NJB 2018/1893
Mensenhandel in de zin van art. 273f lid 1 aanhef en onder 5° Sr: er is – anders dan geldt ten aanzien van art. 273f lid 1 aanhef en onder 3° en 4° Sr – geen grond 'uitbuiting' naast de overige bestanddelen aan te merken als een impliciet bestanddeel van onderdeel 5°.
HR 02-10-2018, ECLI:NL:HR:2018:1823
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
2 oktober 2018
- Magistraten
Mrs. W.A.M. van Schendel, Y. Buruma en V. van den Brink
- Zaaknummer
16/04155
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2018:1823, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 02‑10‑2018
ECLI:NL:PHR:2018:138, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 20‑02‑2018
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑05‑2017
- Wetingang
(art. 273f Sr)
Essentie
Mensenhandel in de zin van art. 273f lid 1 aanhef en onder 5° Sr: er is – anders dan geldt ten aanzien van art. 273f lid 1 aanhef en onder 3° en 4° Sr – geen grond 'uitbuiting' naast de overige bestanddelen aan te merken als een impliciet bestanddeel van onderdeel 5°.
Uitspraak
Inleiding:
Verdachte is vrijgesproken van het tenlastgelegde (feit 3 primair onder B), inhoudende – kort gezegd – dat hij “in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (…) B) een ander of anderen, te weten [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.