Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.2
5.2 Inrichtingsvrijheid
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633518:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
O.a. Van Kooten 2017, p. 168, 169, Van der Ploeg 2014, p. 84 en Asser/Rensen 2-III 2017/379 sub b en 388.
Raaijmakers 2000, p. 357, 358.
Zie ook Hof Den Haag 16 juni 1986, r.o. 4.1, te vinden in HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 392.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I 2015/42; Van Kooten 2017, p. 169, 230, 231.
Oldenhuis 2015, p. 38.
Zo komt Hof Amsterdam 30 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1834, r.o. 3.31 en 3.40, tot de conclusie dat Stichting Maagdenhuis geen privaatrechtelijke stichting is, maar al vanaf 1855 een kerkelijke instelling is geweest en steeds een zelfstandig onderdeel van het RKK is gebleven en daardoor bij de invoering van Boek 2 BW als zelfstandig onderdeel als bedoeld in artikel 2:2 BW kwalificeerde; het feit dat de notaris deze instelling op 16 juli 1979 als stichting bij de KvK heeft geregistreerd, kan volgens het hof daarin geen verandering brengen. Deze zaak ligt bij de Hoge Raad.
Van der Ploeg 2014, p. 385.
Van Kooten 2017, p. 169; Van Kooten 2014, p. 353.
Van Kooten 2014, p. 354.
Rechtbank Arnhem 30 januari 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BC3090, r.o. 5.14 en 5.16.
Een belangrijk kenmerk van een geestelijk genootschap betreft de inrichtings- en organisatievrijheid. Zoals uit paragraaf 4.4.3 bleek, zijn op grond van de EHRM-rechtspraak beperkingen op deze vrijheden slechts toegestaan binnen de beperkingssystematiek van artikel 9, lid 2 EVRM. Om de inrichtingsvrijheid vorm te geven staan voor een niet-religieuze levensbeschouwelijke organisatie de rechtsvormen vereniging of stichting open. Een geloofsgemeenschap heeft daarnaast de rechtsvorm kerkgenootschap als optie.
Het kerkgenootschap kent een grote mate van organisatievrijheid. De vraag komt op of de organisatievrijheid van een kerkgenootschap zover gaat dat het de wettelijke inrichtingseisen voor een rechtsvorm terzijde kan schuiven. Kan een geloofsgemeenschap bijvoorbeeld zowel de rechtsvorm kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 BW hebben als de rechtsvorm stichting van titel 2.6 BW? De meeste auteurs beantwoorden die vraag ontkennend,1 maar volgens Raaijmakers is dit wel mogelijk.2 Het komt mij echter vreemd voor dat een entiteit tegelijkertijd meerdere rechtsvormen kan aannemen.3 Uit het gesloten stelsel van rechtsvormen volgt nu eenmaal dat een kerkgenootschap of een zelfstandig onderdeel ervan niet tegelijkertijd een stichting of vereniging kan zijn.4
In de praktijk komt het wel voor dat een kerkgenootschap een zelfstandig onderdeel opricht en in de benaming daarvan ‘(kerkelijke) stichting’ opneemt, maar deze benaming kan naar derden toe verwarrend werken. Kerkelijke stichtingen hadden een bijzondere status onder de inmiddels vervallen Wet op stichtingen 1956: ze bezaten rechtspersoonlijkheid maar vielen niet onder de wettelijke regeling voor privaatrechtelijke stichtingen (art. 28). Deze afzonderlijke categorie bestaat niet meer sinds de invoering van het stichtingenregime in het huidige BW in 1976, dat de Wet op stichtingen 1956 verving.5 Sindsdien vormen kerkelijke stichtingen ofwel een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 BW of ze zijn een privaatrechtelijke stichting, die onder het stichtingenregime van het BW valt.6 Pas als in de notariële oprichtingsakte van die kerkelijke stichting uitdrukkelijk is bepaald dat het om een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap gaat, is volgens Van der Ploeg het stichtingenregime van het BW niet van toepassing op dit zelfstandig onderdeel.7
Een kerkgenootschap kan een deel van zijn activiteiten in een stichting of vereniging onderbrengen en die rechtspersoon als een deel – nota bene: geen ‘zelfstandig onderdeel’ – van de religieuze organisatie beschouwen. Voor de gehanteerde rechtsvorm geldt dan het desbetreffende regime van boek 2 BW en is rechtspersoonlijkheid (als bijvoorbeeld zelfstandig onderdeel) krachtens artikel 2:2 BW niet meer mogelijk. De aan het kerkgenootschap gelieerde stichting of vereniging valt ook niet onder de institutionele autonomie van dat kerkgenootschap. Uitoefening van zeggenschap van het kerkgenootschap in die gelieerde stichting of vereniging is evenwel mogelijk door bepalingen daarover op te nemen in de statuten van die rechtspersoon, zoals over de samenstelling van het bestuur of de wijziging van de statuten. Het kerkgenootschap (of functionarissen daarvan) vormt dan een orgaan van de stichting of vereniging.8
Terughoudendheid van de rechter is echter geboden bij een oordeel over de interne zaken van een stichting of vereniging die op religieuze leest is geschoeid. Dit vloeit niet voort uit de organisatievrijheid van kerkgenootschappen op grond van artikel 2:2 BW, maar uit de samenhang van artikel 11 en 9 EVRM, die elke levensbeschouwelijke organisatie maximale vrijheid biedt voor de vormgeving van de interne organisatie.9 Als een religieuze organisatie voor haar rechtsvorm een stichting of vereniging heeft gekozen, dan is op die rechtspersoon weliswaar zowel het religieuze recht als het burgerlijk recht van toepassing, maar bij strijdigheid van beide stelsels prevaleren de wettelijke regels voor die rechtsvorm. De volgorde van het toepasselijke recht voor die religieuze stichting of vereniging is dan als volgt: het dwingende recht van het BW voor die rechtsvorm, gevolgd door de statuten, vervolgens de interne regelgeving van de geloofsgemeenschap voor zover de statuten daarnaar verwijzen, en tot slot het aanvullende recht van het BW.10