Genoemd voorbehoud is in easu niet van toepassing.
HR, 27-01-2012, nr. 10/00473
ECLI:NL:HR:2012:BV1862
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-01-2012
- Zaaknummer
10/00473
- LJN
BV1862
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑01‑2012
ECLI:NL:HR:2012:BV1862, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑01‑2012; (Cassatie)
- Vindplaatsen
FED 2012/34 met annotatie van J.J. van den Broek
NTFR 2012/301
FutD 2012-0232
Viditax (FutD) 2012012704
Beroepschrift 27‑01‑2012
1.
De Inspecteur heeft mij een ‘Opgaaf wereldinkomen’ doen toekomen omdat ik in Frankrijk woon en de Sociale Verzekeringsbank mij een (AOW-)pensioen verschuldigd is.
Naar zijn mening was ik daarom op grond van de in 2006 in Nederland ingevoerde wettelijke regeling inzake ziekte en moederschap verplicht die opgaaf ingevuld te retourneren.
2.
Tot die wettelijke regeling behoren de Zorgverzekeringswet (hierna ZVW) en de Wet op de Zorgtoeslag. Zo luidt de Nederlandse verklaring ingevolge de artikelen 5 en 97 van de Verordening 1408/71 (zie bijlage 1 bij mijn incidenteel hoger beroepschrift). Deze wetten vallen onder de materiële werkingssfeer van Verordening 1408/71 inzake sociale zekerheidsregelingen (hierna Vo 1408/71), waar het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch (hierna ‘het Hof’) zich op beroept.
3.
De mij betreffende beschikking inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (NiNbi29876874NB66) betreft de volksverzekeringen ZVW en Wet op de Zorgtoeslag.
Die beschikking is vastgesteld opdat het CVZ en de Dienst Toeslagen de litigieuze ZVW-bijdragen en zorgtoeslag (tegemoetkoming in de nominale premie) kunnen verifiëren.
Dit verklaart de Inspecteur in zijn brief inzake de Opgaaf wereldinkomen van 4 juli 2007:
‘Zowel het CVZ als de Dienst Toeslagen moeten kunnen verifiëren of een juist bijdragebedrag, c.q. een juist bedrag aan zorgtoeslag is gehanteerd.’
Hierbij is op te merken dat Vo 1408/71 geen onderscheid maakt tussen ‘premies’ en ‘bijdragen’. In andere talen wordt hiervoor het zelfde woord gebruikt (fr. ‘cotisations’, de: ‘Beiträge’, en: ‘contributions’).
4.
Het Hof heeft op 29 januari 2010 mondeling uitgesproken dat ik verplicht was de in dit kader gevraagde gegevens aan de inspecteur te verstrekken. Verwijzend naar overwegingen van de Centrale Raad van Beroep en naar de door mij bestreden uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna ‘de Rechtbank’), concludeert het Hof onder punt 5:
‘Zoals de CRvB in de hierboven aangehaalde uitspraak heeft overwogen, heeft een rechthebbende op Nederlandse wettelijke ouderdomspensioenen, zoals belanghebbende, krachtens artikelen 28 en 28bis van de Vo 1408/71 recht op verstrekkingen in het woonland — in casu Frankrijk — echter voor rekening van het pensioenland — in casu Nederland. Het Hof is daarom met de Rechtbank van oordeel, dat de Inspecteur aan belanghebbende het formulier ‘Opgaaf wereldinkomen’ mocht uitreiken en dat belanghebbende op grond van het bepaalde in artikel 8a, lid 4 van de AWIR in samenhang met artikel 47 van de AWR en artikel 84bis van de Vo 1408/71 verplicht was de in die opgaaf gevraagde gegevens aan de inspecteur te verstekken.’
Ten aanzien van Vo 1408/71
5.
In de eerste plaats is op te merken dat bepalingen van het gemeenschapsrecht prevaleren en dat een verordening, op grond van artikel 288 VWEU (voorheen artikel 249 EG) verbindend en rechtstreeks toepasselijk is in alle lidstaten.
6.
Ingevolge artikel 13 lid 1 van Vo 1408/71 wordt de wetgeving waaraan personen onderworpen zijn, overeenkomstig de bepalingen van titel 11 vastgesteld:
‘Onder voorbehoud van de artikelen 14 quaterer 14 septies* zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.’
7.
De wetgevers van de lidstaten zijn daarom niet meer bevoegd zelf te bepalen welke personen aan hun wettelijke regeling onderworpen zijn (o.a arrest Adanez 372/02, punt 18):
‘[…] de nationale wetgevers zijn niet meer bevoegd om de draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van hun nationale wettelijke regeling ter zake te bepalen met betrekking tot de personen die eraan onderworpen zijn, en met betrekking tot het grondgebied waarbinnen de nationale bepalingen effect sorteren (zie in die zin onder meer arresten van 12 juni 1986, Ten Holder, 302/84, Jurispr. blz. 1821, punt 21, en 10 juli 1986, Luijten, 60/85, Jurispr. blz. 2365, punt 14).’
8..
Vast staat dat ik in ieder geval niet meer onderworpen ben aan de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving. Dit is (herhaaldelijk) door het College voor Zorgverzekeringen verklaard en ook door de Centrale Raad van Beroep uitgesproken (zie punt 3.5.3 van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, zoals het Hof onder punt 4 van zijn uitspraak citeert):
‘Appellanten zijn in ieder geval vanaf 1 januari 2006 niet langer onderworpen aan de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving.’
Hierbij is aan te tekenen dat ik ook vóór 1 januari 2006 niet onderwerpen was aan de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving.
9.
Deze uitspraak is in overeenstemming met artikel 13 lid 2 sub f van Vo 1408/71:
‘Is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat zonder dat hij opgrond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.’
10.
Dit betekent dat ik uitsluitend aan de wettelijke regeling van mijn woonland (Frankrijk) onderworpen ben (‘overeenkomstig de bepalingen van die wettelijke regeling alleen’). Bepalingen van de ZVW cum annexis en de Wet op de Zorgtoeslag behoren niet tot de Franse wettelijke regeling inzake ziektekosten en zijn daarom niet op mij van toepassing.
Ik heb geen rechten of plichten op grond van een krachtens Vo 1408/71 niet op mij toe te passen wettelijke regeling.
11.
De artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 — waar het Hof zich op beroept — zijn blijkens het opschrift van titel III ‘bijzondere bepalingen met betrekking tot de verschillende soorten prestaties’. Vast staat dat de Nederlandse wettelijke regeling inzake ziekte en moederschap geen rechten — dus ook geen recht op prestaties — verleent aan personen die niet in Nederland wonen of werken. Betreffende prestaties waar ik krachtens de Nederlandse wetgeving inzake ziekte en moederschap geen recht op heb is niets, dus ook niets bijzonders te bepalen.
12.
Op grond van artikel 28 lid 2 (waar artikel 28 lid 1 sub a en artikel 28bis naar verwijzen), komen verstrekkingen voor rekening van een lidstaat indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regeling van die lidstaat recht op verstrekkingen heeft
- ‘a)
indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regeling van één Lid-Staat recht op bedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van deze Staat’
13.
Vast staat dat de Nederlandse wettelijke regeling (ZVW jo AWBZ) mij geen recht op verstrekkingen verleent. Op grond van de artikelen 28 en 28bis komen daarom geen verstrekkingen voor rekening van Nederland. Wat Nederland op andere gronden met andere lidstaten verrekent, is niet aan mij ter beoordeling en terzake niet relevant. Hieraan is toe te voegen dat artikel 28bis niet op mij van toepassing is omdat mijn woonland (Frankrijk) mij geen recht op vertrekkingen verleent.
14.
De bepalingen betreffende prestaties van titel III van Vo 1408/71, waartoe de artikelen 28 en 28bis behoren, bepalen niet de wetgeving waaraan ik onderworpen ben, want de op personen toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van titel II vastgesteld. Dat bepaalt artikel 13 lid 1 (zie punt 6).
15.
Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (hierna EHvJ) vormen de bepalingen van titel II een eenvormig en volledig stelsel van conflictregels (o.a. arrest Luijten 60/85, punt 14, Kuijpers 276/81, punt 18, Kuusijärvi 275/96 punt 28, Poucke 71/93 punt 3, België-Ec 347/98 punt 27, Kits-van Heljningen 2/89 punt 12).
16.
Dit betekent dat er geen andere bepalingen zijn om de wetgeving vast te stellen waaraan degenen onderworpen zijn op wie Vo 1408/71 van toepassing is (want dan was het stelsel niet volledig). De artikelen 28 en 28bis, zijn bepalingen betreffende prestaties, maar niet betreffende de wetgeving waaraan personen onderworpen zijn want die wordt overeenkomstig de bepalingen van titel II van Vo 1408/71 vastgesteld. Elke andere uitlegging is in strijd met hetgeen artikel 13 lid 1 (letterlijk) bepaalt en met vaste rechtspraak van het EHvJ (zie punt 15).
17.
Artikel 13 lid 2 sub f omvat alle gevallen waarin de wettelijke regeling van een lidstaat, om welke reden ook, ophoudt van toepassing te zijn. Dit heeft het EHvJ uitgesproken in het arrest Kuusijärvi (C-275/96 punt 40):
‘Deze bepaling omvat overigens alle gevallen waarin de wettelijke regeling van een lidstaat om welke reden ook ophoudt van toepassing te zijn op een persoon, en niet alleen omdat hij in een bepaalde lidstaat zijn beroepswerkzaamheden al dan niet definitief heeft stopgezet. ’
[onderstreping door mij, [X] ]
18.
Dit is ook het standpunt van de Nederlandse regering (arrest Kuusijärvi, reeds aangehaald, punt 37):
‘De Nederlandse regering en, ter terechtzitting, de Finse regering hebben daartegen ingebracht, dat artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 een uitdrukkelijke conflictregel vormt voor situaties als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, waarin een persoon om welke reden dan ook in een bepaalde lidstaat elke beroepswerkzaamheid heeft stopgezet en in een andere lidstaat woont zonder daar te werken.’
[onderstreping door mij, [X] ]
19.
Hierop wijst ook Advocaat-Generaal Jacobs in zijn conclusie in de zaak Adanez (372/02 punt 28):
‘[…] deze bepaling is juist in algemene bewoordingen geredigeerd, zodat zij alle gevallen omvat waarin de wettelijke regeling van een lidstaat om welke reden dan ook ophoudt van toepassing te zijn op een persoon, en niet alleen omdat hij in een bepaalde lidstaat zijn beroepswerkzaamheden al dan niet definitief heeft stopgezet.(8)’
[onderstreping door mij, [X]]
20.
Omdat artikel 13 lid 2 sub f van Vo 1408/71 alle gevallen omvat — ook als de beroepswerkzaamheden niet definitief zijn stopgezet — betreft het in teder geval degene die zijn beroepswerkzaamheden wel definitief heeft stopgezet. Vast staat dat ik mijn beroepswerkzaamheden definitief heb stopgezet.
21.
De artikelen 28 en 28bis laten derhalve onverlet dat ik ingevolge artikel 13 lid lid 2 sub f uitsluitend aan de Franse en niet aan de Nederlandse wetgeving onderworpen ben. Het een sluit het ander uit, want ingevolge artikel 13 lid 1 is degene op wie Vo 1408/71 van toepassing is, aan de wetgeving van ‘slechts één enkele lidstaat’ onderworpen.
22.
Voorts beroept het Hof zich op artikel 84bis van de Vo 1408/71.
Het eerste lid van artikel 84bis luidt:
‘De organen en de personen die onder deze verordening vallen, zijn gehouden tot wederzijdse informatieverstrekking en samenwerking teneinde de goede toepassing van deze verordening te verzekeren.
Overeenkomstig het beginsel van behoorlijk bestuur, beantwoorden de organen elke vraag binnen een redelijke termijn en verstrekken zij aan de betrokkenen in dit verband alle informatie die nodig is voor de uitoefening van de uit hoofde van deze verordening toegekende rechten.
De betrokkenen stellen de organen van de bevoegde staat en van de staat waar de betrokkenen wonen, zo spoedig mogelijk in kennis van iedere wijziging in hun persoonlijke of gezinssituatie, die hun recht op prestaties uit hoofde van deze verordening beïnvloedt.’
23.
De artikelen 28 en 28bis bevatten geen clausule die het recht op prestaties afhankelijk stelt van het inkomen. Omdat een recht op prestaties ingevolge de artikelen 28 en 28bis niet wordt beïnvloed door de hoogte van het inkomen, is daaraan (al was het alleen op die grond) geen verplichting ingevolge artikel 84bis te verbinden.
24.
Artikel 84bis machtigt ook niet tot het opleggen van een sanctie, tenzij informatie zoals bedoeld in de derde alinea van lid 1 niet wordt verstrekt. Dit bepaalt lid 2:
‘Indien niet wordt voldaan aan de informatieplicht, zoals bedoeld in lid 1, derde alinea, kunnen overeenkomstig het nationale recht evenredige maatregelen worden getroffen […]’
25.
Hierbij moge ik wijzen op de punten 30 t/m 33 van mijn incidenteel hoger beroepschrift, waaruit ik het volgende citeer:
‘[…] dat de belastingdienst zich niet op artikel 84bis van de Verordening kan beroepen omdat:
- 1.
geen sprake is van een goede toepassing van de Verordening, en
- 2.
Nederland niet de ‘bevoegde Lidstaat’ is, en
- 3.
onze persoonlijke of gezinssituatie niet is gewijzigd, en
- 4.
een recht op prestaties uit hoofde van Titel III, Hoofdstuk 1, afdeling 5 niet door de hoogte van het inkomen wordt beïnvloed.’
26.
Afgezien van mijn incidenteel hoger beroepschrift heb ik dit in verschillende bewoordingen eerder naar voren gebracht in:
- —
een brief aan de inspecteur van 30 juli 2007 (blz 1, laatste alinea)
- —
een brief aan de inspecteur van 10 maart 2008 (punt 29 t/m 32),
- —
mijn beroepschrift bij de Rechtbank Breda van 8 augustus 2008 (punt 52 en 53),
- —
een brief aan de Rechtbank van 29 juni 2009 (punt 3 t/m 8),
- —
mijn reactie op het verweer van de inspecteur van 28 november 2009 (punt 9 en 10),
- —
de ter zitting overgelegde pleitnotitie van 7 januari 2010 (punt 19 en 20).
27.
Deze stukken zijn het Hof bekend (zie bijlage 2 van mijn incidenteel hoger beroepschrift). Het Hof heeft hierop niet inhoudelijk gereageerd, maar volstaan met herhaling van het standpunt van de inspecteur dat artikel 84bis mij zou verplichten inkomensgegevens aan de Belastingdienst te verstrekken (quod non). De motivering ontbreekt, Dit is niet in overeenstemming met Awb 8:69 lid 1:
‘De rechtbank doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.’
28.
Het zelfde geldt mutatis mutandis voor de andere door mij in beroep en hoger beroep aangevoerde beroepsgronden (zie mijn beroepschrift van 8 augustus 2008 en incidenteel hoger beroepschrift van 15 september 2009).
Ten aanzien van de nationale bepalingen
29.
Omdat, op grond van titel II van Vo 1408/71, de Nederlandse wettelijke regeling inzake ziekte en moederschap niet op mij is toe te passen, is elke eventueel hiermee strijdige bepaling van de nationale wet buiten toepassing te laten (arrest Simmenthal 106/77, punt 21):
‘[…] dat elke in het kader zijner bevoegdheid aangezochte nationale rechter verplicht is het gemeenschapsrecht integraal toe te passen […] daarbij buiten toepassing latend elke eventueel strijdige bepaling van de nationale wet, ongeacht of deze van vroegere of latere datum is dan de gemeenschapsregel’
Dit geldt voor elke bepaling van de nationale wet, dus ook voor de nationale bepalingen waar het Hof zich op beroept (artikel 8a, lid 4 van de AWIR en artikel 47 van de AWR).
Conclusie
30.
De artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71, waar het Hof zich op beroept, laten onverlet dat ik ingevolge artikel 13 lid 2 sub f uitsluitend onderworpen ben aan de Franse wettelijke regeling ‘overeenkomstig de bepalingen van die wettelijke regeling alleen.’
De Nederlandse wettelijke regeling inzake ziekte en moederschap is niet op mij van toepassing. Ik ben daaraan niet onderworpen en heb geen daaruit voortvloeiende rechten of verplichtingen, dus ook geen verplichting tot het verstrekken van een ‘Opgaaf wereldinkomen’. Elke hiermee eventueel strijdige bepaling van de Nederlandse wet, zoals artikel 8a, lid 4 van de AWIR en artikel 47 van de AWR, is daarom buiten toepassing te laten.
31.
Op de hiervoor vermelde gronden en de gronden zoals door mij in bezwaar, beroep en incidenteel hoger beroep naar voren zijn gebracht, verzoek ik de Hoge Raad:
- —
mijn beroep in cassatie gegrond te verklaren
- —
de uitspraak van de inspecteur alsmede de NiNbi-beschikking ([001]) te vernietigen
- —
de uitspraak van het Hof te vernietigen
- —
de Belastingdienst te veroordelen tot vergoeding aan mij van de kosten welke ik in redelijkheid heb moeten maken of nog zal moeten maken in verband met de behandeling van deze zaak.
32
Indien Uw Raad anders zou oordelen, dan verzoek ik op grond van artikel 267 VWEU (voorheen artikel 234 EG) de volgende prejudiciële vraag voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie:
‘Verzet artikel 13 lid 2 sub f van Verordening 1408/71 zich tegen de toepassing van bepalingen van de nationale wet van een lidstaat, zoals Nederland, waardoor personen die in een andere lidstaat wonen, worden verplicht gegevens te verstrekken om te kunnen verifiëren welke premies of bijdragen zij verschuldigd zijn ingevolge een wettelijke regeling inzake ziekte en moederschap, die hun geen recht op prestaties verleent en waaraan zij niet onderworpen zijn.’
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 27‑01‑2012
Uitspraak 27‑01‑2012
Inhoudsindicatie
Art. 8a, AWIR. Vaststelling Ninbi-beschikking met het oog op heffing van bijdragen op grond van de Zorgverzekeringswet door het CvZ is toelaatbaar. Deze heffing is gelet op rechtspraak van de CRvB niet in strijd met het EU-recht.
Partij(en)
27 januari 2012
nr. 10/00473
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Frankrijk (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 maart 2010, nr. 09/00459, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 8a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, alsmede de uitreiking van een formulier Opgaaf Wereldinkomen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is op 23 februari 2007 een formulier Opgaaf Wereldinkomen voor het jaar 2006 (hierna: het formulier) uitgereikt. Belanghebbende heeft tegen de uitreiking van het formulier bezwaar gemaakt.
Bij beschikking van 10 december 2007 heeft de Inspecteur het niet in Nederland belastbaar inkomen voor het jaar 2006 vastgesteld, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 08/3743) heeft het beroep tegen het uitblijven van de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaar tegen de uitreiking van het formulier niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur gegrond verklaard, en deze uitspraak alsmede de beschikking vernietigd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, het beroep tegen het uitblijven van de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaar tegen de uitreiking van het formulier gegrond verklaard, het bezwaar tegen de uitreiking van het formulier niet-ontvankelijk verklaard, en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Minister heeft een conclusie van dupliek ingediend.
Naar aanleiding van de conclusie van dupliek heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Daartoe biedt de wet evenwel niet de mogelijkheid. De Hoge Raad slaat op dat stuk daarom geen acht.
3. Beoordeling van de klachten
Een aantal klachten gaat uit van de opvatting dat de heffing van bijdragen op grond van de Zorgverzekeringswet in het geval van belanghebbende in strijd komt met de regels van Europees unierecht. Die klachten kunnen niet tot cassatie leiden (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 december 2011, nrs. 08/1714 ZFW en 08/1717 ZFW, LJN BU7125).
De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2012.