Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/III.C.2
III.C.2. Het beheren van de nalatenschap, art. 3:170 BW
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS407149:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
W. BREEMHAAR, De uiterste wilbeschikking (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 1992, p. 167. Zo ook ASSER-PERRICK 6B, Erfrecht, Deventer: Kluwer 2005, nr. 516, KLAASSEN-LUIJTEN-MEIJER, Erfrecht Deventer: Kluwer (2002), nr. 352, PITLO/VAN DER BURGHT, EBBEN, Erfrecht, Deventer: Kluwer 2004, p. 350, alsmede WD. KOLKMAN, Schulden der nalatenschap (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2006, p. 65. Breemhaar wijst daarbij op het feit dat een nalatenschap vaak een gemeenschap vormt. Dit neemt mijns inziens niet weg dat art. 3:170 BWook kan gelden in geval van een enig erfgenaamschap.
Hof Den Bosch 31 januari 2006, LJNAW25 64.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 581.
Vgl. W. BREEMHAAR, De uiterste wilsbeschikking (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 1992, p. 167.
Zie ook art. 4:149 lid 3 BW waaruit blijkt dat ook een gewezen executeur onder omstandigheden nog bevoegd kan zijn.
In'theorie' zou van de derde verlangd kunnen worden dat hijde vraag stelt of de handeling in het kader van zijn executeurstaak verricht wordt. In de praktijk zal dit niet gebeuren.Wel mag verwacht worden dat een derde zich er van gewist of de persoon waarmee hij handelt (beheers)executeur is. Hiervoor heeft de executeur immers een erfrechtelijk legitimatiebewijs: de verklaring van executele.
Zie het genus privatieve last in art. 7:423 BW. Deze last maakt de lastgever ook onbevoegd. Zie ook MvA I, nr. 133, p. 65, Parl. Gesch.Vast., p. 961.
Men bedenke dat indien de nalatenschap deel uitmaakt van een ontbonden huwelijksgemeenschap, de executeur het beheer toekomt tezamen met de langstlevende echtgenoot. Zie hierover HR 18 maart 1994, NJ 1995, 410 (VanTholen/Nationale Nederlanden;WMK).
Werkgroep deontologie nieuw erfrecht KNB,WPNR (2004) 6585.
De wetgever geeft in zijn regeling van de executele geen definitie van het begrip beheer (art. 4:144). Met onder meer Breemhaar ben ik van mening dat het dan voor de hand ligt bij art. 3:170 BW te rade te gaan.1 Onlangs heeft Hof Den Bosch in zijn arrest van 31 januari 2006 deze aanknoping bevestigd:2
'De rechtbank heeft dienaangaande juist geoordeeld dat de enveloppe met geld onder beheer van (lees:) de executeur stond (vgl. art. 4:1441 BW). Onder beheer moeten alle handelingen worden begrepen die voor een normale exploitatie van een goeddienstig kunnen zijn, artikel 3:170 BW.'
Aan art. 4:144 BW wordt derhalve invulling gegeven door een hogere vermogensrechtelijke laag, te weten art. 3:170 BW. Dit artikel bepaalt dat onder beheer zijn begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van een goeddienstig kunnen zijn, als ook het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties. Dit laatste is met name van belang voor het innen van banktegoeden op basis van een verklaring van executele.
Uit de parlementaire geschiedenis van art. 3:170 BW blijkt dat als daden van beheer ook worden beschouwd die daden van beschikking,diedooreen normale exploitatie van het goed worden gevorderd (lees thans: 'dienstig kunnen zijn' aan). Als voorbeeldwordt gegeven dat het beheer van een fabriek of een ander bedrijf ook de verkoop van de in die fabriek of dat bedrijf voortgebrachte goederen omvat, net zoals de verkoop van bedrijfsmiddelen, die door nieuwe moeten worden vervangen. De nadruk wordt gelegd op de economische werkzaamheid, zoals het rentedragend maken van goederen.3 De woorden 'dienstig kunnen zijn' zorgen voor een objectivering. De wederpartij hoeft in het concrete geval niet te onderzoeken of de desbetreffende handeling van de executeur wel dienstig is aan de normale exploitatie van de goederen van de nalatenschap. Van belang is alleen maar of het (redelijkerwijs) dienstig zoukunnenzijn. Dit brengt met zich dat de wederpartij in de praktijk in beginsel altijdbeschermdis, aangezien iedere tegeldemaking van een goed immers dienstig zou kunnen zijn aan de normale exploitatie van dat goed. Zeker als het om een effectenportefeuille gaat. Dit betekent vanzelf-sprekendniet dat de executeur misbruik mag maken van deze objective-ring.4 Zie in dit bevoegdheidsvraagstuk ook de 'soepelheid' van Asser-Per-rick 6B, nr. 524, waar ik mij graag bij aansluit en waarover hierna meer. Daar komt bij dat art. 4:145 lid 2 BW waar de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de executeur geregeld is, nagenoeg geen beperking stelt aan de externe bevoegdheid van de executeur. De handeling moet gedurende5zijn beheer en in het kader van de taakvervulling verricht worden. Of iets in het kader van de vervulling van zijn taak verricht wordt kan een derde onmogelijk be-oordelen.6 De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de executeur is privatief en de erfgenamen zijn mitsdien gedurende zijn beheer in beginsel onbevoegd.7Aangezien onder beheer ook valt het aannemen van de aan de nalatenschap verschuldigde prestaties, dient de wederpartij te onderzoeken of er een met het beheer van de nalatenschap belaste executeur is, aangezien hij door diens aanwezigheid in beginsel niet meer aan de erfgenamen bevrijdend kan betalen (art. 6:34 BW).8
Onder oud recht was het 'innen van schulden' geregeld in art. 4:1060 (oud) BW. De executeur was inningsbevoegd. Als een legitimaris gerechtigd was in de nalatenschap, kon echter niet meer bevrijdend aan de executeur betaald worden, zelfs niet als deze nog geen beroep gedaan had op zijn legitieme; HR 24 februari 1933, NJ 1933, 645 (EMM; Bunker/Amsterdamsche Bank).
Omdat het voor een executeur van belang is om zich in het rechtsverkeer te legitimeren en aan te tonen dat hij met het beheer van de nalatenschap is belast, kan hij afgifte van een verklaring van executele verlangen. De notaris die een verklaring van executele afgeeft, stelt de erfgenamen hiervan op de hoogte.9 Dit wil niet zeggen dat hij voor deze afgifte de toestemming van de erfgenamen nodig heeft.