De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.3.6
2.3.6 De relatieve kant van de rechtsverhouding
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS383603:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Van der Heijden 1928.
Van der Heijden 1928, p. 93-94.
Van der Heijden 1928, p. 94. Onder verwijzing naar Meijers 1907.
Van der Heijden 1928, p. 95 gaf het voorbeeld van de minderjarige die eigenaar was, maar niet handelingsbevoegd, en de voogd die handelingsbevoegd was, maar geen eigenaar. De voogd kon een handeling ten behoeve van de minderjarige uitvoeren, dan waren er twee subjecten op verschillende wijze bij de handeling betrokken en kwam de handeling hen beide toe. Subjecten bij een rechtsbetrekking konden een verschillende hoedanigheid hebben, een verschillend belang bij de betrekking.
Van der Heijden 1928, p. 96. Van der Heijden gebruikte niet de term object van de rechtsverhouding omdat deze meestal gebruikt werd om de inhoud van een rechtsbetrekking mee aan te duiden, zie noot 8 op p. 96.
Van der Heijden 1928, p. 97.
Van der Heijden 1928, p. 97-98.
Van der Heijden 1928, p. 98.
Kisch 1932.
Kisch 1932, p. 209-212.
Kisch 1932, p. 233 legde dit vast in de formule: “Zakelijk recht is persoonlijk recht met toegevoegde kwalificatie.” Rank-Berenschot 1992, p. 53-54 ging in haar bespreking van het onderzoek van Kisch in op de nadruk die deze legde op het volgrecht, het kwalitatieve aspect van zakelijke rechten, en stelde dat het onderzoek naar het alomvattende criterium voor het onderscheid niet over de inhoud van de rechten ging, maar over een bepaald gevolg.
Suijling 1940, p. 1, waar het onderscheid tussen absolute en persoonlijke rechten helder werd beschreven in termen van economische waarde. Absolute vermogensrechten rustten op een object dat een bepaalde economische waarde had en bestonden uit bevoegdheden van de gerechtigde ten aanzien van dat object die door iedereen geëerbiedigd moesten worden. Persoonlijke vermogensrechten bestonden uit vorderingsrechten, uit een aanspraak op een prestatie van economische waarde van een crediteur jegens een debiteur.
Suijling 1940, p. 9.
Suijling 1940, p. 339-340. Nadruk toegevoegd.
Suijling 1940, p. 340.
Suijling 1940, p. 368-369.
Suijling 1940, p. 78. Zie ook p. 371, waar de canon wordt aangeduid als ‘een persoonlijke schuldplichtigheid (…) [zonder] zakelijk karakter’.
Suijling 1940, p. 370. Vergelijk p. 375 over het recht van opstal: “Opstal is een zakelijk recht, dat den opstaller volmaakt dezelfde macht over het goed van den eigenaar geeft als erfpacht aan den erfpachter. Dat erfpacht den erfpachter de bevoegdheid schenkt – bevoegdheid, waarin art. 758 oogenschijnlijk het recht van opstal laat opgaan – naar hartenlust te bouwen en te planten, kan toch met volstrekte zekerheid uit art. 767, 768, 770 lid 2 worden afgeleid. (…) De tusschen erfpacht en opstal bestaande verschillen raken dus uitsluitend de regeling van de obligatoire betrekking, welke eigenaar en zakelijk gerechtigde samenbindt. Voor een deel zijn die verschillen slechts schijnbaar. Op het stuk van den canon bestaat eigenlijk geenerlei onderscheid, want al mag art. 767 den canon een bestanddeel van de erfpacht noemen, de erfpachter heeft evenmin als de opstaller ooit een canon te betalen, indien deze niet bedongen is.” De facto vormde de opstalvergoeding bij het einde van het recht het enige verschil tussen de rechten van erfpacht en opstal.
Asser/Scholten 1945, p. 35-36. Nadruk in origineel.
Pitlo 1949, p. 327. Deze eerste druk was een bewerking van het handboek van Veegens/Opperheim, deel II over het zakenrecht uit 1919, zie de studie van Meihuizen onder meer besproken door Jansen 2007.
Vgl. Veegens & Oppenheim 1919, p. 140-141 waar gesteld werd dat erfpacht voor ontginning van woeste gronden leed aan ‘innerlijke tegenstrijdigheid’. En op p. 140: “De pacht, die in den regel bestaat in eene geldelijke uitkeering en dan veelal met het latijnsche woord canon bestempeld wordt, dient ook als erkenning van den eigendom van den grondeigenaar en behoort tot het wezen van het recht.”
Pitlo 1949, p. 327-330. De canon was wel een economische tegenprestatie, maar geen juridische zoals huur dat wel was. Ik vind dit verschil vergezocht, verdedigbaar is dat de tegenprestatie van de huurprijs een essentieel element van een huurverhouding was conform art. 1584 OBW. Vgl. Veegens & Oppenheim 1919, p. 143: “Gewoonlijk wordt uit het artikel [art. 775 OBW] afgeleid, dat de eigenaar, voor de richtige betaling van de pacht, zakelijk zekerheid in het erfpachtsrecht wordt toegekend naast zijne persoonlijke vordering tegen den erfpachter.”
Asser/Scholten 1945, p. 36 en 301. Het ontbreken van een wettelijke regeling voor een vergoeding bij opstal volgde uit de historie van het (afhankelijke) recht: “Wie de historische uiteenzetting boven gegeven gevolgd heeft, begrijpt waarom de wet niet van een vergoeding door den opsteller te betalen spreekt. Deze is geenszins essentieel. Het is mogelijk, dat een vergoeding voor het recht van opstal zit in huurprijs of erfpachtscanon, het is ook mogelijk, dat zij ontbreekt, het recht tegen betaling van een som in eens is verleend.”
Meijers 1948, p. 270.
Meijers 1948, p. 270. Meijers wees er in een noot op dat men bij abstracte verbintenissen zoals de obligatie aan toonder een overeenkomst met zakelijke rechten aantrof. Zie ook p. 277-278 over de discussie bij de invoering van het pachtrecht over de vraag of pacht een zakelijk of een persoonlijk recht moest worden. Een reden om pacht niet als een zakelijk recht te definiëren was de noodzaak om dan vele bepalingen in het BW te wijzigen. En ‘(…) alsmede of men bij het instellen van een zakelijke actie door de pachter nog van een geschil betrekkelijk een pachtovereenkomst kon spreken en niet veeleer, evenals bij het erfpachtsrecht, het contract met de vestiging van het zakelijk recht als beëindigd moest beschouwen’.
Meijers 1948, p. 314-315. Bij de indeling van overeenkomsten naar hun inhoud werd de overeenkomst tot vestiging van een recht van erfpacht ingedeeld bij de overeenkomsten die tot het verrichten van rechtshandelingen verplichtten, daarbinnen bij de overeenkomsten die strekten tot het vestigen van beperkte rechten met absolute bescherming die alleen op lichamelijke zaken konden worden gevestigd.
Meijers 1948, p. 273. Nadruk toegevoegd.
In gelijke zin betoogde Fischer 1949 dat art. 782 OBW door de wetgever was bedoeld om alle afspraken die tussen erfverpachter en erfpachter bij vestiging waren gemaakt en die waren vastgelegd in de vestigingsakte, geldigheid jegens de rechtsopvolgers onder bijzondere titel van beide partijen te verlenen, mits de vestigingsakte was ingeschreven in de openbare registers, p. 591: “Enige in boek II B.W. vermelde bedingen, die, hoewel verbonden aan bepaalde zakelijke rechten, niettemin onderdeel zijn van een obligatoire overeenkomst, werken, mits in de openbare registers gepubliceerd, krachtens uitdrukkelijk wetsvoorschrift ook tegen derden: (...) de in art. 736 en 782 B.W. bedoelde bedingen bij erfdienstbaarheid en erfpacht.”
De gedachte dat de rechtsverhouding bij beperkte rechten zowel een zakelijke als een relatieve kant heeft werd reeds in 1928 verwoord door de Nijmeegse hoogleraar E.J.J. van der Heijden (1885-1941). In zijn visie diende de rechtsverhouding het uitgangspunt te vormen voor de juridische dogmatiek in plaats van het strikte onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht, tussen zakelijke rechten jegens eenieder en verbintenissen jegens een bepaalde persoon.1 Het recht diende volgens Van der Heijden menselijke gedragingen en dan met name maatschappelijke gedragingen dwingend te regelen door aan een of meer betrokkenen bij zo’n gedraging verplichtingen op te leggen ten behoeve van een of meer andere betrokkenen.2 Elk subjectief recht vormde een bevoegdheid of een complex van bevoegdheden voor de drager ervan en de dogmatiek moest de complexiteit van alle rechtsverschijnselen omvatten.3 In zijn systematiek van rechtsbetrekkingen waren bij elke rechtsbetrekking personen, ook rechtspersonen, betrokken, maar niet steeds op gelijke wijze.4 Het ‘object’ van de rechtsbetrekking kon een zaak of een handeling zijn:
“Een formule als die van het superficies cedit solo, de erfdienstbaarheidsfiguren en zooveel andere constructies in het zakenrecht leveren voorbeelden van werkelijke rechtsbetrekkingen tusschen andere dan persoonlijke subjecten en betrokken termen.”5
Bij elke rechtsbetrekking waren personen betrokken op wie bevoegdheden en plichten werden gelegd en daarnaast konden derden bij die rechtsverhouding betrokken zijn aan wie eveneens bevoegdheden en plichten werden toegekend. Het objectieve recht in de vorm van het Burgerlijk Wetboek stelde subjectieve rechten en rechtsplichten als rechtsbetrekkingen voor en rekende onder de zaken zowel goederen als rechten, wat niet strookte met het gewenste uitgangspunt. Van der Heijden verwierp het onderscheid tussen absolute en relatieve rechten omdat ook de relatieve rechten door derden dienden te worden geëerbiedigd. Zowel absolute rechten als verbintenissen hadden in zijn visie een relatieve en een absolute zijde, elke rechtsbetrekking omvatte bevoegdheden en verplichtingen en was deels van relatieve en deels van absolute aard.6
De zakelijke rechten waren absolute rechtsverhoudingen omdat de betrokken personen onbepaald waren, zij hadden een zaak als object en als inhoud de in de wet genoemde rechten en verplichtingen. De rechtsbetrekkingen die Van der Heijden ‘samengestelde rechtsbetrekkingen’ noemde waren absoluut en relatief tegelijk, bijvoorbeeld wanneer een rechtspersoon, die op zichzelf bestond uit een verbintenis tussen personen, als subject in een rechtsbetrekking optrad. Een ander voorbeeld vormden beperkte zakelijke rechten waarbij het ene recht betrekking had op het andere, zoals bij eigendom en vruchtgebruik op een recht (respectievelijk art. 555 en 811 OBW) of bij hypotheek op vruchtgebruik, erfpacht, opstal of grondrenten (art. 1210 OBW).7 Deze rechtsbetrekkingen waren niet uitsluitend absoluut en ook niet uitsluitend relatief, maar tegelijk absoluut en relatief, wat Van der Heijden aanduidde als ‘samengesteld’. In zijn visie diende de civiele dogmatiek de rechtsbetrekking centraal te stellen in plaats van het subjectieve recht, waarmee dan een stelsel kon worden opgebouwd dat het geheel der rechtsverschijnselen omvatte ‘en daardoor tegelijk den beoefenaar van het civiel- en dien van het publiek recht bevrediging kan schenken.’8 Deze visie op de absolute en relatieve zijde van iedere rechtsverhouding vormde aan het begin van de twintigste eeuw een nieuwe bijdrage aan de dogmatiek die pas jaren later werd uitgewerkt.
Ook Kisch zag in zijn onderzoek naar het onderscheid tussen zakelijke en persoonlijke rechten dat aan een zakelijk recht van bijvoorbeeld grondrente twee kanten waren te onderscheiden.9 De rechthebbende had een kwalitatief persoonlijk vorderingsrecht jegens degene die eigenaar was van de onroerende zaak, maar tevens een zakenrechtelijk recht op de onroerende zaak en deze rechten bestonden naast elkaar.10 Dat de rechthebbende zijn rendement op de onroerende zaak verkreeg via de persoon van de eigenaar van die zaak maakte alleen een gradueel verschil met bijvoorbeeld een recht van erfpacht. Zakelijke rechten waren in deze variant op de respectleer kwalitatief bepaalde persoonlijke rechten.11 Wat mij opvalt in de benadering van Kisch is dat rekening werd gehouden met het feit dat er bij beperkte rechten twee gerechtigden tot dezelfde zaak waren en dat de verhouding van de eigenaar tot de beperkt gerechtigde een andere was dan die van de eigenaar tot alle willekeurige derden.
De Utrechtse rechtsgeleerde J.P. Suijling (1869-1962) beschouwde in zijn handboek zakenrecht uit 1940 alle rechtsbetrekkingen als juridische constructies die dienen tot een beter begrip van het recht. Hij handhaafde het onderscheid tussen persoonlijke en zakelijke rechten omdat de aanspraak op een prestatie en de bevoegdheid tot heerschappij over een zaak te verschillend waren om in één en dezelfde categorie te plaatsen.12 Bovendien werden de twee soorten rechten beheerst door verschillende beginselen. In zijn visie was een beperkt recht geen afsplitsing van het onbeperkte eigendomsrecht, maar een geheel zelfstandig recht dat een vergelijkbare macht over de zaak verleende als de eigendom, weliswaar in mindere mate, maar met voorrang op de eigendom zodat de eigenaar de bevoegdheden die de erfpachter had verkregen niet meer kon uitoefenen.13 Suijling was daarbij van oordeel dat zakelijke rechten een bron konden zijn van verbintenissen. Na de vestiging van een beperkt recht van erfpacht hadden erfpachter en erfverpachter met elkaars belangen rekening te houden en in dat kader werden hen obligatoire verplichtingen opgelegd. Dit werkte als volgt:
“De belasting van een goed met een beperkt zakelijk recht bewerkt een feitelijke splitsing van den eigendom. Tusschen den eigenaar en den zakelijk gerechtigde zijn de in vollen eigendom begrepen bevoegdheden voortaan verdeeld. Bij de uitoefening van de aan elk hunner toekomende macht hebben zij met elkanders recht te rekenen. Daarom worden aan den eigenaar en den zakelijk gerechtigde over en weer of althans aan den zakelijk gerechtigde tegenover den eigenaar bepaalde obligatoire verplichtingen opgelegd. Met de soort van het zakelijk recht varieert de inhoud der verbintenis. De vruchtgebruiker b.v. is tegenover den eigenaar op geheel andere wijze verbonden dan den hypotheekhouder; de servituut-gerechtigde op geheel andere wijze dan de erfpachter. Soms is de inhoud der verbintenis uiterst beperkt. Geheel ontbreken doet deze evenwel nooit. Met het bestaan van een zakelijk recht is altijd tegelijkertijd een – min of meer uitgebreide – wettelijke obligatoire relatie tusschen eigenaar en zakelijk gerechtigde gegeven. In het algemeen is het aan de partijen overgelaten, in afwijking van de wet, hare met het karakter van het zakelijk recht samenhangende obligatoire relaties naar goedvinden te regelen. Het gaat hier dus om aan de willekeur der betrokkenen onderworpen verbintenissen (o.a. art. 764, 782, 867). Aangezien zij den eigenaar en den zakelijk gerechtigde als zoodanig binden, bezitten zij aan beide zijden kwalitatief karakter.”14
De wetgever had naar de mening van Suijling het strikte onderscheid tussen de zakenrechtelijke en de obligatoire relatie tussen erfpachter en erfverpachter veronachtzaamd en de obligatoire betrekkingen tussen partijen onvoldoende geregeld.15 De wettelijke bepalingen versterkten alleen de positie van de erfverpachter met voorschriften zoals de obligatoire verplichtingen voor de erfpachter de canon en de lasten die op de grond drukten te betalen, de waarde van de grond niet te verminderen en het onderhoud voor zijn rekening te nemen. Daarnaast konden in de vestigingsakte nog meer verplichtingen voor de erfpachter zijn opgenomen.16 Ook de aanspraak op de vruchten van een onroerende zaak moest als een obligatoire rechtsbetrekking worden beschouwd en dat gold eveneens voor de canonverplichting van de erfpachter jegens de grondeigenaar:
“Deze vruchten (...) bestaan in persoonlijke rechten, n.l. in aanspraken op zekere prestatie. En zij worden door obligatoire rechtsbetrekkingen voortgebracht. Ook b.v. de pachttermijn en de canon worden toch verschuldigd krachtens de persoonlijke rechtsbetrekking, tusschen den eigenaar en den huurder of den erfpachter gevestigd.”17
Naar de mening van Suijling was de canonverplichting uitsluitend obligatoir en vormde de canon geen essentiale van het erfpachtrecht zoals op dat moment de heersende leer was. Hij achtte de wettelijke omschrijving uit art. 767 OBW gebrekkig, niet alleen omdat in de zakenrechtelijke definitie een obligatoire verplichting was opgenomen, maar ook omdat uit art. 782 OBW reeds volgde dat de canonverplichting geen onmisbaar element van het erfpachtrecht was. Art. 782 OBW sloot geen enkele andere bepaling uit zodat een recht van erfpacht ook zonder canonverplichting mogelijk was.18 Suijling maakte met deze opvatting over de canon geen school. Het belang van zijn voorstelling van de rechtsverhouding voor dit onderzoek bestaat uit het onderscheid tussen de zakenrechtelijke kant van een beperkt recht van erfpacht, bestaande uit een verdeling van bevoegdheden (met een bepaalde rangorde) ten aanzien van een onroerende zaak, en de obligatoire kant van de rechtsverhouding, bestaande uit door de wet en de vestigingsakte in het leven geroepen verplichtingen over en weer. Suijling is bij mijn weten de eerste die de goederenrechtelijke vestiging van het beperkt recht beschreef als de bron van die obligatoire verbintenissen.
De meeste schrijvers gingen in het midden van twintigste eeuw eveneens uit van het onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht, maar waren minder specifiek in het aangeven van het verband tussen zakelijk recht en verbintenis. Volgens Scholten bijvoorbeeld was de ruimte voor verbintenisrechtelijke elementen in zakenrechtelijke verhoudingen beperkt tot wettelijk geregelde kwalitatieve verbintenissen:
“Aan de vestiging van een zakelijk recht is het aangaan van verbintenissen veelal verbonden; de erfpachter verplicht zich tot betaling van den canon, (art. 767 B.W.), de vruchtgebruiker neemt een geheele reeks verplichtingen op zich, die in art. 829 vlg. zijn opgesomd. Bij erfpacht en vruchtgebruik ontbreken zij nimmer (…). Aan deze verbintenissen zijn de opvolgende rechthebbenden gebonden. De verplichting tot betaling van den canon rust op den erfpachter als zoodanig. Deze verplichtingen noemt men kwalitatieve verbintenissen. Ze zijn alleen mogelijk waar de wet dat uitdrukkelijk toelaat.”19
Eenzelfde visie trof men aan in andere handboeken. Zo beschreef De Amsterdamse hoogleraar A. Pitlo (1901-1987) de canonverplichting bij erfpacht in zijn handboek voor het zakenrecht als een zakelijke last die deel uitmaakte van de inhoud van het erfpachtrecht.20 Omdat de wet de canon tot essentiale van het recht maakte moest de canon niet gezien worden als een juridische tegenprestatie voor het gebruiksrecht.21 De canon was tevens een kwalitatieve verbintenis zodat de grondeigenaar een dubbele zekerheid had bij wanbetaling, hij kon het erfpachtrecht uitwinnen en zich verhalen op het hele vermogen van de erfpachter.22 Het vereiste van een wettelijke grondslag gold volgens Pitlo voor de vraag of een beding tot de inhoud van het erfpachtrecht behoorde en niet voor de vraag of het als een kwalitatieve verbintenis moest worden opgevat. Volgens Scholten kon de vergoeding bij opstal geen kwalitatieve verbintenis zijn.23 Naar de opvatting van Pitlo kon de vergoeding die bij rechten van opstal solarium werd genoemd, vanwege het ontbreken van een wettelijke regeling, evenmin als een zakelijke last worden opgevat, maar wel als een kwalitatieve verbintenis. Over de aard en de bron van de verplichting en over de plaats van de verplichting in de wettelijke systematiek bestond dus discussie, maar niet over het bestaan van de verplichting. De aandacht voor verhaalsmogelijkheden bij wanbetaling verraadt een zekere invloed van de rechtspraktijk op de doctrine.
Aan het einde van de jaren veertig werd de canonverplichting in de doctrine overwegend beschouwd als een persoonlijke verplichting van de erfpachter en een persoonlijke vordering van de grondeigenaar, welke verbintenissen beide overgingen op rechtsopvolgers onder algemene en bijzondere titel. Voor de verschenen termijnen was de erfpachter met zijn gehele vermogen aansprakelijk en daarboven kon de grondeigenaar zich als extra zekerheid verhalen op het erfpachtrecht. Een en ander volgde uit de uitleg van art. 767 en 775 OBW. Ook andere verplichtingen waren kwalitatief zolang zij uit de wet volgden. Verplichtingen die niet op de wet berustten waren vermoedelijk obligatoir. De opvatting dat de rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter zowel een zakelijke als een verbintenisrechtelijke kant had werd verwoord maar vond slechts beperkt weerklank.
Het NBW leek in deze opvattingen in eerste instantie geen verandering te brengen. De ontwerper van het NBW, rechtsgeleerde E.M. Meijers (1880-1954), nam in zijn systematische rechtsleer het standpunt in dat de onderlinge verhouding tussen erfpachter en erfverpachter verliep via de rechtstreekse betrekking die beide personen tot de onroerende zaak hadden.24 Bevoegdheden met betrekking tot een onroerende zaak waarop een beperkt recht rustte omvatten ook verplichtingen en uit de sancties op een inbreuk bleek dat dit zakelijke bevoegdheden en verplichtingen waren:
“Komt de eigenaar jegens de erfpachter zijn verplichtingen niet na, dan is dit een inbreuk op het erfpachtsrecht; de erfpachter kan niet meer teruggrijpen op de overeenkomst waarbij hij het erfpachtsrecht bedongen heeft; deze overeenkomst is uitgevoerd met de vestiging van het erfpachtsrecht en de afgifte van het goed. Komt daarentegen een verhuurder zijn verplichtingen niet na, dan is dit een niet-naleving der huurovereenkomst met alle gevolgen van dien; men kan niet zeggen, dat het contract heeft uitgewerkt, zodra de huurder het gehuurde goed betrokken heeft.”25
In algemene zin was sprake van ‘door de wet als zakelijke rechten aangeduide rechtsbetrekkingen’. Het recht van erfpacht omvatte dus een rechtsbetrekking tussen erfverpachter en erfpachter, maar dit was geen verbintenis en de regels van het verbintenissenrecht waren daarop niet van toepassing. De titel van vestiging van een beperkt recht was een overeenkomst tussen een toekomstig erfpachter en een grondeigenaar en deze overeenkomst was uitgewerkt op het moment dat het beperkt recht werd gevestigd door het verrichten van de vereiste leveringshandelingen, het opmaken van een notariële akte gevolgd door inschrijving van die akte in de openbare registers.26 De rechtsverhouding werd daarna uitsluitend geregeerd door de bepalingen van het zakelijk recht. Wanneer de erfverpachter zijn verplichtingen jegens de erfpachter niet nakwam maakte deze inbreuk op het (zakelijke) erfpachtrecht. Uit het zakelijk recht konden volgens Meijers geen verbintenissen voortvloeien.
Het onderscheid tussen persoonlijke en zakelijke rechten was echter niet absoluut, er waren tussenvormen te onderkennen. Een voorbeeld van een tussenvorm vormden de:
‘(...) verplichtingen aan een erfpachter bij een acte van vestiging van het erfpachtsrecht opgelegd, werken volgens Nederlands recht ook tegen derden-verkrijgers (...) van het erfpachtsrecht. In al deze gevallen blijft men echter een vorderingsrecht aannemen.’27
Dat vorderingsrecht van de erfverpachter was verzakelijkt of, in de terminologie van Meijers, absoluut in dynamische zin. Dat betekende dat de erfverpachter die vordering ook tegen opvolgende erfpachters kon doen gelden, de verplichting en het bijbehorende vorderingsrecht waren kwalitatieve verbintenissen.28 Dit was lastig te rijmen met het eerder ingenomen standpunt dat uit zakelijke rechten geen verbintenissen konden voortvloeien. Eigenlijk stelde Meijers alleen vast dat de bevoegdheden en verplichtingen uit het zakelijk recht zakelijke werking hadden. Door het gebruik van de term vorderingsrecht werd de suggestie gewekt dat het om een verbintenis ging. De piketpaaltjes van de zakelijke rechten waren geslagen, maar ten aanzien van de aard van de tussenvorm van de kwalitatieve verbintenissen bestond aan het begin van de hercodifciatie in 1948 nog geen uitsluitsel.