Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.3.3
VIII.3.3 Toepassing van dwangmiddelen in concreto; het weekendje weg
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593983:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Stevens 2010b; Stevens 2012; Stevens 2013.
Zie Janssen, Van den Emster & Trotman 2013, p. 434. Vgl. ook Buruma 2010b; Van der Kruijs 2012.
Aan de ontwikkeling is in de literatuur vrij uitgebreid aandacht besteed, zie o.a. Brenninkmeijer 2008; Riege 2009; Kierkels 2010; Berndsen 2011; Kooijmans 2012.
Zie voor analyse waaruit deze doelen van het weekendarrangement naar voren komen Kierkels 2010, § 2; Berndsen 2011, p. 435-436.
Zo ook Riege 2009, p. 214; Kierkels 2010; Berndsen 2011. Ook Corstens & Borgers (2014, p. 438) merken in dit verband niet geheel ten overvloede op dat de inverzekeringstelling “ook en zeker niet als semi-bestraffende reactie op het […] feit” mag dienen. Vgl. tevens Rb. Utrecht 17 januari 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BC2587. Knigge noemt het in dit verband ‘tekenend’ dat in de retoriek rondom het project steevast over ‘daders’ wordt gesproken en de onschuldpresumptie aldus opzij wordt gezet, zie A-G Knigge, conclusie vóór HR 13 december 2011, NJ 2012, 299, m.nt. Reijntjes. Vgl. ook annotator Reijntjes: “Het verwerpelijke van de methode zit niet zozeer in de preventieve aspecten, als in het karakter van eigenrichting: het opleggen van straf zonder wettelijke grondslag en zonder dat er een rechter aan te pas komt.”
Zie over die rechtspraak uitgebreid Kierkels 2010.
HR 13 december 2011, NJ 2012, 299, m.nt. Reijntjes.
A-G Knigge, conclusie vóór HR 13 december 2011, NJ 2012, 299, punt 5.5 en J.M. Reijntjes, annotatie bij: HR 13 december 2011, NJ 2012, 299, punt 4.
De annotatie van Reijntjes bij het arrest is over deze consequentie uitermate kritisch. Ook Kuiper (2014, p. 406) acht het weekendarrangement een prangend voorbeeld van een situatie waarin de vraag klemt of niet-ontvankelijkverklaring niet ook mogelijk moet zijn bij zeer ernstige, structurele vormverzuimen die het eerlijk proces van de verdachte niet schaden.
Vgl. in dat verband het in art. 2.1.2.1 lid 1 van het tweede boek van het nieuwe Wetboek van Strafvordering voorgestelde: “Een bevoegdheid wordt niet uitgeoefend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven.”
De door de wetgever gelaten ruimte de voorlopige hechtenis op punitieve motieven te funderen en de verdachte aldus te bejegenen als schuldige, blijkt de over voorlopige hechtenis oordelende strafrechter in de praktijk te benutten. Onderzoek van Stevens wijst uit dat de argumenten om voorlopige hechtenis op te leggen lang niet altijd beperkt blijven tot de wettelijke gronden.1 Directe vergelding, afschrikking en anticipatie op een op te leggen straf blijken veelvuldig een sturend motief bij de beslissing voorlopige hechtenis te bevelen. Het door Stevens geschetste beeld wordt door strafrechters bevestigd.2 Dat beeld maakt duidelijk dat de onschuldpresumptie bij de beoordeling van vorderingen tot voorlopige hechtenis geen groot gewicht draagt. Dat verbaast inmiddels niet meer. Invoelbaar zijn de overwegingen ook wel, vooral in die concrete gevallen waarin schuld haast zeker lijkt en de verdachte vermoedelijk een serieuze straf verdient en te wachten staat. Het is echter goed dat die motieven worden onderzocht en aanhoudend ter discussie worden gesteld.
Verrassender is dat ook de toepassing van andere dwangmiddelen zich soms louter als bejegening als schuldige laat begrijpen. De bij de wetgever levende wens om verdachten van uitgaansgeweld direct te kunnen straffen, bleek eerder al binnen het Openbaar Ministerie groot. De met de onschuldpresumptie overeenstemmende doelstelling van de inverzekeringstelling ten spijt, introduceerde het Openbaar Ministerie daarom het zogenoemde ‘weekendarrangement’.3 Verdachten van uitgaansgeweld bleven tot en met maandagochtend in verzekering gesteld door ook als geen onderzoekshandelingen meer hoefden worden verricht in weerwil van artikel 57 lid 5 Sv te wachten met de uitreiking van de dagvaarding. Daarmee beoogde het Openbaar Ministerie het uitgaansleven voor dat weekend te ontdoen van een aantal onruststokers en deze verdachten tevens acute schade toe te brengen om ze zo direct ‘lik op stuk te geven’. Van de campagne en de daaraan gegeven ruchtbaarheid werd daarnaast een afschrikkende en generaalpreventieve werking verwacht.4 Aan de constatering dat op deze manier een voorschot wordt genomen op de oplegging van een straf en verdachten als schuldige worden bejegend, valt mijns inziens niet te ontkomen.5
Doordat het Openbaar Ministerie het gebruik van het weekendarrangement uitgebreid onder de aandacht bracht, was het oogmerk daarvan ook in de rechtspraak van begin af aan duidelijk. Ondanks meerdere vingerwijzingen van de feitenrechter,6 volhardde het Openbaar Ministerie in de werkwijze, totdat de Hoge Raad de onrechtmatigheid van de praktijk uiteindelijk bevestigde.7 Wel nam de Hoge Raad het verzuim ogenschijnlijk minder hoog op dan bijvoorbeeld het Hof Den Bosch in dezelfde zaak had gedaan. Volgens het hof raakt het verzuim het wettelijk systeem in de kern. Via een Karman-achtige overweging kwam het daarom tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Dat kon op begrip rekenen van de A-G Knigge en annotator Reijntjes.8 De Hoge Raad zag echter in overtreding van artikel 57 lid 5 Sv een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en casseerde. Tot niet-ontvankelijkheid kon een en ander derhalve niet leiden, nu het recht op een eerlijk proces erdoor niet was aangetast.9
Over de onschuldpresumptie in de Nederlandse strafrechtspleging leert een en ander meerdere dingen. Ten eerste bevestigt het weekendarrangement dat niet alleen het politieke klimaat in Den Haag, maar ook het klimaat binnen het Openbaar Ministerie de onschuldpresumptie niet onverdeeld gunstig is gezind. Het enthousiasme over beleid waarin het Openbaar Ministerie zich aanhoudend en in weerwil van eerdere rechterlijke uitspraken de rollen van opspoorder, vervolger, berechter én executeur aanmeet, op basis van een ondeugdelijke wettelijke grondslag en zonder dat de betrokkene zich daartegen door aanwending van een rechtsmiddel kan verdedigen, stemt tot nadenken over de waarde die aan de onschuldpresumptie door participanten wordt toegekend. Dat het gebruik van het weekendarrangement tamelijk eensgezind onrechtmatig is geoordeeld, bevestigt echter dat het systeem als zodanig in dit opzicht met het onschuldvermoeden overeenstemt. Flagrante strijd met de idee van de onschuldpresumptie bleek immers ook in strijd met het Nederlandse Wetboek van Strafvordering. Door te volstaan met de vaststelling dat artikel 57 lid 5 Sv is geschonden, wordt wel een kans gemist tot een principiëler oordeel over het oogmerk van het Openbaar Ministerie. Verdedigbaar is namelijk dat niet alleen door te treuzelen met uitreiking van de dagvaarding de grond voor inverzekeringstelling vanaf een zeker moment is komen te vervallen, maar dat ook het oogmerk waarmee de officier van justitie de verdachte in verzekering heeft willen stellen van aanvang – in elk geval partieel – ondeugdelijk is geweest. Dat óók een dagvaarding moest worden uitgereikt, neemt immers niet weg dat van begin af aan een ander dan het wettelijk doel vooropstond. Er is best wat voor te zeggen dat zo’n moedwillig verzuim het wettelijk systeem in de kern raakt.10 De onschuldpresumptie en het daarmee gepaard gaande onderscheid tussen dwangmiddelen en sancties vormen als gezien immers een kernaspect van ons dwangmiddelenstelsel.