Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.5.3.3
6.5.3.3 Mogelijke andere oplossingen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS399616:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Uiteraard kan nog steeds aan de subsidie de verplichting worden verbonden tot het bijhouden of het overleggen van een administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.
Zie aanwijzing 4.
Zie het voorgestelde artikel 57, eerste lid, aanhef en onder c, van het Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds, het ELFPO, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en algemene bepalingen inzake het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds, COM (2011) 615 def.
Zie ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 246.
Vergelijk Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 246.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.42.
Zoals in hoofdstuk 5, paragraaf 5.4.1 is gesproken geldt niet voor iedere Europese subsidie dat een maximumbedrag per lidstaat beschikbaar is.
Uit de voorgaande paragraaf blijkt dat het achterwege laten van het vaststellen van een subsidieplafond in combinatie met een open-einde-regeling voor het subsidieverstrekkende bestuursorgaan een financieel risico met zich brengt. In deze paragraaf wordt bezien welke andere mogelijkheden aangaande bestaan om de onderrealisatieproblematiek het hoofd te bieden.
Een eerste oplossing is om wel een subsidieplafond vast te stellen, maar daarbij de Europese subsidies en de cofinanciering te verstrekken in de vorm van lumpsum-subsidies. Dit heeft als voordeel dat — mits de eindontvanger van de Europese subsidies zich keurig aan zijn verplichtingen houdt — bij de subsidieverlening duidelijk is hoeveel geld aan het project zal worden besteed. Het voordeel is bovendien dat niet langer allerlei strikte eisen hoeven te worden gesteld aan de financiële administratie van een project.1 Deze methode heeft uiteraard wel tot gevolg dat het bedrag tot subsidievaststelling niet meer is gebaseerd op de werkelijke kosten. De Aanwijzingen voor subsidieverstrekking die per 1 januari 2010 in werking zijn getreden maken het toekennen van lumpsum-subsidies mogelijk voor subsidiebedragen tot 125.000,00 euro. Deze aanwijzingen zijn echter op Europese subsidies slechts van toepassing, voor zover zij niet strijdig zijn met de Europese voorschriften.2 Momenteel geldt voor de meeste Europese subsidies dat lumpsumsubsidiëring niet mogelijk is. Hierin komt met de nieuwe programmaperiode 20142020 verandering, maar dan alleen voor projecten waarmee niet meer dan 100.000,00 euro is gemoeid.3 Lumpsum-subsidiëring biedt derhalve geen oplossing voor Europese subsidies die dat bedrag te boven gaan.
Een tweede mogelijkheid is om het subsidieplafond met een percentage te verhogen dat gelijk staat met de verwachte onderrealisatie. Nadeel hiervan is dat de onderrealisatie moeilijk is te voorspellen. Indien onderrealisatie tegen de verwachting in uitblijft, zal het Nederlands bestuursorgaan geld moeten bijleggen.
Een derde mogelijkheid is om indien de Europese subsidie is vastgesteld op een lager bedrag dan oorspronkelijk is verleend, de verleningsbeschikking overeenkomstig aan te passen.4 Op deze wijze ontstaat binnen het plafond weer ruimte om Europese subsidies te verlenen. Een vierde mogelijkheid is om het subsidieplafond zelf te wijzigen, zodra er na een besluit tot vaststelling van de Europese subsidie geld vrijvalt ten gevolge van onderrealisatie. Het moge duidelijk zijn dat beide oplossingen nogal omslachtig zijn.5
De vijfde mogelijkheid die hier aan de orde komt, is het achterwege laten van het vaststellen van een subsidieplafond, in combinatie met een discretionaire bevoegdheid tot subsidieverstrekking. Zoals hiervoor in paragraaf 6.5.2 aan de orde is gekomen, is het voor een aantal Europese subsidieregelingen bedoeld of onbedoeld al praktijk dat geen subsidieplafond is vastgesteld. Dit levert in combinatie met een discretionaire bevoegdheid tot subsidieverstrekking in het geheel geen problemen op. Indien de Europese gelden naar het oordeel van de Nederlandse bestuursorganen niet toereikend zijn, kan een aanvraag tot subsidieverlening immers gewoon worden afgewezen. Mij is niet gebleken dat deze praktijk ertoe heeft geleid dat uiteindelijk voor meer aan subsidies wordt verleend dan er Europese subsidie en nationale cofinanciering beschikbaar is, met als gevolg dat geld moet worden bijgelegd. Het achterwege laten van het vaststellen van een subsidieplafond biedt echter geen oplossing, voor zover moet worden aangenomen dat de Europese subsidieregelgeving vereist dat schaarse Europese subsidies door middel van een tenderprocedure worden verdeeld.6 Een tenderprocedure betekent vrijwel automatisch dat ook een subsidieplafond wordt vastgesteld.
De hier te bespreken zesde mogelijkheid hangt ermee samen dat de hiervoor geschetste problemen niet zozeer zijn gelegen in het vastgestelde subsidieplafond, maar in het gevolg dat artikel 4:25, tweede lid, van de Awb daaraan automatisch verbindt, namelijk dat een aanvraag moet worden afgewezen indien honorering van de aanvraag betekent dat het plafond wordt overschreden. Een oplossing voor dit probleem kan worden gevonden in de Wet inzake Europese subsidies. In deze wet zouden de volgende bepalingen moeten worden neergelegd:
Voor zover beperkte Europese subsidies beschikbaar zijn gesteld en deze door bestuursorganen worden verstrekt, wordt een subsidieplafond vastgesteld voor de te verdelen Europese subsidies en de daarbij behorende cofinanciering.
Een Europese subsidie en de daarbij behorende nationale cofinanciering kunnen door het bestuursorgaan worden geweigerd indien door verstrekking van de Europese subsidie en de cofinanciering het subsidieplafond wordt overschreden.
Dergelijke bepalingen bieden een aantal voordelen. In de eerste plaats wordt Nederlandse bestuursorganen de flexibiliteit geboden om aanvragen toch te honoreren als het subsidieplafond is bereikt. Zij kunnen derhalve rekening houden met de onderrealisatie die zich doorgaans voordoet. In de tweede plaats moet voor zover beperkte Europese middelen beschikbaar zijn gesteld,7 wel een subsidieplafond worden vastgesteld. Voor Nederlandse bestuursorganen is derhalve duidelijk dat een beperkt budget beschikbaar is. Met het verstrekken van Europese subsidies wanneer het subsidieplafond dient dan ook niet lichtvaardig te worden omgegaan. Op grond van actuele realisatiecijfers kan voor een verantwoord overschrijdingspercentage worden gekozen.