Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.3.2
IV.3.2 Internationale verhoudingen en nationale rechtsmacht
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS374916:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Pb 2001, L12.
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Brussel, 27 september 1968, Trb. 1969, 101. Het EEX-Verdrag trad voor Nederland in werking op 1 februari 1973 (Rijkswet van 4 mei 1972, Stb. 1972, 251) en is nadien vele malen gewijzigd. Indien een land toetrad tot de EG, werden afzonderlijke toetredingsverdragen gesloten teneinde deze nieuwe lidstaat tevens te verbinden aan het EEX-Verdrag. Dit tijdrovende systeem van nieuwe toetredingsverdragen is één van de redenen geweest om de materie over te hevelen naar het communautaire EG-recht. De EEX-Vo werkt als zodanig in Nederland, zij heeft directe werking. Zie over de omzetting van verdrag naar verordening: Vlas (2000), p. 745-753.
Het EEX-Verdrag blijft gelden voor alle vorderingen die voor de inwerkingtreding van de EEX-Vo (dus voor 1 maart 2002) zijn ingesteld, zie de overgangsbepaling in art. 66 EEX-Vo. Overigens had Denemarken eerst een uitzonderingspositie, maar per 1 juli 2007 is deze lidstaat ook onderworpen aan het regime van de EEX-Vo. Ik laat de toepasselijkheid van het EEX-Verdrag (zo mogelijk) verder buiten beschouwing en beperk mij tot de bepalingen van de EEX-Vo. In de verhouding tot Zwitserland, Noorwegen en IJsland geldt het EVEX-Verdrag (Verdrag van Lugano); Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Lugano 16 september 1988, Trb. 1989, 58, voor Nederland in werking getreden op 1 januari 1992 (nadien vele malen gewijzigd). Het EVEX-Verdrag wordt ook het Parallelverdrag genoemd omdat de tekst praktisch gelijk is aan de tekst van het EEX-Verdrag. Het EVEX-Verdrag is inmiddels herzien en aangepast aan de tekst van de EEX-Vo, en dit EVEX-IIVerdrag is op 1 januari 2010 in werking getreden. Zie Losbl. Rv. (Vlas), EEX-Vo, aant. 5.
De eiser volgt de rechter (van de woonplaats) van de gedaagde.
De ratio achter art. 60 EEX-Vo is het voorkomen van negatieve jurisdictieconflicten. Zulks is overigens anders onder het EEX-Verdrag. De geadieerde rechter diende de eigen ipr-regels toe te passen, aldus art. 2 jo. 53 EEX-Verdrag. Zie verder Van Solinge en Bulten (2002), p 120-127; en Vlas (2009), nr. 178-210.
Rb. Amsterdam 9 juli 2008 (Darenales/Millennium). Zie over deze uitspraak ook § IV.5.4.
De woonplaats van de pandhouder die tevens een vennootschap is, is vast te stellen aan de hand van art. 60 EEX-Vo. Lid 1 kent drie mogelijkheden: (i) de statutaire zetel; (ii) de residentie van het hoofdbestuur of (iii) de hoofdvestiging. Indien de Luxemburgse pandhouder het 'centrum van haar bestuurs- of bedrijfsactiviteiten' in Amsterdam heeft, kan worden aangeknoopt bij het tweede respectievelijk het derde criterium en is de Amsterdamse rechter inderdaad bevoegd. Zie verder Vlas (2009), nr. 178-182.
Een procesrechtelijke oplossing zie ik helaas niet direct. Mogelijk voldoet de eisende aandeelhouder aan de drempels van art. 2:346 BW en kan hij met een enquêteprocedure trachten een doorbraak te forceren. Zie over de verhouding tussen de geschillenregeling en het enquêterecht § VII.3.
In internationale verhoudingen is voor de bepaling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter allereerst de EEX-Verordening (`EEX-Vo') van belang.1 Deze Europese verordening, ook wel Brussel I genoemd, is per 1 maart 2002 in werking getreden en behelst een omzetting van het al dertig jaar geldende EEX-Verdrag.2 Ten aanzien van het beantwoorden van de hiervoor opgeworpen bevoegdheidsvraag zijn de in de EEX-Vo en het EEX-Verdrag neergelegde regels nagenoeg gelijkluidend.3
Ik onderscheid twee situaties. In het eerste geval woont of zetelt de gedaagde aandeelhouder niet in Nederland, maar in een andere lidstaat van de Europese Unie. De EEX-Vo geldt dan onverkort. Voor het dagvaarden van deze buitenlandse EUaandeelhouder geldt het adagium actor sequitur forum rei.4Art. 2 EEX-Vo bepaalt dat zij die hun woonplaats hebben in een lidstaat, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Voor het antwoord op de vraag waar deze woonplaats van de gedaagde aandeelhouder zich bevindt, geven art. 59 EEX-Vo (voor natuurlijke personen) en art. 60 EEX-Vo (voor rechtspersonen) aanknopingspunten.
Anders dan in het EEX-Verdrag, wordt in de EEX-Vo de woonplaats van een gedaagde rechtspersoon `verordeningsautonoom' uitgelegd. Art. 60 lid 1 EEX-Vo geeft drie aanknopingspunten voor de woonplaats van een gedaagde rechtspersoon: de plaats van de statutaire zetel, het hoofdbestuur of de hoofdvestiging.5 Indien de buitenlandse EU-aandeelhouder dus een hoofdvestiging in Nederland heeft, bevindt de woonplaats zich ook in Nederland. Dit brengt met zich dat deze aandeelhouder ex art. 2 EEX-Vo gedagvaard kan worden voor de Nederlandse rechter. Hierbij doen zich mogelijkerwijs positieve jurisdictiegeschillen voor. De statutaire zetel van de gedagvaarde aandeelhouder kan zich bevinden in Denemarken, terwijl het hoofdbestuur in Nederland resideert. Indien een vordering vervolgens bij rechtbanken in verschillende landen aanhangig wordt gemaakt, is het mogelijk dat meer dan één rechter zich bevoegd acht. Art. 27 tot en met 29 EEX-Vo geven aan welke rechter zich alsdan bevoegd dan wel onbevoegd moet achten.6
Als de woonplaats van de gedaagde aandeelhouder op grond van art. 59 of 60 EEX-Vo zich niet in Nederland bevindt, kan hij de bevoegdheid van de Nederlandse rechter betwisten.
De Nederlandse rechter onderkent bevoegdheidsproblemen niet altijd. Een mooi voorbeeld is de casus Darenales/Millennium.7
Darenales hield 96% van de aandelen in een Nederlandse BV, waarvan het grootste deel was verpand aan de Luxemburgse vennootschap Millennium. Omdat Darenales op enig moment de aan haar verstrekte lening niet terugbetaalde, verkreeg Millennium de stemrechten op de verpande aandelen (art. 2:198 lid 3 BW). Darenales vreesde dat met een verkoop van de aandelen een faillissement van de BV het resultaat zou zijn en stelde de vordering tot gedwongen overgang van stemrecht van art. 2:342 BW in. In het incident vorderde zij de schorsing van het stemrecht van Millennium, omdat zij met de stemrechtverhoudingen in de aandeelhoudersvergadering eenvoudig de goedkeuring tot verkoop van de aandelen zou verkrijgen. De Nederlandse rechter, in casu de rechtbank te Amsterdam, wees uiteindelijk de vordering af, maar ging niet in op haar mogelijke onbevoegdheid. De gedagvaarde pandhouder Millennium was immers een vennootschap naar het recht van Luxemburg.
De EEX-Vo is in deze zaak van toepassing, zie art. 1 EEX-Vo. De rechtsmacht-kwestie dient beoordeeld te worden aan de hand van de in de verordening neergelegde bevoegdheidsregels. Het is verdedigbaar dat Millennium de bevoegdheid van de Nederlandse rechter accepteert bij wijze van 'stilzwijgende forumkeuze', omdat zij in de procedure verscheen en niet de exceptie van onbevoegdheid opwierp. Art. 24 EEX-Vo erkent een dergelijke rechtsmachtkeuze. Een eventuele onbevoegdheid van de geadieerde rechter wordt zo met het voeren van verweer `gedekt'.8
Had Millennium de bevoegdheid wel betwist, dan was volgens mij de rechtbank Amsterdam als rechtbank van de plaats van vestiging waarin de aandelen worden gehouden niettemin bevoegd. De exclusieve jurisdictiebepaling van art. 22 sub 2 EEX-Vo geldt naar mijn mening namelijk voor de vordering ex art. 2:342 BW. Zie verder § IV.3.3.
De tweede variant is het instellen van een geschillenregelingvordering tegen een buitenlandse aandeelhouder, woonachtig of gezeteld buiten de EU. Stel dat de buitenlandse aandeelhouder in Singapore is gevestigd. Art. 4 EEX-Vo bepaalt dat in zo'n geval de bevoegdheid in elke lidstaat geregeld wordt door de wetgeving van die lidstaat. Er wordt dus teruggegrepen naar het commune bevoegdheidsrecht. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter wordt derhalve bepaald door art. 1-14 Rv. Voor de geschillenregeling geldt in beginsel de regeling voor de dagvaardingsprocedure van art. 2 Rv: de Nederlandse rechter heeft rechtsmacht, indien de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Deze hoofdregel biedt met een buitenlandse (Singaporese) aandeelhouder geen soelaas. De additionele grond voor rechtsmacht van art. 6 sub h Rv biedt mogelijk uitkomst, al is dit onzeker.9 De slotsom zal waarschijnlijk zijn dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd dient te verklaren, zodra de Singaporese aandeelhouder de exceptie van onbevoegdheid inroept. Of vervolgens de Singaporese rechter zich bevoegd acht, is vers twee. Indien hij concludeert dat hem geen rechtsmacht toekomt, is sprake van een negatief jurisdictiegeschil. De aandeelhouders blijven dan tot elkaar veroordeeld.10
Bovenstaande voorbeelden illustreren dat voor een Nederlandse vennootschap met een in het buitenland gevestigde aandeelhouder, de vraag welke rechter rechtsmacht toekomt bij het instellen van een geschillenregelingvordering, niet altijd eenvoudig te beantwoorden is. Er kan sprake zijn van toepassing van Nederlands materieel recht door een buitenlandse rechter, er spelen litispendentievraagstukken alsook positieve en negatieve jurisdictieproblemen. Ingewikkelde en langdurige procedures die het uiteengaan van de ruziënde aandeelhouders nodeloos vertragen, zijn een ongewenst gevolg van deze complicaties. Mijns inziens hoeven deze ongewenste bevoegdheidsproblemen zich echter niet voor te doen. Er bestaat een verdedigbare eenvoudige oplossing.