Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/6.5.2
6.5.2 Legitieme portie in het algemeen
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232881:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 4:63 jo. 4:64 lid 1 jo. 4:65 BW, alsmede artikel 4:79 BW. Dit wordt nader besproken in paragraaf 8.6.
Asser/Perrick 4, 2017/297.
Deze kan bovendien onder omstandigheden nog verder beperkt worden: Artikel 4:81 BW beperkt de opeisbaarheid van de legitimaire vordering, met name voor zover de legitimaris een vordering heeft op de langstlevende echtgenoot. Daarnaast kan ook een vruchtgebruik op grond van artikel 4:29 of 4:30 BW aan opeisbaarheid van de vordering van de legitimaris in de weg staan (zie Handboek Erfrecht (2020), B.C.M. Waaijer, paragraaf X.19.2). Ook heeft de erflater een mogelijkheid om de opeisbaarheid van de legitieme portie te beperken ten gunste van de langstlevende echtgenoot of andere levensgezel (artikel 4:82 BW).
Artikel 4:70 BW. Het betreft hier de giften als bedoeld in artikel 4:67 BW (zie Asser/Perrick 4, 2017/320).
Artikel 4:71 BW, ook als deze verkrijging niet vrij en onbezwaard is (zie Asser/Perrick 4, 2017/322).
Artikelen 4:72 en 4:73 BW.
Vereiste is wel dat de legitimaris binnen drie maanden na het overlijden van de erflater verwerpt (artikel 4:72 respectievelijk 4:73 lid 1 BW. In geval van een erfstelling dient tevens direct een zogenoemde contantenverklaring afgelegd te worden: indien de legitimaris niet bij de verwerping verklaart zijn legitieme portie te willen ontvangen, verliest hij zijn recht hierop (artikel 4:63 lid 3 BW). In het algemeen is de periode gedurende welke een beroep op de legitieme portie gedaan kan worden vijf jaar na het overlijden van de erflater (artikel 4:85 BW).
Pitlo/Van der Burght, Ebben, Erfrecht, punt 301.
Ten opzichte van de regeling van vóór 2003 zijn de aanspraken van de legitimaris aanmerkelijk beperkt. Thans bestaat de legitieme portie uit een vordering van de legitimaris in geld, waarvan de omvang kort gezegd bepaald wordt door de helft van het percentage waarvoor hij erfgenaam bij versterf is te vermenigvuldigen met de omvang van de nalatenschap vermeerderd met bepaalde giften en verminderd met bepaalde schulden.1 Onder het oude recht werd de legitieme portie geschonden indien de legitimaris deze niet als erfgenaam ontving en in geval van schending kon de legitimaris uiterste wilsbeschikkingen en giften die zijn legitieme portie schonden vernietigen.2 In vergelijking daarmee heeft de huidige legitimaris dus een aanmerkelijk zwakkere positie.3
De omvang van de legitieme portie wordt verminderd met de waarde van (i) giften die de erflater aan de legitimaris gedaan heeft4, (ii) hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt5 en (iii) datgene wat de legitimaris als erfgenaam of uit hoofde van een legaat kan verkrijgen, maar niet verkrijgt omdat hij verwerpt6. Op het laatste geldt echter een uitzondering in geval van zogenoemde inferieure makingen; indien daarvan sprake is, komt de waarde van de making niet in mindering op de legitieme portie.7 Een making is onder andere inferieur indien hieraan een voorwaarde, een last of een bewind verbonden is, waarbij in het geval van een bewind onder omstandigheden weer een (hierna te bespreken) uitzondering geldt.
Bij de afweging tussen de belangen van de erflater en de legitimaris heeft de wetgever derhalve thans een behoorlijke vrijheid aan de erflater gelaten. Naast de beperking van de omvang van de legitieme portie heeft de erflater invloed op datgene wat de legitimaris wel of juist niet verkrijgt, omdat de erflater binnen bepaalde grenzen kan bepalen welke goederen de legitimaris verkrijgt8 en voorts de legitimaris thans niet meer heeft dan een aanspraak in geld. Desalniettemin is de vrijheid van de erflater in deze niet absoluut.