NJB 2024/1957:Aanhoudingsverzoek en aanwezigheidsrecht: de Hoge Raad zet het daarvoor kader uiteen in lijn met consistente jurisprudentie. In casu was de verdachte weliswaar op de hoogte van de datum van de terechtzitting in hoger beroep en was hij aanvankelijk ook van plan naar de zitting te komen, maar heeft hij een zakelijke afspraak gemaakt waarvoor hij in Scandinavië verkeerde tijdens de zitting. Het hof kon het aanhoudingsverzoek afwijzen op de grond dat het ‘geen noodzaak (ziet) om het aanwezigheidsrecht van verdachte voorrang te geven ten opzichte van de andere belangen’, mede omdat daarin als oordeel van het hof besloten ligt dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid aannemelijk is, maar dat het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting, zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij zijn aanwezigheidsrecht. A-G: anders.