Rb. Gelderland, 06-05-2015, nr. 269778
ECLI:NL:RBGEL:2015:4708
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
06-05-2015
- Zaaknummer
269778
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2015:4708, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 06‑05‑2015; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:3104
ECLI:NL:RBGEL:2014:8168, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 31‑12‑2014; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
JBPr 2015/53 met annotatie van mr. M.A. Meijssen
NTHR 2015, afl. 2, p. 105
Uitspraak 06‑05‑2015
Inhoudsindicatie
Afwijzing van de vordering tot schadevergoeding wegens afgebroken onderhandelingen betreffende een franchiseovereenkomst tussen eisers en gedaagden.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/269778 / HA ZA 14-481
Vonnis van 6 mei 2015
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser]
gevestigd te Spijk, gemeente Lingewaal,
2. [eiser 1],
wonende te Spijk, gemeente Lingewaal,
3. [eiser 2],
wonende te Spijk, gemeente Lingewaal,
4. [eiser 3],
wonende te Spijk, gemeente Lingewaal,
eisers,
advocaat mr. H.L.J.M. van Grinsven te Tilburg,
tegen
1. de vennootschap naar Zwitsers recht
BURGER KING EUROPE GMBH,
gevestigd te Zug, Zwitserland,
2. de vennootschap naar Duits recht
BURGER KING BETEILINGUNGS GMBH,
gevestigd te München, Duitsland
gedaagden,
advocaat mr. P.J.B. Heemskerk te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiser], [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3], Burger King Europe en Burger King Duitsland genoemd worden. Gezamenlijk worden eisers als [eiser] c.s. en gedaagden als Burger King aangeduid. De aanduiding Burger King wordt ook voor het concern in het algemeen gebruikt.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 31 december 2014
- het proces-verbaal van comparitie van 25 maart 2015.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[naam] is bestuurder van [eiser]. Dylan en [eiser 3] zijn zoons van [naam].
2.2.
[naam] heeft naar aanleiding van berichten in de media dat het concern Burger King in Europa fors wilde uitbreiden, onder andere door zijn activiteiten in Nederland te verdubbelen, in 2009 de belangstelling van [eiser] om als franchisenemer te gaan optreden voor Burger King kenbaar gemaakt.
2.3.
Voor de aanmelding van een gegadigde als franchisenemer bestaat bij Burger King een vaste procedure, die vermeld is op haar website.
2.4.
Het contact tussen [naam] en Burger King verliep aanvankelijk via de development manager [getuige], die als getuige in het hierna te noemen voorlopig getuigenverhoor hierover heeft verklaard dat hij als iemand zich als gegadigde meldde, deze naar de website verwees, dat er een telefonische intake placht plaats te vinden en dat gekeken werd of de gegadigde aan de criteria, waaronder het criterium dat er voldoende eigen vermogen was, voldeed.
2.5.
[naam] en [getuige] maken een afspraak voor 3 december 2009. Ter voorbereiding hierop stuurt [getuige] [eiser] het informatieblad Partnership door Franchising. Hierin staat onder meer:
Wanneer de sollicitant over een object/perceel beschikt (…) dan kan na de oriëntatietraining een principiële beoordeling van het betreffende doelgebied (…) worden verkregen. Hierna worden verdere 220 uur van het New Franchisee Training Programme in een (BURGER KING) trainingsrestaurant doorlopen. Na deze 220 uur vindt een beoordeling door de opleidingsverantwoordelijke plaats.
Wanneer deze beoordeling de sollicitant kwalificeert voor het voortzetten van de franchise vergunningsprocedure, dan vindt een afsluitend gesprek met de directie plaats. Verloopt dit gesprek positief, dan kan de sollicitant de voorlopige vergunning als (BURGER KING) franchisenemer krijgen (…).
…locatiewaarborg
De bovengenoemde voorlopige vergunning na 220 trainingsuur geeft de sollicitant het recht, zich als “voorlopig goedgekeurde (BURGER KING) franchisenemer” een locatie te verzekeren. De koop c.q. de ontwikkeling van een locatie berust uitsluitend bij de franchisenemer (…).
…definitieve vergunning en franchise agreement
Er is sprake van de definitieve vergunning voor de franchisesollicitant, wanneer zowel de franchisesollicitant als zijn hele restaurantcrew het telkens voorgeschreven (BURGER KING) trainingsprogramma succesvol hebben doorlopen en de locatie in overeenstemming met de (BURGER KING) specificaties is ontwikkeld (…).
2.6.
Vanuit Burger King was tevens het stuk ‘Franchise Proces: 9 stappen’ beschikbaar. De hierin bedoelde stappen zijn: 1) eerste contact, 2) aanvraagformulier, 3) financiële en juridische check; 20 uur oriëntatie training; oriënterend gesprek, 4) 220 uur Franchise Training Programme, 5) Senior management interview; Franchise Approval, 6) TRA/Sitepack, 7) goedkeuring locatie, 8) start bouw, rest training (circa 700 uur) en 9) operationele goedkeuring; Franchise Agreement & Fee; OPENING.
2.7.
De in 2.6 bedoelde genoemde franchise approval (onderdeel 5) wordt vertaald als ‘voorlopige goedkeuring’ of ‘voorlopige vergunning’.
2.8.
Bij het kennismakingsgesprek zijn Harry, Dylan en [eiser 3] en [getuige] aanwezig.
2.9.
Als getuige in een op verzoek van [eiser] c.s. gehouden voorlopig getuigenverhoor (hierna bedoeld als over getuigenverhoren wordt gesproken) heeft [naam] over het gesprek onder meer verklaard dat hij aangaf wat het belang voor [eiser] c.s. was van snelle duidelijkheid over de mogelijkheden van franchising. Voorts heeft hij in het gesprek verteld dat hij met zijn zoons en hun bedrijf gegadigde waren voor vijf à zes stuks vestigingen en dat dit volgens [getuige] aansloot bij de behoefte en wensen van Burger King. Voorts verklaart hij:
Een belangrijke vraag bij dat kennismakingsgesprek van ons was of en wanneer we tijdens het traject eruit gegooid konden worden als ze eenmaal de approval hadden uit Duitsland. De approval had betrekking op de financiële goedkeuring en dat zou vier weken duren, dan zouden we de uitslag hebben of Burger King in ons geïnteresseerd was of niet. Daarop gaf de heer [getuige] aan dat we eruit gegooid konden worden als achteraf bleek dat we tijdens de opleiding onvoldoende deskundig waren. Voor ons was het belangrijk om te weten wat de kansen waren dat de overeenkomst tot stand kwam (…). Na de goedkeuring hebben wij de papieren gehad en daarin lazen wij de te doorlopen stappen.
2.10.
Met approval uit Duitsland wordt bedoeld goedkeuring namens Burger King Europe. De reden van de aanduiding is dat haar hierna te noemen bestuurder [naam 8] in feite vanuit Duitsland opereerde.
2.11.
[eiser 2] verklaart over het gesprek als getuige dat [getuige] het vervolgtraject besprak en een aantal documenten wilde ontvangen,
waaronder bewijs dat ik de opleidingen daadwerkelijk gedaan had, dat [eiser] de financiële mogelijkheden had om meerdere restaurants te beginnen en dat ik geen strafblad had. Daarna zou ik daarop twee dagen mee gaan lopen in een Burger King restaurant om te kunnen kijken of ik het in me had. Als ik het in me had, zouden zij een training met mij gaan beginnen.
2.12.
Volgens [getuige] getuigenverklaring hield een kennismakingsgesprek normaliter het geven van een franchisepresentatie in waarbij de procedures, financiële zaken, hoofdcriteria zoals de franchise-fee en de duur van de overeenkomst aan de orde kwamen alsmede vragen van de kant van de kandidaat.
2.13.
Het belang van [eiser] bij franchising lag, zo gaf [naam] Burger King te kennen, onder meer in de beschikbaarheid van een herinvesteringsreserve van ongeveer € 1.200.000,00. Op 25 januari 2010 mailt [naam] aan [getuige] hierover dat hij de belastingdienst moet kunnen aantonen dat hij in gesprek is ‘om in de toekomst vijf tot tien restaurants als franchise BK op te starten’, waaraan hij toevoegt: ‘Uiteraard begrijp ik dat we in 2010 “maar één” Burger King restaurant kunnen opstarten’. Op 27 januari 2010 antwoordt [getuige]:
Middels dit schrijven bevestig ik dat we reeds enige maanden in gesprek zijn over de mogelijkheid om als kandidaat franchisenemer een aantal (BURGER KING) restaurants te starten.
2.14.
[eiser] krijgt hierop van de belastingdienst uitstel voor het doen van een herinvestering. Ook als getuige heeft [getuige] aangegeven begrepen te hebben dat deze materie tijdsdruk op [eiser] legde. Hij verklaart in dit verband ook:
Ik en de heer [naam] hebben tegen [eiser] gezegd dat wij niet konden garanderen dat binnen de termijn die zij met de Belastingdienst hadden afgesproken een herinvestering kon plaatsvinden. Het zoeken naar een locatie kostte veel tijd. Het hele traject van het vinden van een locatie tot en met het openen van een restaurant duurde gewoon lang.
2.15.
Burger King verschaft [eiser] een zogenaamd wittevlekkenplan, dat bijvoorbeeld ook bij makelaars bekend is, en waaruit blijkt voor welke locaties Burger King belangstelling heeft. Dit wordt [eiser] verschaft via [naam], in opdracht van [getuige].
2.16.
In vervolg op het kennismakingsgesprek stuurt [eiser] Burger King informatie overeenkomstig de aanvraagprocedure zoals die bij Burger King geldt: een vier onderdelen omvattend aanvraagformulier, een organogram van [eiser], legitimatie van [naam], het curriculum vitae van [eiser 2], een verklaring van het Ministerie van Justitie over [eiser], een verklaring omtrent gedrag van Harry en [eiser 2], een rekeningafschrift van RaboBank, een accountantsrapport met jaarverslag, een uittreksel van de Kamer van Koophandel betreffende [eiser] Supermarkt B.V., de aandeelhoudersregisters van [eiser] en [eiser] Supermarkt B.V.
2.17.
Het hiervoor bedoelde aanvraagformulier bevat na de ruimte voor beantwoording van de vraag ‘Beschikt u al over een geschikt perceel/geschikte restaurantruimte?’ de tekst
Houd er a.u.b. rekening mee dat Burger King pas na gebleken geschiktheid, het verstrekken van de voorlopige goedkeuring, in staat is om locatiemogelijkheden te onderzoeken.
2.18.
Als de aanvraagformulieren voor o.a. een legal approval en een financial approval zijn ingediend bij Burger King Europe, ontvangt [eiser] c.s. bericht dat het hoofdkantoor van Burger King groen licht heeft gegeven voor het starten van het franchisetraject. Dit is het hierboven onder 2.6 omschreven proces.
2.19.
Harry, Dylan en [eiser 3] volgen een oriëntatietraining (stap 3 onder 2.6) bij Burger King op Schiphol op 8 en 9 april 2010. Er volgt opnieuw een gesprek met [getuige]. Dit wordt gevoerd op 12 april 2010. Hierover verklaart [eiser 2] als getuige onder meer dat [getuige] heel positief was over de eerste twee dagen en hem, zijn vader en zijn broer vertelde ‘dat, als de rest van de opleiding ook zo zou gaan, we dan gebeiteld zouden zitten. Voorts zei [getuige] dat zo snel mogelijk de training moest worden ingepland’. Vervolgens begon voor hem een training van 220 uur in Rotterdam. Hij doorloopt deze met goed gevolg.
2.20.
Als het tweede gesprek met [getuige] plaatsvindt, is er nog geen duidelijkheid over een geschikte plaats voor een eerste vestiging. [getuige] arrangeert een afspraak tussen Harry, Dylan en [eiser 3] en de vastgoedacquisiteur van Burger King, [naam], op 22 april 2010.
2.21.
Op 23 april 2010 stuurt [getuige] [eiser] c.s. een concept franchiseovereenkomst toe waarin geen individualiserende gegevens zijn ingevuld.
2.22.
De afspraak voor een Senior Management Interview (SMI), het gesprek tussen de kandidaat en de directie in Duitsland (stap 5 onder 2.6) komt vervolgens aan de orde.
2.23.
[naam] geeft als getuige aan van [getuige] te hebben begrepen dat het SMI een formaliteit was, wat voor hem bevestigd werd door het feit dat het ‘gewoon’ afgezegd werd toen het gepland was.
2.24.
[getuige], die in mei of juni 2010 weggegaan is bij Burger King, verklaart als getuige dat er in zijn tijd geen SMI met [eiser] heeft plaatsgevonden. Ook verklaart hij dat hij niet kon voorspellen hoe dit gesprek zou verlopen en dat hij niet meer weet of hij er richting [eiser] een voorspelling over heeft gedaan. Wel heeft hij aangegeven dat het traject voor zover het doorlopen was – de informatieverschaffing en de training – positief was verlopen.
2.25.
R. [naam] verklaart als getuige:
Ik ben in contact gekomen met [eiser] via John [getuige]. Hij was verantwoordelijk voor het franchiseproces. Hij heeft mij ergens in 2010 benaderd. Als hij in een traject zat met nieuwe kandidaat-franchisenemers was het gebruikelijk om die nieuwe kandidaat-franchisenemers voor te stellen aan diegene die verantwoordelijk was voor het vastgoed en dat was ik (…). Dit voorstellen is gebeurd begin 2010 of misschien eind 2009. Ik heb gesproken met de heer [eiser] sr. en met zijn twee zonen (…). Ik heb aangegeven dat eerst het franchiseproces met John [getuige] moest worden doorlopen en dat we dan pas naar locaties konden kijken. Ik bedoel daarmee dat dan ook pas locaties konden worden voorgesteld.
(…). Ik kwam pas in beeld op het moment dat de kandidaat-franchisenemer franchisenemer was geworden. Pas dan kon de locatie worden voorgesteld. Ik heb nooit een locatie voorgesteld aan de heren [eiser]. Er is wel eens met [eiser] over locaties gesproken. De heer [eiser] sr. zelf heeft twee locaties naar voren gebracht (…). Ik herinner mij dat het ging om locaties in Duiven en Meerkerk. Ik heb daarbij steeds aangegeven, gelet op het eerste gesprek dat wij hadden gehad, dat zij konden doen wat ze wilden en dan zij ook voorwerk konden doen, maar dat ik niets kon goed- of afkeuren totdat zij definitief franchisenemer waren. In beginsel is iedereen vrij om locaties voor ons te zoeken, maar je kunt pas een locatie beginnen als je ook franchisenemer bent (…).
Mij wordt voorgehouden dat [eiser] sr. ook heeft verklaard dat ik aan hem een wishlist heb overhandigd. Het zou kunnen. De wishlist, of het wittevlekkenplan, is publiekelijk bekend. Het staat ook op internet. Iedereen kan voor ons locaties zoeken (…).
[eiser] sr. zou ook hebben verklaard dat ik geheime tekeningen aan hem zou hebben overhandigd. Ik weet niet wat er met “geheime tekeningen” wordt bedoeld. Het zou wel kunnen dat ik tekeningen heb laten zien van een concept-drive-throughrestaurant waarbij ook de huisstijl zichtbaar zou zijn geworden (…).
Na het vertrek van John [getuige] medio 2010 heb ik zijn werk in het franchisetraject overgenomen. Ik heb toen ook nog verschillende contactmomenten gehad met [eiser]. Volgens mij is dit vooral via de e-mail gegaan. Het kan zijn dat we ook nog een keer telefonisch contact hebben gehad.
Ik kwam in beeld nadat door [getuige] een SMI was ingepland voor Dylan en [naam] in Duitsland. Volgens mij was die SMI ingepland op 19 juli 2010. Die afspraak is nog door John [getuige] gemaakt. Daarna kwam ik dus in beeld. Ik heb een e-mail gekregen van [naam] met de mededeling dat de afspraak moest worden afgezegd, omdat een van zijn zonen in Brazilië zat. Ik heb vervolgens die afspraak ook afgezegd. Ik heb verzocht om een nieuwe datum. Een SMI heeft nooit plaatsgevonden.
2.26.
Op 7 juli 2010 mailt [naam] aan [naam]:
Ok. Dat is jammer, aangezien ik begrepen heb van John dat er op 19 juli een SMI is ingepland met jullie (…). Om de heren allen weer op 1 tijdstip bij elkaar te krijgen kan wel eens lastig zijn. Ik ga het proberen (…).
2.27.
Op 23 juli 2010 mailt [naam] aan Harry en [eiser 2]:
Ik heb nav ons telefoongesprek van gisteren intern overleg gevoerd over het vervolg van het franchiseproces. Het volgende is daaruit gekomen:
- Het Senior Management Interview is tot nader order uitgesteld. Mede door vakanties van betrokken personen verwachten wij eind augustus met een datum te kunnen komen.
- Dylan kan voorafgaand aan dit SMI in principe geen extra trainingsuren volgen. De optie – stage zonder inkomen – is niet mogelijk (…).
Aangaande dit laatste punt hebben we wel besloten over enkele weken de mogelijkheid extra trainingsuren voorafgaand aan het SMI te maken opnieuw te bespreken intern. Eerst moeten er echter intern op de trainingsrestaurants enkele aanpassingen worden doorgevoerd.
Dylan zal helaas nog even vakantie moeten vieren. Bij wijzigingen of vorderingen neem ik contact op met jullie.
2.28.
Op 3 augustus 2010 mailt [naam] aan [eiser 2] dat hij de training kan voortzetten, zoals hij graag wil, maar dat dit uitdrukkelijk op Dylan Duis von Damms eigen verzoek gebeurt omdat er nog geen SMI heeft plaatsgevonden en er geen officiële goedkeuring vanuit de directie gegeven is om als franchisee van Burger King op te treden.
2.29.
Als getuige verklaart [getuige]:
In dit geval heb ik [eiser] na de training van 220 uur aangeraden om te stoppen, omdat het niet zeker was hoe het traject verder zou verlopen. [eiser] heeft er toen zelf voor gekozen om de andere 700 uur training ook te gaan doen.
2.30.
[eiser 2] volgt met succes de training die in augustus 2010 begint en doorloopt tot 21 oktober 2010.
2.31.
[naam] laat op 23 augustus 2010 [naam] per mail weten dat hij de directie heeft gevraagd een datum voor het SMI te bepalen. Bij mail van 30 augustus 2010 dringt [naam] aan op het vaststellen van deze datum, waarbij hij wijst op een overeenkomst met de belastingdienst:
Ook heb ik u gemeld dat ik met de belastingdienst een deal heb kunnen sluiten i.v.m. een vervangingsreserve van mijn holding. Deze loopt af op 1 september 2010 (…).
Na negen maanden met uw bedrijf gesprekken gevoerd te hebben is het mij nog geheel onduidelijk wat voor ons de financiële gevolgen zullen zijn bij exploitatie van een BURGER KING. U bent wel op de hoogte van alle financiële aspecten van mijn bedrijf! Graag ontvang ik per omgaande een gemiddeld exploitatie overzicht.
Op 28-06-2010 heb ik u per e-mail bericht dat ik mij aan het oriënteren ben op het bedrijventerrein Hessenpoort te Duiven (tegenover Ikea en Makro). Wij hebben een alternatieve locatie in Duiven besproken waarover ik het liefst vandaag nog met u zou willen spreken (…).
2.32.
[naam] zegt wederom toe op het vaststellen van een datum aan te dringen. Bij mail van 4 oktober 2010 vraagt [naam] dringend informatie bij de directie van Burger King Europe in Duitsland, omdat hij van [naam] heeft begrepen dat dit de instantie is die over de vervolgstappen en in het bijzonder het plannen van de SMI gaat. Vervolgens vraagt hij informatie bij mail aan [naam 3] van 13 oktober 2010, waarin hij wijst op de opleiding van [eiser 2], die dan nog loopt, en op de vergevorderde onderhandelingen over de koop van grond in Duiven.
2.33.
Als getuige heeft [naam] verklaard dat zijn laatste contact met [eiser] een e-mail van hem van 30 augustus 2010 is geweest. Hij kon zich niet herinneren dat hij nog meer contact heeft gehad. Voorts heeft hij onder meer verklaard:
Ik heb aan [eiser] aangegeven dat Duiven onmogelijk was als locatie (…). Het was onmogelijk op dat terrein een Burger Kingrestaurant te beginnen met een verwijzingsmast. Wij zouden in dat gebied geen verwijzingsmast kunnen krijgen die zichtbaar was vanaf de snelweg. Ik wil hieraan toevoegen dat ik steeds bij [eiser] heb aangegeven dat zij te vroeg waren met het zoeken naar een locatie. Ik begreep wel dat zij, vanwege die vervangingsinvestering, naarstig op zoek waren naar een stuk grond waarin zij zouden willen investeren. Ik heb de informatie gegeven die ik eigenlijk niet hoefde te geven. Ik heb dat gedaan omdat het zinloos voor hen was om achter die locatie aan te gaan.
2.34.
Op 1 september 2010 verkoopt Burger King (Luxembourg) S.a.r.l. haar dochtervennootschap Burger King Nederland B.V. aan Citoyen Holding B.V. Het is bij Burger King onduidelijk wie vervolgens hierover vanuit Burger King Europe dient te communiceren naar onder meer de kandidaat-franchisenemers. [eiser] c.s. wordt dan ook niet op de hoogte gebracht.
2.35.
In september en oktober 2010 overlegt [naam] met een of meer makelaar(s), van welk overleg hij [naam] op de hoogte houdt. In de mailcorrespondentie met een makelaar over een bedrijventerrein in Duiven waarop nieuwbouw gerealiseerd kan worden, geeft [naam] als doelstellingen van [eiser] c.s. het volgende aan. Het in eigen beheer op te richten bedrijf zal de volgende afdelingen hebben: Burger King (plus Drive), Starbucks of DE, verse gezonde broodjes met diverse sappen (plus Drive), kinderopvang, kantoor stichting natuurbehoud en indien mogelijk enkele dienstwoningen. In een mail van 18 oktober 2010 wordt aangegeven dat [eiser] c.s. op de locatie in Duiven ‘een combinatie van Burger King en gezonde broodjes’ wil opzetten.
2.36.
Als getuige verklaart [naam 3] onder meer:
Ik was nog in dienst van Burger King Company (de toenmalige eigenaar van de Burger Kingvestigingen in Nederland, de rechtbank) toen ik in contact ben gekomen met [eiser]. Ik kwam in het bijzonder in contact met [eiser 2]. Hij moest getraind worden als potentiële franchisenemer (…). De training van Dylan verliep goed.
(…) kan ik verder bevestigen dat ik overleg heb gehad met de heer [naam] over de vervolgtraining van Dylan. Er is toen besloten dat Dylan de rest van de training van 700 uur alvast zou volgen. Normaal gesproken vindt die training pas plaats nadat de 220 uur training is afgelopen en er geen SMI heeft plaatsgevonden. Om een of andere reden duurde dat hier langer. Daarom is afgesproken dat Dylan met de vervolgtraining alvast zou gaan beginnen (…). Die vervolgtraining is ook perfect verlopen (…).
Ik was voor het eerst op 1 september 2010 op de hoogte van de verkoop door Burger King Company (…). Pas op het moment van overdracht werd mij dat bekend.
Ik weet dat er na de overname toekomstige franchisenemers zijn gestopt, zoals [eiser]. Ik weet ook dat er nu geen toekomstige franchisenemers meer in opleiding zijn (…). Zij zijn gestopt omdat Burger King Company niet verder ging met het franchisen in Nederland met andere partijen. Er is mij verteld dat alle toekomstige franchisenemers die in training waren gestopt zijn, behalve diegenen die al een SMI hadden gehad en een approval hadden.
2.37.
[naam 4], vanaf 1 september 2010 directeur van Burger King Nederland B.V. verklaart als getuige onder meer dat in het kader van een ontwikkelovereenkomst tussen Burger King Nederland B.V. en Burger King International bestaande franchiseondernemingen in Nederland konden blijven ontwikkelen, maar dat voor nieuwe franchisenemers geen plaats was. Hij vervolgt:
Ik weet niet of dit ook de reden is geweest dat er geen SMI is ingepland voor [eiser]. Ik ben daar niet bij betrokken geweest. Ik weet helemaal niets van de SMI voor [eiser] (…). De communicatie over het afbreken van het traject was een verantwoordelijkheid van Burger King International.
2.38.
[naam] verklaart als getuige voorts onder meer:
Er wordt mij gevraagd wanneer ik op de hoogte was van de onderhandelingen voorafgaande aan de verkoop (…). Ik raakte pas op de hoogte van het feit dat er iets ging gebeuren een paar maanden voor de verkoop. Van de verkoop heb ik pas gehoord op de dag zelf. Ik heb begrepen dat we werden overgenomen door Citoyen en dat ik een nieuwe werkgever had, een nieuwe baas van Burger King Nederland B.V. Ik heb gevraagd wat we gingen doen met de trainees die nog in het traject zaten. Er werd mij gezegd dat de verantwoordelijkheid daarvoor lag bij Burger King Company.
2.39.
In de avond van 13 oktober 2010 mailt [naam] aan [naam 5], senior director franchise & business van Burger King Duitsland, die ook Burger King Europe vertegenwoordigt:
Zoals u weet heeft Dylan zijn praktische opleiding voor franchise Nederland deze week met succes beëindigd.
Zoals op 16-05-2010 door dhr. John [getuige] schriftelijk vastgelegd in een trainingsoverzicht ontbreken er nog steeds enige opleidingen betreffende deze toegezegde cursussen die een wezenlijk onderdeel vormen van de franchise opleiding (…).
Ik wil u vriendelijk doch dringend verzoeken Drs. [eiser 2] met spoed in staat te stellen deze opleidingen van enkele dagen te laten volgen..
Momenteel zijn wij in vergevorderde onderhandelingen aankoop grond voor een nieuw te openen Burger King. Wij hopen voor 10 november 2010 de koopakte (…) te kunnen ondertekenen. Het betreft hier het Bedrijventerrein De Corridor te Duiven (…).
Ik meld je dit om redenen dat wij nog steeds geen contact hebben met de nieuwe franchisebegeleider Nederland. Ook mijn vraag om opheldering bij het HQ USA en Duitsland heeft hier geen verandering in gebracht.
2.40.
D.H. [naam 6] restaurant manager van Burger King, heeft als getuige verklaard dat hij op 1 oktober 2010 tijdens een vergadering hoorde ‘dat wij werden over genomen door BK NL’. Hij vervolgt:
Rond diezelfde periode heb ik gehoord dat er geen nieuwe franchisenemers zouden komen die restaurants mochten openen. Ik heb dit aan Dylan verteld.
2.41.
Bij mail van 14 oktober 2010 vraagt [naam] inlichtingen hierover bij Brian [naam 8], senior director franchise & business van Burger King Duitsland, die optreedt namens Burger King Europe. Hij vraagt nadrukkelijk om schriftelijke inlichtingen omdat het hem niet correct lijkt een discussie hierover per telefoon te voeren. [naam 8] geeft bij mail van dezelfde dag aan dit laatste te betreuren. Hij stuurt de mail door naar ‘the appropriate persons’. De volgende dag antwoordt [eiser] dat hij als hij de antwoorden op zijn vragen heeft, direct contact zal opnemen om een en ander met [naam 8] te bespreken. Op 21 oktober 2010 wordt [eiser] via Veronica Claeys, legal manager Central Europe, het op die dag opgestelde antwoord van [naam 8] gestuurd.
On September 1st, 2010 all company operated Burger King restaurants were sold to an entity outside the Burger King group of companies. As a result of this transaction Burger King no longer operates restaurants itself within the Netherlands and all formerly company operated restaurants are now run by one large Dutch franchisee. Part of the decisions taken within this transaction is that Burger King will no longer establish new Franchisees in the Netherlands amongst other reasons to be able to focus on the existing Franchisees.
Therefore, we would like to confirm that based on this strategic decision unfortunately we do not intend to move forward with your franchise procedure and we do not deem it opportune for you to continue negotiating about a location, taking into account amongst others that you have not yet obtained franchise approval and that this is unlikely to be obtained in the future.
2.42.
De door [naam 8] bedoelde entity outside the Burger King group of companies is Citoyen Holding B.V. (hierna: Citoyen). Tot 24 augustus 2010 was Burger King Nederland B.V. haar enig aandeelhouder, vanaf 1 september 2010 is Citoyen enig aandeelhouder van Burger King Nederland B.V.
2.43.
[getuige], die verklaard heeft eind mei of begin juni 2010 bij Burger King weg te zijn gegaan, heeft als getuige ook verklaard:
Voor mijn vertrek heb ik geruchten gehoord over onderhandelingen met betrekking tot de overname van Burger King in Nederland door één grote franchisenemer. Pas na mijn vertrek heb ik gehoord dat dit definitief doorging. Die geruchten waren al langer. De onderhandelingen hebben een aantal maanden geduurd. Het was onduidelijk hoe de afloop zou zijn en wat de consequenties daarvan waren.
2.44.
[naam 7], business manager bij Burger King, heeft als getuige verklaard:
Op enig moment is ons verteld dat wij vanaf 1 september 2010 bij een andere organisatie zouden behoren. Ik denk dat wij eind mei, begin juni 2010 een conference call hebben gehad over een reorganisatie. Wij hoorden dat wij een franchiseorganisatie zouden worden. Kort daarna is er een meeting geweest in Rotterdam (…). Ik heb later wel van collega’s gehoord wat er is besproken. Er zou een overname plaatsvinden. Wij wisten niet door welk bedrijf. Wij wisten alleen dat wij waren verkocht (…). Ik wist niet wat het effect daarvan zou zijn op de potentiële franchisenemers die nog in het traject zaten.
2.45.
Op 11 december 2010 krijgt [eiser] een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd van € 231.829,00.
2.46.
Bij brief van 18 april 2011 stelt de advocaat van [eiser] c.s. ‘Burger King GmbH’ aansprakelijk voor de gevolgen van het onrechtmatig afbreken van het vrijwel voltooide franchisetraject.
2.47.
De advocaat van Burger King wijst de aansprakelijkheid van de hand omdat de training nog niet afgerond was, het SMI nog niet had plaatsgevonden, er dus nog geen voorlopige franchise approval was gegeven, er nog geen door Burger King goedgekeurde locatie was gevonden waarvoor alle vergunningen waren verstrekt en er nog geen franchiseovereenkomst was gesloten. Tevens wordt erop gewezen dat [getuige] noch [naam] een voorlopige franchise approval kon afgeven, terwijl zelfs het beschikken over een voorlopige franchise approval nog niet betekent, zoals in het verleden is gebleken, dat er zekerheid bestond over de totstandkoming van een franchiseovereenkomst.
3. Het geschil
3.1.
[eiser] c.s. vordert, samengevat:
a. a) een verklaring voor recht dat Burger King onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] c.s. en dus aansprakelijk is voor de schade die [eiser] c.s. als gevolg van dit handelen heeft geleden,
b) een verklaring voor recht dat Burger King aan [eiser] c.s. alle kosten moet vergoeden die [eiser] c.s. heeft gemaakt gedurende het franchisetraject (het negatieve contractsbelang),
c) een verklaring voor recht dat Burger King aan [eiser] c.s. de door [eiser] c.s. gederfde inkomsten/winst (het positief contractsbelang) moet vergoeden,
d) veroordeling van Burger King tot betaling aan [eiser] c.s. van € 231.829,00, zijnde de schade die [eiser] c.s. heeft geleden nu zij de fiscale claim alsnog kreeg opgelegd,
e) veroordeling van Burger King tot betaling van alle overige door [eiser] c.s. geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
f) veroordeling van Burger King tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.411,00 exclusief 21% btw,
g) veroordeling van Burger King in de proceskosten, nakosten en kosten van de gehouden voorlopige getuigenverhoren, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] c.s. legt aan haar vorderingen ten grondslag, samengevat, dat zij met Burger King heeft onderhandeld over de totstandkoming van een franchiseovereenkomst tussen [eiser] en Burger King Europe en dat die onderhandelingen al in een vergevorderd stadium waren toen zij door Burger King werden afgebroken. [eiser] c.s. betoogt dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de franchiseovereenkomst tot stand zou komen. Het afbreken van het franchisetraject was gelet op het voorgaande en gezien de overige omstandigheden onaanvaardbaar. Volgens [eiser] c.s. heeft Burger King bovendien geenszins rekening gehouden met haar gerechtvaardigde belangen. Aldus heeft Burger King volgens [eiser] c.s. onrechtmatig jegens haar gehandeld en is Burger King aansprakelijk voor de schade die [eiser] c.s. als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden, lijdt en nog zal lijden. Deze schade bestaat volgens [eiser] c.s. uit (i) de kosten die zij in het kader van het franchisetraject heeft moeten maken (het negatief contractsbelang), (ii) de fiscale claim waarvoor [eiser] van de Belastingdienst een uitstel had gekregen teneinde haar in de gelegenheid te stellen het franchisetraject af te ronden, maar die de Belastingdienst na het afbreken van het franchisetraject alsnog heeft opgelegd, en (iii) gederfde winst (het positief contractsbelang).
3.3.
Burger King voert verweer. Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader ingaan.
4. De beoordeling
4.1.
Burger King Duitsland is in deze zaak geen partij. Er is alleen sprake geweest van enige onduidelijkheid omdat [naam 8] in Duitsland werkte, zo is ter zitting gebleken. [eiser] c.s. zal in haar vorderingen voor zover ingesteld tegen Burger King Duitsland niet ontvankelijk worden verklaard.
4.2.
Voorop staat in het betoog van [eiser] c.s. dat zij er op mocht vertrouwen dat een franchiseovereenkomst tot stand zou komen omdat het SMI alleen een kennismaking met de directie inhield, terwijl de approval inhoudelijk al eerder gegeven moest zijn op grond van de screening en de franchise training, terwijl over potentiële locaties met [naam] gesproken was, waaronder de locatie in Duiven.
4.3.
Voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen geldt dat ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen (vgl. HR 15 december 2005, ECLI:NL:HR:2006:AZ2721 (CBB/JPO); HR 23 oktober 1987, nr. 12999, NJ 1988, 1017, overweging 3.1; HR 4 oktober 1996, nr. 16062, NJ 1997, 65, overweging 3.5.2.2; HR 14 juni 1996, nr. 16008, NJ 1997, 481, overweging 3.6). Het gaat hierbij om een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf.
4.4.
Aan de zojuist bedoelde vereisten voor het bestaan van een schadevergoedings-plicht bij afgebroken onderhandelingen is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet voldaan. Zij overweegt daartoe het volgende naar aanleiding van de te dezen relevante omstandigheden.
4.5.
Dat het SMI alleen een kennismaking met de directie inhield, is een conclusie die voor rekening van [eiser] c.s. komt. Uit de overgelegde stukken en de feiten zoals hierboven onder 2. weergegeven, blijkt dat dit gesprek een cruciale stap vormde in het proces om tot een franchiseovereenkomst te komen. De feiten bieden geen grond om de hier bedoelde conclusie van [eiser] c.s. te volgen. Dat het gesprek inhoudelijk mogelijk niet veel voorstelde in de ogen van sommigen die het hadden gevoerd en er wellicht niet veel tijd mee gemoeid was, zoals [eiser] c.s. betoogt, verandert hier niets aan. Dat het gesprek werd uitgesteld omwille van de vakantietijd mag zo zijn – overigens is tussen partijen in geschil of niet aanvankelijk juist de vakantie aan de kant van [eiser] tot uitstel leidde –, het doet evenmin af aan het belang van het gesprek.
4.6.
Anders dan [eiser] c.s. stelt is niet gebleken dat Burger King bewust trachtte te voorkomen dat het SMI plaatsvond. Geen van de stukken en geen van de getuigenverklaringen geeft grond om dit aan te nemen, in ieder geval voor de periode tot 1 september 2010. Overigens geldt dat als de stelling van [eiser] c.s. op dit punt juist is, hierin voor haar juist een geduchte waarschuwing te vinden zou zijn geweest dat Burger King zich niet wilde committeren.
4.7.
Dat er stappen aan het gesprek vooraf gingen en dat een vervolgstap pas gezet werd als een eerdere was afgerond, zodat inderdaad al sprake was ven een approval op grond van de screening en de eerste, onder 2.6 bedoelde, oriëntatietraining, verandert evenmin iets aan de cruciale positie van het SMI.
4.8.
De rechtbank stelt vast dat de overige stappen – dit geldt in het bijzonder voor de training die [eiser 2] volgde (zie o.a. 2.27 en 2.29) – waarin deels op het resultaat van het SMI vooruitgelopen werd, nadrukkelijk op dringend verzoek van [eiser] c.s. gezet zijn, terwijl van de kant van Burger King nooit is aangegeven dat zij in verband hiermee de procedure wijzigde of van plan was te wijzigen of dat anderszins het belang aan het SMI kwam te ontvallen. Dit blijkt uit de onder 2.27 en 2.28 bedoelde feiten.
4.9.
De gesprekken over potentiële locaties met [naam] hebben – al aangenomen dat ze plaatsgevonden hebben, wat [naam] voor een deel van het door [eiser] c.s. gestelde ontkent – plaatsgevonden op initiatief van [naam]. Aanvankelijk gingen zij over een locatie in Duiven die niet acceptabel was voor Burger King en daarna over De Corridor in Duiven waarover [naam] eveneens verklaart dat hij er negatief tegenover stond. Nergens blijkt uit dat van de kant van Burger King ondubbelzinnig positieve informatie was gekomen over deze locatie.
4.10.
Dat [eiser] c.s. wat de locatie betreft had aangegeven flexibel te zijn en zelfs een locatie buiten Nederland te willen aanvaarden, is door haar gesteld, maar niet erkend door Burger King en ook niet anderszins gebleken. In elk geval is gesteld noch gebleken dat een locatie buiten Nederland voor Burger King aanvaardbaar was, wat te meer klemt omdat [eiser] c.s. aan het begin van de dagvaarding met veel nadruk stelt dat het gegeven dat Burger King in Nederland wilde uitbreiden, de reden was om contact met haar op te nemen. Enig ander land is daarbij niet aan de orde.
4.11.
Dat een concept-franchiseovereenkomst was toegestuurd door Burger King waarmee [eiser] c.s. aangeeft te hebben kunnen instemmen, is niet van belang omdat dit voorstel niet een geïndividualiseerd concept betrof dat slechts instemming van de kant van [eiser] behoefde om tot een overeenkomst te kunnen worden. Uit de getuigenverklaring van [getuige] mag blijken dat in deze concepttekst nooit wijzigingen werden doorgevoerd, zodat alleen nog invulling van de individualiserende gegevens nodig was, zoals [eiser] c.s. stelt, maar dit maakt het concept nog niet tot een geïndividualiseerd concept. De verklaring van [getuige] duidt er kennelijk slechts op dat Burger King niet genegen was afwijkende franchisecontracten te sluiten, wat voor grote franchisegevers als Burger King, zoals in de desbetreffende branche even bekend zal zijn als het de rechtbank ambtshalve bekend is, gebruikelijk is.
4.12.
Wat de door [eiser 2] gevolgde training betreft doet [eiser] c.s. nog een beroep op de omschrijving van het franchisetraject (Partnership door Franchising, zie 2.5 hierboven), waarin staat:
De bovengenoemde voorlopige vergunning na 220 trainingsuur geeft de sollicitant het recht, zich als “voorlopig goedgekeurde (BURGER KING) franchisenemer” een locatie te verzekeren. De koop c.q. de ontwikkeling van een locatie berust uitsluitend bij de franchisenemer (…).
4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank bevestigt deze tekst slechts wat in feite ook gebeurd is: toen [eiser 2] de training kon volgen, vond er ook overleg met [naam] over mogelijke locaties plaats. Het neemt niet weg dat uit de onder 2.5 en 2.6 weergegeven teksten en het onder 2.17 geciteerde formulier volgt dat er pas definitieve afspraken gemaakt konden worden als het SMI had plaatsgevonden en dat de training – en daarmee de mogelijkheid om over locaties te gaan praten – op uitdrukkelijk verzoek van [eiser] c.s. en zonder dat overigens van het in 2.5 en 2.6 bedoelde proces werd afgeweken, plaatsvond.
4.14.
Samengevat is het dus het gegeven dat Burger King op geen enkel moment in redelijkheid de indruk bij [eiser] heeft kunnen wekken dat zij afzag of wilde afzien van de gebruikelijke stappen van het franchiseproces in combinatie met het feit dat feitelijke afwijkingen hiervan – in het bijzonder de trainingen van [eiser 2] en de met [naam] gevoerde gesprekken over locaties – uitsluitend voortkwamen uit initiatieven aan de zijde van [eiser] c.s. dat leidt tot het onder 4.3 geformuleerde oordeel.
4.15.
Naast het onder 4.2 vermelde is vaste jurisprudentie dat een verplichting tot vergoeding van in het kader van de voorafgaande onderhandelingen gemaakte kosten zelfs zou kunnen bestaan, als de onderhandelingen nog niet in een zodanig stadium zouden zijn geraakt dat de ene partij te goeder trouw die onderhandelingen niet meer had mogen afbreken, maar reeds wel in een stadium dat zulk afbreken haar in de gegeven omstandigheden niet meer zou hebben vrijgestaan zonder de door de wederpartij gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk voor haar rekening te nemen. Hierbij gaat het om kosten, die de gebruikelijke acquisitiekosten overstijgen, waarbij het uitgangspunt is dat een snelle aanname van een vergoeding zich niet verhoudt met algemene beginselen van contractsvrijheid.
4.16.
Ook op deze grond bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor vergoeding van schade/kosten door Burger King. Dat er voortgegaan is met de procedure, dat [eiser 2] voorgedragen is om de opleiding te volgen en dat onderzoek is gedaan naar geschikte locaties, is immers allemaal gebeurd, zo blijkt uit de getuigenverklaringen en de overgelegde stukken, omdat [eiser] c.s. de procedure wilde verhaasten. Dit leidde mogelijk – Burger King betwist dit – tot kosten, terwijl Burger King zich in het algemeen passief opstelde.
4.17.
Wat dit laatste betreft zou Burger King verweten kunnen worden dat zij maar liet gebeuren wat [eiser] c.s. wilde, die kennelijk erop uit was een positie van franchisenemer te veroveren. Indien en voor zover [eiser] c.s. haar dit verwijt verwerpt de rechtbank ook het hierop gerichte betoog. Dit doet zij in de eerste plaats omdat Burger King duidelijk had gemaakt dat [eiser] c.s. hierin vooruit liep op het gangbare proces (2.27 en 2.28), waaruit [eiser] c.s. in redelijkheid kon afleiden dat eventuele gevolgen hiervan dan ook voor haar risico kwamen, nu Burger King niet anders had aangegeven. In de tweede plaats weegt ook hier mee dat [eiser] c.s. steeds heeft moeten en kunnen begrijpen dat het SMI nog moest plaatsvinden en dat pas daarna een beslissing genomen zou worden.
4.18.
Burger King wijst er voorts terecht op dat [eiser] c.s. als grote belang bij het voortvarende optreden de opstelling van de belastingdienst heeft genoemd. In 2010 moest zij een eerste restaurant kunnen opstarten. Kennelijk diende dit te gebeuren vóór 1 september 2010 en is uitstel tot later in het najaar gegeven. Weliswaar benadrukte [eiser] c.s. dit regelmatig tegenover Burger King, maar in redelijkheid moet het niet alleen Burger King, maar ook [eiser] c.s. duidelijk zijn geweest dat dit niet gehaald kon worden. Alleen al het gegeven dat [eiser] c.s. kennelijk voor het eerst eind juni 2010 zocht naar een locatie waar nog gebouwd zou moeten worden, betekent dat opening van een restaurant op die plaats in 2010 als een illusie gezien moet worden. Beide partijen moeten begrepen hebben dat [eiser] c.s. een poging waagde nog tijdig de herinvesteringsreserve te gaan benutten. Dit betekent dat er geen redelijke grond bestaat de wederpartij van [eiser] c.s. de kosten hiervan te laten dragen.
4.19.
Dat de verschaffing van informatie over de overdracht aan Citoyen tegenover [eiser] c.s. van de kant van Burger King slordig verliep, zoals blijkt uit het onder 2.34 e.v. overwogene, is op zichzelf geen grond om anders over het voorgaande te oordelen. Ook na die datum immers wist [eiser] c.s. dat het SMI nog niet had plaatsgevonden en behoorde zij te begrijpen dat de goedkeuring om zich bij de franchiseorganisatie aan te sluiten van dit gesprek af hing. In zoverre veranderde de situatie niet door de onzekerheid. Hier komt bij dat het na 1 september 2010 [eiser] c.s. volstrekt duidelijk moet zijn geweest dat zij in ieder geval de herinvesteringsreserve niet meer in 2010 zou kunnen aanspreken voor het openen van een Burger King-restaurant.
4.20.
Zo de onzekerheid over de overname door Citoyen al enige grond voor het vergoeden van schade zou kunnen opleveren, zo overweegt de rechtbank ten overvloede, valt deze weg tegen de schadebeperkingsverplichting van [eiser] c.s. wie in de desbetreffende periode duidelijk moet zijn geweest dat zij in ieder geval de herinvesteringsreserve niet meer in 2010 zou kunnen aanspreken voor het openen van een Burger King-restaurant.
4.21.
Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vorderingen.
4.22.
[eiser] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Burger King worden met inbegrip van de kosten voor het bijwonen van de voorlopige getuigenverhoren begroot op:
- griffierecht € 3.829,00
- salaris advocaat 9.000,00 (4,5 punten × tarief € 2.000,00)
Totaal € 12.829,00
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart [eiser] c.s. niet ontvankelijk in haar vorderingen jegens Burger King Duitsland,
5.2.
wijst de vorderingen tegen Burger King Europe af,
5.3.
veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Burger King tot op heden begroot op € 12.829,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [eiser] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2015.
Uitspraak 31‑12‑2014
Inhoudsindicatie
Bevoegdheidsincident. Vraag waar het schadebrengende feit - het afbreken van de onderhandelingen - zich heeft voorgedaan (artikel 5 lid 3 EVEX II en EEX-Verordening). Plaats waar brief, waarin mededeling wordt gedaan van het afbreken van de onderhandelingen, is ontvangen. Rechtbank bevoegd.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/269778 / HA ZA 14-481
Vonnis in incident van 31 december 2014
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser 1]
gevestigd te Spijk, gemeente Lingewaal,
2. [eiser 2],
wonende te Spijk, gemeente Lingewaal,
3. [eiser 3],
wonende te Spijk, gemeente Lingewaal,
4. [eiser 4],
wonende te Spijk, gemeente Lingewaal,
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat mr. H.L.J.M. van Grinsven te Tilburg,
tegen
1. de vennootschap naar Zwitsers recht
BURGER KING EUROPE GMBH,
statutair gevestigd te Zug, Zwitserland,
2. de vennootschap naar Duits recht
BURGER KING BETEILINGUNGS GMBH,
gevestigd te München, Duitsland,
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaat mr. P.J.B. Heemskerk te Rotterdam.
Eisers in de hoofdzaak zullen hierna gezamenlijk [eiser 1] c.s. worden genoemd en afzonderlijk [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4]. Gedaagden in de hoofdzaak worden hierna gezamenlijk Burger King c.s. genoemd en afzonderlijk Burger King Europe en Burger King Duitsland.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding
- -
de conclusie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid
- -
de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. Het geschil in de hoofdzaak
2.1.
[eiser 1] c.s. vordert in de hoofdzaak, samengevat:
- a.
verklaring voor recht dat Burger King c.s. onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] c.s. en dus aansprakelijk is voor de schade die [eiser 1] c.s. als gevolg van dit handelen heeft geleden;
- b.
verklaring voor recht dat Burger King c.s. aan [eiser 1] c.s. alle kosten moet vergoeden die [eiser 1] c.s. heeft gemaakt gedurende het franchisetraject (het negatieve contractsbelang);
- c.
verklaring voor recht dat Burger King c.s. aan [eiser 1] c.s. de door [eiser 1] c.s. gederfde inkomsten/winst (het positief contractsbelang) moet vergoeden;
- d.
veroordeling van Burger King c.s. tot betaling aan [eiser 1] c.s. van € 231.829,00, zijnde de schade die [eiser 1] c.s. heeft geleden nu zij de fiscale claim alsnog kreeg opgelegd;
- e.
veroordeling van Burger King c.s. tot betaling van alle overige door [eiser 1] c.s. geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- f.
veroordeling van Burger King c.s. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.411,00 exclusief 21% btw;
- g.
veroordeling van Burger King c.s. in de proceskosten, nakosten en kosten van de gehouden voorlopige getuigenverhoren, vermeerderd met de wettelijke rente.
2.2.
[eiser 1] c.s. legt aan haar vorderingen ten grondslag, samengevat, dat zij met Burger King c.s. heeft onderhandeld over de totstandkoming van een franchiseovereenkomst en dat die onderhandelingen al in een vergevorderd stadium waren toen zij door Burger King c.s. werden afgebroken, door middel van een per e-mail verzonden brief van de heer [naam], Senior Director Franchise & Business Development van Burger King c.s. van 21 oktober 2010. [eiser 1] c.s. betoogt dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de franchiseovereenkomst tot stand zou komen en dat het afbreken van het franchisetraject gelet hierop en gezien de overige omstandigheden onaanvaardbaar was. Volgens [eiser 1] c.s. heeft Burger King c.s. bovendien geenszins rekening gehouden met haar gerechtvaardigde belangen. Aldus heeft Burger King c.s. volgens [eiser 1] c.s. onrechtmatig jegens haar gehandeld en is Burger King c.s. aansprakelijk voor de schade die [eiser 1] c.s. als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden, lijdt en nog zal lijden. Deze schade bestaat volgens [eiser 1] c.s. uit (i) de kosten die zij in het kader van het franchisetraject heeft moeten maken (het negatief contractsbelang), (ii) de fiscale claim waarvoor [eiser 1] van de Belastingdienst een uitstel had gekregen teneinde haar in de gelegenheid te stellen het franchisetraject af te ronden, maar die de Belastingdienst na het afbreken van het franchisetraject alsnog heeft opgelegd, en (iii) gederfde winst (het positief contractsbelang).
2.3.
Burger King c.s. voert verweer.
3. Het geschil in het incident
3.1.
[eiser 1] c.s. stelt zich in de dagvaarding op het standpunt dat deze rechtbank bevoegd is van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. Volgens [eiser 1] c.s. moet de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in het geval van Burger King Europe – die is gevestigd in Zwitserland – worden beoordeeld aan de hand van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 30 oktober 2007 (hierna: EVEX II), nu Zwitserland geen partij is bij de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de EEX-Verordening). Burger King Duitsland is gevestigd in Duitsland, welk land wel partij is bij de EEX-Verordening.
In dit kader betoogt [eiser 1] c.s. ten eerste dat de grondslag van de vordering in de hoofdzaak onrechtmatige daad is. Artikel 5 sub 3 EVEX II bepaalt dat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad het gerecht bevoegd is van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Ook artikel 5 sub 3 EEX-Verordening bepaalt dat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad bevoegd is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. In casu heeft het schadebrengende feit zich in Nederland voorgedaan, aldus [eiser 1] c.s. Zij voert daartoe aan dat de plaats waar de brief van de heer [naam] van Burger King c.s., waarmee de onderhandelingen zijn afgebroken, is ontvangen, moet worden aangemerkt als de plaats waar de onderhandelingen zijn afgebroken en dus de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.
Ten tweede wijst [eiser 1] c.s. op artikel 5 sub 5 EEX-Verordening, dat bepaalt dat ten aanzien van een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal of enige andere vestiging bevoegd is de rechter van de plaats waar het filiaal of de vestiging is gelegen. In casu was het de bedoeling de Burger Kingfilialen in Nederland te openen, zodat ook om die reden de Nederlandse rechter bevoegd is, aldus [eiser 1] c.s. Ten slotte voert [eiser 1] c.s. aan dat in artikel 25 van de concept-franchiseovereenkomst is bepaald dat een geschil aan de Nederlandse Franchise Vereniging wordt voorgelegd alvorens het geschil aan de bevoegde rechter wordt voorgelegd. [eiser 1] c.s. leidt hieruit af dat partijen beoogden geschillen in Nederland te laten beoordelen.
3.2.
Burger King c.s. vordert echter in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Ter onderbouwing van haar vordering voert zij aan dat ingevolge de hoofdregel van artikel 2 van zowel EVEX II als de EEX-Verordening een procedure moet worden aangebracht voor de rechtbank van de woonplaats van de gedaagde. Artikel 5 sub 3 EVEX II en artikel 5 sub 3 EEX-Verordening, die bepalen dat procedures ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad moeten worden aangebracht voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, zijn volgens Burger King c.s. uitzonderingsbepalingen die niet te gemakkelijk mogen worden toegepast. Burger King c.s. voert aan dat de brief van de heer [naam] van 21 oktober 2010, waarmee volgens [eiser 1] c.s. de onderhandelingen zijn afgebroken, is verzonden en ontvangen per e-mail en dat er dus nooit in fysieke zin een brief in Nederland op de deurmat is gevallen. Daarmee heeft zich volgens Burger King c.s. ook geen schadebrengend feit in Nederland voorgedaan. Volgens Burger King c.s. is de plaats waar een e-mail wordt gelezen geen juist aanknopingspunt om rechtsmacht toe te kennen. Het is niet voorzienbaar waar een e-mail zal worden gelezen of ontvangen en daardoor ontstaat een grote onzekerheid over welke rechtbank bevoegd zou zijn kennis te nemen van een geschil. Dit is in strijd met de rechtszekerheid die de internationale privaatrechtelijke regels beogen te bieden, aldus Burger King c.s. [eiser 1] c.s. heeft volgens Burger King c.s. overigens ook niet expliciet gesteld waar de e-mail zou zijn ontvangen. Verder voert Burger King c.s. aan dat het [eiser 1] c.s. al vóór de brief van de heer [naam] van 21 oktober 2010, namelijk op 14 oktober 2010, duidelijk was dat Burger King Nederland haar koers had gewijzigd en geen franchisenemers meer had of aannam. Ook om die reden kan de e-mail van 21 oktober 2010 niet dienen om vast te stellen wat de plaats is waar de schade is ingetreden. Burger King c.s. voert ook nog aan dat in het onderhavige geval enkel sprake is van – beweerdelijk – geleden financiële schade en dat financiële schade niet relevant is in het kader van artikel 5 sub 3 EVEX II.
3.3.
[eiser 1] c.s. voert verweer in het incident.
3.4.
De rechtbank zal in het navolgende nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover die van belang zijn voor de beoordeling.
4. De beoordeling in het incident
4.1.
Burger King Europe is gevestigd in Zwitserland, welk land als niet-EU-lidstaat niet is gebonden aan de EEX-Verordening. Zwitserland is echter, evenals Nederland, wél partij bij EVEX II, dat voor Nederland in werking is getreden op 1 januari 2010 en voor Zwitserland op 1 januari 2011. De rechtbank moet de vraag of zij rechtsmacht heeft voor zover het de vordering van [eiser 1] c.s. jegens Burger King Europe betreft dan ook beantwoorden aan de hand van EVEX II.
4.2.
De vraag of de rechtbank bevoegd is om de vordering van [eiser 1] c.s. jegens Burger King Duitsland te beoordelen, moet worden beantwoord aan de hand van de EEX-Verordening, aangezien Burger King Duitsland in Duitsland is gevestigd en Duitsland, net als Nederland, partij is bij de EEX-Verordening.
4.3.
[eiser 1] c.s. spreekt Burger King c.s. aan uit onrechtmatige daad. Ingevolge artikel 5 sub 3 EVEX II, dat materieel gelijk is aan artikel 5 sub 3 EEX-Verordening, kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat ten aanzien van een verbintenis uit onrechtmatige daad worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Aan deze bijzondere bevoegdheidsregels moet een strikte uitleg worden gegeven, die niet verder mag gaan dan de door het Verdrag uitdrukkelijk voorziene gevallen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EG berust de in artikel 5 sub 3 vastgelegde regel op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen het geschil en het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, zodat de bevoegdheid van dit gerecht wordt gerechtvaardigd door de eisen van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting. Het Hof van Justitie EG heeft voorts onder meer geoordeeld dat het begrip “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” niet zo extensief kan worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt.
4.4.
Partijen verschillen van mening over de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Op zichzelf is niet in geschil dat Burger King c.s. in de brief van de heer [naam] van 21 oktober 2010 aan [eiser 1] heeft meegedeeld dat zij het franchisetraject niet zal voortzetten. Burger King c.s. betoogt echter dat [eiser 1] c.s. al eerder, namelijk op 14 oktober 2010, ervan op de hoogte was dat Burger King c.s. niet met hem verder zou gaan. Burger King c.s. verwijst daartoe naar een e-mail van [naam 2] (de rechtbank begrijpt: [naam 2]) Duis von Damm aan de heer [naam] van 14 oktober 2010, waarin hij schrijft dat hij die dag in het Burger Kingfiliaal in Delft van de manager heeft vernomen dat Burger King Nederland geen franchisenemers meer heeft en/of aanneemt. Burger King c.s. verbindt hieraan de conclusie dat de brief van de heer [naam] van 21 oktober 2010 niet kan worden aangemerkt als schadebrengend feit. De rechtbank verwerpt dit standpunt. De manager van het filiaal in Delft is immers – zo voert Burger King c.s. zelf aan – geen medewerker van Burger King c.s., maar van Burger King Nederland. De mededeling van deze manager had blijkens de e-mail van [eiser 2] van 14 oktober 2010 bovendien slechts een algemene strekking en had betrekking op Burger King Nederland. De mededeling kan dan ook niet worden opgevat als specifiek tot [eiser 1] c.s. gerichte, bevoegdelijk gedane mededeling van of namens Burger King c.s. met de strekking dat het franchisetraject niet zou worden voortgezet. De brief van de heer [naam] van 21 oktober 2010 moet gelet op de inhoud daarvan wel als zodanig worden opgevat. Nu het afbreken van de onderhandelingen zoals dat door [eiser 1] c.s. bij dagvaarding in het debat is gebracht pas effect heeft door de ontvangst van de brief waarin dit afbreken wordt meegedeeld, moet de plaats waar die brief is ontvangen worden aangemerkt als de plaats waar de onderhandelingen zijn afgebroken en dus als plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.
4.5.
Burger King c.s. stelt zich op het standpunt dat de brief van 21 oktober 2010 per e-mail is verzonden, zodat er nooit een fysieke brief in Nederland op de deurmat is gevallen en er zich dus ook geen schadebrengend feit in Nederland heeft voorgedaan. Burger King c.s. wijst er daarbij op dat het louter toeval is waar de e-mail is geopend of ontvangen; dit zou bijvoorbeeld ook in Singapore, New York of Sidney kunnen zijn geweest. De rechtbank verwerpt ook dit standpunt van Burger King c.s. Nog daargelaten dat [eiser 1] c.s. in haar incidentele antwoordconclusie aanvoert dat zij de brief behalve per e-mail ook per gewone post heeft ontvangen, merkt [eiser 1] c.s. terecht op dat het erom gaat dat Burger King c.s. aan haar een mededeling heeft gedaan, waarbij het doel was dat die mededeling haar zou bereiken. De brief van 21 oktober 2010 is gericht aan [eiser 1] en is naar haar e-mailadres gestuurd en deze vennootschap is gevestigd in Nederland. Of [eiser 2] zich nu wel of niet fysiek in Nederland bevond toen hij van die e-mail kennisnam, doet niet ter zake. Een andere opvatting zou leiden tot een onwenselijk resultaat: een partij zou dan, door iedere mededeling per e-mail te doen, ten faveure van zichzelf altijd kunnen aanvoeren dat niet is vast te stellen waar die e-mail is ontvangen.
4.6.
De conclusie luidt dat het schadebrengende feit – het afbreken van de onderhandelingen – zich heeft voorgedaan in Nederland, meer specifiek in Spijk, gemeente Lingewaal, en dus in het arrondissement van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem.
4.7.
Deze conclusie strookt ook met het feit dat het franchisetraject gedurende vele maanden in Nederland is doorlopen en als einddoel had dat [eiser 1] c.s. meerdere vestigingen van Burger King in Nederland zou openen. Dit levert het in 4.3 bedoelde bijzonder nauw verband op tussen het geschil en deze rechtbank als gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, zodat de bevoegdheid van deze rechtbank wordt gerechtvaardigd door de eisen van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting.
4.8.
Gezien het voorgaande moet de incidentele vordering worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. Hetgeen partijen meer of anders hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom buiten bespreking.
4.9.
Burger King c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het incident. Deze kosten worden aan de zijde van [eiser 1] c.s. begroot op € 452,00 wegens salaris advocaat (1,0 punt × tarief € 452,00).
5. De beoordeling in de hoofdzaak
5.1.
Omdat Burger King c.s. in de hoofdzaak al heeft geantwoord, zal de rechtbank nu een comparitie van partijen bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
5.2.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen – ook in het nadeel van die partij – kan maken die zij geraden zal achten.
5.3.
De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechtbank zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechtbank zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.
5.4.
In beginsel wordt ter comparitie aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.
5.5.
Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.
5.6.
Van de verklaringen ter zitting zullen geen ondertekende weergaven in het proces-verbaal worden opgenomen. Naast een verkort proces-verbaal worden de griffiersaantekeningen in het dossier bewaard.
6. De beslissing
De rechtbank
in het incident
6.1.
wijst het gevorderde af en verklaart zich bevoegd van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen,
6.2.
veroordeelt Burger King c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser 1] c.s. tot op heden begroot op € 452,00,
in de hoofdzaak
6.3.
beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. J.D.A. den Tonkelaar in het Paleis van Justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
6.4.
bepaalt dat [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat [eiser 1] Burger King Europe GmbH en Burger King Beteilingungs GmbH dan moeten zijn vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is hen te vertegenwoordigen,
6.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 januari 2015 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de woensdagen in de maanden februari tot en met april 2015, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,
6.6.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,
6.7.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
6.8.
wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2014.
Coll.: JCFORMULIER DATUMBEPALING
Lokale instructie aan concipiënt, bijv:
Instructies aan de concipiënt: print dit formulier uit en lever het samen met het griffiedossier en de uitspraak in bij de griffiemedewerker die met de datumbepaling is belast.
Na het uitprinten mag je dit formulier verwijderen uit dit bestand. Het moet in ieder geval zijn verwijderd in de definitieve versie van de uitspraak, die wordt opgeslagen in de map met uitgesproken vonnissen.
Standaardtekst waarbij via de wizard gegevens uit de beslissing worden ingevuld (zaaknummer hoeft niet omdat dat al in de koptekst staat):
LET OP: het bestand "formulier datumbepaling 2" is nodig omdat daarin andere velden worden gebruikt.
Uitspraak: 31 december 2014
Rechter zitting: mr. J.D.A. den Tonkelaar
Plaats zitting: gerechtsgebouw
Als de hierna vermelde documentvariabelen uit dit formulier worden verwijderd, moeten ze ook uit het variabelenoverzicht worden verwijderd om te voorkomen dat ze later als niet ingevulde variabelen problemen opleveren (knop Invoegen documentvariabelen op de werkbalk Justword Beheer, klik op huidige document, klik op te overbodige variabelen en dan op Verwijderen)
Standaardtekst te gebruiken door rechtbanken die het verhinderdagensysteem hanteren:
Roldatum opgave verhinderdata: 14 januari 2015
Verhinderdata van februari tot april 2015
Zitting op: woensdagen
Duur zitting: twee uur
Standaardtekst te gebruiken door rechtbanken die systeem direct datumbepaling hanteren (te verwijderen als dit formulier dan juist is bedoeld voor instructies van de concipiënt aan een andere medewerker die de datum moet vaststellen):
Datum zitting: [zitting1_datum] van [zitting1_begintijd] tot [zitting1_eindtijd]
Hier lokale instructies opnemen t.b.v. de ontvanger van dit formulier. Let op dat dit formulier voor alle soorten zittingen wordt gebruikt. Bijvoorbeeld:
Zittingzaal: groot / klein
Bijstand parketpolitie: ja / nee
Dienstwagen reserveren: ja / nee
Wensen ivm griffier:
Wensen ivm termijn waarop zitting gepland wordt:
Wensen ivm duur zitting:
Overige wensen / instructies: