type:coll:
Rb. Overijssel, 09-05-2018, nr. C/08/197638 / HA ZA 17-65
ECLI:NL:RBOVE:2018:1709
- Instantie
Rechtbank Overijssel
- Datum
09-05-2018
- Zaaknummer
C/08/197638 / HA ZA 17-65
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOVE:2018:1709, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 09‑05‑2018; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBOVE:2017:4489, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 11‑10‑2017; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
AR 2017/6343
Uitspraak 09‑05‑2018
Inhoudsindicatie
Eindvonnis na aktes over de hoogte van de schadevergoeding in verband met onder meer de schadebeperkingsplicht. Beroep op artikel 6:101 BW slaagt in zoverre dat de schadevergoeding wordt verdeeld over partijen in de verhouding 75%-25%.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rolnummer: C/08/197638 / HA ZA 17-65
Vonnis van 9 mei 2018
in de zaak van
vennootschap naar buitenlands recht
IGP-EUROTRADE INTERNATIONAL CO. LTD.,
gevestigd te Kunshan (China),
eiseres,
advocaat mr. J. Mikes te Rotterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HYPROCA LYPACK B.V.,
gevestigd te Kampen,
gedaagde,
advocaat mr. P.E. Mazel te Groningen.
Partijen zullen hierna IGP en Lypack genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 11 oktober 2017
- -
de akte van IGP
- -
de antwoordakte van Lypack.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Tussenvonnis 11 oktober 2017 2.1. In het tussenvonnis van 11 oktober 2017 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat IGP bevoegd was om de overeenkomst tussen partijen per 12 oktober 2015 buitengerechtelijk te ontbinden en dat IGP recht heeft op schadevergoeding op grond van artikel 6:277 BW (r.o. 4.17). Dat betekent dat de gevorderde verklaringen voor recht - dat Lypack op 11 juni 2015 in verzuim is geraakt, dat IGP de overeenkomst bij brief van 12 oktober 2015 rechtsgeldig heeft ontbonden en dat Lypack aansprakelijk is voor de schade die IGP heeft geleden vanwege de ontbinding - zullen worden toegewezen.
2.2.
Ten aanzien van de omvang van de schade heeft de rechtbank overwogen dat voor de beoordeling van de schade een vergelijking moet worden gemaakt tussen de hypothetische situatie dat Lypack de overeenkomst was nagekomen en de huidige situatie (r.o. 4.23).
2.3.
Lypack heeft tegen de schadeberekening van IGP over juli 2015 tot en met april 2016 ten bedrage van € 2.016.000,00 (252.012 blikken à € 8,00 per blik) ingebracht dat IGP een schadebeperkingsplicht heeft en dat IGP ten onrechte diverse kosten (zoals vermeld onder r.o. 4.25) niet op de schadevergoeding in mindering heeft gebracht. Tevens heeft Lypack aangevoerd dat IGP het gehele product wilde aanpassen (en niet alleen de verpakking), zodat vanwege de doorlooptijd van ruim een jaar geen schade voor IGP resteert. De rechtbank heeft IGP in de gelegenheid gesteld om op deze stellingen bij akte te reageren, waarna Lypack daarop mocht antwoorden. De beslissing op het beroep van Lypack op artikel 6:101 BW wegens schending van IE-rechten van Campina door IGP heeft de rechtbank aangehouden in afwachting van de opgevraagde informatie (r.o. 4.27).
Standpunten partijen
2.4.
IGP heeft bij akte toegelicht dat zij naar haar mening alles heeft gedaan wat redelijkerwijs in haar vermogen lag om haar schade te beperken. Zij heeft diverse producenten van babymelkpoeder telefonisch en per e-mail benaderd, waarna zij vanaf september 2015 in onderhandeling is getreden met Arla Foods (hierna: Arla). In juli 2016 is de eerste order door Arla geproduceerde babymelkpoeder naar China verscheept. Voorts heeft IGP aangevoerd dat het nooit de bedoeling is geweest van partijen om in plaats van Frisfarm een nieuw product op de markt te brengen. Lypack heeft namelijk nimmer gereageerd op haar suggestie om een nieuw product op de markt te brengen (Frisfarm Premium), laat staan dat partijen daarover hebben onderhandeld. Bovendien was het nieuwe product bedoeld om naast het bestaande label te introduceren. Ten slotte heeft IGP de omvang van de gestelde schade nader toegelicht. Volgens IGP moet gelet op de forecast over 2015 en haar verzoek aan Arla voor het eerste jaar het aantal te produceren blikken babymelkpoeder worden ingeschat op 252.012. De inkoopprijs moet volgens haar worden berekend aan de hand van de verschillende inkoopprijzen voor de drie stages van de babymelk, welke inkoopprijzen voor het laatst gewijzigd zijn per e-mail van 4 april 2014. Daarna heeft IGP geen voorstel tot prijsverhoging meer ontvangen van Lypack. IGP heeft de totale inkoopprijs berekend op € 1.499.631,00. Aangezien IGP iedere stage van het product voor dezelfde prijs aan haar agenten verkocht, heeft IGP de gemiddelde verkoopprijs van stage één tot en met drie van de babymelkpoeder begroot op een bedrag van € 17,43 per blik, zodat de totale verkoopprijs € 4.392.569,00 bedraagt en daarmee de gederfde omzet € 2.892.938,00. Ten aanzien van de overige kostenposten heeft zij een Chinees accountantskantoor de grootste kostenposten met betrekking tot de verkoop van babymelkpoeder in China aan de hand van de administratie van IGP laten verifiëren.
De overige kosten bedragen volgens IGP (uitgaande van 4 orders):
- laboratoria kosten: € 42.000,00
- invoerkosten: € 200.515,00
- transportkosten: € 12.468,00
- huur kantoor, magazijn en g/w/e: € 25.455,00
- werknemerskosten (incl. extra personeel): € 137.217,00
- onvoorziene kosten: € 50.000,00.Totaal € 467.655,00.
Ten aanzien van de andere in het tussenvonnis genoemde kosten merkt IGP op dat zij nimmer overliggeld voor de rederij heeft betaald, omdat zij altijd vrijwel direct na de aankomst in de haven de babymelkpoeder kon laten opslaan in haar magazijn. De kosten van Chinese laboratoria worden door de Chinese autoriteiten gedekt. Voorts levert IGP haar producten niet af aan winkels of supermarkten, maar aan haar agenten die hun eigen logistieke kanalen naar klanten hebben. Eventuele kosten om in het schap te mogen liggen komen dan ook niet voor rekening van IGP, maar van haar agenten. De totale schade (gederfde) winst moet dan ook volgens IGP worden begroot op de gederfde omzet minus de hiervoor genoemde overige kosten ad € 467.655,00, zijnde een bedrag van € 2.425.283,00.
2.5.
Lypack stelt zich op het standpunt dat IGP een geheel nieuw product wilde en dat daarover verschillende gesprekken tussen partijen hebben plaatsgevonden (waarvan zij bewijs aanbiedt). Tevens biedt Lypack bewijs aan van de juistheid van haar stelling met betrekking tot het productieontwikkelingstraject van ruim een jaar. Volgens Lypack was verkoop van aangepaste blikken op de Chinese markt voor eind 2015 hoe dan ook onmogelijk. Voorts heeft IGP volgens Lypack onvoldoende onderbouwd waarom moet worden uitgegaan van 252.012 blikken, terwijl IGP in 2013 en 2014 in totaal 12.469 omdozen (149.628 blikken) van Lypack heeft betrokken. Ten aanzien van de berekening van de overige kosten stelt Lypack zich op het standpunt dat berekening van de Chinese accountant onbegrijpelijk is, met name ten aanzien van de producten waarop de “customs clearance fee” ziet ten bedrage van 350.000 RMB, de “office expenses” ten bedrage van 180.000 RMB en de “employees and social security expenses” van 35.000 RMB. Volgens Lypack heeft IGP ten slotte de door haar gestelde verkoopprijs onvoldoende onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van facturen en betaalbewijzen, en heeft IGP niet gesteld hoeveel agenten zij in totaal bediende.
Schadebeperkingsplicht
2.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft IGP voldoende onderbouwd dat zij in ieder geval vanaf 12 oktober 2015 (het moment van ontbinding, zie r.o. 4.23 van het tussenvonnis) voldoende heeft gedaan om een nieuwe producent van babymelkpoeder te vinden. IGP was reeds vanaf september 2015 met Arla in onderhandeling. In december 2015 bericht Arla vervolgens aan IGP dat vanwege een tekort aan grondstoffen zij pas in mei 2016 kon beginnen met de productie van de eerste order van IGP. Het voorgaande betekent reeds dat IGP haar verplichting om haar schade te beperken voortvarend heeft opgepakt door reeds eind 2015 een nieuwe order te kunnen plaatsen. Aangezien IGP voldoende heeft onderbouwd dat zij in juli 2015 voor het eerst een levering babymelkpoeder heeft ontvangen van Arla, heeft deze levering geen (verlagend) effect voor de schadeberekening over juli 2015 tot en met april 2016.
Doorlooptijd nieuw product
2.7.
Het verweer van Lypack dat IGP een nieuw product wilde en dat daardoor een dermate lang productieontwikkelingstraject zou moeten plaatsvinden waardoor geen sprake (meer) is van schade, wordt gepasseerd. Lypack heeft - gelet op de gemotiveerde stellingen van IGP - onvoldoende onderbouwd betwist dat partijen daadwerkelijk in concrete onderhandelingen waren over de aanpassing van het product Frisfarm (en de daarmee samenhangende tijd en kosten), laat staan dat dit nieuwe product het oorspronkelijke product (geheel) zou vervangen. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een bewijsopdracht en houdt het er bij de berekening van de schade voor dat partijen het productieproces op dezelfde manier zouden hebben voortgezet met IGP, met een aangepast label.
Omvang schade - schadeperiode
2.8.
Uit de stukken van IGP volgt afdoende dat Arla ongeveer drie maanden nodig heeft gehad om een volledig nieuw product en label te ontwikkelen en te produceren, maar dat er ook een vertraging van vijf maanden in dat proces is opgetreden vanwege een tekort aan grondstoffen. Voldoende aannemelijk is dat het aanpassen van het label van een product de nodige tijd zal hebben gekost, maar minder dan het volledig opnieuw produceren en ontwikkelen van een nieuw product. Op 23 juni 2015 heeft IGP een aanbod gedaan om een nieuw ontwerp aan te leveren. Dat aanbod had binnen een redelijke termijn moeten worden aanvaard door Lypack en het nieuwe ontwerp had vervolgens zo snel mogelijk in productie moeten worden genomen. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de productie van de blikken in Denemarken zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank ziet in voornoemde omstandigheden aanleiding om de schadeperiode van tien maanden te beperken tot acht maanden (september 2015 tot en met april 2016).
2.9.
De rechtbank constateert dat IGP in haar akte uitgaat van een schadeperiode van één jaar (met 4 ordners per jaar, een forecast over een heel jaar en kosten die betrekking hebben op een heel jaar), zodat op de totale toewijsbare schadevergoeding een correctie zal worden toegepast van 8/12. Voor de overzichtelijkheid en de leesbaarheid zal de rechtbank tot deze correctie pas overgaan bij de hieronder vermelde tussenconclusie, aangezien IGP - zo begrijpt de rechtbank - zowel de gederfde winst als de kosten heeft berekend aan de hand van de periode van een jaar.
Omvang schade - aantal blikken
2.10.
Ten aanzien van het aantal blikken babymelkpoeder dat zou zijn afgenomen, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank volgt IGP in haar stelling dat de door IGP overgelegde forecast een belangrijk uitgangspunt is. Lypack heeft geen ander verweer tegen de inhoud van die forecast gevoerd, dan haar stelling dat in 2013 en 2014 (veel) minder blikken zijn afgenomen door IGP. Zij heeft onvoldoende weersproken dat de leveringen in 2014 veel vertraging opliepen door problemen in de productie en analyse door Lypack, terwijl die problemen eind 2014 zijn opgelost. Daarbij komt dat IGP Arla in augustus 2015 vraagt om 333.336 blikken per jaar te produceren. De rechtbank sluit voor wat betreft het aantal blikken babymelkpoeder dan ook aan bij de berekening van IGP van 252.012 blikken.
Omvang schade - in- en verkoopprijs
2.11.
Tegen de door IGP berekende inkoopprijs per stage babymelk heeft Lypack geen verweer (meer) gevoerd. Aangezien Lypack evenmin heeft onderbouwd dat sprake zou zijn van een nadere prijsverhoging per 1 juli 2014, gaat de rechtbank uit van de berekening van IGP, namelijk een totale inkoopprijs van € 1.499.631,00.
2.12.
De verkoopprijs ad € 17,43 per blik heeft IGP berekend aan de hand van door haar overgelegde (en inmiddels vertaalde) overeenkomsten met twee agenten. Dat levert naar het oordeel van de rechtbank een voldoende onderbouwing op, mede gelet op de kleine verschillen in de prijzen tussen de agenten.
Omvang schade - overige kosten
2.13.
Het overige verweer van Lypack ziet op de verklaring van de Chinese accountant over de overige kosten van IGP. Naar het oordeel van de rechtbank heeft IGP met het overleggen van deze verklaring in combinatie met de door haar gegeven uitleg voldoende onderbouwd wat haar overige kosten zijn geweest voor het produceren van babymelkpoeder. Lypack vraagt zich af op welke producten de berekening van de “customs clearance fee” ziet, maar de rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om eraan te twijfelen dat dit op andere producten zou zien dan babymelkpoeder of dat de “office expenses” niet op de bedoelde periode zien. Ten aanzien van de extra loonkosten ad € 77.142,00 voor tien personen (ongeveer € 7.700,00 per werknemer) geldt dat IGP onvoldoende heeft onderbouwd waarom deze kosten relatief gezien zoveel lager zijn per werknemer dan de loonkosten in 2015 van € 60.075 per jaar voor zes personen (ongeveer € 10.000,00 per werknemer). De rechtbank ziet hierin aanleiding om de extra loonkosten vast te stellen op basis van de eerder genoemde € 10.000,00 per werknemer, aldus € 100.000,00 in plaats van € 77.142,00. Dat betekent dat op het schadebedrag een bedrag van € 22.858,00 extra in mindering moet worden gebracht. Voor het overige geldt dat IGP een (ruime) post onvoorziene kosten heeft opgenomen van € 50.000,00.
Tussenconclusie en beroep op artikel 6:101 BW
2.14.
Al met al komt de rechtbank tot de conclusie dat de door IGP geleden schade (de vergelijking tussen de hypothetische situatie dat Lypack de overeenkomst was nagekomen en de huidige situatie) voor de periode van een jaar kan worden gesteld op het door haar begrote bedrag van € 2.425.283,00 minus € 22.858,00, zijnde € 2.402.425. Daarop dient zoals gezegd een correctie plaats te vinden omdat de schadeperiode een periode van acht maanden betreft, zodat een bedrag van € 1.601.616,67 resteert.
2.15.
In r.o. 4.27 van het tussenvonnis heeft de rechtbank het beroep van Lypack op artikel 6:101 BW aangehouden, welk beroep thans zal worden besproken.
2.16.
Hetgeen in het tussenvonnis is overwogen over de toerekening van de tekortkoming in de nakoming aan Lypack neemt niet weg dat de geleden schade door IGP vanwege de ontbinding mede het gevolg is van de omstandigheid dat IGP (een mogelijke) inbreuk heeft gemaakt op de IE-rechten van Campina. In ieder geval zijn de twee Chinese Frisfarm-merkinschrijvingen nietig verklaard vanwege “een overeenstemmend merk”. Daardoor kon de overeenkomst die op dat moment werd uitgevoerd met betrekking tot Frisfarm niet meer in diezelfde vorm worden gehandhaafd. Dit blijkt ook wel uit het feit dat IGP de overeenkomst met Lypack wilde voortzetten onder een andere productnaam (Flevofarm). De omstandigheid dat met Frisfarm (een mogelijke) inbreuk is gemaakt op de IE-rechten van Campina komt voor rekening van IGP. De rechtbank is echter van oordeel dat van Lypack verlangd mocht worden dat zij in onderhandeling was getreden met IGP over de voortzetting van de overeenkomst onder een andere productnaam, met name nu Lypack onvoldoende heeft aangevoerd om te concluderen dat de naam Frisfarm voor haar van groot belang was. Aangezien anderzijds aan IGP is toe te rekenen dat de overeenkomst niet meer onder dezelfde voorwaarden kon worden voortgezet en daarmee heeft bijgedragen aan het geschil dat tussen partijen is ontstaan, ziet de rechtbank onder de gegeven omstandigheden aanleiding om de schade van IGP te verdelen over partijen in de verhouding 75%-25%. Dit betekent dat Lypack 75% van de schadevergoeding aan IGP dient te voldoen, namelijk een bedrag van € 1.201.212,50, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 vanaf de datum van verzuim (11 juni 2015, r.o. 4.17 van het tussenvonnis). De wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW is niet toewijsbaar in het geval van schadevergoeding.
Buitengerechtelijke kosten en proceskosten
2.17.
IGP maakt voorts aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De onderhavige vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het besluit) van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. IGP heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, hetgeen Lypack onvoldoende heeft betwist. De rechtbank zal gelet op de toegewezen vordering en het in het Besluit bepaalde maximale tarief een bedrag ad € 6.775,00 toewijzen wegens buitengerechtelijke kosten. De wettelijke rente hierover zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding (18 maart 2016).
2.18.
De rechtbank wijst partijen erop dat de griffier griffierecht kan naheffen, indien zoals in het onderhavige geval - veroordeling tot schadevergoeding in goede justitie vast te stellen dan wel op te maken bij staat is gevorderd, maar de rechter de schade direct begroot. Het eventueel door IGP bij te betalen griffierecht valt onder de nakosten als bedoeld in art. 237 lid 4 Rv en komt dus ook ten laste van Lypack.
2.19.
Lypack zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van IGP op:
- dagvaarding € 82,54
- griffierecht 619,00
- salaris advocaat 9.640,00 (2,5 punten × tarief € 3.856,00)
Totaal € 10.341,54.
2.20.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen bijgevolg worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat Lypack op 11 juni 2015 in verzuim is geraakt, dat IGP de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig heeft ontbonden bij brief van 12 oktober 2015 en dat Lypack aansprakelijk is voor de schade die IGP heeft geleden vanwege de ontbinding van de overeenkomst door IGP,
3.2.
veroordeelt Lypack tot betaling aan IGP van een schadevergoeding van € 1.201.212,50 (één miljoen tweehonderdéénduizendtweehonderdtwaalf euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 11 juni 2015 tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt Lypack tot betaling aan IGP van de buitengerechtelijke kosten ad € 6.775,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 18 maart 2016 tot de dag van volledige betaling,
3.4.
veroordeelt Lypack in de proceskosten, aan de zijde van IGP tot op heden begroot op € 10.341,54, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.5.
veroordeelt Lypack in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Lypack niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad met uitzondering van de onder 3.1 genoemde beslissingen,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma, mr. J.N. Bartels en mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2018.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑05‑2018
Uitspraak 11‑10‑2017
Inhoudsindicatie
Ontbinding distributieovereenkomst en recht op schadevergoeding. Eerdere ten onrechte door de wederpartij ingeroepen buitengerechtelijke ontbinding levert een tekortkoming in de nakoming op. Beroep op exoneratiebeding slaagt niet; uitleg term ‘indirecte schade’ via Haviltex-maatstaf. Tussenvonnis ten aanzien van de hoogte van de schade in verband met onder meer de schadebeperkingsplicht.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rolnummer: C/08/197638 / HA ZA 17-65
Vonnis van 11 oktober 2017
in de zaak van
vennootschap naar buitenlands recht
IGP-EUROTRADE INTERNATIONAL CO. LTD.,
gevestigd te Kunshan (China),
eiseres,
advocaat mr. M.M. de Jonge te Rotterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HYPROCA LYPACK B.V.,
gevestigd te Kampen,
gedaagde,
advocaat mr. P.E. Mazel te Groningen.
Partijen zullen hierna IGP en Lypack genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het vonnis in de hoofdzaak en het incident van 14 december 2016 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, met verwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle
- -
de conclusie van antwoord
- -
de conclusie van repliek
- -
de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
IGP is een bedrijf dat babymelkpoeder importeert en verkoopt in China, thans onder het label Flevofarm en voorheen onder het label Frisfarm. Lypack is een producent van babymelkpoeder. Zij levert aan diverse klanten over de hele wereld.
2.2.
IGP en Lypack hebben op 21 juni 2012 een distributieovereenkomst gesloten, op grond waarvan Lypack babymelkpoeder produceert en levert aan IGP (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst heeft een looptijd van drie jaar en wordt aan het einde van de looptijd telkens met één jaar verlengd.
2.3.
De volgende bepalingen zijn - voor zover relevant - opgenomen in de overeenkomst (waarbij IGP wordt aangeduid met distributor):
“2.1 LYPACK hereby grants the DISTRIBUTOR non-exclusive rights to distribute and sell the PRODUCTS in the TERRITORY during the continuance of this agreement.
2.2
DISTRIBUTOR agrees to actively and diligently promote the sale of PRODUCTS in the TERRITORY for its own expense and risk.
2.3
DISTRIBUTOR undertakes to purchase the PRODUCTS only from LYPACK.
(…)
3.2
DISTRIBUTOR shall be responsible for timely delivery of the necessary artwork in an appropriate digital format and other instructions, when applicable. DISTRIBUTOR is obligated to pay LYPACK the one time tooling costs.
3.3
The language used for printing text on the PRODUCTS shall comply with local legal requirements in the TERRITORY. DISTRIBUTOR shall be responsible for providing the required formats and textual content and that these comply with local legal requirements. DISTRIBUTOR is obligated to supply LYPACK the Dutch or English translation of the textual content. (…)
4.1
DISTRIBUTOR will purchase the PRODUCTS in specified quantities as needed by DISTRIBUTOR, as set out in Schedule 1.
4.2
LYPACK undertakes after receipt and acceptance of a purchase order to manufacture the required quantities of product.
(…)
12.1
Except as otherwise provided for, the AGREEMENT shall take effect as of the date of signing and shall remain in full force and effect for 3 years, and from year to year thereafter unless notice in writing is served by either party no less than six (6) months prior to the date of expiration.
12.2
The AGREEMENT may, without prejudice to any other right or remedy, be terminated with immediate effect by giving written notice by either party:
- (i) if the other party is in breach or default of any material provision in the AGREEMENT
provided that the breach or default is not cured within thirty (30) days after written notice to
remedy such breach or default;
- (ii) upon the institution by or against either party of insolvency, receivership or bankruptcy
proceedings or any other proceedings for the settlement of either party’s debts, (iii) upon either party making an assignment for the benefit of creditors, or(iv) upon either party’s
dissolution or ceasing to do business.
(…)
15. LIMITATION OF LIABILITY
15.1
LYPACK’S product liability (injury) shall in total not be greater in amount than the in total LYPACK’s insurance company will reimburse with respect to that specific case.
15.2
Claims related to other liability’s shall not be greater in amount than the purchase price of the PRODUCTS in respect of which such damages are claimed.
15.3
Failure to give notice of the claim to LYPACK within sixty (60) calendar days from the date of delivery shall constitute a waiver by DISTRIBUTOR off all claims in respect of such PRODUCTS, with the exception of product liability claims. For product liability the mentioned period ends at the end of the agreed shelf life period.
15.4
In no event is LYPACK liable for indirect or consequential damages.(…)
17.1
The AGREEMENT in all respects shall be governed exclusively by the laws of the Netherlands.
Applicability of the 1980 United Nations Convention on Contracts for the International Sale of Goods is explicitly excluded. The official language of the AGREEMENT for all purposes shall be English. PARTIES agree that any dispute or claim that is not settled by direct negotiation or by mediation shall be exclusively resolved by Dutch courts.”
2.4.
Koninklijke Friesland Campina N.V. (hierna: Campina) heeft in juli 2013 IGP per e-mail en brief gesommeerd om het gebruik van Frisfarm-tekens te staken en de twee Frisfarm-merkinschrijvingen in China door te halen. Campina is in september 2013 twee nietigheidsacties gestart bij de Chinese Trademark Review and Adjudication Board (hierna: de Board). Zij voerde daarbij aan dat er verwarringsgevaar bij het publiek bestond en dat de Frisfarm-merkinschrijvingen in China te kwader trouw waren gedaan. Op 28 december 2014 en 19 januari 2015 heeft de Board geoordeeld dat er sprake was van een overeenstemmend merk voor overeenstemmende of gelijke waren en heeft om die reden de twee Chinese Frisfarm-merkinschrijvingen nietig verklaard.
2.5.
Eind 2014 heeft IGP aan Lypack opdracht gegeven om melkpoeder stage 1 (voor baby’s van 0-6 maanden), stage 2 (voor baby’s van 6-12 maanden) en stage 3 (voor baby’s ouder dan 12 maanden) te produceren en te leveren. De productie is gestart in 2015 en de levering stond gepland voor februari 2015. IGP heeft aan Lypack een voorschot van € 189.493,88 betaald voor de uitvoering van de opdracht.
2.6.
Bij brief van 10 april 2015 heeft Campina Lypack gesommeerd te stoppen met de productie van babymelkpoeder volgens het label Frisfarm. Bij deze brief was een concept dagvaarding voor een kort geding gevoegd. In de sommatiebrief stelt Campina dat het design van Frisfarm - kort samengevat - te veel lijkt op het merk Friso, waarvan Campina eigenaresse is en dat zij verkoopt in China. Lypack heeft IGP van deze sommatie op de hoogte gebracht. Lypack is met Campina in onderhandeling getreden en heeft toegezegd eventuele inbreuken te zullen staken en gestaakt te houden.
2.7.
De heer [A] (de commercieel directeur van Lypack, hierna: [A] ) bericht de heer [B] (de directeur van IGP, hierna: [B] ) per e-mail van 30 april 2015 dat Lypack zich heeft voorgenomen om de eisen van Campina in te willigen en de productie en uitlevering van het Frisfarm assortiment met onmiddellijke ingang te staken. Tevens kondigt Lypack aan dat de activiteiten “omtrent het Frisfarm merk, d.w.z. nieuwe ontwikkelingen in receptuur en/of aanpassing design en/of aanpassing merk en/of beeldmerk, etc” per onmiddellijke ingang zullen worden gestaakt “gezien de juridische en financiële risico’s”. Tevens voegt [A] daaraan toe:
“Tot slot zullen we met jou in gesprek moeten over mogelijke scenario’s tot verdere samenwerking, dit zal ook in het licht van de afwikkeling van bovengenoemde moeten staan.”
2.8.
Per e-mail van 14 mei 2015 laat [B] aan [A] weten dat IGP haar label heeft aangepast, waarbij tegemoet is gekomen aan de eisen van Campina. De Chinese karakters MEI SU zijn verwijderd en het beeldmerk is voorzien van een tulp in plaats van een lelie. Tevens vraagt [B] aan [A] om uitsluitsel te geven over ‘hoe wij verder kunnen met Lypack en wat jullie eventueel van ons verwachten’.
2.9.
Bij brief van 11 juni 2015 bericht [A] aan [B] dat Lypack per onmiddellijke ingang de overeenkomst tussen partijen ontbindt, vanwege de sommatie van Campina en het als gevolg daarvan staken van de productie. Daaraan voegt [A] toe dat Lypack zich op het standpunt stelt “geen verdere of vervangende overeenkomst met u aan te gaan, nog verdere activiteiten te ontplooien.”
2.10.
Bij brief van 23 juni 2015 van de advocaat van IGP aan de advocaat van Lypack heeft IGP aan Lypack te kennen gegeven de ontbinding niet te accepteren. IGP laat tevens weten aan Lypack dat zij een nieuw ontwerp zal aanleveren en sommeert Lypack om te bevestigen dat zij haar verplichtingen uit de overeenkomst zal (blijven) nakomen.
2.11.
In daaropvolgende brieven van de advocaat van IGP aan de advocaat van Lypack bericht IGP dat zij bepaalde wijzigingen heeft doorgevoerd aan het label en verzoekt zij om de productie van melkpoeder conform het nieuwe label te hervatten. Daarop volgt geen reactie, waarna de advocaat van IGP de overeenkomst bij brief van 12 oktober 2015 buitengerechtelijk heeft ontbonden.
2.12.
In het kader van een minnelijke (deel)regeling tussen partijen heeft Lypack het voorschot van IGP ad € 189.493,88 terugbetaald aan IGP.
3. Het geschil
3.1.
IGP vordert samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat:
- Lypack op 11 juni 2015 in verzuim is geraakt;- IGP de overeenkomst bij brief van 12 oktober 2015 rechtsgeldig heeft ontbonden;
- Lypack aansprakelijk is voor de schade die IGP heeft geleden vanwege de ontbinding van de overeenkomst door IGP;
II. veroordeling van Lypack tot vergoeding van de schade die IGP heeft geleden vanwege de ontbinding van de overeenkomst door IGP en de schade primair in goede justitie vast te stellen en subsidiair nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. veroordeling van Lypack tot vergoeding van de wettelijke handelsrente over het schadebedrag, vanaf de datum van verzuim, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten, proces- en nakosten en al deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente.
3.2.
Lypack voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Toepasselijk recht 4.1. IGP vordert onder meer schadevergoeding op grond van de door haar ingeroepen ontbinding van de overeenkomst per 12 oktober 2015. Aangezien IGP in China is gevestigd moet worden vastgesteld of de Nederlandse rechter bevoegd is van dit geschil kennis te nemen en vervolgens welk recht van toepassing is. In artikel 17 van de overeenkomst hebben partijen een forum- en rechtskeuze gemaakt. Dit leidt ertoe dat de Nederlandse rechter bevoegd is en het Nederlands recht van toepassing is.
Ondertekening conclusie van repliek
4.2.
Lypack heeft als formeel verweer aangevoerd dat de rechtbank de conclusie van repliek van IGP buiten beschouwing moet laten, omdat deze in strijd met artikel 83 lid 2 Rv niet is ondertekend door de advocaat van IGP. IGP heeft vervolgens de (laatste pagina van de) conclusie alsnog ondertekend ingediend.
4.3.
Artikel 83 lid 2 Rv bepaalt dat in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, de conclusies worden ondertekend door de advocaat. Uit het arrest van de Hoge Raad van 10 september 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM5958) volgt weliswaar dat op niet ondertekende conclusies geen acht kan worden geslagen, maar inmiddels is sprake van een wel ondertekende conclusie. Artikel 83 lid 2 Rv sluit een herstelmogelijkheid niet uit. In het kader van een goede procesorde mag worden verwacht dat - indien het gebrek wordt gesignaleerd - de desbetreffende partij de gelegenheid zal krijgen om een en ander te herstellen. Nu de getekende (laatste pagina van de) conclusie bovendien is aanvaard door de rolrechter - hetgeen de rolrechter bij brief van 22 augustus 2017 schriftelijk heeft bevestigd aan Lypack - en Lypack op de inhoud van de conclusie heeft gereageerd bij conclusie van dupliek, kan niet gezegd worden dat Lypack door het in eerste instantie ontbreken van de ondertekening in haar verdediging is geschaad. De rechtbank gaat aan het verweer van Lypack voorbij.
Producties in Chinese taal
4.4.
IGP heeft een aantal producties in het geding gebracht die in de Chinese taal zijn gesteld zonder dat deze zijn vertaald, namelijk productie 8, 12 en 13 bij conclusie van repliek. De rechtbank kan zonder een vertaling die producties niet (goed) beoordelen, zodat op die stukken geen acht zal worden geslagen.
Buitengerechtelijke ontbinding Lypack
4.5.
Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of IGP de overeenkomst gerechtvaardigd heeft ontbonden, dient te rechtbank eerst te beoordelen of sprake is geweest van een eerdere, door Lypack (gerechtvaardigd) ingeroepen ontbinding. Indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, was de overeenkomst reeds ontbonden en moeten de vorderingen van IGP worden afgewezen.
4.6.
Volgens Lypack heeft zij met de brief van 11 juni 2015 geen ‘termination’ in de zin van artikel 12.2 van de overeenkomst bedoeld, maar wilde zij niet meer overgaan tot het accepteren van opdrachten van IGP in de zin van artikel 4.2 van de overeenkomst.
4.7.
In de brief van 11 juni 2015 heeft Lypack zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud op ontbinding van de overeenkomst beroepen vanwege de ontstane problematiek met Campina in verband met beweerdelijke schendingen van haar IE-rechten. Dat Lypack aan het einde van de brief meldt dat zij geen verdere of vervangende overeenkomst met IGP wil aangaan en ook geen verdere activiteiten wenst te ontplooien, zegt iets over haar visie op een mogelijke (nieuwe) contractuele toekomst tussen partijen, maar niet dat zij op dat moment geen definitief einde zou verlangen van de bestaande overeenkomst.
4.8.
IGP heeft voorts aangevoerd dat er geen sprake is van verzuim aan haar zijde zoals bedoeld in artikel 12.2 van de overeenkomst en artikel 6:265 jo 6:82 BW.
Volgens Lypack was IGP wel in verzuim, omdat zij niet heeft gehandeld als een toegewijd distributeur in de zin van artikel 2.2 van de overeenkomst. Zij heeft inbreuk gemaakt op de IE-rechten van Campina en dat levert een blijvend onmogelijke nakoming op.
4.9.
Nog los van de vraag of artikel 12.2 van de overeenkomst op deze situatie ziet (het begrip ‘termination’ kent in de Nederlandse taal diverse betekenissen) en of Lypack voldoende heeft gesteld om op grond van de in de brief vermelde redenen tot een tekortkoming te kunnen concluderen, ontstaat op grond van artikel 6:265 lid 2 BW de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer de schuldenaar in verzuim is, tenzij nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is.
4.10.
In het onderhavige geval is onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat nakoming door IGP als gevolg van de inbreuk op de IE-rechten van Campina niet mogelijk was. De overeenkomst tussen partijen ziet op het distribueren van babymelkpoeder. Anders dan Lypack betoogt, is uit de overeenkomst niet af te leiden dat de distributie alleen ziet op de verkoop van Frisfarm en niet op (bijvoorbeeld) Flevofarm. De naam Frisfarm wordt in de overeenkomst niet genoemd en Lypack heeft haar stelling op dit punt niet van enige onderbouwing voorzien. IGP heeft terecht gewezen op artikel 3.2 van de overeenkomst, waarin - samengevat - is opgenomen dat IGP verantwoordelijkheid draagt voor het ‘artwork’ (het format en de inhoud van het label) van de babymelkpoeder, zodat ook een opdracht met een nieuw merk onder de distributieovereenkomst valt. De enkele omstandigheid dat een bepaald door IGP vormgegeven merk zoals Frisfarm een mogelijke inbreuk maakt op de IE-rechten van Campina, maakt niet dat dit ook geldt voor andere door IGP voorgestelde merken. Het was dan ook wel degelijk mogelijk dat IGP met een gewijzigd label alsnog deugdelijk - zonder inbreuk - zou kunnen nakomen jegens Lypack. Van een blijvende of tijdelijke onmogelijke nakoming is al met al geen sprake, zodat de bevoegdheid tot ontbinding in dit geval pas ontstaat, indien IGP in verzuim is geraakt.
4.11.
Vaststaat dat Lypack geen ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 BW heeft verstuurd. Evenmin is gebleken dat sprake is van een situatie waarbij het verzuim zonder ingebrekestelling is ingetreden (artikel 6:83 BW), zodat van verzuim aan de zijde van IGP geen sprake is. Voor zover Lypack heeft bedoeld te stellen dat op grond van de aanvullende of beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid sprake is van een situatie waarin verzuim zonder ingebrekestelling is ingetreden, geldt dat de rechtbank daar bij de beoordeling terughoudend mee moet omgaan. Het is aan Lypack om te stellen onder welke specifieke omstandigheden een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is of dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kan blijven en de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. Dat heeft Lypack nagelaten, zodat de rechtbank haar verweer passeert.
4.12.
Het verweer van Lypack dat IGP te kort is geschoten in de nakoming van artikel 2.2 van de overeenkomst, althans dat IGP in dat kader (vanwege een blijvende onmogelijke nakoming) in verzuim is geraakt, slaagt niet. Volgens Lypack was IGP gehouden om Lypack van de procedure op de hoogte te houden die IGP met Campina heeft gevoerd in China (zoals omschreven in r.o. 2.4). Artikel 2.2 ziet echter op ‘actively and diligently promote the sale of products’. Daarin kan bezwaarlijk worden gelezen dat IGP gehouden zou zijn om geschillen met derden over een IE-inbreuk met betrekking tot het product te melden. Zoals IGP terecht heeft gesteld, ziet dat artikel op het promoten van de verkoop van producten. IGP heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die de door haar voorgestane uitleg kunnen dragen.
4.13.
De rechtbank concludeert dat wegens het ontbreken van verzuim aan de zijde van IGP Lypack niet de bevoegdheid had om tot ontbinding van de overeenkomst over te gaan. De door Lypack ingeroepen buitengerechtelijke ontbinding heeft dan ook niet tot ontbinding van de overeenkomst geleid.
4.14.
Het beroep van Lypack op artikel 6:258 BW slaagt evenmin. Lypack heeft onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat en op welke wijze sprake is geweest van onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW en dat deze van dien aard waren dat IGP naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mocht verwachten.
4.15.
Overigens heeft Lypack nog aangevoerd dat IGP tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat IGP in een filmpje en op haar website de naam van Lypack zou hebben gebruikt. Volgens Lypack levert dit een blijvende onmogelijkheid in de nakoming op. Nog los van de vraag of de beweerdelijke tekortkoming kan leiden tot (gehele) ontbinding van de overeenkomst, heeft Lypack deze pas aan de orde gesteld nadat IGP de ontbinding van de overeenkomst per 12 oktober 2015 had ingeroepen, zodat eerst moet worden beoordeeld of IGP de overeenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden.
Buitengerechtelijke ontbinding IGP
4.16.
Aangezien de ontbindingsverklaring van Lypack niet gerechtvaardigd was, staat daarmee in beginsel niet alleen vast dat de overeenkomst partijen nog steeds bindt, maar ook dat de ontbindingsverklaring heeft geleid tot verzuim van de partij die deze verklaring heeft afgelegd (HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1684). Met de distributieovereenkomst hebben partijen afspraken gemaakt over het produceren van babymelkproducten op verzoek van IGP. Het was onder die omstandigheden aan Lypack om gemotiveerd aan te geven waarom zij met het door IGP voorgestelde gewijzigde label niet kon overgaan tot de gevraagde productie. Dat heeft zij nagelaten, zodat is komen vast te staan dat Lypack tekort is geschoten in de overeenkomst en in verzuim is geraakt. Het beroep van Lypack op artikel 6:74 en 6:75 BW, namelijk dat de tekortkoming niet aan Lypack kan worden toegerekend, wordt door de rechtbank wegens voornoemd nalaten verworpen. Het beroep van Lypack op artikel 6:101 BW zal verderop worden besproken.
4.17.
Gelet op het voorgaande was IGP bevoegd om de overeenkomst op 12 oktober 2015 te ontbinden. Op grond van artikel 6:277 BW heeft IGP recht op schadevergoeding doordat geen wederzijdse nakoming, maar ontbinding van de overeenkomst heeft plaatsgevonden. De verklaringen voor recht dat Lypack in verzuim is geraakt per 11 juni 2015 en dat de overeenkomst is ontbonden per 12 oktober 2015 zullen dan ook worden toegewezen. De vraag of Lypack aansprakelijk is voor de schade die IGP heeft geleden vanwege de ontbinding van de overeenkomst, komt hierna aan de orde. Daarbij zal ook het beroep van Lypack op een exoneratiebeding (artikel 15.4 van de overeenkomst) aan de orde komen.
4.18.
Aangezien IGP de overeenkomst gerechtvaardigd heeft ontbonden, komt de rechtbank niet meer toe aan het beroep van Lypack op de door haar gestelde tekortkoming met betrekking tot de naam van Lypack in een filmpje en op de website van IGP.
Exoneratiebeding
4.19.
Lypack heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat in artikel 15.4 haar aansprakelijkheid voor de door IGP gevorderde schade is uitgesloten. Volgens Lypack moet de bepaling zo worden uitgelegd dat directe schade ziet op schade die betrekking heeft op het product zelf, terwijl aan “indirect or consequential damages’ de betekenis moet worden toegekend van “alle overige schade”, dus inclusief de thans door IGP gevorderde schade.
Volgens IGP moet deze bepaling worden uitgelegd met in achtneming van de Anglo-Amerikaanse juridische betekenis van het begrip “indirect damages”. Winstderving als gevolg van wanprestatie is volgens haar een “direct damage”, welke niet wordt getroffen door de uitsluiting van “indirect damages”. Bovendien moet worden gekeken naar de andere leden van het artikel, die zien op aansprakelijkheden die direct dan wel indirect kunnen worden gerelateerd aan de producten van Lypack. In het onderhavige geval is de schade niet gerelateerd aan haar producten, maar aan haar handelen.
4.20.
De rechtbank stelt voorop dat voor de uitleg van een bepaling in een overeenkomst niet alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract van doorslaggevend belang is. Voor de beantwoording van die vraag komt het volgens vaste rechtspraak aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval (Haviltex-arrest, HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635).
4.21.
Bij de uitleg van de bepaling neemt de rechtbank de volgende omstandigheden in aanmerking.
4.21.1.
De term “indirecte schade” komt niet voor in het Burgerlijk Wetboek en in de rechtspraak is het geen vastomlijnd begrip.
4.21.2.
Partijen hebben per e-mail gecorrespondeerd over de bepalingen in de conceptovereenkomst, waaronder de huidige artikelen 15.3 en 15.4 (productie H bij conclusie van antwoord). Over artikel 15.3 vraagt IGP nadere uitleg en Lypack antwoordt dat artikel 15.3 ziet op een termijn van 60 dagen om te melden dat er iets mis is met een product van Lypack. Na verloop van die termijn kan volgens Lypack de schade niet meer verhaald worden op Lypack met uitzondering van “product liability”. Onder 15.4 stelt IGP vervolgens de vraag “wat als er iets wordt aangetroffen in de blikken wat er niet in hoort” en daarop antwoordt Lypack dat in overleg zal worden uitgezocht wat er eventueel is mis gegaan. Indien onafhankelijk wordt aangetoond dat het gebrek Lypack valt te verwijten, dan is Lypack verantwoordelijk met in achtneming van de rest van het contract (artikel 15.1 tot en met 15.4), aldus Lypack. De correspondentie tussen partijen over de artikelen 15.3 en 15.4 voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst ziet derhalve enkel op de productaansprakelijkheid van Lypack.
4.21.3.
Voorts is voor de uitleg van belang de betekenis van de overige leden van artikel 15 in verhouding tot artikel 15.4. Artikel 15 bevat allereerst een bepaling over de limitering van de productaansprakelijkheid van Lypack. Vervolgens beperkt het tweede lid de overige aansprakelijkheden, voor zover deze gerelateerd kunnen worden aan de producten van Lypack (“the products in respect of which such damages are claimed”). Het derde lid bevat een termijn waarbinnen IGP haar claim met betrekking tot de producten van Lypack kenbaar moet maken (“all claims in respect of such products”). IGP mocht dan ook redelijkerwijs verwachten, hetgeen zij blijkens voornoemde correspondentie ook deed, dat deze uitsluiting van aansprakelijkheid betrekking zou hebben op de producten van Lypack en niet op een schadevergoeding wegens ontbinding van de overeenkomst door IGP omdat Lypack tekortschiet in de nakoming ervan.
4.21.4.
Ten slotte kunnen gangbare internationale maatstaven - zoals het recht van de taal waarin de overeenkomst is opgesteld - over uitsluiting van aansprakelijkheid een rol spelen. IGP is een Chinees bedrijf en om die reden is de overeenkomst in het Engels is opgesteld door Lypack. Er moet worden gelet op de inzichten en verwachtingen in de kring van personen, waartoe de betreffende partijen behoren (vgl. HR 18 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4694). Indien de betreffende bepaling conform het Anglo-Amerikaanse recht wordt uitgelegd, moet winstderving als gevolg van wanprestatie als een “direct damage” worden uitgelegd die niet wordt getroffen door de uitsluiting van “indirect damages”, zoals ook door IGP is aangevoerd en door Lypack onweersproken is gelaten.
4.22.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat gelet op de opbouw van artikel 15 in combinatie met de correspondentie over die bepalingen, IGP redelijkerwijs aan artikel 15.4 de waarde mocht toekennen dat de exoneratie enkel betrekking had op de producten van Lypack en bovendien - volgens Anglo-Amerikaans recht - winstderving als gevolg van ontbinding wegens wanprestatie niet wordt getroffen door de uitsluiting van “indirect damages”. Dit betekent dat het beroep van Lypack op het exoneratiebeding niet slaagt.
Schade
4.23.
Vervolgens resteert de vraag naar de omvang van de schade van IGP als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst. IGP heeft in dat kader voldoende onderbouwd gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van het niet kunnen verkopen van babymelkpoeder in China en heeft enkele uitgangspunten geformuleerd voor de berekening van de schade. Met IGP is de rechtbank van oordeel dat voor de beoordeling van de hoogte van de schade een vergelijking moet worden gemaakt tussen de hypothetische situatie dat Lypack de overeenkomst was nagekomen en de huidige situatie. Tevens moet rekening worden gehouden met een rechtsgeldige opzegging van Lypack per 21 juni 2016, zoals ook IGP tot uitgangspunt heeft genomen. Vervolgens moet dan een inschatting worden gemaakt van de afname van de babymelkpoeder.
4.24.
Volgens IGP hadden in de periode juli 2015 tot en met april 2016 - tot welke periode zij haar schade kennelijk heeft beperkt - 252.012 blikken melkpoeder verkocht kunnen worden. Verminderd met kosten van transport, opslag en personeelskosten zou de gederfde winst volgens IGP geschat kunnen worden op een bedrag van € 8,00 per blik. Aangezien IGP in de periode 2015 tot begin 2017 geen omzet heeft gehad, zou de totale schade volgens IGP neerkomen op een bedrag van € 2.016.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente (en niet langer de wettelijke handelsrente) en de buitengerechtelijke kosten.
4.25.
Lypack heeft tegen de berekening van IGP terecht ingebracht dat IGP een schadebeperkingsverplichting heeft. In dat kader dient IGP te onderbouwen welke stappen zij in het kader van haar schadebeperkingsplicht heeft ondernomen om de productie elders onder te brengen. Anders dan Lypack stelt geldt die verplichting voor IGP vanaf het moment van ontbinding door IGP (12 oktober 2015). Voorts heeft Lypack bij conclusie van dupliek onderbouwd (met verwijzing naar een e-mailbericht van IGP van 16 april 2015) betoogd dat IGP niet alleen de verpakking wilde aanpassen, maar ook het product zelf, waardoor het gehele productontwikkelingstraject opnieuw zou moeten worden doorlopen. Volgens Lypack bedraagt de gehele doorlooptijd (op basis van een door haar uitgewerkt schema) gemiddeld 57 tot 74 weken, zodat er volgens haar geen schade resteert. IGP heeft geen gelegenheid gehad om op deze punten te reageren. Voorts heeft IGP volgens Lypack - zo stelt zij bij conclusie van dupliek - geen of onvoldoende rekening gehouden met de volgende kosten:
- -
de kosten van de Nederlandse laboratoria van ongeveer € 5.000,00 per productiebatch per product per zending;
- -
de kosten van invoer, zoals de fee voor de douaneagent;
- -
overliggeld voor de rederij;
- -
de kosten van de Chinese laboratoria;
- -
importheffingen en btw;
- -
overige kosten (pand, auto’s, gas, water, elektra, belastingen, pensioenen, verzekeringen, etc);
- -
de prijsverhoging van de inkoopprijs van € 5,70 per blik tot € 5,95 per 1 juli 2014;
- -
de transportkosten naar en binnen China;
- -
betalingen aan winkels om in het schap te mogen liggen.
4.26.
Aangezien IGP niet in de gelegenheid is geweest om te reageren op de verweren zoals vermeld in r.o. 4.25, zal de rechtbank IGP daartoe in de gelegenheid stellen. Daarbij dient IGP te onderbouwen welke stappen zij in het kader van haar schadebeperkingsplicht heeft ondernomen om de productie elders onder te brengen. Voorts dient IGP aan te geven of sprake was van een beoogde aanpassing van (de samenstelling van) het product onder het nieuwe label Frisfarm (gelet op het e-mailbericht van 16 april 2015) en zo ja, wat dan volgens haar de doorlooptijd van het nieuwe product zou zijn. Daarnaast dient IGP zoveel mogelijk een hernieuwde schadeberekening in het geding te brengen rekening houdend met de in r.o. 4.25 genoemde kosten, voor zover deze zijn gemaakt. Het antwoord op de vraag of de kosten zijn gemaakt dient te worden voorzien van een deugdelijke toelichting en onderbouwing. Vervolgens zal Lypack in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren.
4.27.
De rechtbank begrijpt voorts het verweer van Lypack aldus dat zij een beroep doet op vermindering van de vergoedingsplicht vanwege eigen schuld van IGP in de zin van artikel 6:101 BW (bij conclusie van dupliek verwijst zij ook naar dit artikel). Volgens Lypack is de schending van IE-rechten van Campina door IGP de oorzaak van de ontbinding. De rechtbank zal de beoordeling van dit verweer aanhouden in afwachting van de hiervoor opgevraagde nadere informatie.
Conclusie
4.28.
In afwachting van de te nemen aktes zoals bedoeld onder rechtsoverweging 4.24 zal de rechtbank iedere verdere beslissing - waaronder de beslissing over de buitengerechtelijke kosten, de wettelijke rente en de proceskosten - aanhouden.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 november 2017 voor het nemen van een akte door IGP over hetgeen is vermeld onder 4.25 en 4.26, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma, mr. J.N. Bartels en mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑10‑2017
type:coll: