Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/6.2.5
6.2.5 Vordering op de derde uit ongerechtvaardigde verrijking
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS591095:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 6.2.3.
HR 30 januari 1959, NJ 1959/548 m.nt. D.J. Veegens (Quint/Te Poel).
HR 29 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0845, NJ 1994/172 m.nt. P. van Schilfgaarde (Vermobo/Van Rijswijk), r.o. 3.5.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/470 en 472. Zie ook Schrage 2017/ 112.
Zie Schrage 2017/106 e.v.
HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7729, NJ 2009/376, m.nt. A.I.M. van Mierlo (Ontvanger/De Jong).
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/483 schrijven dat dit met name in driepartijensituaties denkbaar is.
De derde en de schuldenaar zijn niet hoofdelijk verbonden, want de prestatie is niet ondeelbaar, noch zijn ze zijn ieder aansprakelijk voor het geheel (art. 6:6 lid 2 en 3 BW).
Hartkamp 2001, p. 328, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/484.
Voor beide heeft de retentor een executoriale titel nodig, waarvoor hij in principe naar de rechter moet (art. 430 Rv). Het is voorstelbaar dat de schuldenaar of de derde ingevolge art. 220 Rv vordert dat de zaak moet worden verwezen naar de rechter waar de zaak tegen de ander al aanhangig is. Zie verder over de procedure voor verwijzing (en voeging) van zaken Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/55.
250. Tot nu toe maakte ik een vrij strikte scheiding tussen de (verhaals) aansprakelijkheid van de schuldenaar en de blote verhaalsaansprakelijkheid van de derde-eigenaar.1 Toch is de bedoelde derde lang niet in alle gevallen uitsluitend een bloot-verhaalsaansprakelijke figuur. Het is namelijk voorstelbaar, dat de retentor een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking krijgt op hem.
In de arresten Quint/Te Poel en Vermobo/Van Rijswijk ging het beide om een schuldenaar die een overeenkomst sloot met betrekking tot een zaak van een derde. In het arrest Quint/Te Poel aanvaardde de Hoge Raad het bestaan van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking niet.2 In het arrest Vermobo/Van Rijswijk liet de Hoge Raad daarentegen het oordeel van het hof, dat Van Rijswijk ongerechtvaardigd zou zijn verrijkt als hij eigendom zou hebben verkregen van de op zijn grond gebouwde stal zonder enige tegenprestatie, in stand.3 Uiteraard moet aan de vereisten van art. 6:212 BW zijn voldaan, voor een geslaagde actie uit ongerechtvaardigde verrijking. Er moet sprake zijn van een verrijking aan de ene kant, een verarming aan de andere kant, de verrijking moet ongerechtvaardigd zijn en er is alleen ruimte voor schadevergoeding voor zover dit redelijk is. Hartkamp en Sieburgh noemen de gevallen van natrekking, vermenging en zaaksvorming en het geval waarin een verhuurder is verrijkt door verbeteringen die de huurder heeft aangebracht uitdrukkelijk als voorbeelden waarin een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking in beginsel mogelijk is.4 In deze beide gevallen is een retentierecht goed voorstelbaar. Wanneer de leasenemer de auto van de leasegever ter reparatie afgeeft, of een koper onder eigendomsvoorbehoud een aannemingsovereenkomst sluit, is goed voor te stellen dat de retentor een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking heeft jegens de derde-eigenaar. Weliswaar is het bij de gerepareerde leaseauto, anders dan in het door Hartkamp en Sieburgh genoemde geval, niet de huurder zelf maar diens contractspartij die de verbeteringen aanbrengt aan het gehuurde. Dat doet aan de mogelijkheid tot een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking niet af. De verrijking heeft direct ten laste van de verarmde plaatsgevonden.
Lang niet iedere prestatie die een retentor levert, zal leiden tot een verrijking van de derde-eigenaar. Bijvoorbeeld wanneer de retentor optreedt als vervoerder, kan het goed zijn dat hij wel een retentierecht heeft op het goed van een derde, maar geen vordering uit ongerechtvaardigde verrijking. Bij bewaarneming is moeilijk a priori te zeggen, of dit een verrijking oplevert. Maar in de ‘standaardgevallen’ van reparatie en andere vormen van aanneming van werk, is het aannemelijk dat de retentor niet alleen een vordering uit overeenkomst heeft jegens zijn schuldenaar, maar daarnaast een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking jegens de derde-eigenaar. Als deze vordering inderdaad wordt aangenomen, is de ‘derde’ in werkelijkheid niet alleen derde, maar eveneens schuldenaar van de retentor uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking. Als hij zich in dat geval wil verhalen op de zaak van de leasegever, is die zowel bloot-verhaalsaansprakelijk als schuldaansprakelijk. In veel ‘klassieke reparatiegevallen’ is de derde kortom niet alleen een derde-verhaalsaansprakelijke, maar ook zelf schuldenaar uit ongerechtvaardigde verrijking. De aanzienlijke mogelijkheid in het ‘klassieke reparatiegeval’ van het bestaan van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking op de derde ontwricht het traditionele beeld van het retentierecht als voorbeeld van het uiteenlopen van schuld en verhaalsaansprakelijkheid.
Deze constatering heeft een aantal consequenties. Het meest in het oog springende gevolg is de cumulatie van drie verhaalsrechten die optreedt. De retentor kan op grond van art. 3:276 BW het vermogen van de schuldenaar uitwinnen voor diens schuld. Daarnaast bestaat vanwege art. 3:292 BW blote-verhaalsaansprakelijkheid van de derde met betrekking tot de teruggehouden zaak. Ten derde kan in beginsel op grond van art. 3:276 BW het gehele vermogen van de derde-eigenaar worden uitgewonnen voor diens schuld aan de retentor uit ongerechtvaardigde verrijking. Dit laatste verhaalsrecht ontstaat uit de wet (art 6:212 BW) en heeft niets te maken met het retentierecht. De vordering van de retentor op de derde uit ongerechtvaardigde verrijking staat geheel los van het retentierecht. Wel vergemakkelijkt de terughouding door de retentor in praktische zin het verhaal op de zaak van de derde uit hoofde van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking. Ik benoem hierna een aantal vraagpunten met betrekking tot deze combinatie van (verhaals)aansprakelijkheden, maar ik streef geen uitputtende uiteenzetting na van de samenloop tussen de vordering van de retentor op zijn schuldenaar en op de derde uit ongerechtvaardigde verrijking.
251. De verbintenis uit overeenkomst en die uit ongerechtvaardigde verrijking bestaan naast elkaar. De vordering op de ongerechtvaardigd verrijkte derde heeft geen subsidiair karakter.5 Het is wel denkbaar dat het instellen van een vordering tegen de schuldenaar meer oplevert, omdat aan de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking door art. 6:212 BW beperkingen worden gesteld. De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking zal in het algemeen lager zijn dan de vordering uit overeenkomst jegens de schuldenaar, want voor laatstgenoemde geldt niet het plafond van de verrijking en evenmin een redelijkheidstoets.6 Anderzijds is denkbaar dat de schuldenaar failliet is en de retentor de onzekerheden die daarmee gepaard gaan (en die aan bod komen in paragraaf 6.4) wil omzeilen. Het aanspreken van de derde uit ongerechtvaardigde verrijking kan dan een aantrekkelijk alternatief zijn.
De retentor die op grond van ongerechtvaardigde verrijking de derde uitwint kan geen gebruik maken van de voorrang die verbonden is aan het retentierecht (jegens een andere schuldeiser van de derde-verrijkte). De voorrang is – ook jegens schuldeisers van de derde –7alleen verbonden aan de vordering van de retentor op de schuldenaar. De vordering van de retentor op zijn schuldenaar staat geheel los van zijn vordering uit ongerechtvaardigde verrijking op de derde; het zijn twee op zichzelf staande rechtsverhoudingen. De twee komen uit onderscheidenlijke bron voort. In geval van de vordering op de derde vloeit de verbintenis voort uit de wet; in het geval van de vordering op de schuldenaar in principe uit overeenkomst, waarbij de wet (art. 3:292 jo. 3:291 BW) verhaalaansprakelijkheid jegens een derde vestigt.
Verder is denkbaar dat ongerechtvaardigde verrijking door de derde wordt ingezet als verweer tegen een vordering door de retentor, nadat deze al met succes de schuldenaar heeft aangesproken. De retentor heeft dan geen schade meer, zodat geen ruimte is voor een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking.8 Hartkamp en Sieburgh wijzen erop dat in het omgekeerde geval – de retentor spreekt eerst met succes de derde aan en daarna de schuldenaar tot nakoming van de overeenkomst – ongerechtvaardigde verrijking niet afstuit op het vereiste van schade en de vordering niet teniet is gegaan, omdat geen sprake is van hoofdelijkheid.9 In dat geval kan de gedaagde schuldenaar zich naar hun mening beroepen op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, die van toepassing is omdat toewijzing tot ongerechtvaardigde verrijking zou leiden.10 De retentor heeft geen recht op de voldoening van méér dan zijn vordering op de schuldenaar. Dat zou op zijn beurt weer ongerechtvaardigde verrijking opleveren.11
Als de retentor (niet achtereenvolgens, zoals in de vorige alinea, maar tegelijkertijd) zowel de schuldenaar (uit contract) als de derde (uit ongerechtvaardigde verrijking) aanspreekt, of goederen van de schuldenaar en van de derde uitwint,12 heeft de partij die meer heeft betaald dan waartoe hij gehouden is mijns inziens verhaal op de schuldeiser. Omdat de schuldenaar en de derde niet hoofdelijk verbonden zijn, ontstaan er niet (ingevolge art. 6:10 lid 2 BW) regresvorderingen tussen de schuldenaar en de derde onderling. De derde kan wel op grond van ongerechtvaardigde verrijking betaling van het meerdere van de schuldenaar vorderen. Bovendien heeft de derde een vordering op de retentor voor zover hij meer heeft betaald dan waartoe hij jegens laatstgenoemde is gehouden. De grondslag voor deze terugvordering is onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW), want voor betaling van het meerdere dan zijn verrijking ontbreekt de grondslag.13