Zie mijn conclusie van heden terzake het cassatieberoep van de echtgenote met rolnr. 13/03499.
HR, 25-10-2013, nr. 13/03497
ECLI:NL:HR:2013:1035
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-10-2013
- Zaaknummer
13/03497
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:1035, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 25‑10‑2013; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:804, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:804, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 06‑09‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1035, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 25‑10‑2013
Partij(en)
25 oktober 2013
Eerste Kamer
13/03497
EV/GB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.J.G. Schroeder.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaken C/09/441216/FT RK 13/915 en 13/917 van de rechtbank Den Haag van 7 juni 2013;
b. het arrest in de zaak 200.128.620/01 van het gerechtshof Den Haag van 9 juli 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Tevens heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 20 september 2013 op dat standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening
Nu het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, behoeft het door [verzoeker] gedane verzoek om een voorlopige voorziening geen behandeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 25 oktober 2013.
Conclusie 06‑09‑2013
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Afwijzing verzoek tot toelating schuldsanering; art. 288 lid 2 onder d Fw. Samenhang met 13/03499.
Partij(en)
13/03497
Mr. L. Timmerman
Zitting 6 september 2013
Conclusie inzake:
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie
1. Voorgeschiedenis
1.1
Verzoeker en diens echtgenote [betrokkene]1.hebben op 15 april 2013 een verzoek bij de rechtbank Den Haag ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling.
1.2
Bij vonnis van 7 juni 2013 oordeelde de rechtbank dat nu op 12 januari 2007 de regeling op verzoeker van toepassing is verklaard en aan hem bij vonnis van 26 april 2010 geen schone lei is toegekend, omdat hij niet voldaan heeft aan zijn verplichtingen en er tijdens de regeling tevens nieuwe schulden zijn ontstaan, dit aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat.
1.3
Het hof heeft dit vonnis bij arrest van 9 juli 2013 bekrachtigd. Verzoeker is van dit arrest bij schriftuur, ingekomen bij de Hoge Raad op 17 juli 2013 en dus tijdig, in cassatie gekomen. De cassatieschriftuur bevat tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 287 lid 4 Fw.
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1
In cassatie staat vast dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op 12 januari 2007 op verzoeker van toepassing is verklaard en aan hem bij vonnis van 26 april 2010 geen schone lei is toegekend, omdat hij niet voldaan heeft aan zijn verplichtingen en er tijdens de regeling tevens nieuwe schulden zijn ontstaan.
2.2
Art. 288 lid 2 onder d Fw staat – imperatief – aan toelating in de weg indien minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenaar van toepassing is geweest, tenzij deze toepassing is beëindigd op grond van art. 350 lid 3 onder a of b Fw, of op grond van art. 350 lid 3 onder d Fw, om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen.
2.3
De Minister heeft in zijn antwoord van 23 april 2013 op kamervragen van de SP over dit punt onderstreept dat deze imperatieve afwijzingsgrond nog onverminderd geldt, en dat formulering van een generieke hardheidsclausule niet wordt overwogen. De hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw ziet niet op art. 288 lid 2 onder d Fw. Het arrest van Uw Raad van 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0964, geldt dus nog onverkort.
2.4
Nu het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afgewezen dient te worden, komt zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 287 lid 4 Fw ook niet voor toewijzing in aanmerking.
Conclusie
Deze strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a Ro.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑09‑2013