HR, 03-09-2010, nr. 10/01759
ECLI:NL:HR:2010:BM7149
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
03-09-2010
- Zaaknummer
10/01759
- Conclusie
Mr. J. Spier
- LJN
BM7149
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BM7149, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 03‑09‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM7149
ECLI:NL:PHR:2010:BM7149, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 01‑06‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM7149
- Wetingang
art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑09‑2010
Inhoudsindicatie
WSNP. Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling op grond van art. 288 lid 1, aanhef en onder b, F. (81 RO).
3 september 2010
Eerste Kamer
10/01759
DV/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. A.C.E.G. Cordesius.
Verzoekster tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 347781/FT RK 09-2210 van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 maart 2010,
b. het arrest in de zaak 200.059.988/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 april 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 3 september 2010.
Conclusie 01‑06‑2010
Mr. J. Spier
Partij(en)
Verkorte conclusie inzake
[Verzoekster]
1.
In zijn arrest van 20 april 2010 heeft het Hof 's‑Gravenhage het vonnis van de Rechtbank 's‑Gravenhage van 12 maart 2010, waarbij [verzoekster]'s verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen, bekrachtigd (op twee zelfstandige gronden). Tegen dat arrest is tijdig cassatieberoep ingesteld.
2.
Volgens het Hof is onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoekster] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van haar schulden (art. 288 lid 1 aanhef en onder b, Fw). Volgens het Hof is niet gebleken van omstandigheden die, ondanks het ontbreken van de goede trouw, toelating rechtvaardigen (rov. 5 en 6 eerste vier alinea's). De — in mijn ogen — kernklacht tegen dit oordeel (‘uit de lengte of uit de breedte’) ziet eraan voorbij dat het Hof niet heeft aangenomen dat [verzoekster] maandelijks € 50 aflost op de schuld die uit misdrijf voortvloeit (rov. 6 tweede alinea).
3.1
Bovendien geeft het Hof aan dat en waarom onvoldoende duidelijk is dat [verzoekster] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. Door de verwijzing naar art. 288 lid 1 aanhef en onder c Fw. bedoelt het Hof klaarblijkelijk tot uitdrukking te brengen dat een en ander niet voldoende aannemelijk is; zie rov. 6 laatste alinea. Dat het Hof dit aldus heeft bedoeld, blijkt met name ook uit de omstandigheid dat wordt vermeld dat [verzoekster] eigener beweging budgetbeheer heeft beëindigd. Bovendien moet de in lid 1 genoemde nakoming voldoende aannemelijk zijn. Als sprake is van (relevante) onduidelijkheid kan de vereiste aannemelijkheid bezwaarlijk worden aangenomen.
3.2
Art. 288 lid 1 onder c Fw. spreekt niet alleen van nakoming van de verplichtingen, maar ook van het zich inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De verwijzing in rov. 6 naar dit artikellid zou zo kunnen worden begrepen dat het Hof ook daarop het oog heeft, al blijkt dat verder niet uit zijn motivering. De vraag wat het Hof op dit punt precies voor ogen heeft gestaan, kan m.i. blijven rusten omdat de hier bedoelde verplichting onderdeel is van de algemene verplichtingen die daaraan voorafgaand in lid 1 onder c worden genoemd.1.
4.
's Hofs onder 3.1 vermelde oordeel, dat in cassatie niet wordt bestreden, kan 's Hofs arrest zelfstandig dragen. De klachten missen daarom belang, wat daarvan en van 's Hofs motivering verder ook zij.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑06‑2010