Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/1.4.3.0
1.4.3.0 Inleiding
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS402326:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 2:3 BW dat bepaalt dat de BV en de NV rechtspersonen zijn. Artikel 2:5 BW bepaalt dat een rechtspersoon voor wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijke persoon gelijkstaat, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit.
P. van Schilfgaarde en J. Winter, Van de NV en de BV, Deventer: Kluwer 2009, p. 43: 'De vennootschap die deelneemt aan het rechtsverkeer is — zoals ieder rechtssubject— aansprakelijk voor de schulden die daarbij ontstaan. Zij die namens de vennootschap handelen — bestuurders of anderen — zijn niet aansprakelijk. Ook de aandeelhouders zijn niet aansprakelijk zij zijn slechts tegenover vennootschap verplicht hun aandelen vol te storten, art. 2:175 (2:164). Lijdt de vennootschap verlies dan is niemand verplicht om daarin bij te dragen. Deze beperkte en uitsluitend intern werkende aansprakelijkheid van de aandeelhouders komt in de naam van de BV — 'besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid' — tot uitdrukking. Voor de NV geldt echter precies hetzelfde.'
Het bestuur van de rechtspersoon is verder in het geheel niet aansprakelijk.
Zie ook M. Olaerts, Vennootschappelijke beleidsbepaling in geval van financiële moeilijkheden; de positie van bestuurders en aandeelhouders (diss. Maastricht), Antwerpen: Intersentia 2007, p. 22. R.J. Schimmelpenninck, `Leningen of schadeclaims van aandeelhouders concurrent?', TvI 2003, p. 239 spreekt over 'garantievermogen' of 'aansprakelijk vermogen'.
Zie in deze zin ook ten aanzien van het Engelse recht, Mokal, Corporate Insolvency Law, p. 307: 'The shareholders are the company's residual claimants, and while the company is still solvent, they ultimately stand to gain or lose from changes in its fortunes.'
Schimmelpenninck, Leningen of schadeclaims van aandeelhouders concurrent?, p. 240.
Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme 2-11, nr. 93 beschouwt de aandeelhouder als een soort schuldeiser: 'In verband hiermee spreekt men wel van aandeelhouders als postconcurrente crediteuren van de vennootschap: in zoverre moeten de aandeelhouders in de door de vennootschap geleden verliezen delen.'
Schuldeisers kunnen ook benadeeld worden doordat aandeelhouders een kapitaalvennootschap niet door het verschaffen van eigen vermogen, maar op andere wijze financieren. Twee alternatieve wijzen van financiering worden hier geanalyseerd:
De aandeelhouder financiert de vennootschap niet met kapitaal maar met leningen en bedingt hier mogelijk zekerheden voor.
De aandeelhouder stelt zich garant jegens bepaalde schuldeisers van de vennootschap en de vennootschap voldoet voorafgaand aan de insolventieprocedure (juist) de schulden waar de aandeelhouder zich sterk voor heeft gemaakt.
Een aandeelhouder die de vennootschap financiert met leningen in plaats van kapitaal of die garanties verstrekt aan schuldeisers van de vennootschap, maakt vrijwillig uitzondering op drie uitgangspunten van het vennootschapsrecht. Hoewel de uitzondering vrijwillig is, maakt de aandeelhouder deze uitzondering op rationele gronden en in zijn eigen belang. De uitzondering die de aandeelhouder op deze uitgangspunten maakt, kan uiteindelijk ten nadele van de schuldeisers van de vennootschap zijn. In § 1.4.3.1 en § 1.4.3.2 worden de twee te onderscheiden subvormen besproken. Eerst worden echter nog drie klassieke uitgangspunten van het vennootschapsrecht geïdentificeerd, voor zover het gaat om kapitaalvennootschappen.
Het eerste uitgangspunt is dat de vennootschap een aparte rechtspersoon vormt die zelfstandig drager van rechten en verplichtingen is.1 Het tweede uitgangspunt is dat van beperkte aansprakelijkheid. Onder beperkte aansprakelijkheid wordt dan begrepen dat een aandeelhouder in beginsel niet zelf aansprakelijk is voor de schulden van de rechtspersoon.2 Wel riskeert de aandeelhouder zijn inbreng op aandelen te verliezen, reden waarom wordt gesproken van een beperkte aansprakelijkheid.3 Aangezien er helemaal geen aansprakelijkheid van de aandeelhouder bestaat jegens schuldeisers is de term 'beperkte aansprakelijkheid' op zijn minst ongelukkig.4 Het tweede uitgangspunt van beperkte aansprakelijkheid is niet noodzakelijk een gevolg van het zijn van een aparte rechtspersoon. Men zou immers een rechtspersoon kunnen creëren die zelfstandig drager van rechten en plichten is, terwijl bestuurders en/of aandeelhouders naast de rechtspersoon ook zelf aansprakelijk zijn.
Uit deze twee uitgangspunten volgt een wat minder helder en minder vaak gearticuleerd derde uitgangspunt, namelijk dat de aandeelhouders de vennootschap voorzien van risicodragend vermogen. De aandeelhouder verschaft de vennootschap kapitaal door op aandelen te storten. Dit kapitaal vormt tezamen met de toevoegingen aan reserves, het eigen vermogen van de vennootschap. Men spreekt van risicodragend vermogen omdat de onderneming voor risico van de aandeelhouders wordt gedreven.5 Indien het goed gaat en de onderneming winst maakt, dan komt de winst toe aan de aandeelhouders, ofwel door dividenduitkeringen ofwel doordat de reserves toenemen en daarmee de waarde van de aandelen.6 Men zegt ook wel dat het upside potentieel toekomt aan de aandeelhouders.7 Indien het slecht gaat met de onderneming en deze verlies maakt, komen deze verliezen ten laste van het eigen vermogen van de vennootschap en komen zo ook ten laste van de aandeelhouders. Schuldeisers nemen een geheel andere positie in.
Schuldeisers van de vennootschap krijgen in principe niet meer betaald indien het goed gaat met de onderneming. Daartegenover staat dat indien het slecht gaat met de onderneming en de vennootschap insolvent verklaard wordt, het beschikbare actief van de vennootschap verdeeld wordt onder de schuldeisers. De aandeelhouders delen dan niet mee. In principe kunnen de aandeelhouders hun storting op aandelen of hun verlies op hun aandelen niet als vordering in de insolventieprocedure indienen. In insolventie bestaat namelijk een rangorde van schuldeisers. Eerst dienen de boedelschuldeisers te worden voldaan en daarna de faillissementsschuldeisers, steeds met inachtneming van hun eventuele, wettelijke rechten van voorrang. Slechts in het uitzonderlijke geval dat nog geld overblijft na voldoening van de boedelschuldeisers en de faillissementschuldeisers, komt dit ten goede aan de aandeelhouders. Niet als geverifieerde schuldeisers, maar als uiteindelijke gerechtigden tot het eigen vermogen van de rechtspersoon.8 Er bestaat een evenwicht waarbij de aandeelhouders gerechtigd zijn tot het upside potentieel maar niet delen in het downside scenario. Schuldeisers delen daarbij niet in het upside potentieel, maar dienen als eerste te worden voldaan in een downside scenario.
Deze paragraaf analyseert hoe een aandeelhouder vrijwillig een uitzondering maakt op de hier geformuleerde uitgangspunten indien hij de vennootschap niet financiert met kapitaal maar met leningen (§ 1.4.3.1) of garanties geeft aan bepaalde schuldeisers (§ 1.4.3.2). Daarbij zal ook aangegeven worden hoe schuldeisers hierdoor benadeeld kunnen worden.