Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.3.2.2
4.3.2.2 De keuze van de persoon van de deskundige en het aantal deskundigen
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701890:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat blijkt uit de door mij uitgevoerde jurisprudentieanalyse (§ 4.3.4).
Zie bijvoorbeeld art. 15 lid 3 Beleidsregel I&W 2014 en 1999, art. 3 Beleidsregel schadevergoeding Ruimte voor de Rivier en art. 3 Reglement adviescommissie nadeelcompensatie AVN Amsterdam. In planschadezaken wordt er reeds lange tijd niet meer in driehoofdig verband geadviseerd, maar veelal door een gespecialiseerd planschadeadviesbureau.
Zie bijvoorbeeld art. 6.1.1.1 Bro of art. 1 jo. art. 4 lid 2 Gemeentelijke procedureverordening planschade (VNG-model). Zodoende was wetstechnisch zeker gesteld dat nadeelcompensatie- en planschadedeskundigen altijd formeel onafhankelijke, externe adviseurs waren.
Zie daarover bijvoorbeeld expliciet art. 3 lid 1 model-procedureverordening planschade VNG.
Zie bijvoorbeeld art. 7 lid 2 Procedureverordening Schadeschap Luchthaven Schiphol 2012. Zie ook: Tjepkema & Van der Velden 2018, p. 122.
Dat is ook het uitgangspunt in de AVN Amsterdam (art. 3 lid 1 Reglement adviescommissie nadeelcompensatie).
Hoogendijk-Deutsch & Samkalden 1978, p. 31; Kummeling 1988, p. 90; De Poorter & Van Soest-Ahlers 2008, p. 33.
Hoogendijk-Deutsch & Samkalden 1978, p. 21; Kummeling 1988, p. 91; D Poorter & Van Soest-Ahlers 2008, p. 34.
Kummeling 1988, p. 94; De Poorter & Van Soest-Ahlers 2008, p. 35.
Kummeling 1988, p. 90.
Op de vraag ‘wie’ in het nadeelcompensatierecht als adviseur wordt aangewezen, valt geen eensluidend antwoord te geven, getuige ook het vorige hoofdstuk (i.h.b. § 2.3). In het planschaderecht werken veruit de meeste gemeenten met een vaste planschadeadviseur (vaak een adviesbureau). ‘Ad hoc’ benoemingen komen niet of nauwelijks voor.1 In de door mij onderzochte nadeelcompensatieregelingen is het beeld divers; voor sommige regelingen wordt de adviesopdracht aanbesteed (Beleidsregel I&W 2019), andere regelingen werken met een vaste, vooraf benoemde, adviescommissie (Beleidsregel schadevergoeding Ruimte voor de Rivier). Onderaan de streep ontbreekt het aan uniformiteit in de keuze van de persoon van de adviseur en de wijze waarop deze gerekruteerd wordt. Anders dan in het onteigeningsrecht, is er (nog) geen voldoende adequaat deskundigenregister waar bestuursorganen bij kunnen (laat staan moeten) aanknopen.
Niettemin meende ik tot voor kort drie overkoepelende kenmerken te zien die verbonden waren aan de inzet van nadeelcompensatiedeskundigen. In de eerste plaats was dat het driehoofdig commissieverband waarin zij dikwijls opereerden.2 In de tweede plaats was dat de vereiste onafhankelijkheid ten opzichte van het bestuursorgaan waaraan het advies werd uitgebracht. Met ‘onafhankelijk’ bedoel ik dan dat de adviseur niet werkzaam mocht zijn voor of onder de verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan.3 En in de derde plaats was dat de specifieke materiedeskundigheid waarover planschade- of nadeelcompensatieadviseur dienden te beschikken.4
Ten aanzien van de eerste twee aspecten lijkt de situatie inmiddels te veranderen. In recente(re) nadeelcompensatieregelingen wordt in toenemende mate afstand genomen van de driehoofdige adviescommissie ten gunste van een unus.5 Met de naderende inwerkingtreding van titel 4.5 Awb en afdeling 15.1 Omgevingswet komt ook de vereiste onafhankelijkheid gedeeltelijk in het gedrang. Zoals ik in § 2.3.2 al aangaf, garandeert art. 4:130 lid 1 Awb immers uitsluitend de onafhankelijkheid van de voorzitter (of enig lid) van de deskundigencommissie.6
Over het algemeen is het in het bestuursrecht zo dat de samenstelling en omvang van de adviescommissie afhankelijk is van de functie de advisering.7 Voor de functie deskundigenadvisering ligt het ook in andere bestuursrechtelijke deelgebieden voor de hand dat van de ingeschakelde adviseur wordt gevergd dat deze voldoende gekwalificeerd is om te adviseren op een bepaald terrein.8 Dat vloeit in algemene zin voort uit het beginsel dat besluiten zorgvuldig moeten zijn voorbereid (art. 3:2 Awb). Ook buiten het planschade- en nadeelcompensatierecht wordt die eis soms geëxpliciteerd. Art. 15 lid 1 van de Monumentenwet 1988 – welk artikel van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet9 – bepaalt bijvoorbeeld dat de leden van de gemeentelijke monumentencommissie ‘deskundig moeten zijn op het gebied van de monumentenzorg’.
Ook het vereiste dat planschade- en nadeelcompensatieadviseurs onafhankelijk dienen te zijn van (ten minste) het bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd, resoneert in andere delen van het bestuursrecht. Zowel Kummeling als De Poorter en Van Soest-Ahlers wijzen erop dat het een kenmerk is van alle vormen van externe (deskundigen)advisering dat ze worden verricht door adviseurs met een zekere onafhankelijkheid ten opzichte van de overheid.10 Dat lijkt ook de gedachte te zijn geweest van de Awb-wetgever in art. 3:5 lid 1 Awb. Dat artikel definieert een adviseur als een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.
In algemene zin is over het ledenaantal van adviescommissies in het bestuursrecht maar weinig te zeggen.11 Een factor die van invloed is op het ledental is de wet of (beleids)regel op grond waarvan de adviseur wordt benoemd. Als die wet of (beleids)regel een bepaald ledental of bepaalde bezetting voorschrijft, ligt het voor de hand dat dat voorschrift wordt nageleefd. Dergelijke voorschriften komen niet alleen in het planschade- en nadeelcompensatierecht voor. Ook ten aanzien van andere deskundigenadviezen aan bestuursorganen bestaan zulke voorschriften. In het kader van subsidieaanvragen voor mkb-ondernemingen bepaalt art. 3 lid 1 van het Reglement adviescommissie MIT Zuid 2015 in samenhang met art. 3.8 van de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2015 bijvoorbeeld dat de adviescommissie bestaat uit twee vaste leden en een flexibele schil van ten hoogste 25 leden. Een ander voorbeeld is de welstandscommissie van de gemeente Nijmegen die krachtens art. 2.2 lid 1 van het Reglement van Orde commissie beeldkwaliteit, bestaat uit een voorzitter en vijf andere leden.