Hetzij geen middel in de zin der wet, vgl. HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:512, hetzij geen belang bij het middel, vgl. HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1255.
HR, 02-09-2025, nr. 23/00882 P
ECLI:NL:HR:2025:1230
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-09-2025
- Zaaknummer
23/00882 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1230, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑09‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:718
ECLI:NL:PHR:2025:718, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑06‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1230
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit diefstal met geweld van geldbedrag. Bewijsklacht diefstal in strafzaak. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/00885.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00882 P
Datum 2 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 22 februari 2023, nummer 23-001752-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 23/00885, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2025.
Conclusie 24‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. Over gebrek in de motivering van de bewezenverklaring in de strafzaak kan in de ontnemingszaak niet met vrucht worden geklaagd. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 23/00885.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00882 P
Zitting 24 juni 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de betrokkene.
1. Bij arrest van 22 februari 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam (parketnummer 23-001752-21) het vonnis van 2 juni 2021 van de rechtbank Amsterdam (parketnummer 13-046371-21) bevestigd en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 7.325,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 23/00885. Dit betreft de samenhangende strafzaak jegens de betrokkene. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft één middel van cassatie voorgesteld, doch wat mij betreft tevergeefs.
4. Dat er – naast de aangifte – géén (door artikel 342 lid 2 Sv verlangd) bijkomend bewijs is voor de diefstal van een betrekkelijk groot contant geldbedrag, behelst een klacht over een gebrek in de motivering van de bewezenverklaring in de strafzaak. Daarover kan in de ontnemingszaak echter niet met vrucht worden geklaagd. Mocht de gelijkluidende klacht in de strafzaak succes hebben, dan doet artikel 511i Sv zijn werk (zodat de betrokkene sowieso geen belang heeft bij de klacht).1.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep en kan op de voet van artikel 81 lid 1 RO worden afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑06‑2025