Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/5.8
5.8 De heffing van dividendbelasting over de opbrengst van hybride geldleningen
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS305588:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 5 (Nota), p. 50.
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8 (Nota), p. 44.
In dezelfde zin M.L. Molenaars, ‘De behandeling van hybride leningen en convertibles onder het wetsvoorstel Werken aan winst’, WFR 2006/6686, p. 1075. Zie ook R.J. de Vries, ‘Economische tegenwind en fiscaliteit: kwijtschelding, omzetting en hybridisering van (onvolwaardige) vorderingen’, TFO februari 2004, p. 10. Anders Van Strien die meent dat art. 3, lid 1, onderdeel a, Wet DB 1965 op de rente op dergelijke leningen van toepassing is. J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 230.
Voor 2002 werd in art. 3, lid 1, onderdeel f, Wet DB 1965 bepaald dat tot de opbrengst behoorde de ‘rente van obligaties waarop tevens uitdelingen kunnen geschieden, welke hetzij van de winst, hetzij van de uitdelingen van winst afhankelijk zijn’. Op grond van deze bepaling was het verdedigbaar om de winstdelende rente op een hoofdsom slechts dan aan dividendbelasting te onderwerpen wanneer de crediteur deze rente als deelnemer genoot. Dat was het geval wanneer werd voldaan aan de criteria van BNB 1998/208c*.
Sinds 2002 is in het nieuwe art. 3, lid 1, onderdeel f, Wet DB 1965 bepaald dat tot de opbrengst behoren ‘vergoedingen op geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969’. Het object van heffing voor de dividendbelasting is de vergoeding die daadwerkelijk is voldaan. Wanneer de vergoeding onzakelijk is en dus voor het bepalen van de winst moet worden ontdaan van aandeelhoudersinvloeden is heffing van dividendbelasting over deze gecorrigeerde fictieve vergoeding niet aan de orde.1
Art. 3, lid 1, onderdeel f, Wet DB 1965 omvat ook na 2006 de vergoeding op geldleningen als bedoeld in art. 10, lid 1, onderdeel d, Wet VPB 1969. Vanaf 2007 is het bereik van de laatstgenoemde bepaling echter beperkt tot de deelnemerschapslening. Dat geldt evenzeer voor art. 3, lid 1, onderdeel f, Wet DB 1965.
De schijnlening en de bodemloze putlening vallen echter niet onder het bereik van art. 3, lid 1, onderdeel f, Wet DB 1965.2 De vergoeding op een schijnlening of een bodemloze putlening is daarom alleen onderworpen aan dividendbelasting als zij kan worden aangemerkt als de opbrengst van aandelen of winst
bewijzen als bedoeld i n art. 1 Wet DB 1965. Of de rechter deze stap zal willen zetten, is op zijn minst twijfelachtig.3