Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/17.1.5.3
17.1.5.3 Zelfstandige karakter van de verkregen vordering
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS296802:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 april 2014, JOR 2014/199 (UWV/curatoren Econcern), rov. 3.3.2.
HR 20 maart 2015, NJ 2015/361 (Minister van Financiën/VEB ( Onteigening SNS Reaal)), rov. 4.34.4.
25 HR 20 maart 2015, NJ 2015/361 (Minister van Financiën/VEB ( Onteigening SNS Reaal)), rov. 4.34.3. Het is niet mogelijk om met werking jegens derden in de garantieverklaring een voorrecht voor de begunstigde op te nemen, omdat voorrechten alleen volgen uit de wet (art. 3:278 lid 2 BW). Of een garantieverklaring waarin de vordering op de moedervennootschap wordt achtergesteld bij andere vorderingen op de moedervennootschap voldoet aan de vereisten van art. 2:403 BW laat ik hier in het midden.
Van Dooren 2015, p. 382, voetnoot 27.
HR 19 juni 2015, RvdW 2015/778 (TPB/Eneco) en Hof ‘s-Gravenhage 18 maart 2014, JOR 2015/93 (TPB/Eneco).
Hof ‘s-Gravenhage 18 maart 2014, JOR 2015/93 (TPB/Eneco), rov. 8.
Van der Kraan 2015, p. 22; Krol & de Neve 2015, p. 90.
772. Als de begunstigde het door de garant verschafte wilsrecht inroept, verkrijgt de begunstigde een nieuwe vordering op de garant. Deze vordering bestaat zelfstandig van de vordering op basis waarvan hij de garantie kon inroepen. Dit betekent dat de modaliteiten van de vordering die de begunstigde heeft op de opdrachtgever of dochtervennootschap geen gevolgen hebben voor de verkregen vordering op de garant. Dat is vooral van belang bij vorderingen die ontstaan uit hoofde van een afgegeven 403-verklaring. Kan de begunstigde zich ten aanzien van de vordering op de dochtervennootschap op een voorrecht beroepen, dan geldt dat voorrecht niet ook ten aanzien van de vordering jegens de moedervennootschap.1 Is met betrekking tot de vordering op de dochtervennootschap een achterstelling overeengekomen, dan geldt deze achterstelling niet automatisch ook in de verhouding tot (de andere schuldeisers van) de moedervennootschap.2 Dat is slechts anders indien uit de tekst van de 403-verklaring blijkt dat de vordering die de begunstigde jegens de moedervennootschap verkrijgt, zal zijn achtergesteld.3
773. In de literatuur wordt wel aangenomen dat er een verband bestaat tussen de vordering op een dochtervennootschap en de vordering die wordt verkregen jegens de moedervennootschap uit hoofde van een afgelegde 403-verklaring, omdat beide tegelijkertijd zouden verjaren.4 Dat berust mijns inziens echter op een onjuiste lezing van de arresten waarin dit punt aan de orde werd gesteld.5 In plaats van dit punt te beslechten, werd door de rechter aangesloten bij de gezamenlijke opvatting van partijen dat beide vorderingen tegelijkertijd zouden verjaren.6 Gezien het zelfstandige karakter van de vordering op de moedervennootschap ligt het echter meer voor de hand dat – als het punt daadwerkelijk beslecht zou worden – de rechter zou oordelen dat verschillende verjaringstermijnen gelden.7 Dat neemt echter niet weg dat het mijns inziens mogelijk zou moeten zijn voor de moedervennootschap om in de 403-verklaring aan te geven dat de vorderingen die uit hoofde van die verklaring ontstaan, slechts kunnen worden afgedwongen zolang de vorderingen op de dochtervennootschap nog niet verjaard zijn.