECLI:EU:C:2004:243, r.o. 78; en HvJ 14 december 2016, C-378/15 (Mercedes Benz Italia), ECLI:EU:C:2016:950, r.o. 48.
Zie https://bofip.impots.gouv.fr/bofip/1665-PGP.html/identifiant%3DBOI-TVA-DED-20-10-20-20130610. Ook N.P. Arzini, ‘Een verleng(d)stuk over bijkomstige handelingen’, in: BtwBrief 2017/20 noemt deze norm.
HvJ EG 29 april 2004, C-77/01 (EDM), ECLI:EU:C:2004:243, r.o 78; en HvJ 14 december 2016, C-378/15 (Mercedes Benz Italia), ECLI:EU:C:2016:950, r.o. 47.
Vergelijk bijvoorbeeld HvJ EG 29 april 2004, C-77/01 (EDM), ECLI:EU:C:2004:243, r.o.78 over het slechts jaarlijks verstrekken van leningen.
S.B. Cornielje, Fusies en overnames in de Europese BTW (diss. Tilburg), 2016, p. 225.
W.J. Blokland, Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (diss. Amsterdam VU), 2016, paragraaf 3.5.
Deze variant komt bijvoorbeeld naar voren in zaken als HvJ EG 29 oktober 2009, C-29/08 (AB SKF), BNB 2010/251 en HvJ EU 18 november 2018, C-502/17 (C&D Foods), BNB 2019/10.
Uit de zaak HvJ EU 9 juli 2020, C- 716/18 (CT), r.o. 42 en 43 kan worden opgemaakt dat ook als geen sprake is van een verlengstuk getoetst kan worden aan de gebruikelijkheid (m.a.w. een activiteit kan kennelijk gebruikelijk zijn en toch geen verlengstuk – mogelijk indien duurzaamheid ontbreekt).
Dit leiden wij af uit het arrest Régie Dauphinoise. In dit arrest is het de verwijzende rechter die een bepaalde handeling aanmerkt als ‘een rechtstreeks duurzaam verlengstuk’. Het HvJ neemt deze formulering aangepast over en maakt er het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van. Het concludeert dat een dergelijk verlengstuk nooit een bijkomstig handelen in de zin van artikel 174 lid 2 kan vormen. Nadat het HvJ zich de terminologie heeft toegeëigend, komt het verlengstukcriterium geregeld terug in zijn rechtspraak.
HvJ EG 29 oktober 2009, C-174/08 (NCC), ECLI:EU:C:2009:669, r.o. 33.
HvJ EG 11 juli 1996, C-306/94 (Régie Dauphinoise), ECLI:EU:C:1996:290, r.o. 22.
HvJ EG 29 oktober 2009, C‑29/08 (SKF), ECLI:EU:C:2009:665, r.o. 33; en HvJ EU 28 november 2018, C-502/17 (C&D Foods), ECLI:EU:C:2018:888, r.o. 35.
HvJ EU 14 december 2016, C-378/15 (Mercedes Benz Italia), ECLI:EU:C:2016, r.o. 49; en HvJ EU 14 november 2020, C-142/99 (Floridienne en Berginvest), ECLI:EU:C:2000:623, r.o. 29.
HvJ EG 29 oktober 2009, C-174/08 (NCC), ECLI:EU:C:2009:669, r.o. 33; en HvJ 11 juli 1996, C-306/94 (Régie Dauphinoise), ECLI:EU:C:1996:290, r.o. 22.
HvJ EG 29 oktober 2009, C‑29/08 (SKF), ECLI:EU:C:2009:665, r.o. 33.
HvJ EG 11 juli 1996, C-306/94 (Régie Dauphinoise), ECLI:EU:C:1996:290, r.o. 22.
HvJ EG 29 oktober 2009, C-174/08 (NCC), ECLI:EU:C:2009:669, r.o. 33.
HvJ EG 29 oktober 2009, C‑29/08 (SKF), ECLI:EU:C:2009:665, r.o. 33; en HvJ EU 28 november 2018, C-502/17 (C&D Foods), ECLI:EU:C:2018:888, r.o. 35.
In onze visie zou hierbij slechts beperkt gewicht moeten worden gegeven aan statutaire doelstellingen, omdat hierin concernfinanciering vrijwel standaard als doel wordt opgenomen, zonder dat dit hiermee een gebruikelijke activiteit van een entiteit hoeft te zijn.
Vergelijk HvJ EU 14 november 2020, C-142/99 (Floridienne en Berginvest), ECLI:EU:C:2000:623, r.o. 29.
Vergelijk HvJ EU 9 juli 2020, C-716/18 (CT), ECLI:EU:C:2020:540, r.o. 38 over de cessie van vorderingen.
1. Inleiding
Het is een bekend gegeven dat vrijstellingen in de btw de eenvoud en neutraliteit van het btw-systeem verstoren, omdat dergelijke vrijstellingen gepaard gaan met een beperking van het recht op aftrek van voorbelasting. Als kosten zowel toerekenbaar zijn aan aftrekgerechtigde output als aan btw-vrijgestelde omzet die geen recht op aftrek geeft (gemengde kosten), dient de aftrek zodanig te worden vastgesteld dat deze een zo evenredig mogelijk beeld geeft van het gebruik van de kosten in de organisatie, maar is het ook zaak dat dit recht op aftrek op een robuuste en eenvoudige manier kan worden bepaald.
Artikel 174 lid 2 onderdeel b Btw-richtlijn is bedoeld om verstoringen van het recht op aftrek te voorkomen in gevallen waarin vrijgestelde bijkomstige financiële handelingen kunnen leiden tot een beperking van het aftrekrecht van voor het overige belast presterende ondernemers. Met name bij concernfinanciering (het verstrekken van kapitaal binnen concernverband) komt met grote regelmaat de discussie op of dergelijke activiteiten moeten leiden tot een beperking van de aftrek of dat sprake is van bijkomstige financiële activiteiten in de zin van deze bepaling.
In de uitvoeringspraktijk wordt artikel 174 lid 2 onderdeel b Btw-richtlijn evenwel zeer weinig toegepast en bestaat de nodige onduidelijkheid over de reikwijdte van het concept van de bijkomstige financiële handelingen. In deze bijdrage brengen wij die reikwijdte in kaart. Wij beginnen in paragraaf 2 met een voorbeeldsituatie om de problematiek te concretiseren. Daarna gaan wij in op het begrip ‘economische activiteit’ in de context van (concern-)financieringsactiviteiten. Vervolgens gaan wij in op de toepassingsvoorwaarden van artikel 174 lid 2 onderdeel b Btw-richtlijn. Wij sluiten af met enkele aanbevelingen.
2. Voorbeeldsituatie
Vanwege het abstracte karakter van het onderwerp beginnen wij met een eenvoudig voorbeeld.
Voorbeeld
A BV is onderdeel van een concern in de automotive sector. A BV houdt zich voornamelijk bezig met de verkoop van bedrijfswagens. De verkoop hiervan levert het grote merendeel van de omzet van A BV op. Deze verkopen zijn met btw belast. Daarnaast biedt A BV in voorkomende gevallen de mogelijkheid van uitstel van betaling aan. Dit betekent dat kopers van de bedrijfswagens na de levering nog een jaar mogen wachten met betalen, dit tegen een vergoeding van 7% van de aankoopprijs. Deze mogelijkheid geldt als een kredietverstrekking door A BV aan de betreffende klanten waarvoor de 7% de vergoeding vormt. Deze kredietverstrekking is vrijgesteld van btw. Daarnaast ontvangt A BV rente-inkomsten op overtollig kasgeld dat zij heeft uitgeleend aan twee dochtervennootschappen (buiten fiscale eenheid) en ontvangt zij rente-inkomsten uit een rekening-courant verhouding met een andere groepsvennootschap die A BV zelf financiert via een doorlopend krediet bij een externe bank.
De vraag is in hoeverre A BV recht heeft op aftrek van voorbelasting. Meer specifiek is de vraag in hoeverre de financieringsactiviteiten kunnen worden aangemerkt als bijkomstige financiële activiteiten die buiten beschouwing mogen worden gelaten voor het bepalen van het evenredige aftrekrecht. Hieraan gaat echter een vraag vooraf. Immers, indien activiteiten op zichzelf bezien niet als economische activiteiten in de zin van artikel 9 Btw-richtlijn kunnen worden aangemerkt, kunnen deze hoe dan ook worden genegeerd bij het bepalen van de aftrek? Wij bespreken deze voorvraag kort.3
3. (Concern-)financieringsactiviteiten en de reikwijdte van het begrip ‘economische activiteit’
Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU (“HvJ EU”) en de Hoge Raad dat het verstrekken van kapitaal tegen vergoeding een activiteit is die niet van de werking van het btw-stelsel kan worden uitgesloten.4 Het verstrekken van kapitaal tegen vergoeding valt derhalve als uitgangspunt onder het begrip economische activiteit.
Uit de zaak EDM volgt dat met name sprake is van een economische activiteit indien het verstrekken van kapitaal bedrijfsmatig of met een commercieel oogmerk wordt verricht, onder andere gekenmerkt door het streven naar een maximaal rendement van het geïnvesteerde kapitaal.5 Uit het EDM-arrest volgt dat in concernverhoudingen van commercieel handelen reeds sprake is indien bijvoorbeeld een holdingvennootschap tot haar vermogen behorende fondsen gebruikt om leningen tegen vergoeding te verstrekken aan vennootschappen waarin zij deelnemingen bezit, ongeacht wat de reden is voor die kapitaalverstrekking.6 Ook het door een vennootschap aan de markt onttrekken van kapitaal om dit in deposito te geven aan haar moedermaatschappij is een economische activiteit.7
Uit Floridienne-Berginvest volgt bovendien dat een activiteit die bestaat uit een kapitaalverstrekking tegen vergoeding steeds als commercieel en bedrijfsmatig moet worden gezien, behalve wanneer deze incidenteel is of beperkt is tot het beheer van investeringen als een particuliere investeerder.8
Hieruit is op te maken dat – ten eerste – de drempel om financieringsactiviteiten aan te merken als economische activiteiten in de zin van de btw laag lijkt, en – ten tweede – dat de enige begrenzing lijkt te zijn gelegen in de vergelijking met de particuliere investeerder. Dit houdt in dat de neutraliteit vereist dat gezien het feit dat een particulier met rente-inkomsten uit een spaarrekening als gevolg van die inkomsten moet worden geacht geen btw-ondernemer te worden,9 datzelfde moet gelden voor een belastingplichtige vennootschap die op eenzelfde wijze aan kapitaalverstrekking tegen vergoeding doet. Dit doet vermoeden dat rente-inkomsten op banktegoeden bij een onderneming buiten de reikwijdte van het ondernemershandelen zouden moeten vallen en roept vragen op over de rente-inkomsten die – in ons voorbeeld – A BV ontvangt uit de rekening-courant verhouding. Op basis van de huidige stand van het recht is de scheidslijn evenwel niet geheel scherp te trekken. Bij een btw-plichtige entiteit lijkt bijna automatisch te worden aangenomen dat deze bij de ontvangst van vergoedingen onder niet-particuliere voorwaarden acteert. Uit een recent oordeel van Gerechtshof Amsterdam kan worden opgemaakt dat rente-inkomsten (uit welke bron dan ook) bij een ondernemer al heel snel tot de economische activiteit moeten worden gerekend.10 In die zaak leiden bijvoorbeeld rente op een rekening-courant verhouding en rente op banktegoeden ‘gewoon’ tot van btw vrijgestelde opbrengststromen voor de betreffende ondernemer, en daarmee tot een beperking van de aftrek.
Dit maakt duidelijk dat het belang van artikel 174 lid 2 Btw-richtlijn potentieel groot is.
4. Contouren van de regeling van artikel 174 lid 2 Btw-richtlijn met betrekking tot financiële activiteiten
4.1. Correctie bij bepalen evenredige aftrek
De Btw-richtlijn kent twee ‘hoofdmethodes’ voor het bepalen van het evenredige aftrekrecht bij gemengde kosten. Als hoofdregel wordt het recht op aftrek bepaald als breuk van de aftrekgerechtigde jaaromzet en de totale jaaromzet (omzet-pro-rata).11 Als alternatief kan voor het geheel van de gemengde kosten een sleutel aannemelijk worden gemaakt op grond van het werkelijk gebruik van de kosten (werkelijk gebruik-pro rata).12
De methode van het omzet-pro rata heeft het voordeel van de eenvoud, maar heeft (daardoor) ook een grofmazig karakter.13 Om deze reden kent de Btw-richtlijn een (gedeeltelijk) correctiemechanisme binnen de methode van het omzet-pro rata. Artikel 174 lid 2 Btw-richtlijn bepaalt dat bepaalde omzet moet worden genegeerd voor de omzet-breuk.14 Kort gezegd gaat het om de verkoop van investeringsgoederen die in de organisatie gebruikt zijn, bijkomstige handelingen ter zake van onroerende zaken en bijkomstige financiële handelingen. Nederland heeft deze bepaling van de Btw-richtlijn slechts zeer ten dele geïmplementeerd,15 waarbij de mogelijkheid om bijkomstige financiële handelingen buiten beschouwing te laten in het geheel niet in de Nederlandse wet is opgenomen. Belastingplichtigen kunnen zich echter direct beroepen op de onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige tekst van de richtlijn. De bepaling roept in het licht van het door ons geschetste voorbeeld de vraag op of de met de genoemde financiële handelingen behaalde opbrengsten voor de berekening van het pro-rata-aftrekrecht buiten beschouwing kunnen worden gelaten als gevolg waarvan deze het recht op aftrek niet negatief kunnen beïnvloeden.
Dit betekent niet dat het in de uitvoeringspraktijk eenvoudig is vast te stellen wanneer sprake is van bijkomstige financiële handelingen. Een deel van deze onduidelijkheid komt reeds voort uit de begripsvorming in de Btw-richtlijn zelf.
4.2. Begripsvorming
Op de eerste plaats is het opmerkelijk dat in artikel 174 lid 2 Btw-richtlijn twee uitzonderingen zijn opgenomen van omzet uit financiële activiteiten die niet mag worden opgenomen in het omzet-pro-rata. Onderdeel b van de bepaling bepaalt dat omzet uit bijkomstige financiële handelingen buiten de breuk blijft, onderdeel c dat omzet met betrekking tot de in artikel 135 lid 1 onderdeel b tot en met g (de ‘financiële vrijstellingen’) bedoelde handelingen buiten de breuk blijft, als deze handelingen bijkomstig zijn. Beide lijken dus mogelijkheden om handelingen buiten de pro-rata-breuk te laten als gevolg waarvan deze de evenredige aftrek niet negatief kunnen beïnvloeden.
Het is zonder meer zo dat alle prestaties die zijn opgenomen in artikel 135 lid 1 onderdeel b tot en met g kunnen worden aangeduid als financiële handelingen. Daarmee lijkt onderdeel c van de bepaling overbodig en wellicht alleen voor de rechtszekerheid opgenomen. De doublure zorgt in de uitvoeringspraktijk niet tot problemen. Wij verwijzen in deze bijdrage gemakshalve uitsluitend naar onderdeel b. Het HvJ EU heeft overigens duidelijk gemaakt dat het begrip ‘financiële handelingen’ niet zo ruim mag worden geïnterpreteerd dat het ook handelingen ter zake van verzekeringen zou omvatten.16
Een tweede, meer fundamentele complicatie schuilt erin dat in de verschillende taalversies van de Btw-richtlijn woorden met minimaal twee verschillende connotaties worden gebruikt om aan te duiden welke financiële handelingen voor de uitzondering in aanmerking komen. De meeste taalversies gebruiken een variant van het adjectief ‘accessoir’ of ‘bijkomstig’.17 Sommige taalversies gebruiken echter een variant van ‘incidenteel’ of ‘occasioneel’.18 In onze visie kunnen de betekenissen van deze verschillende woordgroepen niet zonder meer worden samengebracht. Een handeling kan immers naar de aard accessoir zijn, maar toch meer dan incidenteel verricht worden.
Een verklaring voor het gebruik van de woordgroep ‘incidenteel’ wordt wel gezocht in de ontstaansgeschiedenis van de bepaling. In het eerste voorstel voor de bepaling was namelijk een andere definitie van uit te sluiten omzet opgenomen (onderstreping auteurs):
“bijkomstig uitgevoerde handelingen met betrekking tot ... financiële verrichtingen, tenzij deze handelingen behoren tot een bedrijfswerkzaamheid die de belastingplichtige regelmatig uitoefent.”19
Het lijkt erop dat in dit eerdere concept nog was beoogd om regelmatig uitgevoerde bedrijfsactiviteiten categorisch uit te sluiten van de uitzondering. Het is daarom verleidelijk om aan te nemen dat het verwijderen van de laatste zinsnede in de definitieve tekst van de bepaling is voortgekomen uit een gewijzigde intentie van de Europese wetgever en dat de woordgroep ‘incidenteel’ in sommige taalversies slechts een te negeren residu is van die eerdere intentie.
Wij achten dat echter te eenvoudig. In het Unierecht geldt de gelijkwaardigheid van alle taalversies. Bovendien geldt dat het HvJ in de toepassing van de uitzondering een incidenteel karakter van de financiële handelingen wel degelijk van belang acht (zie hierna). Wij menen daarom dat bij de vraag of omzet mag worden uitgesloten van de omzet-pro rata niet alleen de bijkomstigheid van de relevante handeling dient te worden vastgesteld, maar ook het incidentele karakter ervan.
Overigens is het geen sinecure om vast te stellen welke diensten ‘incidenteel’ worden verricht. Zo zijn veel financiële handelingen naar hun aard duurdiensten. Kredietverlening bijvoorbeeld heeft doorgaans slechts betekenis als geld voor een langere tijd wordt uitgeleend. Gezien deze inherente eigenschap van financiële handelingen is het moeilijk denkbaar dat beoogd is duurdiensten categorisch van de bepaling uit te sluiten. In het voorbeeld van de kredietverlening lijkt voor het incidentele karakter eerder bepalend hoe vaak en aan hoeveel afnemers een organisatie geld ter beschikking stelt, dan hoe lang die kredietverlening zich in de tijd uitstrekt.20
Met andere handelingen samenhangend
Op de derde plaats is de invulling van het begrip ‘bijkomstige financiële handelingen’ nog verder gecompliceerd door de koppeling ervan aan een volkomen andere regeling, namelijk de bijzondere regeling voor kleine ondernemers. In artikel 288 Btw-richtlijn is bepaald dat voor het vaststellen van de voor de toepassing van die regeling geldende omzetgrens, financiële handelingen als bedoeld in artikel 135 lid 1 onderdeel b tot en met g Btw-richtlijn niet mogen worden meegenomen voor zover deze ‘met andere handelingen samenhangende handelingen zijn’ (Nederlandse taalversie). In andere taalversies wordt gesproken van: ‘ancillary’ (Engels), ‘Nebenumsätzen’ (Duits) of ‘accessoires’ (Frans).
Gebaseerd op de meerderheid van de taalversies met een identiek adjectief in beide bepalingen heeft het HvJ EU geoordeeld dat de begrippen dezelfde invulling moeten krijgen.21
In hetzelfde arrest van het HvJ EU wordt bovendien opgemerkt dat in het begrip ‘met andere handelingen samenhangend’/‘accessoir’ van artikel 288 Btw-richtlijn ligt besloten dat het gaat om ‘min of meer incidenteel verrichte handelingen’ (r.o. 35) ‘die niet tot de gebruikelijke bedrijfswerkzaamheden van de belastingplichtige behoren’ (r.o. 38), zoals de cessie van vorderingen. Deze opmerkingen van het HvJ sterken ons in de gedachte dat het incidentele karakter van de handelingen ook voor artikel 174 lid 2 Btw-richtlijn een bepalend criterium is, waardoor met name incidenteel verrichte handelingen in aanmerking komen om buiten de berekening van het aftrekrecht te blijven.
5. Toepassingsvoorwaarden
In de bespreking van het begrip bijkomstige financiële handelingen in de vorige paragraaf zijn noodzakelijkerwijs al de nodige contouren uitgetekend van het toetsingskader om vast te stellen of sprake is van bijkomstige financiële handelingen. In deze paragraaf kleuren wij deze contouren verder in op basis van een onderzoek van de relevante jurisprudentie. Startpunt daarbij moet de toelichting bij het Commissievoorstel voor de Zesde Richtlijn zijn. Deze toelichting wordt namelijk in vrijwel alle jurisprudentie over dit onderwerp aangehaald als interpretatief instrument om de reikwijdte van de bepaling te onderzoeken:22
“De in dit lid bedoelde elementen moeten voor de berekening van het verhoudingsgetal buiten beschouwing worden gelaten, opdat deze elementen de werkelijke betekenis van de bedrijfsuitoefening niet verkeerd weerspiegelen, te weten voor zover dergelijke elementen geen uitvloeisel zijn van de bedrijfsuitoefening van de belastingplichtige. Dit is het geval bij de verkoop van investeringsgoederen en van de slechts incidenteel uitgevoerde handelingen met betrekking tot onroerende goederen of de financiering; met andere woorden de handelingen die ten opzichte van de totale omzet van het bedrijf slechts van secundaire of toevallige betekenis zijn. Deze handelingen worden overigens slechts buiten beschouwing gelaten indien zij niet tot de gebruikelijke bedrijfswerkzaamheden van de belastingplichtige behoren.”
Met betrekking tot de categorie bijkomstige financiële handelingen heeft het HvJ EU in het arrest Régie Dauphinoise geoordeeld dat het niet opnemen van bijkomstige financiële handelingen in de noemer van de breuk die wordt gebruikt voor de berekening van het pro rata:
“de eerbiediging beoogt te verzekeren van de doelstelling van volmaakte neutraliteit, die door het gemeenschappelijke btw-stelsel wordt gewaarborgd. De berekening van de aftrek zou worden vervalst indien alle opbrengsten van financiële handelingen van de belastingplichtige die verband houden met een belastbare activiteit, in deze noemer zouden worden opgenomen, zelfs wanneer de verkrijging van die opbrengsten generlei gebruik van goederen of diensten waarvoor btw verschuldigd is of slechts een zeer beperkt gebruik daarvan impliceert.”
In het arrest Nordania Finans (C-98/07, r.o. 24) voegt het HvJ EU daar nog aan toe:
“Met de bepalingen van artikel 19, lid 2, van de Zesde richtlijn [thans: artikel 174 lid 2 Btw-richtlijn, auteurs] heeft de gemeenschapswetgever de omzet uit de verkoop van goederen van de berekening van het pro rata dus willen uitsluiten wanneer deze verkoop ongebruikelijk is vergeleken met de gewone activiteit van de betrokken belastingplichtige en het gebruik van goederen of diensten met een gemengde bestemming bij deze verkoop dus niet evenredig hoeft te zijn aan de erdoor [ge]genereerde omzet.”
In EDM (C-77/01, r.o. 78) komt dan nog de vraag naar voren of de omvang van de omzet die wordt behaald met de financiële handelingen van invloed is op de vraag of sprake is van bijkomstige financiële handelingen. Dit is het geval, zo oordeelt het HvJ EU, maar het is niet doorslaggevend:
“Ofschoon de omvang van de opbrengsten uit financiële handelingen die binnen de werkingssfeer van de Zesde richtlijn vallen erop kan wijzen dat deze handelingen niet mogen worden aangemerkt als bijkomstig in de zin van genoemd artikel, kan de omstandigheid dat meer inkomsten uit dergelijke handelingen worden gehaald dan uit de activiteit die de betrokken onderneming als hoofdactiviteit aanmerkt, die handelingen als zodanig niet uitsluiten van de kwalificatie als „bijkomstige handelingen”.”
Sinds Régie Dauphinoise is overigens ook duidelijk dat indien een handeling het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk vormt van de belastbare activiteit, van bijkomstigheid in de zin van artikel 174 lid 2 onderdeel b Btw-richtlijn geen sprake meer kan zijn.
Vatten we het vorenstaande samen, dan kan een activiteit worden aangemerkt als een bijkomstige financiële handeling indien deze:
ongebruikelijk is vergeleken met de gebruikelijk activiteit (waarvoor de beperkte omvang een aanwijzing kan zijn); en
slechts een beperkt gebruik impliceert van de gemengd gebruikte goederen en diensten; en
geen rechtstreeks duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van de belastbare activiteit vormt.
Deze voorwaarden werken wij hierna uit. Voordat wij dit doen, zij opgemerkt dat in onze visie de fiscale neutraliteit vereist dat deze voorwaarden voor iedere afzonderlijke activiteit worden toegepast. Met andere woorden, als in ons voorbeeld de mogelijkheid van uitstel tot betalen niet kan worden aangemerkt als bijkomstige financiële handeling, zou dit nog steeds mogelijk zijn voor de overige kredietverstrekkingen van A BV, die duidelijk een ander economisch doel dienen.23
5.1 Ongebruikelijk in het licht van de gebruikelijke (kern)activiteit van de ondernemer
Het is minder eenvoudig dan het op het eerste gezicht wellicht lijkt om vast te stellen wat de gebruikelijke of kernactiviteit van een ondernemer is.24 Om maar een open deur in te trappen: als een organisatie maar één type handelingen verricht en hiervoor ondernemer voor de btw is, zal deze handeling per definitie de kernactiviteit zijn. Er zal dus op zijn minst een handeling van de organisatie moeten bestaan die als kernactiviteit is aan te merken om een andere handeling hier bijkomstig aan te laten zijn. Een organisatie die alleen financieringshandelingen verricht zal aldus niet snel bijkomstige financiële handelingen verrichten.
Echter, zelfs als sprake is van twee handelingen, valt niet uit te sluiten dat beide handelingen kernactiviteiten van de organisatie vormen. Eén ondernemer kan namelijk verschillende afgebakende economische activiteiten verrichten.25 Bij het bestaan van meerdere handelingen als ondernemer zal daarom op basis van kwalitatieve criteria moeten worden vastgesteld welke de kernactiviteit van deze onderneming is. Aan deze criteria is aandacht besteed in een aantal arresten van het HvJ.
Het eerste kwalitatieve criterium is conceptueel van aard en daarmee in de praktijk minder bruikbaar, maar vertegenwoordigt wel het wezen van de aan te leggen toets. Op grond van de aard van de verrichte handeling, de wezenskenmerken ervan en de wijze waarop de handeling wordt gefinancierd, dient te worden nagegaan of deze handeling tot de gebruikelijke activiteiten van de organisatie behoort.26 Wij leggen dit zo uit dat het HvJ aanneemt dat iedere organisatie zich doorgaans naar buiten toe zal presenteren als een bepaald type onderneming en dat ieder type onderneming ‘typerende gedragingen’ aan de dag legt.27 Het is vervolgens zaak om een specifieke handeling langs de meetlat van deze typische gedragen te leggen.28 In veel gevallen – zeker waar het gaat om een abstracte transactie als de terbeschikkingstelling van kapitaal – zal het echter ingewikkeld zijn om te bepalen of een handeling dusdanig typerend is voor een onderneming dat deze tot de kernactiviteit behoort. In het licht van ons voorbeeld komt bijvoorbeeld de vraag op of het verlenen van krediet door het toestaan van latere betaling behoort tot de gebruikelijke activiteit van een handelaar in bedrijfswagens. Hoe kan daar een objectief oordeel over worden geveld?
5.2 Beperkt gebruik gemengd gebruikte goederen en diensten
Om deze reden heeft het HvJ EU ook een meer praktische toets geformuleerd om de bijkomstigheid te beoordelen. Het doorslaggevende criterium daarin komt rechtstreeks voort uit de doelstelling van de bepaling. Deze doelstelling is om de aftrek meer in verhouding te krijgen met het gebruik van gemengde kosten. Dit betekent dat bijkomstigheid impliceert dat voor deze handelingen nauwelijks gebruik wordt gemaakt van de (btw-belaste) gemengde kosten. Het HvJ EU neemt vervolgens (terecht) aan dat een typische onderneming de gemengde kosten met name inzet voor zijn kernactiviteit. Hieruit volgt het doorslaggevende criterium dat als een bepaalde handeling slechts zeer beperkt gebruik impliceert van goederen en diensten waarop btw drukt, deze handeling niet als kernactiviteit kan worden aangemerkt.29 Het HvJ EU geeft geen invulling aan de maatstaf van ‘zeer beperkt gebruik’, maar bijvoorbeeld Frankrijk heeft hieraan een (begrijpelijke) norm van maximaal 10% gebruik gekoppeld.30
Uit deze intellectuele en praktische toets – die in onze visie gecombineerd dienen te worden toegepast – moet blijken of een handeling tot de gebruikelijke activiteit van een onderneming behoort. Andere aanwijzingen vormen slechts hulpcriteria en zijn op zichzelf niet doorslaggevend. Zo merkt het HvJ EU op dat het een aanwijzing vormt voor een kernactiviteit als uit een handeling het merendeel van de omzet van een onderneming voortkomt, maar dat een dergelijke aanwijzing niet doorslaggevend is. Het HvJ EU kan zich immers de situatie voorstellen dat de (echte) kernactiviteit een opstartfase kent en daarom nog niet de omzet genereert die op lange termijn uit deze activiteit verwacht mag worden.31
Een ander hulpcriterium betreft het incidentele karakter van de handeling. Als een onderneming niet met regelmaat een handeling verricht, maar dit slechts incidenteel doet, is dit een belangrijke (maar niet doorslaggevende) aanwijzing dat geen sprake is van een kernactiviteit.32 In de omgekeerde situatie, als een handeling meer dan incidenteel wordt uitgevoerd, kan in onze visie echter in geen geval sprake zijn van een bijkomstige handeling, omdat dan naar de aard sprake is van een kernactiviteit. Wij menen dat een handeling in ieder geval niet incidenteel is, als de organisatie hiervoor iedere dag activiteiten verricht; als een handeling bijvoorbeeld slechts enkele keren per maand wordt verricht, kan deze in onze visie als incidenteel worden gekenschetst.
5.3 Geen rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van de belastbare activiteit
Een van de auteurs van dit artikel heeft het verlengstukcriterium eerder aangemerkt als een vaag medicijn voor onduidelijke klachten dat onnauwkeurig wordt toegediend.33 Het is niet eenvoudig om scherp te krijgen wanneer aan dit criterium is voldaan. Voor de doeleinden van dit artikel bespreken wij het verlengstuk uitsluitend in zijn (onzes inziens oorspronkelijke) functie van het bepalen van in welke ‘schil’ van de ondernemerssfeer34 een activiteit plaatsvindt. Mogelijk andere functies van het verlengstuk, zoals handelingen als economisch in plaats van niet-economisch aanmerken, laten wij buiten beschouwing.35
De gedachte zou kunnen opkomen dat het verlengstukcriterium in zekere zin een communicerend vat vormt met het ongebruikelijkheidscriterium (d.w.z. dat de eerste en derde voorwaarde ten dele overlappen). Indien een activiteit voldoende ongebruikelijk is dan lijkt het niet snel een verlengstuk te kunnen zijn, maar als de activiteit onvoldoende ongebruikelijk (dus: gebruikelijk) is dan lijkt het al snel ook een verlengstuk. Zo eenvoudig is het evenwel niet.36 Ongebruikelijke activiteiten, die bovendien weinig gebruik impliceren van de gemengd gebruikte goederen en diensten, blijken wel degelijk aan het verlengstukcriterium te kunnen voldoen.
In het arrest Régie Dauphinoise geldt bijvoorbeeld dat sprake is van een verlengstuk in de situatie dat een vastgoedbeheerder voorschotten die zij van eigenaren van dat vastgoed ontvangt belegt en daar interest over ontvangt. Met name lijkt daarbij van belang dat de voorschotten van de eigenaren komen en er als zodanig een verband bestaat tussen de vastgoedbeheeractiviteit en de beleggingsactiviteit.
In de zaak NCC Construction Denmark (C-174/08, r.o. 33) oordeelt het HvJ EU dat de incidentele verkoop door een bouwonderneming van door haar voor eigen rekening gebouwd onroerend goed niet kan worden gekwalificeerd als een bijkomstige handeling ter zake van onroerend goed wanneer deze activiteit het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk vormt van haar belastbare activiteit. In dit verband oordeelt het HvJ EU dat de verkoop in het geval van NCC een verlengstuk is omdat deze:
“[…] noodzakelijkerwijs [volgt] uit een bewust streven door de onderneming om in het kader van haar beroepsactiviteit een activiteit inzake de verhandeling van onroerend goed dat zij voor eigen rekening heeft gebouwd, te ontplooien. Deze activiteit draagt bij tot de doelstelling van de onderneming en wordt met een commercieel oogmerk verricht.”
Het lijkt erop dat een voldoende verband tussen de financiële handeling en de ‘gebruikelijke’ belastbare activiteit al snel leidt tot de conclusie dat sprake is van een verlengstuk en dat de weg naar bijkomstigheid daarmee wordt afgesloten. Daarmee blijft evenwel onduidelijk wat nu precies de inhoud van het verlengstukcriterium is. Het HvJ EU is weinig behulpzaam in het geven van inzicht in wat moet worden verstaan onder de trits adjectieven (rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk) die het criterium vormen.
Toch zijn wij van mening dat aan al die adjectieven inhoud moet worden gegeven.37 Uit de jurisprudentie zijn in dit verband wel relevante aanwijzingen te extraheren. Deze hebben wij enigszins impressionistisch verdeeld over de drie kwalificaties.
Rechtstreeks
De handeling vloeit voort uit de kernactiviteit (een bouwonderneming verkoopt een zelf gebouwd pand).38
De handeling wordt gefinancierd uit de kernactiviteit.39
De opbrengsten van de handeling worden terug geloodst naar de kernactiviteit.40
Er is anderszins een duidelijk en dwingend verband tussen de handeling en de kernactiviteit.41
Duurzaam
Er is sprake van vooraf en met regelmaat geplande of continu uitgevoerde handelingen.42
Of een handeling is incidenteel, maar wel gericht op het verkrijgen van duurzame opbrengsten voor de kernactiviteit.43
Noodzakelijk
Zonder de handeling kan de kernactiviteit niet rendabel worden uitgevoerd.44
De handeling wordt met een commercieel oogmerk verricht en draagt bij tot de doelstelling van de onderneming.45
De handeling is een economisch rationele keuze voor het voortbestaan van de onderneming.46
Naar ons idee zou vaker langs deze lijnen het verlengstukcriterium ‘afgepeld’ moeten worden om te bepalen of daadwerkelijk sprake is van een verlengstuk van de normale bedrijfsactiviteit.
6. Aanbevelingen
Het op zichzelf eenvoudige voorbeeld dat wij in deze bijdrage als leidraad hebben genomen toont aan hoe abstruus het onderwerp geworden is. Aannemelijk is dat het verstrekken van het krediet aan de afnemers van bedrijfswagens te zeer samenhangt met de normale bedrijfsactiviteit en een te duurzaam karakter heeft om buiten beschouwing te kunnen worden gelaten bij de aftrek, als het al geen gebruikelijke activiteit is, dan toch zeker een verlengstuk daarvan. Gevolg daarvan is dat deze activiteit het aftrekrecht negatief zal beïnvloeden omdat de rente-inkomsten in de noemer van de pro-rata-breuk moeten worden opgenomen. Voor de concernleningen en de rente-inkomsten uit de rekening-courantverhoudingen stapelen de vraagtekens zich op. Hoe vaak mogen deze activiteiten verricht worden zonder niet-incidenteel te worden? Hoe gebruikelijk zijn financieringsactiviteiten voor een typische holding?47 En hoe sterk moet de koppeling met (de opbrengsten uit) de reguliere activiteit zijn om tot een verlengstuk te komen?
Dit terwijl naar onze stellige indruk het precies voor dit type rente-inkomsten is dat de bepaling bedoeld is. Met het oog op de wijze waarop het HvJ EU in bijvoorbeeld de zaak Régie Dauphinoise het verlengstukcriterium toepast is het evenwel maar de vraag of dat doel in een voorbeeld als het onze kan worden bereikt. Wellicht is in dit verband in de praktijk een bruikbaar en onderscheidend criterium of de holding of het concern (de opbrengsten uit) de leningen nodig heeft om de reguliere ondernemingsactiviteiten duurzaam te ondersteunen. In dat geval zouden ‘back-to-back’ leningen (zoals de extern gefinancierde rekening courant in ons voorbeeld) eerder bijkomstig van aard zijn (de facto zijn hiermee immers weinig activiteiten en opbrengsten van de holding of het concern gemoeid) en zouden leningen van overtollige kasgelden (ons andere voorbeeld) in beginsel bijkomstig zijn,48 tenzij deze langdurig noodzakelijk zijn om de bedrijfsactiviteiten van het concern als geheel in stand te houden. Wij geven echter toe dat de recente jurisprudentie niet deze kant op beweegt en dat blijft staan dat op enig moment een concernfinancieringsactiviteit ‘omslaat’ naar een gebruikelijke activiteit van de onderneming.
Naar onze indruk is het dan ook raadzaam dat Nederland alsnog overgaat tot implementatie van artikel 174 lid 2 onderdeel b Btw-richtlijn en dat doet op een wijze die recht doet aan de gedachte dat niet-gebruikelijke, incidentele financiële handelingen kunnen worden uitgesloten van de berekening van de evenredige aftrek waarbij op genuanceerde wijze wordt gekeken naar het verlengstukcriterium. Vanuit de hierboven besproken doelstellingen, waaronder in het bijzonder de fiscale neutraliteit en voorwaarden lijkt het daarbij in ieder geval zaak om als bijkomstige financiële handelingen aan te merken (steeds voor zover al sprake is van een economische activiteit en tevens een andere ‘gebruikelijke’ economische activiteit wordt ontplooid, zoals management):
Overdracht van vorderingen naar een interne factoring entiteit.49
Rente op reguliere banktegoeden.
Incidenteel (enkele keren per kwartaal) aangegane concernleningen gefinancierd bij een externe partij. En
Inkomsten uit cashpooling opgezet bij een externe bank.
7. Slot
Zoals wij in deze bijdrage hebben geïllustreerd krijgt een belastingplichtige de neutraliteit niet cadeau. Toepassing van artikel 174 lid 2 onderdeel b Btw-richtlijn brengt een aantal complexe juridische hordes met zich die er in de uitvoeringspraktijk veelal toe leiden dat geen recht wordt gedaan aan het doel van de bepaling, namelijk het wegnemen van verstoringen met betrekking tot het recht op evenredige aftrek van voorbelasting bij gemengde prestaties. Wij hebben laten zien dat de (Europese) rechtspraak nu vaak in de weg staat aan de uitkomsten die met de bepaling zijn beoogd. Wij hebben aanbevelingen gedaan voor een Nederlandse implementatie en/of uitvoeringspraktijk die zoveel mogelijk recht doet aan de besproken knelpunten en leidt tot neutrale uitkomsten.