Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen
Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/9.3:9.3 Onderdeel II Theoretische beschouwing van de Nederlandse implementatie
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/9.3
9.3 Onderdeel II Theoretische beschouwing van de Nederlandse implementatie
Documentgegevens:
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS605795:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderdeel is de implementatie van de Richtlijn ETS in de Nederlandse wetgeving behandeld. Daarbij werden de eisen die het EU-recht aan de implementatiewetgeving stelt behandeld. De deelvraag luidde:
Waar in de Nederlandse wet- en regelgeving is de implementatiewetgeving voor het ETS terug te vinden? Is deze implementatie EU-conform?
Er werd vastgesteld dat, hoewel artikel 288 VwEU veel ruimte lijkt te laten aan lidstaten wanneer zij een richtlijn implementeren, de jurisprudentie van het Hof van Justitie hier een nadere invulling aan heeft gegeven. Blijkens die jurisprudentie moet een richtlijn worden omgezet in dwingendrechtelijke bepalingen van nationaal recht, op basis waarvan een particulier kan weten wat zijn rechten en plichten zijn. Een met de richtlijn overeenstemmende praktijk is niet voldoende. Wel kan een bestaand algemeen juridisch kader reeds een voldoende implementatie zijn. Van belang is dan wel dat, voor zover een particulier rechten kan ontlenen aan de richtlijn, hij op basis van dat juridische kader zijn rechten voldoende kan kennen en zo nodig voor de rechter kan laten gelden.
Vervolgens werden de bevoegdheden en verplichtingen inzake richtlijnconforme interpretatie behandeld. Indien nationale regelgeving een richtlijn niet (volledig) omzet, kan middels richtlijnconforme interpretatie mogelijk wel worden gezorgd voor een met de richtlijn overeenstemmende uitvoeringspraktijk. Het Hof van Justitie eist dat de nationale rechter wetgeving zoveel mogelijk overeenkomstig een niet of gebrekkig omgezette richtlijn interpreteert. De verplichting tot richtlijnconforme interpretatie kan echter niet als grondslag dienen om nationale wetgeving contra legem te interpreteren. Ook mag nationale wetgeving niet zodanig worden geïnterpreteerd dat er een strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat of wordt verzwaard. Meer in het algemeen vindt de verplichting tot richtlijnconforme interpretatie haar grens in de algemene rechtsbeginselen die deel uitmaken van het EU-recht, in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht.
Aan de hand van Nederlandse jurisprudentie is onderzocht hoe ver de Nederlandse rechter in het licht van richtlijnconforme interpretatie bereid is te gaan. Daarbij bleek de Afdeling bereid richtlijnconform te interpreteren zolang er aanknopingspunten voor een dergelijke interpretatie te vinden zijn. Daarbij staat een eventueel nadelig gevolg voor een derde partij niet aan een richtlijnconforme interpretatie in de weg. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt verder dat de doelstelling van de wetgeving van belang is. Indien de doelstelling van de wetgeving is een richtlijn te implementeren, dan levert dit een argument om de wet richtlijnconform te interpreteren. Ook is gebleken dat tekst van de wet leidend is. Wanneer deze voldoende ruimte biedt voor een richtlijnconforme interpretatie, dan moet er richtlijnconform worden geïnterpreteerd, ook als de wetsgeschiedenis contra-indicaties geeft.
Vervolgens werd de Nederlandse implementatiewetgeving onderzocht op conformiteit met de Richtlijn. Waar gebreken werden geconstateerd, werd tevens de vraag beantwoord of hier een richtlijnconforme interpretatie uitkomst kon bieden. Uit de behandeling van de implementatiewetgeving blijkt dat de implementatie van de Richtlijn ten aanzien van vliegtuigexploitanten vrijwel vlekkeloos is verlopen. Ten aanzien van installaties moet echter worden geoordeeld dat de implementatiewetgeving meerdere gebreken bevat. De grootste gebreken vloeien voort uit een discrepantie tussen het begrip ‘inrichting’ en het begrip ‘installatie’. Daarnaast zijn nog enkele andere gebreken geconstateerd. Bij deze andere gebreken waren echter veelal aanknopingspunten voor richtlijnconforme interpretatie te vinden, waardoor een goede uitvoeringspraktijk ten aanzien van de Richtlijn kan worden bewerkstelligd. Enkele onderdelen zijn voor nader onderzoek aan onderdeel III voorbehouden.