De volledige tenlastelegging is in bijlage Ι opgenomen.
Rb. Gelderland, 19-04-2024, nr. 05-880566-15
ECLI:NL:RBGEL:2024:2719
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
19-04-2024
- Zaaknummer
05-880566-15
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2024:2719, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 19‑04‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBGEL:2016:767, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 10‑02‑2016; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:8917, Bekrachtiging/bevestiging
Uitspraak 19‑04‑2024
Inhoudsindicatie
verlenging tbs met één jaar en voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/880566-15
Datum uitspraak: 19 april 2024
Beslissing van de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[betrokkene] , hierna: betrokkene,
geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] ,
verblijvende in [kliniek] (hierna: de kliniek).
raadsvrouw: mr. S. Marjanovic, advocaat te ’s-Gravenhage.
Procedure
Betrokkene is op 10 november 2016 bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Deze maatregel is ingegaan op 3 april 2017 en het laatst verlengd bij beslissing van deze rechtbank van 28 april 2023.
Bij vordering van 27 februari 2024, bij de griffie van deze rechtbank ingekomen op dezelfde dag, heeft de officier van justitie gevorderd dat deze maatregel wordt verlengd voor de duur van één jaar
De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:
- -
het adviesrapport van de kliniek van 25 januari 2024, waarin wordt geadviseerd de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege te verlengen met één jaar;
- -
het reclasseringsadvies (maatregelenrapport) van 31 januari 2024, waarin wordt geadviseerd de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege voorwaardelijk te beëindigen;
- -
een afschrift van de wettelijke aantekeningen.
Ter zitting van 5 april 2024 zijn gehoord:
- betrokkene;
- zijn raadsvrouw mr. S. Marjanavic;
- deskundige [naam 1] , klinisch psycholoog en behandelcoördinator;
- deskundige [naam 2] , psycholoog;
- deskundige [naam 3] , reclasseringswerker; en
- de officier van justitie, mr. G. Steeghs.
De standpunten
De officier van justitie heeft ter zitting de vordering toegelicht en daarin volhard.
Het recidiverisico is zodanig beperkt dat een volgende stap gezet kan worden. Dat is de voorwaardelijke beëindiging. De nabestaanden hebben als wens een contactverbod op te laten nemen bij de voorwaarden. De officier begrijpt dat de kliniek en de reclassering aangeven dat de noodzaak voor een contactverbod er niet is, maar die noodzaak is er volgens hem wel. Daarmee wordt immers bij betrokkene de twijfel weggenomen als bij hem de vraag opkomt of hij contact met de nabestaanden mag opnemen of niet. Aan de andere kant kan de familie, gezien de ernst van het feit en de erfeniskwestie die nog speelt, rust halen uit het feit dat er een contactverbod is. Gevorderd wordt dan ook dat aan betrokkene een contactverbod wordt opgelegd met de gehele voormalige schoonfamilie, behoudens in geval van expliciete toestemming van de reclassering of via een advocaat.
De raadsvrouw van betrokkene heeft het woord gevoerd en gepleit voor een verlenging van de maatregel voor de duur van één jaar en – conform het advies van de kliniek en de reclassering – voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. Ze heeft daartoe aangevoerd dat de deskundigen duidelijk zijn in hun advies: de maatregel is niet meer noodzakelijk. Het recidivegevaar is zodanig gedaald dat het aanvaardbaar is en daarmee is een voorwaardelijke beëindiging ook te verantwoorden. Betrokkene heeft alle stappen gezet die gezet moeten worden. Er is geen meerwaarde voor een contactverbod; daar is zorgvuldig naar gekeken, zo blijkt uit de rapporten. Betrokkene heeft hierover zijn zorgen uitgesproken. Hij maakt zich zorgen dat een contact hem, ook buiten zijn schuld, in een lastig parket kan brengen.
De beoordeling
Indexdelict
De terbeschikkingstelling is opgelegd vanwege het misdrijf doodslag.
Dat betekent dat de maatregel is opgelegd in verband met een misdrijf dat gericht was tegen of gevaar veroorzaakte voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon.
Stoornis
Uit het rapport van de kliniek blijkt dat bij betrokkene sprake is van een waanstoornis (in langdurige remissie), een stoornis in cannabis- en alcoholgebruik (in langdurige remissie in een gereguleerde omgeving) en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken.
Hieruit blijkt dat de stoornissen nog altijd aanwezig zijn.
Verloop van de maatregel
Uit het rapport van de kliniek en het reclasseringsadvies blijkt dat aan betrokkene eind april 2023 een machtiging is verleend voor transmuraal verlof met verblijf in Meander, een tiny house en een zelfstandige woning. Ook is een machtiging verleend voor twee hotelovernachtingen, ter versteviging van het contact met zijn netwerk. Betrokkene is aangemeld bij woonbemiddeling en ook is behandeling bij ForFact Kairos opgestart. In juni 2023 maakt betrokkene de overstap naar een tiny house. Ook vanuit het tiny house blijft betrokkene het behandelteam opzoeken om met hen te delen wat hem bezighoudt. Er wordt een positieve samenwerkingsrelatie opgebouwd met het ForFact team, waar alle betrokkenen tevreden over zijn. In oktober 2023 volgt een passend aanbod en betrokkene begint met de voorbereidingen (klussen en inrichten). Eind oktober 2023 is hij helemaal over naar zijn eigen woning. Hij ervaart meer rust en meer vrijheid. Hij is zich bewust van de noodzaak van balans tussen belasting en ontspanning en kan deze balans goed bewaken. Hij bouwt tijdig rust in.
Betrokkene blijft met deze toename van vrijheden stabiel in functioneren, mede doordat alle bekende risicofactoren momenteel onder controle lijken te zijn. De reclassering is sinds januari 2023 betrokken middels Forensisch Psychiatrisch Toezicht en doet, zoals afgesproken tijdens de laatste verlengingszitting, onderzoek naar de mogelijkheden voor voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. In afwachting van het adviesrapport adviseert de kliniek zekerheidshalve om de maatregel te verlengen met de duur van een jaar.
Deskundige [naam 1] heeft toegelicht dat het verantwoord is om de verpleging voorwaardelijk te beëindigen. Het maatregelenrapport van de reclassering is wat dat betreft adequaat. In de tijd dat betrokkene in de kliniek verbleef zijn de waanstoornissen niet teruggekomen, alles zonder medicatie. Ook niet bij stress. In de afgelopen tijd is bij betrokkene gezien dat hij, toen zijn hoger beroep in de civiele procedure rond de erfenis werd afgewezen, niet ontspoorde. Hij ging het gesprek met de kliniek aan. Wat de uitspraak bij de Hoge Raad in de lopende cassatieprocedure in de civiele zaak ook wordt, het risico is aanvaardbaar.
Deskundige [naam 3] heeft toegelicht dat het contact tussen betrokkene en de reclassering goed verloopt. Betrokkene kan zich vinden in de voorwaarden. Hij is psychisch stabiel. Het contactverbod is zorgvuldig besproken. Hij is er duidelijk in dat hij geen contact met de nabestaanden zal opnemen. De reclassering begrijpt de vraag wel vanuit de familie, maar zover zij betrokkene kent, toont hij geen intenties om contact met hen op te zoeken. Betrokkene heeft ook duidelijk verteld dat hij zich zal neerleggen bij de uiteindelijke uitspraak in de erfeniskwestie. Mocht de rechtbank toch een contactverbod opleggen, dan ziet de reclassering daarin geen bezwaren: betrokkene gaat door met zijn eigen leven.
Recidivegevaar
Binnen transmuraal verlof en zelfstandig wonen wordt het recidivegevaar door de kliniek ingeschat als laag. Wanneer de maatregel op dit moment zou wegvallen, is de verwachting dat betrokkene bij het moeten functioneren in de maatschappij, geconfronteerd zal worden met veel stressoren, waarbij zijn copingvaardigheden vooralsnog niet voldoende sterk zijn. Bij het ontbreken van structuur en begeleiding zou betrokkene (psychotisch) kunnen ontregelen, waarbij middelengebruik een luxerende factor is. Het risico op een gewelddadig recidive wordt ingeschat als matig op de langere termijn.
Hieruit blijkt dat de kans op herhaling bij onmiddellijke beëindiging van de terbeschikkingstelling nog aanwezig is.
Conclusie
Uit het rapport en uit wat ter zitting is besproken, blijkt dat aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan. Betrokkene heeft de laatste periode laten zien dat hij stabiel functioneert, ook als spanningen of stress opbouwen. De samenwerking is positief. De kliniek en de reclassering zijn het er over eens dat het verantwoord is om de dwangverpleging onder de door de reclassering geformuleerde voorwaarden te beëindigen.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de beveiliging van de maatschappij de voortzetting van de verpleging van overheidswege niet langer eist. De rechtbank zal overgaan tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege onder de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en hierna opgenomen, behalve ten aanzien van de time-out. De rechtbank ziet aanleiding om, gelet op de beslissing van de Hoge Raad van 28 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1663, de voorwaarde die ertoe strekt mee te werken aan een klinische time-outopname te wijzigen, in die zin dat dit slechts mogelijk is zonder rechterlijke toestemming als betrokkene daarmee instemt op het moment dat opname aan de orde is. De opname kan dan alleen zolang voortduren als betrokkene daarmee instemt. Wanneer betrokkene de opname zelf beëindigt, is dit geen overtreding van een voorwaarde. Ontbreekt de toestemming van betrokkene op dat moment, dan biedt voor een eventuele gedwongen tijdelijke crisisopname artikel 6:6:10a van het Wetboek van Strafvordering de grondslag via de rechter-commissaris.
Betrokkene heeft ter zitting ingestemd met de voorwaarden.
De rechtbank ziet geen noodzaak om betrokkene een contactverbod op te leggen. Niet is gebleken dat hij op enig moment contact met de nabestaanden heeft gezocht en uit de adviezen en het verhandelde ter zitting volgt dat hij daar ook de behoefte niet toe heeft.
De beslissing
De rechtbank:
verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van [betrokkene] met één jaar.
beëindigt de verpleging van overheidswege onder de navolgende voorwaarden:
Geen strafbaar feit plegen
Betrokkene maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
Meewerken aan reclasseringstoezicht
Betrokkene werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
Betrokkene meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
Betrokkene laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van betrokkene vast te stellen.
Betrokkene houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om betrokkene te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
Betrokkene helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
Betrokkene werkt mee aan huisbezoeken.
Betrokkene geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
Betrokkene vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
Betrokkene werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht.
Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt kan betrokkene als hij daarmee instemt - en zo niet, nadat dit is voorgelegd aan en bevolen door de rechter -, voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of betrokkene deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
Niet naar het buitenland
Betrokkene gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
Ambulante behandeling
Betrokkene laat zich behandelen door Kairos, forensische psychiatrie, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Drugsverbod
Betrokkene gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd.
Alcoholverbod
Betrokkene gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd.
Meewerken aan middelencontrole
Betrokkene werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, als voorzitter, mr. M.L. Braaksma en mr. W. Bruins, als rechters in tegenwoordigheid van mr. S.A. Teger, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 april 2024. | ||
Uitspraak 10‑02‑2016
Inhoudsindicatie
Vrijspraak moord. Oplegging TBS-maatregel aan ontoerekeningsvatbare man voor doodslag van zijn echtgenote.
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer : 05/880566-15
Datum uitspraak : 10 februari 2016
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland
tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats]
thans gedetineerd in PPC te Vught
Raadsman: A.M. Smetsers, advocaat te Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 juli 2015, 7 oktober 2015, 23 december 2015 en 27 januari 2016.
1. De inhoud van de tenlastelegging1.
Aan verdachte wordt verweten dat hij [slachtoffer] heeft vermoord dan wel haar opzettelijk heeft gedood.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs2.
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Verdachte heeft in de nacht van 30 op 31 maart 2015 naast [slachtoffer] (verder: [slachtoffer]) in bed gelegen en is rond 09:00 uur naast haar wakker geworden. Ze voelde koud aan.3.
Op 31 maart 2015 omstreeks 10:22 uur zijn de verbalisanten na een melding van verdachte en zijn broer de woning van verdachte en [slachtoffer] aan de [adres] te Beuningen Gld (gemeente Beuningen) binnengegaan. Zij hebben vervolgens in de slaapkamer in het bed [slachtoffer] aangetroffen. Zij was overleden.4.In de woning werd verder niemand aangetroffen.5.
Op het politiebureau had verdachte gedroogd bloed in zijn stoppelbaard zonder een eigen verwonding, droeg verdachte een spijkerbroek met daarin meerdere bloedvlekken en had hij zwarte sportschoenen van het merk Cruijff in maat 43 met een meervoudig cirkelvormig profiel aan.6.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat niet wettig en overtuigd kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. Verdachte dient volgens de officier van justitie daarom van moord te worden vrijgesproken. De officier van justitie is van mening dat wel kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft gedood. De stoornis van verdachte staat aan dit opzet niet in de weg.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om verdachte vrij te spreken. Verdachte heeft vanaf het begin ontkend betrokken te zijn bij de dood van [slachtoffer]. Met betrekking tot de vermeende betrokkenheid van verdachte gaat het om aannames die niet worden ondersteund door objectief bewijs. Er zijn juist contra-indicaties die op het tegendeel wijzen. Verdachte heeft verklaard dat, toen hij op 31 maart 2015 het huis verliet om hulp te halen, de deur open was, de schuiven niet op de poort zaten en de sleutels waren verdwenen. Er moet een derde zijn binnengekomen of door [slachtoffer] zijn binnengelaten die haar heeft gedood. Verder heeft hij verklaard dat zij ook zichzelf wel eens wat aan deed.
Beoordeling door de rechtbank
Tijdstip van overlijden
Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] nog leefde toen hij en zijn broer [getuige 1] de woning verlieten om naar de politie te gaan en dat zij nog niet in het bloed lag. De rechtbank acht dit niet aannemelijk en overweegt daartoe het volgende.
Zoals overwogen is [slachtoffer] op 31 maart 2015 om 10:22 uur dood in het bed in de slaapkamer aangetroffen. De lichaamstemperatuur van [slachtoffer] is op deze dag om 12:49 uur, met een omgevingstemperatuur van 18,20 graden, gemeten op 25,11 graden Celsius. Het is een feit van algemene bekendheid dat de gemiddelde lichaamstemperatuur van personen bij leven 37 graden Celsius is. Gelet op dit voorgaande en het gewicht van [slachtoffer] is het tijdstip van haar overlijden in eerste instantie vastgesteld op 30 maart 2015 tussen 10:30 uur en 19:30 uur. Omdat niet kon worden uitgesloten dat [slachtoffer] op een andere plaats, zoals de badkamer, is overleden, is het tijdbestek van overlijden in tweede instantie ruimer genomen. Het tijdstip van overlijden kan, aldus het rapport, ook hebben gelegen voor 10:30 uur dan wel na 19:30 uur.7.
Verdachte heeft op het politiebureau tegenover de verbalisanten verklaard dat [slachtoffer] de ochtend van 31 maart ‘steenkoud’ was.8.De broer van verdachte, [getuige 1], heeft verklaard dat hij dacht dat [slachtoffer] dood was.9.Gezien het voorgaande in combinatie met de fors gedaalde lichaamstemperatuur van [slachtoffer] bij het aantreffen door de politie, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer] - zoals door verdachte is verklaard - pas op 31 maart 2015 na 09:00 uur is overleden. De rechtbank stelt daarmee vast dat [slachtoffer] al was overleden op het moment dat verdachte op 31 maart 2015 de woning verliet.
Letsel en doodsoorzaak
Tijdens de sectie op het lichaam zijn onder meer tekenen van veelvuldig en heftig ‘mechanisch botsend geweld’ aangetroffen. Daarbij gaat het om onder meer diverse breuken aan de ribben, het sleutelbeen en het neusbeen. Er zijn verder zeer veel bloeduitstortingen in vrijwel het gehele gezicht (paars tot paarszwart) en (rood tot paars) op en in haar hoofd waargenomen. Daarbij was er ook sprake van loslating van de hoofdhuid en deels van het botvlies van de schedel en de slaapspier. Vervolgens bevonden zich onder meer bloeduitstortingen op de benen, voor- en achterzijde van haar romp, billen, in de flanken en op haar rug. Op de rug en het linkerbeen was daarbij een ‘tramspoor patroon’ te zien, welk patroon past bij het slaan met een hard, staafvormig voorwerp zoals een pijp of stok.
Verder zijn er scherprandige letsels in het gezicht/op het hoofd aangetroffen. Dit past bij snijletsel zoals kan worden veroorzaakt door bijvoorbeeld een mes of scherf. Daarnaast zijn er huidklievingen waargenomen, wat veroorzaakt kan zijn door een smal, hard en scherp voorwerp zoals een mes. Daarbij zijn de huidklievingen aan de romp, het hoofd en de benen volgens de patholoog kort voor het overlijden ontstaan. Het letsel aan de linkerhand kan passen bij een afweerletsel. Verder is ook het letsel aan de knie - de knieschijf is doorgesneden – mogelijk veroorzaakt door een mes.10.
Naast de voorgaande letsels is verder geconstateerd dat het strottenhoofd van [slachtoffer] in de middellijn was gespleten. Dit is veroorzaakt door bij leven uitgeoefend fors geweld op de hals. Gezien het ontbreken van uitgebreide bloeduitstortingen in de halsspieren acht de patholoog het ‘iets waarschijnlijker’ dat het letsel is ontstaan door een slag op de hals (‘uitwendig mechanisch botsend geweld’) dan door een wurghandeling (‘mechanisch omsnoerend/samendrukkend geweld’). Bij de sectie zijn tot slot letsels om en in de mond geconstateerd. Dit kan door botsend geweld dan wel door het afdekken van/drukken op de mond/smoren zijn ontstaan. Indien er sprake is geweest van het afdekken/smoren kan dit in combinatie met letsels aan de neus – zoals hiervoor overwogen – en de daardoor opgetreden zwelling hebben bijgedragen of hebben geleid tot verstikking.11.
De aangetroffen letsels hebben kenmerken van oude(re) letsels. De patholoog concludeert dan ook dat het geweld gedurende een langere periode voorafgaand aan het overlijden heeft plaatsgevonden. Dit betreft zowel weken, dagen, uren als minuten voor het overlijden. Daarbij hebben de letsels (met name die niet ouder waren dan maximaal uren) tot ernstig bloedverlies geleid. Dit past ook bij het feit dat er vrijwel geen lijkvlekken zijn aangetroffen.
Concluderend kan het overlijden van [slachtoffer] volgens de bevindingen van de patholoog worden verklaard door zeer ernstig bloedverlies, verstikking door belemmering van neus- en mondademhaling door neusletsels en afdekken van de mond, verstikking ten gevolge van geweld op de hals dan wel een combinatie hiervan.12.
De rechtbank is van oordeel dat dit dodelijk letsel door verdachte is toegebracht. De rechtbank komt tot deze conclusie op grond van het volgende.
Zelfverwonding
Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] zichzelf wel eens verwondde en letsel toebracht. Daarvoor is onder meer onderzoek gedaan naar de dagboeken van [slachtoffer], de voicerecorder en de foto’s van [slachtoffer] die zich op de digitale camera bevonden. Daarbij is niet van zelfverwonding door [slachtoffer] gebleken.13.
De schouwarts heeft hierover opgemerkt dat de uitgebreide bloeduitstortingen en aangetroffen letsels sterk wijzen in de richting van door derden toegebracht letsel.14.De patholoog heeft zich hierbij aangesloten en heeft geconcludeerd dat gelet op de hoeveelheid letsel, de verschillende manieren waarop het letsel is toegebracht (waaronder de bijzondere vorm van letsel, zoals het ‘tramlijnpatroon’), de omstandigheid dat het gaat om plaatsen op het lichaam die niet makkelijk voor personen zelf zijn te bereiken, het waarschijnlijker is dat de letsels door een ander zijn toegebracht dan door de persoon zelf.15.Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het niet aannemelijk geworden dat het letsel waaraan [slachtoffer] is overleden door zelfverwonding is ontstaan.
De langere periode van het geweld
De bevindingen van de patholoog – onder meer over het geweld gedurende een langere periode – vinden verder steun in het volgende.
Tussen 14 en 17 maart 2015 verbleven verdachte en [slachtoffer] op Gran Canaria. Op 16 maart 2015 hebben zij zich gemeld bij het bureau van Arke met de mededeling dat zij naar huis wilden. Verdachte vertelde dat zij beroofd waren. Hij maakte een warrige indruk en vertelde steeds een ander verhaal waarom zij naar huis wilden. Reisleidster [naam 1] stond hen te woord. Zij heeft verklaard dat het gezicht van [slachtoffer] helemaal blauw was en bij verdachte geen letsel te zien was. Verdachte werd boos toen zij voorstelde met hen naar de politie te gaan. Hij wilde daarvan niets weten.16.De rechtbank constateert dat van een overval op verdachte en [slachtoffer] op Gran Canaria niet is gebleken.
Op 19 maart 2015 kreeg de politie een melding vanwege overlast veroorzaakt door de gasten van kamer 224 in hotel Belvoir te Nijmegen. De gasten waren verdachte en [slachtoffer]. Zij belden veelvuldig naar de receptie, schreeuwden en liepen naakt rond. Op de vloerbedekking van de kamer, op de badkamervloer en op de handdoek werden meerdere bloedspatten aangetroffen.
De verbalisanten zagen dat het gezicht van [slachtoffer] volledig onder de blauwe plekken zat. Ze zagen geen normaal uitziend stukje huid in haar gelaat. Ook bevonden zich veel blauwe plekken op haar bovenlichaam, vanaf haar schouders tot haar borst. Verdachte kwam ernstig verward op de verbalisanten over en bleef met luide stem praten.17.
Verder zijn er een tweetal foto’s gemaakt op 24 maart 2015 – meerdere dagen voor het overlijden van [slachtoffer] – aangetroffen. Op de eerste foto – zoals genomen op 24 maart 2015 om 06:27:04 uur– is verdachte op zeer korte afstand van de camera te zien, zoals bij een ‘selfie’. Op de tweede foto die vier seconden later is genomen, is te zien dat [slachtoffer] verwondingen (lijkend op snij/steekverwondingen) op het rechterbeen en verwondingen en bloeduitstortingen in het gezicht en in de hals heeft. Uit de verwondingen lijkt bloed te lopen.18.Verdachte heeft over deze foto verklaard dat hij ziet dat [slachtoffer] aan het bloeden is.19.
Toestand van de woning
In de gehele woning (met uitzondering van de kinderkamer en de zolder) en in de voor- en achtertuin zijn veel stuk gemaakte goederen, bebloede kledingstukken, overige bebloede voorwerpen, bloedsporen en andere sporen op vloeren en wanden aangetroffen. Daarnaast zijn er ook diverse vuilniszakken met onder meer bebloede kledingstukken en andere bebloede voorwerpen aangetroffen.20.Er zijn in de woning geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van derden in de woning.21.
In de woning zijn diverse mogelijke slag- en steekwapens veiliggesteld. Op een mes bij het bed, scherven (onder meer uit de badkamer), twee kandelaars uit de badkamer en op de poot van de wastafel is bloed aangetroffen.22.Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat deze voorwerpen onder meer het ‘tramspoor patroon’, de scherprandige letsels en/of de huidklievingen zouden hebben kunnen veroorzaakt.
Verdere sporen
Op de vloer van de overloop in de woning zijn enkele met bloed gezette sleepsporen aangetroffen. Deze sporen liepen vanaf de badkamer naar de slaapkamer waar [slachtoffer] in het bed werd aangetroffen.23.Op de vloer van deze overloop en de vloer van deze slaapkamer zijn in het bloed schoenafdrukken aangetroffen. Deze sporen waren voorzien van meervoudige cirkelvormige profielelementen, waarbij in het spoor op de slaapkamer ook het logo en de tekst van het merk Cruijff en de maataanduiding 43 waren te zien.24.Zoals overwogen droeg verdachte op het politiebureau zwarte sportschoenen met dit profiel van het merk Cruijff in maat 43. Verdachte heeft over deze schoenen ook verklaard dat hij ze voornamelijk droeg.25.
Onderzoek aan het lichaam van verdachte en van [slachtoffer]
Daarnaast is er onderzoek verricht aan de lichamen van verdachte en [slachtoffer]. Zoals overwogen had verdachte gedroogd bloed in zijn stoppelbaard zonder een eigen verwonding en droeg verdachte een spijkerbroek met daarin meerdere bloedvlekken.
Verder is bloed van [slachtoffer] op de snor en de kin van verdachte aangetroffen. Ook op de telefoon van verdachte is bloed aangetroffen, waarbij de matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard was.26.Op het lichaam van verdachte is alleen zijn eigen DNA en het DNA van [slachtoffer] gevonden. Ook op het lichaam van [slachtoffer] is geen DNA-materiaal van derden aangetroffen.27.Op en onder de nagels aan de rechterhand en op de nagels aan de linkerhand van [slachtoffer] is mannelijk DNA aangetroffen, waarvan het NFI concludeert dat het 100 tot 10.000 keer waarschijnlijker is dat het materiaal is van verdachte dan van een andere willekeurige man.28.
De rechtbank concludeert, met de patholoog, dat in de weken voor haar overlijden bij [slachtoffer] op verschillende momenten verschillende letsels zijn geconstateerd en dat op [slachtoffer] gedurende langere tijd geweld is toegepast. Verder stelt de rechtbank op grond van het voorgaande vast dat verdachte veelal aanwezig was bij het ontstaan van de letsels en dat hij voor dit ontstaan geen aannemelijke verklaring heeft gegeven. Ook past het aangetroffen DNA onder de nagels van [slachtoffer] naar het oordeel van de rechtbank bij het maken van afweerbewegingen van iemand die wordt aangevallen.
Psychische toestand verdachte
De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte achtervolgingswanen heeft. Dit wordt bevestigd door de broer van verdachte, [getuige 1], die heeft verklaard dat de achtervolgingswaan van verdachte tijdens de relatie met [slachtoffer] steeds sterker werd.29.Uit het buurtonderzoek komt naar voren dat verdachte in de weken voor het overlijden van [slachtoffer] verward gedrag vertoonde. Verdachte werd onder invloed op straat gezien, in zijn badjas in de tuin terwijl hij verdwaasd rondliep en hij zag er verwaarloosd en vervuild uit. Voor de ramen in de woning was veel troep opgestapeld en de gordijnen waren dichtgeknoopt. Verdachte liep regelmatig te schreeuwen in de tuin. Ook sprak hij voorbijgangers op straat aan vanuit het niets en hield hen zonder reden tegen.30.
Verdachte meldde zich 31 maart 2015 omstreeks 10:15 uur geheel overstuur op het politiebureau. Daarbij zei hij onder meer tegen de verbalisanten: ‘Nu moet het stoppen. Hoe is het mogelijk dat de AIVD ons niet op Schiphol heeft opgevangen. Op Gran Canaria was het ook al fout gegaan. Daar ben ik bedreigd, mishandeld en ze hebben mij verkracht (…)’. Verder vertelde hij dat zijn vrouw werd gedwongen om ’s nachts wel eens de deur open te maken en hij vannacht was mishandeld. Hij was achter op zijn hoofd geslagen en zijn lichaam was ook bont en blauw.31.
Vastgesteld is dat op het lichaam van verdachte geen sporen van (een recente) mishandeling aangetroffen, noch sporen die zou kunnen duiden op een verkrachting.32.
Gelet op deze verklaringen en alles wat hiervoor is overwogen over onder meer het gedrag van verdachte op Gran Canaria, het incident in het hotel Belvoir en het gedrag en de uitlatingen van verdachte op het politiebureau, is de rechtbank van oordeel dat de wanen van verdachte steeds erger zijn geworden en verdachte in de weken en dagen voorafgaand aan de dood van [slachtoffer] ernstig in de war is geweest.
Alternatief scenario
Verder heeft verdachte verklaard dat een derde persoon [slachtoffer] in de woning om het leven moet hebben gebracht. Gelet op deze verklaring is nader onderzoek verricht. Daarbij hebben camerabeelden in de omgeving van de woning en het onderzoek in de buurt – waarbij geen andere mannen dan verdachte in de woning zijn gezien – geen aanwijzingen richting derden opgeleverd.33.Dit geldt ook voor het onderzoek naar de telefoons van [benadeelde], [naam 3], [naam 4] en [naam 5]. Daaruit volgt dat hun telefoons tussen 27 maart 2015 tot en met 31 maart 2015 geen masten in Beuningen of de omgeving hebben aangestraald. Verder hebben zij geen contact gehad met [slachtoffer] en/of verdachte, dan wel was dit op initiatief van [slachtoffer] en/of verdachte.34.Tot slot zijn er zoals overwogen in de woning en op het lichaam van [slachtoffer] geen sporen van derden aangetroffen.
Gelet op al het voorgaande – mede in samenhang bezien met de langere periode waarin het geweld heeft plaatsgevonden – acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] door een derde om het leven is gebracht niet aannemelijk geworden.
Concluderend
Gelet op het voorgaande en in het bijzonder dat:
- -
het geweld gedurende een langere periode heeft plaatsgevonden;
- -
in de woning geen sporen van derden zijn aangetroffen;
- -
er verder ook geen aanwijzingen richting derden zijn gevonden;
- -
in de woning voorwerpen met bloed zijn aangetroffen, welke voorwerpen het letsel zouden kunnen hebben veroorzaakt;
- -
er bebloede kleding en voorwerpen in vuilniszakken is gevonden;
- -
er bloed van [slachtoffer] op het gezicht en de telefoon van verdachte is aangetroffen;
- -
de schoenafdruk van verdachte op onder meer de overloop en in de slaapkamer – waar [slachtoffer] is aangetroffen – in het bloed staat;
- -
de omstandigheid dat op en onder de nagels aan de rechterhand en op de nagels aan de linkerhand van [slachtoffer] DNA is aangetroffen dat 100 tot 10.000 keer waarschijnlijker van verdachte is en dit past bij een eventueel verzet tegen geweld;
- -
de omstandigheid dat verdachte in de periode voorafgaand aan het overlijden van [slachtoffer] ernstig in de war is geweest;
acht de rechtbank bewezen dat verdachte het letsel – waarvan een deel dodelijk is geweest – aan [slachtoffer] in de periode van 19 maart 2015 tot en met 31 maart 2015 heeft toegebracht.
Voorbedachte raad en opzet
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachte raad heeft gedood. Zij zal verdachte dan ook vrijspreken van moord.
Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de psychische toestand van verdachte ertoe leidt dat niet langer kan worden bewezen dat hij met opzet heeft gehandeld. Daarbij is van belang dat volledige ontoerekeningsvatbaarheid – waarvan in deze zaak volgens de psychiater en psycholoog sprake is – niet hoeft uit te sluiten dat er sprake is geweest van opzettelijk handelen. Dit is alleen anders als bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Hiervan is volgens vaste rechtspraak alleen bij hoge uitzondering sprake.
Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] in de week voordat zij is overleden verwondingen had en wilde bijkomen. Het ging niet goed met [slachtoffer]. Op 30 maart 2015 heeft hij twee washandjes en een kruk voor haar in de badkamer klaargezet dan wel gelegd in de badkamer en is vervolgens boodschappen gaan doen. Voordat hij later op 30 maart 2015 naar de stad ging, vroeg hij aan [slachtoffer] of hij wel kon gaan. Ze kon zelf lopen en vond het goed. Verder had [slachtoffer] op 30 maart 2015 allemaal knopen in haar. Verdachte heeft daarop een stuk uit het haar geknipt en weggegooid. Toen hij op 31 maart 2015 naast [slachtoffer] wakker werd, voelde zij koud aan. Toen de telefoon niet werkte, besloot hij om naar zijn broer en moeder te fietsen. Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij op 29 of 30 maart 2015 bloedsporen op de muur heeft gezien.35.
Uit het voorgaande blijkt dat verdachte zich ervan bewust was dat het in de laatste dagen voor haar overlijden niet goed ging met [slachtoffer] en dat hij zich op deze momenten ook om haar heeft bekommerd. Daarnaast verrichtte verdachte tot op zekere hoogte ook nog normale handelingen. Zo was hij in staat boodschappen te doen. Gelet op al dit voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte enig besef van handelen moet hebben gehad. Daarmee heeft bij hem ten tijde van zijn handelen niet ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen ontbroken. Zijn psychische toestand staat daarmee niet aan een bewezenverklaring van opzet in de weg.
De vraag die de rechtbank tot slot dient te beantwoorden is of verdachte door zijn handelen opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer].
Gelet op de hoeveelheid en aard van het letsel, de diverse wijzen waarop dit is toegebracht, de kracht die daarbij (met voorwerpen) op kwetsbare delen van het lichaam is gebruikt in samenhang met de langere periode waarin het geweld heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood. Daarmee acht zij bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag.
3. Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:
hij in of omstreeks de periode van 19 maart 2015 tot en met 31 maart 2015, althans in de maand maart 2015, te Beuningen Gld, gemeente Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] stelselmatig/meerdere malen met kracht te stompen, te schoppen en/of (met enig voorwerp) tegen het hoofd en lichaam te slaan en/of stelselmatig/meerdere malen heftig mechanisch botsend geweld toe te passen op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] en/of de mond/neus van die [slachtoffer] af te dekken en/of samen/dicht te drukken en/of (aldus) de ademhaling van die [slachtoffer] te beletten en/of die [slachtoffer] te doen stikken en/of die [slachtoffer] te wurgen en/of heftig mechanisch omsnoerend geweld toe te passen op de hals van die [slachtoffer] en/of een of meerdere malen met een mes, althans met enig scherp voorwerp, in het lichaam en/of hoofd van die
[slachtoffer] te steken en/of te snijden.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 primair:
Doodslag
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is gelet op de inhoud van de rapportages over verdachte van mening dat hij door zijn waanstoornis volledig los stond van de realiteit en daarom geheel ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft hier op de zitting geen standpunt over ingenomen. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij geen waanstoornis of persoonlijkheidsstoornis heeft. Hij heeft ook geen psychose gehad, hij kan zich alles herinneren.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft hiervoor al geoordeeld dat verdachte het feit heeft begaan. De vraag is in hoeverre het feit aan verdachte kan worden toegerekend. In dat kader is verdachte door een psychiater en een klinisch psycholoog onderzocht. Zij hebben beiden rapportages opgesteld.
Uit de rapportages volgt dat verdachte lijdt aan een waanstoornis van het achtervolgingstype. De wanen waaraan verdachte lijdt hebben betrekking op situaties die zich in het leven werkelijk zouden kunnen voordoen (niet-bizar karakter). Verder lijdt verdachte aan afhankelijkheid van alcohol en een persoonlijkheidsstoornis (nao) met narcistische trekken. Verdachte heeft vanaf jonge leeftijd sterk de neiging tot externaliseren, hij heeft een gebrekkig inlevingsvermogen en hij is krenkbaar. Er is bij hem sprake van een duurzaam patroon van disfunctioneren op sociaal en maatschappelijk gebied, in wijze van interpreteren van zichzelf en anderen, en in de beheersing van zijn impulsen.
Uit de rapportages volgt dat de stoornissen aanwezig waren ten tijde van het plegen van het feit.
Dan doen zich, volgens de psychiater, drie mogelijke scenario’s voor. Het eerste scenario, dat verdachte onschuldig is, valt gelet op de bewezenverklaring af. Dan blijft over dat verdachte er doelbewust voor kiest te ontkennen dat hij [slachtoffer] heeft gedood, dan wel dat hij ten tijde van het plegen van het feit zodanig psychotisch is geweest dat hij zich niet meer kan herinneren dat hij [slachtoffer] heeft gedood. Dit laatste scenario wordt door de rapporteurs het meest waarschijnlijk geacht.
Gelet op alles wat hiervoor al over de psychische toestand van verdachte is overwogen, neemt de rechtbank deze conclusie over en neemt zij tot uitgangspunt dat het feit onder invloed van een psychose is gepleegd. Dat betekent dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit volledig losstond van de hem omringende realiteit en verkeerde in een waanwereld. Hij kon zijn gedragingen en gedragskeuzes niet meer in overeenstemming brengen met de realiteit en handelde vanuit zijn eigen, verdraaide wereld. Dat betekent volgens de deskundigen moet worden vastgesteld dat zijn gedragingen en gedragskeuzes volledig werden bepaald door deze psychose en verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was.
De rechtbank onderschrijft de conclusies van de rapporteurs en komt op basis hiervan tot het oordeel dat de doodslag verdachte wegens een ziekelijke stoornis niet kan worden toegerekend.
Verdachte is dan ook niet strafbaar, zodat de rechtbank verdachte voor de doodslag zal ontslaan van alle rechtsvervolging.
7. Overwegingen ten aanzien de maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat aan verdachte voor doodslag de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (verder: de maatregel van TBS) wordt opgelegd. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat gelet op de ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte geen straf aan verdachte kan worden opgelegd. Nu er een gevaar voor herhaling bestaat, een langdurige behandeling noodzakelijk is en verdachte in verband met een gebrek aan ziekte-inzicht niet zal meewerken aan de maatregel van TBS met voorwaarden, is naar de mening van de officier van justitie alleen een maatregel van TBS met verpleging van overheidswege op zijn plaats.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft hierover geen standpunt ingenomen.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:
- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 11 november 2015;
- een voorlichtingsrapportage van reclassering Novadic Kentron, gedateerd 22 mei 2015;
- een multidisciplinair gedragskundige triple rapport van H.L.C. Morre, psychiater, gedateerd 24 december 2015, B. van Giessen, klinisch psycholoog, gedateerd 18 december 2015 en S. te Lindert, forensisch milieuonderzoeker, gedateerd 14 december 2015;
- de aanvulling bij het psychologisch onderzoek in het kader van de triple rapportage van B. van Giessen, klinisch psycholoog, gedateerd 22 januari 2016.
Verdachte heeft vanuit een (langdurige) psychose zijn echtgenote [slachtoffer] gedood. Gedurende een tijdsperiode van weken heeft verdachte [slachtoffer] veelvuldig en ernstig mishandeld. [slachtoffer] had onder meer breuken van de ribben, aan het sleutelbeen en neusbeen. Haar gezicht was volledig beurs geslagen en bevatte scherprandige letsels. Op haar rug en linkerbeen is zij meermalen met een hard, staafvormig voorwerp geslagen, haar knie is met een scherp voorwerp geperforeerd en haar strottenhoofd is gespleten als gevolg van fors geweld op de hals. [slachtoffer] is overleden door bloedverlies en/of verstikking. Hoe dan ook, vaststaat dat [slachtoffer] op een gruwelijke wijze om het leven is gebracht en dat zij onmenselijk veel pijn moet hebben gehad voordat zij overleed. Niet alleen heeft verdachte zijn echtgenote het leven ontnomen, maar hij heeft ook haar familie onherstelbaar leed toegebracht. Uit wat namens de familie ter terechtzitting naar voren is gebracht blijkt van het grote verdriet dat zij hebben en de grote impact die het gemis op hun leven heeft.
Voor doodslag geldt als uitgangspunt een langdurige gevangenisstraf. In dit geval kan verdachte echter geen straf worden opgelegd. Vastgesteld is immers dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit onder invloed verkeerde van een psychose en daarom volledig ontoerekeningsvatbaar wordt geacht. De rechtbank kan wel bepalen dat er een maatregel zal worden opgelegd.
Gelet op de bij verdachte geconstateerde stoornissen ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of een maatregel van TBS met verpleging van overheidswege noodzakelijk is.
Gezien het strafmaximum van het bewezenverklaarde feit is dit mogelijk terwijl bij verdachte eveneens een stoornis is vastgesteld ten tijde van het delict (artikel 37a eerste lid Wetboek van Strafrecht). Uit de rapportages volgt dat van waanstoornissen bekend is dat deze moeilijk met medicijnen zijn te beïnvloeden. Bovendien heeft verdachte zijn stoornis niet onderkend en heeft hij bij herhaling te kennen gegeven dat hij geen medicijnen wenst te gebruiken. Bij verdachte is sprake van beperkt probleeminzicht, een ernstige en hardnekkige waanstoornis, overmatig alcoholgebruik, impulsiviteit, een hoge mate van agressie en weerstand, gebrekkige sociale vaardigheden en beperkte zelfredzaamheid. Het ontbreekt verdachte verder aan een adequaat sociaal netwerk en betaald werk. De psychiater verwacht dat verdachte opnieuw een partnerrelatie zal aangaan als hij vrij zou komen. Gezien dit alles concludeert de psychiater tot een hoge en de psycholoog tot een matig tot hoge recidivekans voor wat betreft geweldsdelicten.
Op grond van al dit voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank bij verdachte sprake van een groot herhalingsgevaar dat samenhangt met zijn psychiatrische problematiek. De rechtbank acht het niet verantwoord dat verdachte - zonder dat dit gevaar in belangrijke mate is weggenomen - terugkeert in de maatschappij. Zowel de psychiater als de psycholoog adviseren, gezien de afwezigheid van enig inzicht in zijn stoornis en de ingeschatte kans op recidive, tot het aan verdachte opleggen van de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat gezien de ernst van het feit, de ernst van de stoornis en het herhalingsgevaar, de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling en de verpleging van overheidswege eist. Nu het bovendien gaat om een misdrijf dat een krenking is van de lichamelijke integriteit van een of meer personen zal de duur van de maatregel niet beperkt zijn.
Concluderend zal de rechtbank verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen.
Met betrekking tot beslag
De officier van justitie en de verdediging hebben hierover geen standpunt ingenomen.
De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen en nog niet teruggegeven balletjespistool dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Het balletjespistool behoort volgens opgave aan verdachte toe, is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit aangetroffen en kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.
Voor het overige overweegt de rechtbank dat nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, de teruggave met inachtneming van artikel 4:3 BW zal worden gelast van de overige na te melden voorwerpen aan de rechthebbende.
7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.658,57 met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in haar geheel kan worden toegewezen met vermeerdering met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gelet op de bepleite vrijspraak verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.
Beoordeling door de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde doodslag tot € 3.658,57 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De kostenposten zijn door de verdediging inhoudelijk niet betwist. Nu de schadeposten naar het oordeel van de rechtbank verder voldoende zijn onderbouwd dan wel redelijk voorkomen, is zij van oordeel dat deze schadeposten geen onevenredige belasting vormen voor het strafproces en de vordering in haar geheel kan worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 31 maart 2015.
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij. De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen. In verband met de aan verdachte op te leggen maatregel zal de rechtbank bevelen dat de vervangende hechtenis wordt beperkt tot één dag.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;
verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;
verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte voor het onder 1 primair ten laste gelegde van alle rechtsvervolging;
gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.
Voor het beslag:
beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 balletjespistool (goednummer: PL0600-2015156493-801311);
gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan de rechthebbende, te weten:
o 1 wandelstok (kenmerk B.001);
o 1 kruis (kenmerk B.002);
o 1 zak (kenmerk B.003);
o 47 dagboeken (kenmerken A.001 t/m A.009, A.01.01.005 en A01.001.006, A.01.06.003, A.03.0202.005 en A.03);
o 1 document betreffende de erfenis (kenmerk: A.01.02.001);
o 1 document betreffende medische info [slachtoffer] (kenmerk: A.01.05.003);
o 2 documenten betreffende verdachte (kenmerken: A.01.06.005, A.06.01.003 en A02.03.001);
o 1 golfclub (kenmerk: A.03.02.004);
o 1 stuks vuurwerk in plastic zak (kenmerk: A03.03.003);
o 1 rol en 3 vuilniszakken (kenmerken: A.04.01.001 en A05.01.001);
o 3 sokken (A.06.01.001,A.07.02.001 en A.06.02.001).
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde].
- -
veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 primair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde], van een bedrag van € 3.658,57 (drieduizendzeshonderdachtenvijftig euro en zevenenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- -
legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde], een bedrag te betalen van € 3.658,57 (drieduizendzeshonderdachtenvijftig euro en zevenenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 1 (één) dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
- -
bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.J. Post (voorzitter), mr. H.P.M. Kester-Bik en mr. M.F. Gielissen, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. D.T.P.J. Damen en T. de Munnik, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2016. | ||
BIJLAGE Ι
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 19 maart 2015 tot en met 31 maart 2015, althans in de maand maart 2015, te Beuningen Gld, gemeente Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] stelselmatig/meerdere malen met kracht te stompen, te schoppen en/of (met enig voorwerp) tegen het hoofd en
lichaam te slaan en/of stelselmatig/meerdere malen heftig mechanisch botsend geweld toe te passen op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] en/of de mond/neus van die [slachtoffer] af te dekken en/of samen/dicht te drukken en/of (aldus) de ademhaling van die [slachtoffer] te beletten en/of die [slachtoffer] te doen stikken en/of die [slachtoffer] te wurgen en/of heftig mechanisch omsnoerend geweld toe te passen op de hals van die [slachtoffer] en/of een of meerdere malen met een mes, althans met enig scherp voorwerp, in het lichaam en/of hoofd van die
[slachtoffer] te steken en/of te snijden;
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij in of omstreeks de periode van 19 maart 2015 tot en met 31 maart 2015, althans in de maand maart 2015, te Beuningen Gld, gemeente Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door die [slachtoffer] stelselmatig/meerdere malen met kracht te stompen, te schoppen en/of (met enig
voorwerp) tegen het hoofd en lichaam te slaan en/of stelselmatig/meerdere malen heftig mechanisch botsend geweld toe te passen op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] en/of de mond/neus van die [slachtoffer] af te dekken en/of samen/dicht te drukken en/of (aldus) de ademhaling van die [slachtoffer] te beletten en/of die [slachtoffer] te doen stikken en/of die [slachtoffer] te wurgen en/of heftig mechanisch omsnoerend geweld toe te passen op de hals van die [slachtoffer] en/of een of meerdere malen met een mes, althans met enig scherp voorwerp, in het
lichaam en/of hoofd van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden, zulks terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑02‑2016
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2015156493 (onderzoek TGO Cressida, ON5R015226), gesloten op 29 oktober 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 januari 2016.
Het proces-verbaal van bevindingen, p. 30-31, 34-35, het proces-verbaal binnentreden woning, p. 290 en het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 1557.
Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 1694.
Het proces-verbaal van bevindingen, p. 32, het proces-verbaal van bevindingen, p. 37 en het stamproces-verbaal forensische opsporing, p. 1642-1643.
Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 1581 en het aanvullend proces-verbaal d.d. 20 januari 2016, p. 1-2.
Het proces-verbaal van bevindingen, p. 32.
Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], p. 244.
Het NFI-rapport, p. 1485 t/m 1488.
Het NFI-rapport, p. 1486 t/m 1488.
Het NFI-rapport, p. 1485 t/m 1489.
Het relaas van het zaaksdossier, p. 193.
Het proces-verbaal lijkschouw met bijlagen, p. 1937.
Het NFI-rapport , p. 1489.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1], p. 1166-1167 en het proces-verbaal van bevindingen analyse tijdlijn, p. 1529-1530. .
Het proces-verbaal van bevindingen, p. 227, het proces-verbaal van aanhouding, p. 229-230, het proces-verbaal van bevindingen, p. 240 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 241.
Het proces-verbaal onderzoek gegevensdragers, p. 345-346, het proces-verbaal van bevindingen Canon Camera, p. 1328-1329 en de eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 27 januari 2016.
Het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 98.
Het stamproces-verbaal forensische opsporing, p. 1644.
Het algemeen relaas, p. 5.
Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 2106 t/m 2110.
Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 1557.
Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 2003 en het stamproces-verbaal forensische opsporing, p. 1642-1643.
Het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 118.
Het NFI-rapport, p. 2247.
Het NFI-rapport, p. 2246-2247 en het relaas van het zaaksdossier, p. 156-157.
Het NFI-rapport, p. 2263-2264 en het NFI-rapport, p. 2274-2275.
Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], p. 282 en het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], p. 342.
Het proces-verbaal van bevindingen, p. 372 t/m 380.
Het proces-verbaal van bevindingen, p. 30-31.
Het relaas van het zaaksdossier, p. 152.
Het relaas van het zaaksdossier, p. 193 t/m 195.
Het relaas van het zaaksdossier, p. 193 t/m 195 en het proces-verbaal bevindingen analyse verkeersgegevens, p. 627-628, p. 958-959, 974-975, 976-977, p. 978-979 en 980-981.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 januari 2016, het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 79 en het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 108 t/m 111.