Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.3.2.2
VIII.3.2.2 Speciale en generale preventie
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600911:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Uit Beijerse 1998; Uit Beijerse 2008.
Zie o.a. Groenhuijsen 2000; Uit Beijerse 2008; Stevens 2010b; Crijns & Geelhoed 2011; Haveman & Van Lent 2012; Klip 2012; Buruma 2013; Mols 2015.
Zie over dit tegengeluid uitvoerig en met verwijzingen Uit Beijerse 1998, p. 34-41.
HR 2 maart 1954, NJ 1954, 240, m.nt. Pompe. Vgl. ook reeds HR 10 december 1928, NJ 1929, p. 1724.
Modderman, in: Handelingen NJV 1871, p. 209.
Het is in Nederland de meest gebruikte reden voor voorlopige hechtenis. Zie Reijntjes 1994, p. 70; Crijns, Leeuw & Wermink 2016, p. 30.
Zie bijv. Stolwijk 1985, p. 10; Schalken 1989.
Zie uitvoeriger § IV.4.1.4.
Bijv. EHRM 24 juli 2003, nr. 46133/99, par. 69 (Smirnova/Rusland); EHRM 26 juni 2012, nr. 33376/07, par. 94 (Piruzyan/Armenië).
Vgl. Reijntjes 1994, p. 72.
EHRM 31 oktober 2013, nr. 20824/09 (Perica Oreb/Kroatië).
Minder nauw gelieerd aan de doelen van het strafproces zijn dwangmiddelen die beogen de samenleving te beschermen tegen gevaarlijke goederen (zie art. 94 lid 2 Sv) of gevaarlijke personen (art. 67a lid 2 sub 2 en 3 Sv). Dat brengt op zichzelf niet mee dat dergelijke dwangmiddelen zich tot de onschuldpresumptie moeizaam verhouden. Zo vereist de inbeslagneming van gevaarlijke goederen geen betrokkenheid van de rechthebbende bij een strafbaar feit. Zij is louter tegen de goederen gericht. Een op de onschuldpresumptie geënt bezwaar is daartegen dan ook nauwelijks denkbaar.
Voor de op preventie gerichte gronden voor voorlopige hechtenis is dit anders. Voorlopige hechtenis is het dwangmiddel dat zich bij uitstek moeizaam tot de onschuldpresumptie verhoudt. Die gespannen verhouding heeft de Nederlandse wetgever van oudsher ruimhartig onderkend. Lang voordat het EVRM dwong tot beperking van de gronden, gold in Nederland het uitgangspunt dat met de voorlopige hechtenis niet vooruit mocht worden gelopen op de straf. De onschuldpresumptie werd als vertrekpunt van de Nederlandse regeling zelfs beduidend strenger beleden dan thans door het EHRM.1 Alleen collusie- en vluchtgevaar werden zonder meer als reden voor voorlopige hechtenis aanvaard. Uit het debat over de gronden voor voorlopige hechtenis is het beginsel nadien nooit verdwenen.2 Ook een tegengeluid is echter van alle tijden: de voorlopige hechtenis vormt de meest daadkrachtige en snelle reactie op het begaan van een strafbaar feit. Een al te principiële hantering daarvan laat een groot generaalpreventief en gezagbevestigend potentieel onbenut.3
De Hoge Raad keerde zich in een arrest van 1954 tegen die laatste opvatting door onder meer te overwegen:
“[...] dat al moge afschrikking van anderen als bijoogmerk bij de oplegging van straf aan een veroordeelde in aanmerking kunnen komen, het enkele op zodanige afschrikking gerichte doel het leed der vrijheidsbeneming dat dengene treft, die nog niet is veroordeeld voor het feit waarvan hij nog slechts is verdacht, niet vermag te rechtvaardigen.”4
Daarmee onderstreept de Hoge Raad expliciet het fundamentele verschil tussen dwangmiddel en sanctie, dat samenvalt met dat tussen verdachte en veroordeelde. Voor vergelding gold daarom vermoedelijk hetzelfde als hetgeen de Hoge Raad ten aanzien van generale preventie overwoog. Zonder met zoveel woorden aan de onschuldpresumptie te refereren, heeft de Hoge Raad daarmee het beginsel in dat arrest impliciet bevestigd.
Tegen speciale preventie door middel van voorlopige hechtenis heeft de Hoge Raad zich niet verzet. Op de jaarvergadering van de NJV van 1871 had Modderman het toentertijd nog tamelijk breed gedragen bezwaar tegen gronden als die van het huidige artikel 67a lid 2 sub 2 en 3 Sv bondig samengevat:
“Zijn eerste misdrijf is nog niet bewezen; ook het tweede wordt nog slechts vermoed, en op grond van twee vermoedens zal men hem kerkeren! Dat gaat te ver.”5
Desondanks heeft de beveiliging van de maatschappij als motief voor voorlopige hechtenis ingang gevonden en speelt dit motief in de rechtspraktijk een grote rol.6 Sommige auteurs zien daarin de bevestiging dat de Nederlandse voorlopige hechtenis punitief van aard is.7 Eerder in dit boek is uitvoerig stilgestaan bij het gevaar dat iemand strafbare feiten zal begaan als grond voor de toepassing van dwangmiddelen en kwam ik tot een andersluidende conclusie. Dat het voorkomen van recidive door incapacitatie óók een strafdoel is, betekent nog niet dat het wegnemen van door een individu te veroorzaken gevaar steeds schuld aan een strafbaar feit veronderstelt. Dit doel is derhalve niet exclusief voorbehouden aan de sanctie. Zolang de rechtsgrond geen schuld aan het tenlastegelegde feit impliceert, is deze met de onschuldpresumptie dan ook te verenigen.8
De Nederlandse formulering van de beveiligingsgronden voldoet daaraan in abstracto nog beter dan de rechtspraak van het EHRM over artikel 5 EVRM. Het EHRM spreekt namelijk van “the risk that the accused, if released, would commit further offences.”9 Met het woord further laat het Hof zelf ogenschijnlijk weinig ruimte voor de mogelijkheid dat de huidige verdenking ongegrond blijkt. Ook de in artikel 67a lid 2 onder 2 en onder 3 Sv beschreven gronden worden samen soms wel aangeduid in termen van ‘recidivegevaar’ of ‘gevaar voor herhaling’. Voor de sub 2-grond is dit principieel onjuist. Deze grond vereist namelijk geen schuld aan een strafbaar feit, maar louter een ernstig risico dat de verdachte bij invrijheidstelling een strafbaar feit zal begaan. Dat gevaar kan en mag gebaseerd zijn op de tegen de verdachte bestaande ernstige bezwaren, maar er is alle ruimte om ook andere omstandigheden in de beoordeling te betrekken.10 De rechter die zich er volkomen van bewust is dat de verdachte het ten laste te leggen feit mogelijk niet heeft begaan, kan het risico dat de verdachte bij invrijheidstelling een ernstig strafbaar feit zal begaan te groot achten. Van bejegening als schuldige is dus niet per se sprake. De sub 3-grond is wel gebaseerd op recidivegevaar. Deze impliceert echter geen schuld aan het feit waarvan de voorlopig te hechten persoon wordt verdacht, maar heeft betrekking op een eerder delict. Niet in de eerste plaats de huidige verdenking, maar de eerdere veroordeling(en) maken hem tot een bedreiging van de maatschappelijke veiligheid. De verdachte wordt wel als schuldige behandeld, maar alleen aan een reeds onherroepelijk bewezenverklaard feit. Die door de sub 3-grond vereiste onherroepelijkheid is wel van belang nu het EHRM in Perica Oreb/Kroatië heeft bepaald dat bij de beslissing over voorlopige hechtenis geen schuld aan een strafbaar feit mag worden aangenomen ter zake waarvan de verdachte niet-onherroepelijk is veroordeeld.11 Al met al maken de in het tweede lid van artikel 67a onder 2 en 3 Sv opgenomen gronden naleving van het vermoeden van onschuld dan ook voldoende mogelijk.