Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.3.2.1.3
14.3.2.1.3 Omkering en verzwaring
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495974:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Feteris 2007, p. 308.
Vgl. HR 28 maart 2003, FED 2003/216 en meer recent HR 13 juli 2012,BNB 2012/293 (m.nt. Albert).
Zie nader Feteris, noot onder EHRM 30 maart 1999 (Passet v. Frankrijk), BNB 2002/25, pt. 6 e.v.
Zie art. 25, lid 3 AWR.
Zie art. 27e, lid 1 AWR. Sinds de invoering van art. 52a AWR speelt de discussie over het al dan niet hebben verstrekt van de door de inspecteur gevraagde informatie zich (primair) af in het kader van bezwaar en beroep tegen de informatiebeschikking. In HR 10 februari 2017, nr. 16/02729, r.o. 3.3.6, overweegt de belastingkamer dat de vraag of een onherroepelijke informatiebeschikking tot omkering van de bewijslast dient te leiden, (ook) aan de orde kan worden gesteld in de procedure over de desbetreffende aanslag of beschikking. Wel moet daarbij in aanmerking worden genomen dat in die procedure de rechtmatigheid van het desbetreffende verzoek om informatie niet meer ter discussie kan worden gesteld.
Tweede Kamer, 1954-1955, 4080, nr. 3, p. 18.
Vgl. A-G Wattel, conclusie bij HR 27 januari 2006,BNB 2006/191 (m.nt. De Bont), pt. 8.7 en buiten belastingzaken A-G Knigge, conclusie bij HR 19 september 2006, NJ 2007, 39 (m.nt. Reijntjes), pt. 73.
Zie Feteris 2007, p. 309.
Zie onder meer HR 25 januari 2002,BNB 2002/136, r.o. 3.3 (inzake het opzettelijk verstrekken van onjuiste inlichtingen ex art. 47, lid 1, onder a AWR). Zie echter art. 47a AWR betreffende de informatieverplichtingen voor buitenlandse lichamen en buitenlandse natuurlijke personen die een belang hebben van meer dan 50% in een in Nederland belastingplichtige aandelenvennootschap of zeggenschap hebben over een ander in Nederland belastingplichtig lichaam. De belastingplichtige kan zich niet beroepen op een gebrek aan medewerking van het niet binnen Nederland gevestigde lichaam of de niet binnen Nederland wonende natuurlijke persoon.
Zie de vorige noot.
Wanneer de belastingplichtige niet de vereiste belastingaangifte heeft gedaan of niet juist en volledig heeft voldaan aan de in § 14.3.2.1.1 genoemde informatieverplichtingen, dan wordt het zicht op de heffingsgrondslag belemmerd. Tenzij de inspecteur de voor een zorgvuldige aanslagregeling benodigde informatie langs andere weg kan verkrijgen, is hij vanwege zijn heffingstaak in beginsel genoodzaakt de uit de wet voortvloeiende belastingschuld vast te stellen op grond van de wel beschikbare inlichtingen en gegevens.1 In het uiterste geval zal die vaststelling niet meer omvatten dan een schatting van de wettelijk verschuldigde belasting op grond van enkel vermoedens.2
De processuele sanctie behelst dat, uitgaande van een redelijke verdeling van de bewijslast, de bewijslast wordt omgekeerd. Zij wordt bovendien verzwaard.3 Volgens vaste rechtspraak van de HR dient de vaststelling van de heffingsgrondslag bij omkering te berusten op een redelijke schatting.4 Daarbij geldt dat de omkering ook betrekking heeft op onderdelen van de belastinggrondslag ten aanzien waarvan de betrokkene wel aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Althans, als de vereiste aangifte niet is gedaan.5
Overtuigend aantonen onjuistheid van met omkering vastgestelde aanslag et cetera
Hoewel de belasting- of inhoudingsplichtige zelf debet is aan de (vermeende) onjuistheid van de (geschatte) belastingaanslag of de beschikking, kan hij tegen (het bedrag van) de aanslag of beschikking in het geweer komen. Maakt hij bezwaar tegen een aanslag, een uitnodiging tot betaling, een navorderingsaanslag, een naheffingsaanslag of een beschikking, dan wordt bij de uitspraak op het bezwaarschrift de belastingaanslag of de beschikking, door de inspecteur gehandhaafd, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de belastingaanslag of de beschikking onjuist is.6 De belastingrechter verklaart op zijn beurt het beroep van de belasting- of inhoudingsplichtige tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond, tenzij gebleken is dat en in hoeverre die onjuist is.7
In de rechtspraak wordt (doen) blijken uitgelegd als overtuigend aantonen.8 Aantonen is meer dan (het voor de vrije bewijsleer gangbare) aannemelijk maken. De belastingplichtige moet, met toepassing van de voor het fiscale recht geldende vrije bewijsleer9, overtuigend bewijs leveren dat de inspecteur de aanslag onjuist heeft vastgesteld. De betrokkene kan dus niet lichtzinnig ervoor ‘kiezen' de geschatte, nauwelijks weerlegbare aanslag af te wachten.10 Dit geldt te meer omdat het alsnog verstrekken van de juiste informatie in de bezwaar- of beroepsfase, de omkering van de bewijslast niet ongedaan maakt.11
Omkering geldt niet voor gebreken van ondergeschikte aard
Ik merk nog op dat niet elk gebrek in de aangifte of elk gebrek aan medewerking aan een toezichtsonderzoek tot gevolg heeft dat de bewijslast wordt omgekeerd. Gebreken van ondergeschikte aard in de administratie kunnen het toepassen van de sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast niet rechtvaardigen.12 Het niet verstrekken van gegevens en inlichtingen waarover de belastingplichtige niet beschikt (en redelijkerwijs ook niet kan komen te beschikken), leidt niet tot omkering van de bewijslast.13 Het opzettelijk verstrekken van onjuiste inlichtingen wordt op één lijn gesteld met een weigering de gevraagde inlichtingen te verstrekken.14