Procestaal: Duits.
HvJ EU, 28-01-2025, nr. C-253/23
ECLI:EU:C:2025:40
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
28-01-2025
- Magistraten
K. Lenaerts, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen, D. Gratsias, E. Regan, I. Ziemele, J. Passer, Z. Csehi, O. Spineanu-Matei
- Zaaknummer
C-253/23
- Conclusie
M. Szpunar
- Roepnaam
ASG 2
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:40, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 28‑01‑2025
ECLI:EU:C:2024:767, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 19‑09‑2024
Uitspraak 28‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Mededinging — Artikel 101 VWEU — Richtlijn 2014/104/EU — Schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht — Artikel 2, punt 4 — Begrip ‘schadevordering’ — Artikel 3, lid 1 — Recht op volledige vergoeding van de geleden schade — Overdracht van schuldvorderingen aan een rechtsbijstandverlener — Nationaal recht dat zich verzet tegen de erkenning van de procesbevoegdheid van een dergelijke bijstandverlener om die schuldvorderingen collectief te innen — Artikel 4 — Doeltreffendheidsbeginsel — Artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Recht op effectieve rechterlijke bescherming
K. Lenaerts, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen, D. Gratsias, E. Regan, I. Ziemele, J. Passer, Z. Csehi, O. Spineanu-Matei
Partij(en)
In zaak C-253/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Dortmund (rechter in eerste aanleg Dortmund, Duitsland) bij beslissing van 13 maart 2023, ingekomen bij het Hof op 20 april 2023, in de procedure
ASG 2 Ausgleichsgesellschaft für die Sägeindustrie Nordrhein-Westfalen GmbH
tegen
Land Nordrhein-Westfalen,
in tegenwoordigheid van:
Otto Fuchs Beteiligungen KG,
Bundeskartellamt,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, F. Biltgen, K. Jürimäe (rapporteur), C. Lycourgos, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen en D. Gratsias, kamerpresidenten, E. Regan, I. Ziemele, J. Passer, Z. Csehi en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: D. Dittert, hoofd van een administratieve eenheid,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 mei 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
ASG 2 Ausgleichsgesellschaft für die Sägeindustrie Nordrhein-Westfalen GmbH, vertegenwoordigd door R. Lahme en A. Ruster, Rechtsanwälte,
- —
het Land Nordrhein-Westfalen, vertegenwoordigd door J. Haereke, D. Hamburger, C. Kusulis, S.-O. Nündel, G. Schwendinger, F. Süß en K. Teitscheid, Rechtsanwälte,
- —
Otto Fuchs Beteiligungen KG, vertegenwoordigd door J.-H. Allermann en C. Thiel von Herff, Rechtsanwälte,
- —
het Bundeskartellamt, vertegenwoordigd door J. Nothdurft en K. Ost als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Keidel en G. Meeβen als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 september 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 101 VWEU, gelezen in het licht van artikel 4, lid 3, VEU en artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’), en van artikel 2, punt 4, artikel 3, lid 1, en artikel 9 van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB 2014, L 349, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen ASG 2 Ausgleichsgesellschaft für die Sägeindustrie Nordrhein-Westfalen GmbH (hierna: ‘ASG 2’) en het Land Nordrhein-Westfalen (deelstaat Noordrijn-Westfalen, Duitsland; hierna: ‘Noordrijn-Westfalen’) betreffende een collectieve schadevordering die ASG 2 heeft ingesteld op basis van het recht op schadevergoeding dat 32 houtzagerijen aan haar hebben overgedragen naar aanleiding van een beweerdelijk door Noordrijn-Westfalen en andere boseigenaren begane inbreuk op artikel 101 VWEU.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Handvest
3
Artikel 47 van het Handvest, met als opschrift ‘Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht’, bepaalt in de eerste alinea:
‘Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.’
Verordening nr. 1/2003
4
Overweging 13 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) luidt als volgt:
‘Wanneer de betrokken ondernemingen in de loop van een procedure die tot een verbodsbeschikking zou kunnen leiden, de [Europese] Commissie toezeggingen doen om aan haar bezorgdheden tegemoet te komen, moet de Commissie bij [besluit] die toezeggingen voor die ondernemingen een verbindend karakter kunnen verlenen. In [toezeggingsbesluiten] moet worden vastgesteld dat er niet langer gronden voor een optreden van de Commissie bestaan, zonder dat wordt geconcludeerd of er al dan niet een inbreuk is gepleegd of nog steeds wordt gepleegd. [Toezeggingsbesluiten] laten de bevoegdheid van de mededingingsautoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten om zo'n inbreuk al dan niet vast te stellen en een beslissing over de zaak te nemen, onverlet. [Toezeggingsbesluiten] zijn niet geschikt als de Commissie voornemens is een boete op te leggen.’
5
Artikel 9 van deze verordening heeft als opschrift ‘Toezeggingen’ en bepaalt in lid 1:
‘Wanneer de Commissie voornemens is een [besluit] tot beëindiging van een inbreuk te geven, en de betrokken ondernemingen toezeggingen doen om aan de bezorgdheden tegemoet te komen die de Commissie hun in haar voorlopige beoordeling te kennen heeft gegeven, kan de Commissie ten aanzien van deze ondernemingen bij [besluit] die toezeggingen een verbindend karakter verlenen. [Het besluit] kan voor een bepaalde periode worden gegeven en bevat de conclusie dat er niet langer gronden voor een optreden van de Commissie bestaan.’
Richtlijn 2014/104
6
In de overwegingen 4, 12 en 13 van richtlijn 2014/104 staat het volgende te lezen:
- ‘(4)
Voor het uniale recht op vergoeding van schade die voortvloeit uit inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie en het nationale mededingingsrecht is het vereist dat elke lidstaat over procedurele regels beschikt die de effectieve uitoefening van dat recht garanderen. De behoefte aan doeltreffende procedurele middelen volgt ook uit het recht op een effectieve rechterlijke bescherming dat in artikel 19, lid 1, tweede alinea, [VEU] en in artikel 47 van het [Handvest] is vastgelegd. De lidstaten dienen daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren.
[…]
- (12)
Met deze richtlijn wordt het acquis communautaire betreffende het Unierecht op vergoeding van door een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie veroorzaakte schade bevestigd, in het bijzonder wat betreft de hoedanigheid om een schadevordering in te stellen en de definitie van het begrip ‘schade’ zoals dat in de jurisprudentie van het Hof van Justitie is vastgesteld, en wordt niet vooruitgelopen op toekomstige ontwikkelingen daarvan. Eenieder die door een inbreuk schade heeft geleden, kan een vergoeding vorderen voor het daadwerkelijke verlies (damnum emergens), voor de gederfde winst (lucrum cessans), vermeerderd met rente; hierbij maakt het niet uit of deze categorieën volgens de nationale voorschriften afzonderlijk dan wel in combinatie worden omschreven. […]
- (13)
Het recht op vergoeding wordt erkend voor iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, zowel consumenten, ondernemingen als overheidsinstanties, ongeacht of er een directe contractuele verhouding met de inbreukmakende onderneming bestaat, en ongeacht of er vooraf door een mededingingsautoriteit een inbreuk is vastgesteld. Deze richtlijn houdt geen verplichting in voor de lidstaten om mechanismen voor collectief verhaal in te voeren voor de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU. Onverminderd de vergoeding voor het verlies van een mogelijkheid, dient volledige vergoeding op grond van deze richtlijn niet te leiden tot overcompensatie, ongeacht of het een punitieve, een meervoudige of een andere schadevergoeding betreft.’
7
Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt in lid 1:
‘Deze richtlijn stelt bepaalde regels vast die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat eenieder die schade heeft geleden ten gevolge van een door een onderneming of een ondernemersvereniging gepleegde inbreuk op het mededingingsrecht effectief het recht kan uitoefenen volledige vergoeding van die schade te vorderen van die onderneming of ondernemersvereniging. Zij stelt regels vast die een onvervalste mededinging op de interne markt bevorderen en de belemmeringen voor de goede werking ervan wegnemen door in de hele [Europese] Unie een gelijkwaardige bescherming te garanderen voor eenieder die dergelijke schade heeft geleden.’
8
Artikel 2 van deze richtlijn luidt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- 4)
‘schadevordering’: een uit hoofde van het nationale recht ingestelde vordering waarbij een schadeclaim voor een nationale rechterlijke instantie wordt gebracht door een partij die beweert benadeeld te zijn of door iemand die optreedt namens een of meer partijen die beweren benadeeld te zijn, indien het Unierecht of het nationaal recht in deze mogelijkheid voorziet, of door een natuurlijk persoon of een rechtspersoon op wie de rechten zijn overgegaan van de partij die beweert benadeeld te zijn, daaronder begrepen de persoon die de schadeclaim heeft verworven […];
[…]
- 12)
‘definitieve inbreukbeslissing’: een inbreukbeslissing waartegen op grond van gangbare rechtsmiddelen geen of niet langer meer beroep open staat;
[…]’
9
Artikel 3 van richtlijn 2014/104 heeft als opschrift ‘Recht op volledige vergoeding’ en bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat iedere natuurlijk persoon of rechtspersoon die schade heeft geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, de mogelijkheid heeft volledige vergoeding van die schade te vorderen en te verkrijgen.’
10
Artikel 4 van deze richtlijn, met als opschrift ‘De beginselen [van] doeltreffendheid en gelijkwaardigheid’, luidt als volgt:
‘Overeenkomstig het beginsel van doeltreffendheid zorgen de lidstaten ervoor dat alle nationale regels en procedures betreffende de uitoefening van schadeclaims zodanig ontworpen en toegepast worden dat zij de uitoefening van het Unierecht op volledige vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade niet buitensporig moeilijk of praktisch onmogelijk maken. Overeenkomstig het beginsel van gelijkwaardigheid mogen de nationale regels en procedures betreffende schadevorderingen op grond van inbreuken op artikel 101 of artikel 102 VWEU voor de beweerdelijk benadeelde partijen niet minder gunstig zijn dan de regels en procedures voor soortgelijke vorderingen tot vergoeding van schade voortvloeiend uit inbreuken op het nationaal recht.’
11
Artikel 9, lid 1, van deze richtlijn luidt:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat een inbreuk op het mededingingsrecht die door een nationale mededingingsautoriteit of door een beroepsinstantie door middel van een definitieve inbreukbeslissing is vastgesteld, geacht wordt onweerlegbaar vast te staan voor de behandeling van een voor een nationale rechter aanhangig gemaakte schadevordering uit hoofde van artikel 101 of artikel 102 VWEU of uit hoofde van het nationale mededingingsrecht.’
Duits recht
12
§ 1 van het Gesetz über außergerichtliche Rechtsdienstleistungen (Rechtsdienstleistungsgesetz) (wet inzake de buitengerechtelijke rechtsbijstand) van 12 december 2007 (BGBl. 2007 I, blz. 2840), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘RDG’), bepaalt in lid 1:
‘Deze wet regelt de bevoegdheid om in de Bondsrepubliek Duitsland buitengerechtelijke rechtsbijstand te verlenen. Deze wet is bedoeld om rechtzoekenden, het rechtsverkeer en de rechtsorde te beschermen tegen ondeugdelijke rechtsbijstand.’
13
§ 2 RDG heeft als opschrift ‘Begrip rechtsbijstand’ en bepaalt:
- ‘(1)
Rechtsbijstand is elke activiteit in de concrete zaken van derden waarvoor een juridisch onderzoek van het specifieke geval nodig is.
- (2)
Ongeacht de in lid 1 vermelde voorwaarden wordt als rechtsbijstand beschouwd de inning van vorderingen van derden of van vorderingen die met het oog op de inning voor rekening van een derde zijn overgedragen, indien het innen van de vorderingen als zelfstandig bedrijf wordt uitgeoefend, met inbegrip van het verstrekken van juridisch advies en onderzoek met betrekking tot de inning van schuldvorderingen (incassodienst). Overgedragen schuldvorderingen worden niet beschouwd als schuldvorderingen van derden ten opzichte van de eerste schuldeiser.
[…]’
14
§ 3 RDG, met als opschrift ‘Bevoegdheid tot het verlenen van buitengerechtelijke rechtsbijstand’, bepaalt:
‘Het zelfstandig verlenen van buitengerechtelijke rechtsbijstand mag alleen voor zover dat bij deze wet of op grond van andere wetten wordt toegestaan.’
15
§ 10 RDG luidt als volgt:
- ‘(1)
Natuurlijke en rechtspersonen en ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid, die bij de bevoegde autoriteiten zijn geregistreerd (geregistreerde personen), mogen op grond van bijzondere deskundigheid rechtsbijstand verlenen op de volgende gebieden:
- 1.
incassodiensten […],
[…]’
16
§ 11 RDG, met als opschrift ‘Bijzondere deskundigheid, beroepsbenamingen’, bepaalt in lid 1:
‘Incassodiensten vereisen bijzondere deskundigheid op de voor de gevraagde incassoactiviteit relevante rechtsgebieden, in het bijzonder op het gebied van burgerlijk recht, handelsrecht, effecten- en vennootschapsrecht, burgerlijk procesrecht, met inbegrip van executierecht en insolventierecht, en het recht betreffende kosten en uitgaven.’
17
§ 12 RDG bevat de voorwaarden voor inschrijving in het register met het oog op het verlenen van rechtsbijstand en voorziet in een wettelijke vergunning waarbij de details ervan worden geregeld, waaronder het bewijs van de theoretische deskundigheid bedoeld in § 10 van die wet vereist.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
18
Op 31 maart 2020 heeft ASG 2 bij het Landgericht Dortmund (rechter in eerste aanleg Dortmund, Duitsland), de verwijzende rechter, een collectieve schadevordering tegen Noordrijn-Westfalen ingesteld voor de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade. Zij heeft deze vordering ingesteld op basis van de rechten die haar door 32 in Duitsland, België en Luxemburg gevestigde houtzagerijen waren overgedragen (hierna: ‘betrokken houtzagerijen’).
19
Noordrijn-Westfalen wordt verweten in strijd met artikel 101 VWEU ten minste gedurende de periode van 28 juni 2005 tot en met 30 juni 2019 een uniforme prijs van naaldbomenhout (hierna: ‘rondhout’) te hebben vastgesteld voor zichzelf en voor andere in die deelstaat gevestigde boseigenaren (hierna: ‘betrokken mededingingsregeling’).
20
Het Bundeskartellamt (federale mededingingsautoriteit, Duitsland) heeft deze praktijk onderzocht en heeft in 2009 op grond van § 32b van het Gesetz gegen Wettbewerbsbeschränkungen (wet tegen mededingingsbeperkingen) en artikel 101 VWEU een toezeggingsbesluit vastgesteld ten aanzien van Noordrijn-Westfalen en andere deelstaten die op vergelijkbare wijze betrokken zijn bij de verhandeling van rondhout (hierna: ‘besluit van 2009’).
21
De betrokken houtzagerijen wensen van Noordrijn-Westfalen vergoeding te verkrijgen voor de schade die zij gedurende de betrokken mededingingsregeling hebben geleden doordat zij als gevolg van deze regeling tegen te hoge prijzen rondhout van deze deelstaat hebben gekocht.
22
Daartoe heeft elk van de betrokken houtzagerijen haar recht op vergoeding van de schade die zij door de betrokken mededingingsregeling heeft geleden, aan ASG 2 overgedragen. ASG 2 — die als ‘rechtsbijstandverlener’ in de zin van het RDG beschikt over een vergunning op grond van die wet — vordert bij de verwijzende rechter dus op collectieve wijze vergoeding van die schade, in eigen naam en op eigen kosten, maar voor rekening van de cedenten en tegen betaling van een honorarium in geval van succes.
23
De vordering tot vergoeding van de door de betrokken mededingingsregeling veroorzaakte schade zou haar oorsprong vinden in enkele honderdduizenden aankopen van rondhout door de betrokken houtzagerijen. Voor elk van hen zou het bedrag van deze aankopen enkele duizenden of zelfs tienduizenden transacties vertegenwoordigen.
24
Noordrijn-Westfalen betwist bij de verwijzende rechter zowel de gegrondheid van de vordering als de procesbevoegdheid van ASG 2. In verband met dit laatste aspect betoogt de deelstaat dat de betrokken houtzagerijen hun recht op vergoeding in strijd met het RDG aan ASG 2 hebben overgedragen, zodat deze overdrachten ongeldig zijn. De bevoegdheid waarover ASG 2 uit hoofde van het RDG beschikt, geeft haar immers niet het recht om schuldvorderingen te innen die voortvloeien uit schade die is veroorzaakt door een vermeende inbreuk op het mededingingsrecht.
25
De verwijzende rechter preciseert dat, naar Duits recht, in geval van massaschade of schade van geringe waarde bij een groot aantal personen vorderingen van rechtzoekenden kunnen worden gebundeld via het mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen (‘Abtretungsmodell’), ook bekend als de ‘collectieve schadevordering’ (‘Sammelklage-Inkasso’; hierna: ‘collectieve schadevordering’). Volgens dit mechanisme dragen personen die beweerdelijk schade hebben geleden hun vermeende vorderingen over aan een rechtsbijstandverlener die op grond van het RDG een vergunning heeft verkregen die hem in principe machtigt om die gebundelde schuldvorderingen te innen, in eigen naam en op eigen kosten voor rekening van de cedenten, in ruil voor een provisie in geval van succes.
26
Volgens de verwijzende rechter heeft het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) deze praktijk erkend voor verschillende soorten schadevorderingen, zoals bij geschillen betreffende huurrecht of de vergoeding van luchtreizigers. Lagere rechters leggen het RDG daarentegen in die zin uit dat collectieve schadevorderingen niet zijn toegestaan voor schade die is veroorzaakt door een vermeende inbreuk op het mededingingsrecht, in het bijzonder wanneer het een zogenoemde ‘stand-alone’-vordering betreft, dat wil zeggen een schadevordering die niet volgt op een definitief en bindend besluit — met name wat de vaststelling van de feiten betreft — van een mededingingsautoriteit waarbij een dergelijke inbreuk wordt vastgesteld (hierna: ‘zelfstandige schadevordering’). Het Bundesgerichtshof heeft nog niet de gelegenheid gehad om zich over deze kwestie uit te spreken.
27
Volgens de verwijzende rechter kent het Duitse recht geen aan de collectieve schadevordering gelijkwaardig rechtsmiddel dat de daadwerkelijke uitoefening van het recht op vergoeding in kartelzaken kan verzekeren.
28
Bijgevolg is de doeltreffendheid van het recht op vergoeding van door een kartel veroorzaakte schade niet gewaarborgd, met name wanneer het schade van geringe waarde en een groot aantal benadeelde partijen betreft. In een dergelijk geval ligt het individuele schadebedrag immers zodanig laag dat de justitiabele geneigd is om het recht op schadevergoeding dat hij krachtens het Unierecht heeft, niet uit te oefenen.
29
In die omstandigheden vormt de collectieve schadevordering de enige economisch rationele en werkbare mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen. De verwijzende rechter is evenwel van mening dat hij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overdrachten overeenkomstig de bepalingen van het RDG, zoals deze door bepaalde nationale rechters worden uitgelegd, als nietig moet beschouwen, zodat het bij hem ingestelde beroep moet worden verworpen.
30
Hij vraagt zich niettemin af of het Unierecht zich verzet tegen deze uitlegging van het RDG, aangezien deze uitlegging van het nationale recht mogelijkerwijs onverenigbaar is met zowel richtlijn 2014/104 als het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht en het recht op effectieve rechterlijke bescherming doordat de door de betrokken mededingingsregeling benadeelde personen geen gebruik kunnen maken van de collectieve schadevordering.
31
Ten eerste vraagt de verwijzende rechter zich af of een dergelijke onverenigbaarheid kan worden afgeleid uit een samenlezing van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2014/104, waarin volgens hem het door vaste rechtspraak van het Hof verankerde recht van een door een kartel benadeelde persoon op volledige vergoeding van de veroorzaakte schade is neergelegd, en artikel 2, punt 4, van deze richtlijn. Laatstgenoemde bepaling ziet immers uitdrukkelijk op de collectieve schadevordering, aangezien het begrip ‘schadevordering’ in de zin van deze bepaling de vordering omvat die wordt ingesteld door ‘een natuurlijk persoon of een rechtspersoon op wie de rechten zijn overgegaan van de partij die beweert benadeeld te zijn, daaronder begrepen de persoon die de schadeclaim heeft verworven’.
32
Ten tweede betwijfelt de verwijzende rechter of de onmogelijkheid voor benadeelde personen om gebruik te maken van de collectieve schadevordering, die voortvloeit uit de in punt 29 van dit arrest vermelde uitlegging van het nationale recht, wel verenigbaar is met artikel 4, lid 3, VEU en artikel 101 VWEU. Volgens hem blijkt uit de rechtspraak van het Hof en de bepalingen van richtlijn 2014/104 dat eenieder volledige vergoeding kan vorderen van de schade die hij of zij als gevolg van een inbreuk op het mededingingsrecht heeft geleden. De lidstaten moeten dan ook de doeltreffendheid van het recht op vergoeding van die schade waarborgen door de uitoefening ervan niet onmogelijk of uiterst moeilijk te maken. Dit maakt volgens hem deel uit van de bescherming van het algemeen belang dat erin bestaat een daadwerkelijke mededinging in de Unie te waarborgen.
33
Ten derde vraagt de verwijzende rechter zich af of de onmogelijkheid voor benadeelde personen om een collectieve schadevordering in te stellen, die voortvloeit uit de in punt 29 van dit arrest vermelde uitlegging van het nationale recht, afbreuk doet aan hun recht op effectieve rechterlijke bescherming, dat is neergelegd in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, artikel 6, lid 3, VEU en artikel 13 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In een situatie als die in de onderhavige zaak waarin het gaat om massaschade of schade van geringe waarde voor een groot aantal personen, wordt de benadeelden immers de mogelijkheid ontnomen een beroep te doen op het enige effectieve rechtsmiddel dat naar nationaal recht beschikbaar is om hun recht op schadevergoeding te doen gelden.
34
Tot slot preciseert de verwijzende rechter dat indien zou worden geoordeeld dat het nationale recht niet in overeenstemming is met het Unierecht, hij geen Unierechtconforme uitlegging aan dit recht kan geven, aangezien die uitlegging contra legem zou zijn.
35
In die omstandigheden heeft het Landgericht Dortmund de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet het Unierecht, en meer bepaald artikel 101 VWEU, artikel 4, lid 3, VEU, artikel 47 van het [Handvest], alsmede artikel 2, punt 4, en artikel 3, lid 1, van [richtlijn 2014/104], aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een uitlegging en toepassing van het recht van een lidstaat waardoor het een mogelijk door een — op grond van artikel 9 van [richtlijn 2014/104] of van de nationale bepaling waarbij dat artikel is omgezet met bindende werking vaststaande — inbreuk op artikel 101 VWEU benadeelde partij wordt verboden zijn claims — met name in gevallen van massa- of strooischade — aan een erkende rechtsbijstandverlener fiduciair over te dragen, zodat deze ze gebundeld met claims van andere vermeend benadeelde partijen door middel van een ‘follow-on’-vordering doet gelden, wanneer er geen andere gelijkwaardige wettelijke of contractuele mogelijkheden bestaan om de schadevorderingen te bundelen, met name omdat zij niet leiden tot rechterlijke bevelen of om andere procesrechtelijke redenen niet praktisch zijn of om economische redenen objectief niet redelijk zijn, en bijgevolg met name het instellen van een vordering voor schade van geringe waarde praktisch onmogelijk of in ieder geval uiterst moeilijk wordt?
- 2)
Moet het Unierecht in ieder geval aldus worden uitgelegd, wanneer de aan de orde zijnde schadeclaims moeten worden ingediend zonder een voorafgaand en in de zin van nationale, op artikel 9 van [richtlijn 2014/104] berustende bepalingen bindend besluit van de Europese Commissie of nationale autoriteiten betreffende de vermeende inbreuk (zogenoemde ‘stand-alone’-vorderingen), wanneer er om de in de eerste vraag reeds genoemde redenen geen andere gelijkwaardige wettelijke of contractuele mogelijkheden bestaan om de schadevorderingen met het oog op civielrechtelijke vervolging te bundelen en in het bijzonder wanneer anders een inbreuk op artikel 101 VWEU hoe dan ook niet, dus noch door middel van publieke handhaving noch door middel van private handhaving, zou worden vervolgd?
- 3)
Indien ten minste één van deze twee vragen bevestigend moet worden beantwoord, moeten dan de overeenkomstige bepalingen van Duits recht, wanneer een Unierechtconforme uitlegging is uitgesloten, buiten toepassing blijven, hetgeen tot gevolg zou hebben dat de overdrachten in ieder geval vanuit dat gezichtspunt doeltreffend zijn en een effectieve rechtshandhaving mogelijk wordt?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid van de eerste vraag
36
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 101 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 4, artikel 3, lid 1, artikel 4 en artikel 9, lid 1, van richtlijn 2014/104, alsmede artikel 47, eerste alinea, van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een uitlegging van een nationale regeling die tot gevolg heeft dat personen die beweerdelijk schade hebben geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, hun recht op vergoeding niet kunnen overdragen aan een rechtsbijstandverlener opdat deze hun rechten gebundeld doet gelden in het kader van een ‘follow-on-vordering’, dat wil zeggen een schadevordering die volgt op een definitieve beslissing van een mededingingsautoriteit waarbij een dergelijke inbreuk wordt vastgesteld (hierna: ‘vervolgvordering’).
37
Volgens Otto Fuchs Beteiligungen, Noordrijn-Westfalen en de Commissie is deze vraag niet-ontvankelijk. De vordering in het hoofdgeding dient niet als een vervolgvordering maar als een zelfstandige schadevordering te worden beschouwd.
38
In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag betrekking moet hebben op een uitlegging van het Unierecht die objectief noodzakelijk is voor de door de verwijzende rechter te nemen beslissing [arresten van 12 januari 2023, DOBELES HES, C-702/20 en C-17/21, EU:C:2023:1, punt 81, en 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen), C-181/21 en C-269/21, EU:C:2024:1, punt 65].
39
Het is uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof stelt te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van een Unierechtelijke regel, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden [arresten van 6 oktober 2021, Sumal, C-882/19, EU:C:2021:800, punt 27, en 19 september 2024, Booking.com en Booking.com (Deutschland), C-264/23, EU:C:2024:764, punt 34].
40
Aangezien op vragen betreffende het Unierecht een vermoeden van relevantie rust, kan het Hof derhalve slechts weigeren op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden wanneer de gevraagde uitlegging van een regel van Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen [arresten van 6 oktober 2021, Sumal, C-882/19, EU:C:2021:800, punt 28, en 19 september 2024, Booking.com en Booking.com (Deutschland), C-264/23, EU:C:2024:764, punt 35].
41
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de eerste vraag, voor zover deze ziet op de hypothese van een vervolgvordering, kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.
42
De verwijzende rechter geeft namelijk aan dat ASG 2 bij hem een schadevordering heeft ingesteld tot vergoeding van de schade die de betrokken houtzagerijen stellen te hebben geleden door de betrokken mededingingsregeling. Die rechter verduidelijkt dat er in het hoofdgeding geen ander besluit is dan dat van 2009.
43
Zoals de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, werd dit besluit vastgesteld op grond van § 32b van het Gesetz gegen Wettbewerbsbeschränkungen, waarvan de bewoordingen overeenkomen met die van artikel 9 van verordening nr. 1/2003, zoals het Bundeskartellamt in zijn schriftelijke opmerkingen heeft bevestigd.
44
Een krachtens artikel 9 van deze verordening genomen toezeggingsbesluit bevat geen enkele definitieve vaststelling van een inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU.
45
Artikel 9 van deze verordening, gelezen in het licht van overweging 13, bepaalt immers dat de Commissie in het kader van een uit hoofde van deze bepaling ingeleide procedure is vrijgesteld van de verplichting om de inbreuk aan te wijzen en te constateren, aangezien haar rol in dat geval beperkt is tot het onderzoeken en het eventueel aanvaarden — tegen de achtergrond van in haar voorlopige beoordeling vastgestelde moeilijkheden en van de door haar nagestreefde doelstellingen — van de toezeggingen die de betrokken ondernemingen hebben voorgesteld. Met de vaststelling van een toezeggingsbesluit wordt dan ook de tegen de ondernemingen ingeleide inbreukprocedure beëindigd, waardoor zij kunnen voorkomen dat er een schending van het mededingingsrecht wordt vastgesteld en dat hun in voorkomend geval een boete wordt opgelegd (zie in die zin arrest van 29 juni 2010, Commissie/Alrosa, C-441/07 P, EU:C:2010:377, punten 40 en 48).
46
Uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens blijkt dat het Bundeskartellamt in het besluit van 2009 voor Noordrijn-Westfalen samenwerkingsdrempels voor de verhandeling van rondhout en maatregelen ter beperking van de positie van deze deelstaat op de relevante markt heeft vastgesteld.
47
Bijgevolg kan het besluit van 2009 niet worden beschouwd als een definitief besluit van een nationale mededingingsautoriteit waarbij een inbreuk op het mededingingsrecht wordt vastgesteld, zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, van richtlijn 2014/104, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 12, van deze richtlijn. De vordering van ASG 2 die aan de basis ligt van het hoofdgeding kan dan ook niet worden beschouwd als een vervolgvordering.
48
Derhalve is de eerste vraag niet-ontvankelijk.
Tweede en derde vraag
49
Met zijn tweede en zijn derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 101 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 4, artikel 3, lid 1, en artikel 4 van richtlijn 2014/104, alsmede artikel 47, eerste alinea, van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een uitlegging van een nationale regeling die tot gevolg heeft dat personen die beweerdelijk schade hebben geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, hun recht op vergoeding niet kunnen overdragen aan een rechtsbijstandverlener opdat deze hun rechten gebundeld doet gelden in het kader van een zelfstandige schadevordering.
50
Ingeval deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, vraagt de verwijzende rechter zich af of hij de relevante bepalingen van die nationale regeling buiten toepassing moet laten indien een Unierechtconforme uitlegging van die regeling niet mogelijk is.
Ontvankelijkheid
51
Volgens Otto Fuchs Beteiligungen en Noordrijn-Westfalen zijn de tweede en de derde vraag niet-ontvankelijk.
52
In de eerste plaats betogen zij dat de tweede vraag hypothetisch is of niet noodzakelijk voor de beslechting van het hoofdgeding, en dat noch deze vraag noch de derde vraag betrekking heeft op de uitlegging van het Unierecht.
53
Uit de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt evenwel dat de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk beantwoordt aan een objectieve behoefte die inherent is aan de beslechting van het hoofdgeding.
54
De verwijzende rechter vraagt zich immers af of de in punt 49 van het onderhavige arrest genoemde Unierechtelijke bepalingen zich verzetten tegen een uitlegging van een nationale regeling die tot gevolg heeft dat de door de betrokken mededingingsregeling benadeelde personen geen gebruik kunnen maken van een collectieve schadevordering. Indien dat het geval is, vraagt hij zich af welke gevolgen aan die onverenigbaarheid moeten worden verbonden indien een Unierechtconforme uitlegging van de bepalingen van het RDG niet mogelijk is.
55
In de tweede plaats betogen Otto Fuchs Beteiligungen en Noordrijn-Westfalen in essentie dat de verwijzende rechter zijn vragen op onjuiste veronderstellingen heeft gebaseerd. Hij zou met name ten onrechte van oordeel zijn, ten eerste, dat de bepalingen van het RDG aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich per definitie verzetten tegen collectieve schadevorderingen op het gebied van het mededingingsrecht en, ten tweede, dat tenzij de door een kartel benadeelde personen gebruik kunnen maken van een dergelijke collectieve vordering, het voor hen praktisch onmogelijk of in elk geval uiterst moeilijk is om het hun door het Unierecht toegekende recht op schadevergoeding uit te oefenen, aangezien het Duitse recht hun geen even doeltreffend alternatief biedt om dit recht op schadevergoeding te doen gelden.
56
Volgens vaste rechtspraak van het Hof rust er een vermoeden van relevantie op de vragen inzake de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is om de juistheid te onderzoeken (zie in die zin arrest van 26 oktober 2023, EDP — Energias de Portugal e.a., C-331/21, EU:C:2023:812, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57
Aangezien de verwijzende rechter als enige bevoegd is om het nationale recht uit te leggen en toe te passen, moet het Hof acht slaan op de in de verwijzingsbeslissing omschreven juridische context waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst [zie in die zin arrest van 14 november 2024, S. (Wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie), C-197/23, EU:C:2024:956, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Voorts kan het op die vragen rustende vermoeden van relevantie, dat in punt 40 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, niet worden weerlegd door de loutere omstandigheid dat een van de partijen in het hoofdgeding bepaalde feiten betwist ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is om de juistheid te verifiëren en die bepalend zijn voor het voorwerp van het hoofdgeding (zie in die zin arrest van 22 september 2016, Breitsamer und Ulrich, C-113/15, EU:C:2016:718, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
De in punt 55 van dit arrest genoemde veronderstellingen steunen op een beoordeling door de verwijzende rechter van het nationale kader waarin het hoofdgeding zich voordoet. Deze beoordeling behoort uitsluitend tot de bevoegdheid van die rechter en het is niet aan het Hof om de juistheid ervan te verifiëren.
59
Bijgevolg moet, onverminderd een dergelijke verificatie door de verwijzende rechter (zie in die zin arrest van 27 juni 2018, Altiner en Ravn, C-230/17, EU:C:2018:497, punt 23), worden vastgesteld dat de tweede en de derde vraag ontvankelijk zijn.
Ten gronde
60
Artikel 101, lid 1, VWEU brengt rechtstreekse gevolgen teweeg in de betrekkingen tussen particulieren en roept voor de justitiabelen rechten in het leven die door de nationale rechter moeten worden gehandhaafd (arresten van 30 januari 1974, BRT en Belgische vereniging van auteurs, componisten en uitgevers, 127/73, EU:C:1974:6, punt 16, en 6 oktober 2021, Sumal, C-882/19, EU:C:2021:800, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61
Aan de volle werking van artikel 101 VWEU en met name het nuttige effect van het in lid 1 van dat artikel neergelegde verbod zou worden afgedaan indien het niet voor eenieder mogelijk was vergoeding van schade te vorderen die hem is berokkend door een inbreuk op het mededingingsrecht (zie in die zin arresten van 20 september 2001, Courage en Crehan, C-453/99, EU:C:2001:465, punt 26, en 6 oktober 2021, Sumal, C-882/19, EU:C:2021:800, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62
Eenieder kan derhalve vergoeding van de geleden schade vorderen indien er tussen die schade en de inbreuk een causaal verband bestaat (zie in die zin arresten van 13 juli 2006, Manfredi e.a., C-295/04—C-298/04, EU:C:2006:461, punt 61, en 6 oktober 2021, Sumal, C-882/19, EU:C:2021:800, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63
Door dat recht van eenieder om vergoeding van dergelijke schade te vorderen worden de mededingingsregels van de Unie gemakkelijker toepasbaar en worden de — vaak verborgen — gedragingen die de mededinging kunnen beperken of vervalsen minder aantrekkelijk, hetgeen ertoe bijdraagt dat de daadwerkelijke mededinging in de Unie wordt gehandhaafd (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Sumal, C-882/19, EU:C:2021:800, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64
Zoals uit overweging 12 van richtlijn 2014/104 blijkt, is dit recht op vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade gecodificeerd in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, waarin staat te lezen dat de lidstaten ervoor zorgen dat iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die dergelijke schade heeft geleden, de mogelijkheid heeft volledige vergoeding van die schade te vorderen en te verkrijgen.
65
Overweging 4 van die richtlijn preciseert dat dit recht op vergoeding vereist dat elke lidstaat over procedurele regels beschikt die de effectieve uitoefening van dat recht garanderen, en dat de behoefte aan doeltreffende procedurele middelen ook volgt uit het recht op een effectieve rechterlijke bescherming dat in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest is neergelegd. Dit recht gaat gepaard met de in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU vervatte verplichting om in de nodige rechtsmiddelen te voorzien om die bescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren [zie in die zin arresten van 16 mei 2017, Berlioz Investment Fund, C-682/15, EU:C:2017:373, punt 44, en 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken), C-245/19 en C-246/19, EU:C:2020:795, punt 47].
66
In dit verband bepaalt artikel 1, lid 1, van richtlijn 2014/104 dat deze richtlijn bepaalde regels voor schadevorderingen vaststelt die de Uniewetgever noodzakelijk heeft geacht opdat eenieder die schade lijdt ten gevolge van een door een onderneming of een ondernemersvereniging gepleegde inbreuk op het mededingingsrecht effectief het recht kan uitoefenen om volledige vergoeding van die schade te vorderen van die onderneming of ondernemersvereniging.
67
In deze context wordt het begrip ‘schadevordering’ in artikel 2, punt 4, van die richtlijn gedefinieerd als een uit hoofde van het nationale recht ingestelde vordering waarbij een schadeclaim voor een nationale rechterlijke instantie wordt gebracht door een partij die beweert benadeeld te zijn of door iemand die optreedt namens een of meer partijen die beweren benadeeld te zijn, indien met name het nationale recht in deze mogelijkheid voorziet, of door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon op wie de rechten zijn overgegaan van de partij die beweert benadeeld te zijn, daaronder begrepen de persoon die de schadeclaim heeft verworven.
68
Deze richtlijn voorziet dus in de mogelijkheid dat een schadevordering wordt ingesteld hetzij rechtstreeks door de natuurlijke of rechtspersoon die het door het Unierecht verleende recht op schadevergoeding geniet, hetzij door een derde aan wie het recht van de beweerdelijk benadeelde persoon op schadevergoeding is overgedragen.
69
Zoals de advocaat-generaal in de punten 100 en 101 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, bevat artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/104 niettemin geen enkele verplichting voor de lidstaten om een mechanisme van collectieve schadevordering in te voeren zoals in het hoofdgeding aan de orde is, en regelt het evenmin de geldigheidsvoorwaarden voor de overdracht die de benadeelde met het oog op een dergelijke collectieve vordering verricht van zijn recht op vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade.
70
Hieruit volgt dat zowel de invoering van een mechanisme van collectieve schadevordering als de geldigheidsvoorwaarden voor een overdracht van het recht op vergoeding van de schade — die beweerdelijk verband houdt met een inbreuk op het mededingingsrecht — aan een natuurlijke of rechtspersoon opdat deze een dergelijke collectieve vordering bij een nationale rechter kan instellen, vallen onder de nadere regels voor de uitoefening van dit recht op schadevergoeding, die niet worden beheerst door richtlijn 2014/104.
71
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het bij gebreke van Unierechtelijke regelgeving ter zake een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de regels vast te stellen voor de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van de schade die door inbreuken op het mededingingsrecht wordt veroorzaakt, mits het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen (zie in die zin arresten van 20 september 2001, Courage en Crehan, C-453/99, EU:C:2001:465, punt 29, en 28 maart 2019, Cogeco Communications, C-637/17, EU:C:2019:263, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72
De beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid komen op het door richtlijn 2014/104 bestreken gebied tot uiting in artikel 4 ervan, dat in wezen de in de rechtspraak van het Hof gehanteerde termen overneemt. Voor het onderzoek van de tweede en de derde vraag dient echter enkel te worden gekeken naar het doeltreffendheidsbeginsel, dat als enige door de verwijzende rechter wordt genoemd.
73
Artikel 4 van richtlijn 2014/104 bepaalt dat de lidstaten er overeenkomstig laatstgenoemd beginsel voor moeten zorgen dat alle nationale regels en procedures betreffende de uitoefening van schadeclaims zodanig ontworpen en toegepast worden dat zij de uitoefening van het Unierecht op volledige vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade niet buitensporig moeilijk of praktisch onmogelijk maken.
74
In het bijzonder heeft het Hof geoordeeld dat de nationale mededingingsregels de doeltreffende toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU onverlet moeten laten en afgestemd moeten zijn op het specifieke karakter van mededingingszaken, die in beginsel een complexe feitelijke en economische analyse vereisen (zie in die zin arrest van 20 april 2023, Repsol Comercial de Productos Petrolíferos, C-25/21, EU:C:2023:298, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75
Bovendien is het weliswaar bij gebreke van Unieregelgeving ter zake een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de procedureregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de aan het Unierecht ontleende individuele rechten, maar zijn de lidstaten er in alle gevallen verantwoordelijk voor om te verzekeren dat het recht op daadwerkelijke rechterlijke bescherming van deze rechten wordt geëerbiedigd, zoals is gewaarborgd in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest [arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy), C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Zoals in punt 65 van het onderhavige arrest is opgemerkt, wordt in overweging 4 van richtlijn 2014/104 verwezen naar het recht op dergelijke bescherming.
76
Zoals blijkt uit de punten 28 tot en met 33 van het onderhavige arrest, koestert de verwijzende rechter in casu twijfels over de verenigbaarheid met het doeltreffendheidsbeginsel en het recht op effectieve rechterlijke bescherming van nationale rechtspraak die het RDG aldus uitlegt dat personen die schade hebben geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, geen gebruik kunnen maken van de collectieve schadevordering.
77
Hij merkt daarbij ten eerste op dat de collectieve schadevordering het enige rechtsmiddel is waarmee die personen hun recht op schadevergoeding doeltreffend, gebundeld kunnen doen gelden. Ten tweede hebben zij weliswaar de mogelijkheid om in eigen naam en voor eigen rekening een schadevordering in te stellen, maar wordt hun recht op schadevergoeding daarbij niet uitgeoefend op een doeltreffende wijze. Gelet op het bijzonder complexe, langdurige en dure karakter van een individuele vordering wegens inbreuk op het mededingingsrecht, is een benadeelde immers niet geneigd om een dergelijke individuele vordering in te stellen, zeker wanneer de schade gering is.
78
Alle partijen in het hoofdgeding — met uitzondering van ASG 2 — en de andere in artikel 23, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hebben in hun bij het Hof ingediende opmerkingen echter een aantal elementen aangevoerd die beogen de stellingen uit het verzoek om een prejudiciële beslissing te nuanceren.
79
In de eerste plaats betwisten die partijen en belanghebbenden de stelling van de verwijzende rechter dat het nationale recht per definitie uitsluit dat personen die door een inbreuk op het mededingingsrecht zijn benadeeld, een collectieve schadevordering kunnen instellen. De collectieve schadevordering is volgens hen enkel ongeschikt geacht in de context van specifieke mededingingszaken, waarin de instelling van die vordering in de praktijk leidde tot een schending van de RDG-bepalingen die het optreden van een rechtsbijstandverlener verbieden bij belangenconflicten.
80
In de tweede plaats moet volgens hen een nuance worden aangebracht wat de vaststelling betreft dat het nationale recht geen enkel alternatief biedt voor die vordering waarbij benadeelde personen hun recht op schadevergoeding gebundeld kunnen doen gelden. Volgens hen vormen de overdracht van schuldvorderingen in de vorm van een echte factoring — dat wil zeggen geen louter fiduciaire overdracht maar een volledige overdracht van de schuldvordering aan een derde tegen onmiddellijke betaling van een geldbedrag door die derde aan de cedent — en ook het litisconsortium — waarbij meerdere verzoekende partijen een gemeenschappelijk beroep instellen waardoor zij onder meer gemeenschappelijke schattingen en deskundigenverslagen kunnen laten uitvoeren en opstellen om het bedrag van hun respectieve schade vast te stellen — potentiële alternatieven die de Duitse rechtspraktijk in mededingingszaken aanvaardt.
81
In de derde plaats komt de overweging van de verwijzende rechter dat benadeelde partijen niet geneigd zijn om hun recht op schadevergoeding uit te oefenen indien dit enkel via een individuele vordering kan, in deze zaak op losse schroeven te staan wanneer wordt gekeken naar de bedragen van de individuele vorderingen van de betrokken houtzagerijen, die tot gevolg hebben dat van de hierboven bedoelde inertie niet noodzakelijk sprake is.
82
In dit verband moet worden opgemerkt dat het uitsluitend aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of de uitlegging van het nationale recht volgens welke collectieve schadevorderingen in mededingingszaken uitgesloten zijn, tot gevolg heeft dat de uitoefening van het recht op schadevergoeding dat het Unierecht toekent aan personen die door een inbreuk op het mededingingsrecht worden benadeeld, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt en dat hun effectieve rechterlijke bescherming wordt ontzegd.
83
Hij dient daarbij evenwel rekening te houden met alle relevante aspecten van de regels waarin het nationale recht voorziet om het recht op vergoeding van de door die inbreuk veroorzaakte schade uit te oefenen (zie naar analogie arrest van 28 maart 2019, Cogeco Communications, C-637/17, EU:C:2019:263, punt 45).
84
Enkel indien de verwijzende rechter na deze verificatie tot de slotsom zou komen dat, ten eerste, geen van de in het nationale recht bepaalde andere collectieve mechanismen dan de collectieve schadevordering het mogelijk maakt om de rechten van de personen of groep personen die vergoeding vorderen van de schade die beweerdelijk door een inbreuk op het mededingingsrecht is veroorzaakt — in casu de betrokken houtzagerijen — doeltreffend te doen gelden, en dat, ten tweede, de door het nationale recht gestelde voorwaarden voor het instellen van een individuele vordering de uitoefening van dat recht op schadevergoeding onmogelijk of uiterst moeilijk maken en dus afbreuk doen aan hun recht op effectieve rechterlijke bescherming, dient hij te oordelen dat het nationale recht, uitgelegd in de zin dat een collectieve schadevordering uitgesloten is, niet voldoet aan de in de punten 71 tot en met 75 van het onderhavige arrest vermelde vereisten van het Unierecht.
85
In dit verband moet worden benadrukt dat — gelet op de specifieke kenmerken van mededingingszaken en meer in het bijzonder de in punt 74 van het onderhavige arrest genoemde omstandigheid dat het instellen van schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht in beginsel een complexe feitelijke en economische analyse vereist — het bestaan in het nationale recht van mechanismen waarmee individuele vorderingen kunnen worden gebundeld, inderdaad de uitoefening van het recht op schadevergoeding voor benadeelde personen kan vergemakkelijken. Die mechanismen kunnen het met name gemakkelijker maken om zelfstandige schadevorderingen — ter onderbouwing waarvan er geen enkele definitieve vaststelling van een inbreuk door een mededingingsautoriteit bestaat — in te stellen.
86
Toch kan uit de complexiteit en de proceskosten die inherent zijn aan dergelijke schadevorderingen alleen niet worden afgeleid dat het in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt om het recht op schadevergoeding uit te oefenen via een individuele vordering met als gevolg dat, bij gebreke van mechanismen voor bundeling van de individuele vorderingen van de door een inbreuk op het mededingingsrecht benadeelde personen, deze personen hun recht op effectieve rechterlijke bescherming wordt ontzegd. De verwijzende rechter kan namelijk enkel tot deze slotsom komen indien hij na een beoordeling van alle juridische en feitelijke gegevens van de zaak vaststelt dat specifieke aspecten van het nationale recht eraan in de weg staan dat die individuele vorderingen worden ingesteld.
87
Hieraan moet worden toegevoegd dat, indien die rechter zou vaststellen dat het mechanisme van de collectieve schadevordering in het hoofdgeding de enige procedurele weg is die de betrokken houtzagerijen in staat stelt om hun recht op vergoeding van de schade die beweerdelijk door de betrokken mededingingsregeling is veroorzaakt op doeltreffende wijze te doen gelden, die vaststelling niet zou afdoen aan de toepassing van de nationale bepalingen die ter bescherming van de justitiabelen de activiteiten van de verrichters van dergelijke incassodiensten regelen om onder meer de kwaliteit van deze diensten en het objectieve en evenredige karakter van de door die dienstverrichters te ontvangen vergoedingen te garanderen en belangenconflicten en misbruik van procesrecht te voorkomen.
88
Wat tot slot de gevolgen betreft die moeten worden verbonden aan de eventuele vaststelling door de verwijzende rechter dat het recht op effectieve rechterlijke bescherming niet wordt geëerbiedigd, blijkt uit de punten 60 en 64 van het onderhavige arrest dat het recht op volledige vergoeding van de schade die is veroorzaakt door een inbreuk op het mededingingsrecht, dat is gecodificeerd in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2014/104, voortvloeit uit de rechtstreekse werking van artikel 101, lid 1, VWEU.
89
Verder heeft het Hof gepreciseerd dat artikel 47 van het Handvest op zichzelf volstaat en niet hoeft te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen [arresten van 17 april 2018, Egenberger, C-414/16, EU:C:2018:257, punt 78, en 20 februari 2024, X (Geen motivering van de beëindiging), C-715/20, EU:C:2024:139, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
90
Een nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid de bepalingen van het Unierecht moet toepassen en een nationale regeling niet in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht kan uitleggen, is volgens het beginsel van voorrang van het Unierecht verplicht om de volle werking van deze vereisten te verzekeren in het geschil dat hem is voorgelegd, en dient daarbij zo nodig op eigen gezag elke, zelfs latere nationale regeling of praktijk die in strijd is met een Unierechtelijke bepaling met rechtstreekse werking buiten toepassing te laten, zonder dat hij de voorafgaande opheffing van deze nationale regeling of praktijk via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure hoeft te vragen of af te wachten (zie in die zin arresten van 24 juni 2019, Popławski, C-573/17, EU:C:2019:530, punten 57 en 58, en 25 januari 2024, Em akaunt BG, C-438/22, EU:C:2024:71, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91
Bijgevolg zal de verwijzende rechter in het in punt 84 van het onderhavige arrest bedoelde geval eerst, met inachtneming van het gehele nationale recht en van de daarin erkende uitleggingsmethoden, moeten nagaan of hij de relevante RDG-bepalingen in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht kan uitleggen, zonder evenwel die bepalingen contra legem uit te leggen (zie naar analogie arrest van 22 juni 2022, Volvo en DAF Trucks, C-267/20, EU:C:2022:494, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
92
In dit verband hebben bepaalde partijen in de procedure bij het Hof, zoals in punt 79 van het onderhavige arrest is opgemerkt, aangegeven dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepalingen het gebruik van het mechanisme van de collectieve schadevordering in mededingingsgeschillen niet per definitie uitsluiten, en door bepaalde nationale rechterlijke instanties aldus zijn uitgelegd dat zij het gebruik van dit mechanisme in een concreet geval afhankelijk stellen van de naleving van voorwaarden die de kwaliteit van de verrichte diensten, een passende vergoeding van de dienstverrichter en de afwezigheid van belangenconflicten bij de dienstverrichter beogen te waarborgen.
93
Enkel indien geen enkele Unierechtconforme uitlegging mogelijk is, moet de verwijzende rechter die bepalingen buiten toepassing laten (zie in die zin arrest van 21 januari 2021, Whiteland Import Export, C-308/19, EU:C:2021:47, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
94
Gelet op een en ander dient op de tweede en de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 101 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 4, artikel 3, lid 1, en artikel 4 van richtlijn 2014/104, alsmede artikel 47, eerste alinea, van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een uitlegging van een nationale regeling die tot gevolg heeft dat personen die beweerdelijk schade hebben geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, hun recht op vergoeding niet kunnen overdragen aan een rechtsbijstandverlener opdat deze hun rechten gebundeld doet gelden in het kader van een zelfstandige schadevordering, voor zover
- —
naar nationaal recht geen enkele andere mogelijkheid tot bundeling van de individuele vorderingen van die benadeelde personen bestaat waarmee een doeltreffende uitoefening van hun recht op schadevergoeding kan worden gewaarborgd, en
- —
het voor die personen, gelet op alle omstandigheden van het concrete geval, onmogelijk of uiterst moeilijk blijkt om een individuele schadevordering in te stellen, met als gevolg dat hun het recht op effectieve rechterlijke bescherming wordt ontzegd.
Indien die nationale regeling niet kan worden uitgelegd in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht, verplichten de voormelde Unierechtelijke bepalingen de nationale rechter om de nationale regeling buiten toepassing te laten.
Kosten
95
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
Artikel 101 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 4, artikel 3, lid 1, en artikel 4 van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, alsmede artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een uitlegging van een nationale regeling die tot gevolg heeft dat personen die beweerdelijk schade hebben geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, hun recht op vergoeding niet kunnen overdragen aan een rechtsbijstandverlener opdat deze hun rechten gebundeld doet gelden in het kader van een schadevordering die niet volgt op een definitief en bindend besluit — met name wat de vaststelling van de feiten betreft — van een mededingingsautoriteit waarbij een dergelijke inbreuk wordt vastgesteld, voor zover
- —
naar nationaal recht geen enkele andere mogelijkheid tot bundeling van de individuele vorderingen van die benadeelde personen bestaat waarmee een doeltreffende uitoefening van hun recht op schadevergoeding kan worden gewaarborgd, en
- —
het voor die personen, gelet op alle omstandigheden van het concrete geval, onmogelijk of uiterst moeilijk blijkt om een individuele schadevordering in te stellen, met als gevolg dat hun het recht op effectieve rechterlijke bescherming wordt ontzegd.
Indien die nationale regeling niet kan worden uitgelegd in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht, verplichten de voormelde Unierechtelijke bepalingen de nationale rechter om de nationale regeling buiten toepassing te laten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑01‑2025
Conclusie 19‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Mededinging — Vorderingen tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door schending van de mededingingsregels — Richtlijn 2014/104/EU — Collectieve invordering van schadevorderingen — Geldigheid van overdrachten aan een rechtsbijstandverlener — Niet-toepasselijkheid van het nationale recht dat zich verzet tegen de geldigheid van dergelijke overdrachten
M. Szpunar
Partij(en)
Zaak C-253/231.
ASG 2 Ausgleichsgesellschaft für die Sägeindustrie Nordrhein-Westfalen GmbH
tegen
Land Nordrhein-Westfalen,
in tegenwoordigheid van
Otto Fuchs Beteiligungen KG,
Bundeskartellamt
[verzoek van het Landgericht Dortmund (rechter in eerste aanleg Dortmund, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
De opkomst van juridische actoren die tot doel hebben activa berustend op schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie te bundelen, is geen volledig nieuw fenomeen.2. De onderhavige zaak biedt het Hof echter een nooit eerder geziene gelegenheid om zich uit te spreken over de verenigbaarheid met het Unierecht van een verbod voor dergelijke juridische actoren om via het mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen vorderingen in te vorderen die verband houden met door een mededingingsregeling veroorzaakte schade. Meer in het bijzonder is de vraag of een dergelijk verbod in overeenstemming is met artikel 101 VWEU, richtlijn 2014/104/EU3. en artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
2.
Artikel 1, lid 1, van richtlijn 2014/104 luidt als volgt:
‘Deze richtlijn stelt bepaalde regels vast die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat eenieder die schade heeft geleden ten gevolge van een door een onderneming of een ondernemersvereniging gepleegde inbreuk op het mededingingsrecht effectief het recht kan uitoefenen volledige vergoeding van die schade te vorderen van die onderneming of ondernemersvereniging. Zij stelt regels vast die een onvervalste mededinging op de interne markt bevorderen en de belemmeringen voor de goede werking ervan wegnemen door in de hele Unie een gelijkwaardige bescherming te garanderen voor eenieder die dergelijke schade heeft geleden.’
3.
Artikel 2 van die richtlijn bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- 4)
‘schadevordering’: een uit hoofde van het nationale recht ingestelde vordering waarbij een schadeclaim voor een nationale rechterlijke instantie wordt gebracht door een partij die beweert benadeeld te zijn of door iemand die optreedt namens een of meer partijen die beweren benadeeld te zijn, indien het Unierecht of het nationaal recht in deze mogelijkheid voorziet, of door een natuurlijk persoon of een rechtspersoon op wie de rechten zijn overgegaan van de partij die beweert benadeeld te zijn, daaronder begrepen de persoon die de schadeclaim heeft verworven;
[…]’
4.
Artikel 3 van de richtlijn, met als opschrift ‘Recht op volledige vergoeding’, bepaalt in lid 1 het volgende:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat iedere natuurlijk persoon of rechtspersoon die schade heeft geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, de mogelijkheid heeft volledige vergoeding van die schade te vorderen en te verkrijgen.’
5.
Artikel 4 van de richtlijn, met als opschrift ‘De beginselen doeltreffendheid en gelijkwaardigheid’, luidt als volgt:
‘Overeenkomstig het beginsel van doeltreffendheid zorgen de lidstaten ervoor dat alle nationale regels en procedures betreffende de uitoefening van schadeclaims zodanig ontworpen en toegepast worden dat zij de uitoefening van het Unierecht op volledige vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade niet buitensporig moeilijk of praktisch onmogelijk maken. Overeenkomstig het beginsel van gelijkwaardigheid mogen de nationale regels en procedures betreffende schadevorderingen op grond van inbreuken op artikel 101 of artikel 102 VWEU voor de beweerdelijk benadeelde partijen niet minder gunstig zijn dan de regels en procedures voor soortgelijke vorderingen tot vergoeding van schade voortvloeiend uit inbreuken op het nationaal recht.’
6.
Artikel 9, lid 1, van richtlijn 2014/104 bepaalt:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat een inbreuk op het mededingingsrecht die door een nationale mededingingsautoriteit of door een beroepsinstantie door middel van een definitieve inbreukbeslissing is vastgesteld, geacht wordt onweerlegbaar vast te staan voor de behandeling van een voor een nationale rechter aanhangig gemaakte schadevordering uit hoofde van artikel 101 of artikel 102 VWEU of uit hoofde van het nationale mededingingsrecht.’
B. Duits recht
7.
§ 1, lid 1, van het Gesetz über außergerichtliche Rechtsdienstleistungen (wet inzake de buitengerechtelijke rechtsbijstand) van 12 december 20074. zoals gewijzigd bij de wet van 10 maart 20235. (hierna: ‘RDG’) luidt als volgt:
‘Deze wet regelt de bevoegdheid om in de Bondsrepubliek Duitsland buitengerechtelijke rechtsbijstand te verlenen. Deze wet is bedoeld om rechtzoekenden, het rechtsverkeer en de rechtsorde te beschermen tegen ondeugdelijke rechtsbijstand. […]’
8.
§ 2 RDG, met als opschrift ‘Begrip rechtsbijstand’, bepaalt:
- ‘(1)
Rechtsbijstand is elke activiteit in de concrete zaken van derden waarvoor een juridisch onderzoek van het specifieke geval nodig is.
- (2)
Ongeacht de in lid 1 vermelde voorwaarden wordt als rechtsbijstand beschouwd de inning van vorderingen van derden of van vorderingen die met het oog op de inning voor rekening van een derde zijn overgedragen, indien het innen van de vorderingen als zelfstandig bedrijf wordt uitgeoefend, met inbegrip van het verstrekken van juridisch advies en onderzoek met betrekking tot de inning van schuldvorderingen (incassodienst). Overgedragen schuldvorderingen worden niet beschouwd als schuldvorderingen van derden ten opzichte van de eerste schuldeiser.
[…]’
9.
§ 3 RDG, met als opschrift ‘Bevoegdheid tot het verlenen van buitengerechtelijke rechtsbijstand’, bepaalt het volgende:
‘Het zelfstandig verlenen van buitengerechtelijke rechtsbijstand mag alleen voor zover dat bij deze wet of op grond van andere wetten wordt toegestaan.’
10.
§ 10 RDG bepaalt in het bijzonder:
- ‘(1)
Natuurlijke en rechtspersonen en ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid, die bij de bevoegde autoriteiten zijn geregistreerd (geregistreerde personen), mogen op grond van bijzondere deskundigheid rechtsbijstand verlenen op de volgende gebieden:
- 1.
incassodiensten […]’.
11.
§ 11 RDG, met als opschrift ‘Bijzondere deskundigheid, beroepsbenamingen’, bepaalt in lid 1:
‘Incassodiensten vereisen bijzondere deskundigheid op de voor de gevraagde incassoactiviteit relevante rechtsgebieden, in het bijzonder op het gebied van burgerlijk recht, handelsrecht, effecten- en vennootschapsrecht, burgerlijk procesrecht, met inbegrip van executierecht en insolventierecht, en het recht betreffende kosten en uitgaven.’
12.
§ 12 RDG bevat de voorwaarden voor inschrijving in het register en voor de wettelijke vergunning. Het vermeldt de theoretische en praktische deskundigheid op het gebied bedoeld in § 10, lid 1, van die wet.
13.
Overeenkomstig de §§ 2 en 4 van de Rechtsdienstleistungsverordnung (besluit inzake de rechtsbijstand)6. kan het bewijs van de overeenkomstig § 12 RDG vereiste theoretische deskundigheid onder meer worden geleverd door een certificaat van succesvolle voltooiing van een opleiding van ten minste 120 uur die de verwerving mogelijk maakt van alle kennis die nodig is voor de inschrijving in het register waarnaar in § 10 RDG wordt verwezen.
III. Feiten, procedure bij het Hof en prejudiciële vragen
14.
Op 31 maart 2020 heeft ASG 2 Ausgleichsgesellschaft für die Sägeindustrie Nordrhein-Westfalen GmbH (hierna: ‘ASG 2’) bij de verwijzende rechter, het Landgericht Dortmund (rechter in eerste aanleg Dortmund, Duitsland), een vordering ingesteld op basis van de rechten die haar door 32 in Duitsland, België en Luxemburg gevestigde houtzagerijen zijn overgedragen. ASG 2 vordert vergoeding van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade. In deze procedure wordt de deelstaat Noordrijn-Westfalen (Duitsland) verweten dat hij, in strijd met artikel 101 VWEU, ten minste gedurende de periode van 28 juni 2005 tot en met 30 juni 2019 een uniforme prijs van naaldbomenhout (hierna: ‘rondhout’) had vastgesteld voor zichzelf en voor andere in die deelstaat gevestigde boseigenaren.
15.
De verwijzende rechter zet uiteen dat het Bundeskartellamt (federale mededingingsautoriteit, Duitsland) deze praktijk vóór de instelling van de vordering in het hoofdgeding had onderzocht. In 2009 had deze autoriteit op grond van § 32b van het Gesetz gegen Wettbewerbsbeschränkungen (wet tegen mededingingsbeperkingen; hierna: ‘GWB’) een op het Duitse recht en artikel 101 VWEU gebaseerd toezeggingsbesluit vastgesteld ten aanzien van de deelstaat Noordrijn-Westfalen en andere deelstaten die op vergelijkbare wijze betrokken zijn bij de verhandeling van rondhout (hierna: ‘toezeggingsbesluit van 2009’).
16.
In 2012 heeft het Bundeskartellamt een nieuw onderzoek naar de voorwaarden op de relevante markt in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg (Duitsland) geopend. Op basis van de bevindingen van dat onderzoek heeft het Bundeskartellamt het toezeggingsbesluit van 2009 nietig verklaard en een stakingsbevel overeenkomstig § 32 GWB uitgevaardigd, dat vervolgens echter door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) nietig is verklaard. Het toezeggingsbesluit van 2009 is het enige besluit met betrekking tot de deelstaat Noordrijn-Westfalen.
17.
De betrokken houtzagerijen vorderen thans van de deelstaat Noordrijn-Westfalen vergoeding van de schade die zij sinds 28 juni 2005 hebben geleden doordat zij als gevolg van de betrokken mededingingsregeling tegen te hoge prijzen rondhout van de deelstaat Noordrijn-Westfalen zouden hebben gekocht.
18.
Elk van de betrokken houtzagerijen heeft ASG 2 belast met de uitoefening van haar recht op schadevergoeding, dat zij daartoe aan ASG 2 heeft overgedragen. ASG 2 beschikt als ‘rechtsbijstandverlener’ in de zin van het RDG over een vergunning op grond van die wet.
19.
ASG 2 heeft de rechten van de cedenten in eigen naam en op eigen kosten, maar voor rekening van de cedenten, gebundeld doen gelden, aanvankelijk buitengerechtelijk en vervolgens in rechte voor de verwijzende rechter via een advocaat.
20.
De vordering tot vergoeding van de door de mededingingsregeling veroorzaakte schade zou haar oorsprong vinden in de aankoop van rondhout ter waarde van enkele honderdduizenden euro's door de betrokken houtzagerijen. Voor elke cedent bedroegen deze aankopen enkele duizenden of zelfs tienduizenden transacties. Als tegenprestatie hebben de cedenten ASG 2 de betaling van een honorarium toegezegd in geval van succes.
21.
De deelstaat Noordrijn-Westfalen betwist de vordering zowel ten gronde als met betrekking tot de procesbevoegdheid van ASG 2 en stelt dat de overdrachten aan ASG 2 in strijd met het RDG hebben plaatsgevonden en derhalve naar Duits recht ongeldig zijn.
22.
De verwijzende rechter lijkt het standpunt van de deelstaat Noordrijn-Westfalen te delen en zich op het standpunt te stellen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overdrachten naar Duits recht nietig zijn.
23.
Deze rechter zet namelijk uiteen dat naar Duits recht vorderingen van rechtzoekenden kunnen worden gebundeld om vervolgens voor de rechter te worden gebracht door middel van het mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen (‘Abtretungsmodelle’), ook bekend als de ‘collectieve schadevordering’ (‘Sammelklage-Inkasso’). Volgens dit mechanisme dragen personen die beweerdelijk schade hebben geleden hun vermeende vorderingen over aan een rechtsbijstandverlener die een vergunning heeft gekregen op grond van het RDG en die deze gebundelde vorderingen in eigen naam en op eigen kosten voor rekening van de cedenten doet gelden, in ruil voor een provisie in geval van succes.
24.
Volgens de verwijzende rechter heeft het Bundesgerichtshof het recht om een collectieve schadevordering in te stellen op verschillende rechtsgebieden erkend, met name in het huurrecht, bij vorderingen op grond van de rechten van luchtreizigers en bij schadevorderingen in het kader van het ‘dieselgate-schandaal’.
25.
De verwijzende rechter wijst erop dat het Bundesgerichtshof nog niet de gelegenheid heeft gehad om zich uit te spreken over de vraag of een collectieve schadevordering geoorloofd is in de specifieke context van de vergoeding van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade. Dergelijke vorderingen worden echter niet aanvaard door de lagere rechters in deze specifieke context, en meer in het bijzonder wanneer ze losstaan van eventuele vaststellingen van de mededingingsautoriteiten (zogenaamde ‘stand-alone- vorderingen’).
26.
Volgens deze rechters is het vergoeden van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade namelijk bijzonder complex en bestaat er een risico op belangenconflicten. Bovendien zijn incassodienstverleners die onder het toepassingsgebied van het RDG vallen, ondanks de wettelijke verplichting om hun deskundigheid te certificeren, zelden deskundigen op dit gebied.
27.
Volgens de verwijzende rechter zijn deze kenmerken van de vergoeding van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade van bijzonder belang in het kader van een zelfstandige vordering (‘stand-alone’). Bij gebreke van de vaststelling van een inbreuk op het mededingingsrecht impliceert een dergelijke vordering namelijk dat er talrijke factoren worden onderzocht die niet in de eerste plaats tot het burgerlijk recht behoren en die ‘onmogelijk van meet af aan en zonder moeilijkheden kunnen worden beheerst’.
28.
De verwijzende rechter is van mening dat, bij gebreke van een dergelijke vaststelling van een inbreuk, het instellen van een collectieve schadevordering ter vergoeding van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade derhalve duidelijk buiten de werkingssfeer valt van de buitengerechtelijke activiteiten die onder het begrip ‘incassodiensten’ kunnen vallen, in de zin van § 2, lid 2, RDG, namelijk diensten die zich beperken tot een juridisch onderzoek van schuldvorderingen en tot het verstrekken van deskundig advies met het oog op de inning van schuldvorderingen, in de zin van de §§ 2 en 11 RDG, gelezen in samenhang met de §§ 2 en 4 van de Rechtsdienstleistungsverordnung.
29.
De verwijzende rechter stelt dat in die omstandigheden de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overdrachten nietig zijn en dat de daarop gebaseerde collectieve schadevordering bijgevolg moet worden afgewezen zonder onderzoek ten gronde wegens het ontbreken van procesbevoegdheid. Bovendien heeft deze vordering niet tot gevolg dat de verjaring wordt geschorst voor de cedenten, die hun vorderingen dus niet meer kunnen doen gelden in het kader van een op een eigen recht gebaseerde vordering.
30.
Ook zet de verwijzende rechter uiteen dat het Duitse recht niet voorziet in andere gelijkwaardige middelen om de daadwerkelijke uitoefening van het recht op vergoeding van ‘massaschade’ of ‘strooischade’ in kartelzaken te verzekeren.
31.
Dienaangaande merkt de verwijzende rechter om te beginnen op dat een belangrijk deel van de mechanismen waarin het Duitse recht voorziet, niet van toepassing is op door ondernemingen ingestelde schadevorderingen.
32.
Vervolgens merkt de verwijzende rechter op dat er naar Duits recht sprake is van een overdracht van schuldvorderingen in de vorm van een ‘echte’ factoring, dat wil zeggen niet van een louter fiduciaire overdracht maar van een volledige overdracht van de schuldvordering van een derde. Gezien de specifieke kenmerken van de vergoeding voor kartelschade is dit mechanisme echter geen geldige optie. Het bepalen van de aankoopprijs en de boekhoudkundige waardering levert aanzienlijke problemen op, aangezien het bedrag van de schadevergoeding niet bekend is. Als gevolg daarvan worden de schuldvorderingen waarschijnlijk voor een fractie van hun nominale waarde verkocht, met als gevolg dat de benadeelde partijen geneigd zijn om volledig af te zien van enig vooruitzicht op schadevergoeding. Een dergelijke overdracht van schuldvorderingen maakt het daarom niet werkelijk mogelijk om schadevorderingen te innen.
33.
Ten slotte betoogt de verwijzende rechter dat de bundeling van schuldvorderingen in het kader van een litisconsortiumregeling, dat wil zeggen in de vorm van een gezamenlijke vordering van meerdere cedenten, evenmin een geldige optie is. Een dergelijke vordering is namelijk moeilijk denkbaar zonder een dienstverlener die deze organiseert. Bovendien leidt een vordering in het kader van een litisconsortiumregeling slechts tot een formele bundeling van de vorderingen, die nog steeds gescheiden zouden kunnen worden.
34.
De verwijzende rechter preciseert evenwel dat hij, om de in de punten 26 tot en met 28 van deze conclusie uiteengezette redenen en ondanks het ontbreken van een andere geldige optie, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overdrachten als nietig moet beschouwen en de bij hem ingestelde vordering moet afwijzen.
35.
In deze context rijst de vraag of het Unierecht in de weg staat aan de door de verwijzende rechter gegeven uitlegging van het RDG, die tot gevolg heeft dat de vergoeding van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade via het mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen wordt verboden (hierna: ‘het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod’). Indien het Unierecht zich verzet tegen een uitlegging van het RDG met een dergelijk gevolg, dient de verwijzende rechter dit recht namelijk buiten toepassing te laten, zodat de overdrachten als geldig moeten worden beschouwd. De verwijzende rechter is van oordeel dat een uitlegging van het RDG die in overeenstemming is met het Unierecht niet mogelijk is, aangezien een dergelijke uitlegging contra legem is.
36.
Volgens de verwijzende rechter kan de uitlegging van het RDG die ertoe leidt dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod in strijd zijn met richtlijn 2014/104 en met de beginselen van de doeltreffendheid van het Unierecht en van effectieve rechterlijke bescherming.
37.
Wat meer bepaald in de eerste plaats richtlijn 2014/104 betreft, hebben de twijfels van de verwijzende rechter betrekking op artikel 3, lid 1, en artikel 2, punt 4, derde scenario, van die richtlijn. Volgens deze rechter bevestigen deze bepalingen het recht van de benadeelde partijen op volledige vergoeding van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade en breiden zij dit recht uit tot personen ‘op wie de rechten zijn overgegaan van de partij die beweert benadeeld te zijn, daaronder begrepen de persoon die de schadeclaim heeft verworven’. Bovendien is het derde scenario van artikel 2, punt 4, van die richtlijn juist gericht op het in het hoofdgeding aan de orde zijnde overdrachtsmechanisme en laat de richtlijn de lidstaten geen beoordelingsmarge. De verwijzende rechter stelt dat, terwijl het tweede scenario van dat artikel 2, punt 4 verwijst naar het nationale recht van een lidstaat (‘iemand die optreedt namens een of meer partijen die beweren benadeeld te zijn, indien het Unierecht of het nationaal recht in deze mogelijkheid voorziet’7.), het derde scenario geen vergelijkbare verwijzing bevat met betrekking tot de overdracht.
38.
In de tweede plaats betwijfelt de verwijzende rechter of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod in overeenstemming is met artikel 101 VWEU en artikel 4, lid 3, VEU. Voor zover volgens de rechtspraak8. ‘eenieder’ volledige vergoeding kan vorderen van de schade die hij als gevolg van een schending van de mededingingswetgeving heeft geleden, moeten de lidstaten het nuttige effect van dit recht waarborgen en met name de uitoefening ervan niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. De verwijzende rechter herinnert eraan dat het Hof reeds met betrekking tot het auteursrecht heeft geoordeeld dat de benadeelde niet de mogelijkheid, ‘die […] veel voorkomt op verschillende rechtsgebieden’, mag worden ontnomen om zijn schadevordering aan gespecialiseerde ondernemingen toe te vertrouwen, met name wegens de moeilijkheden die deze personen kunnen ondervinden om deze vorderingen zelf te innen.9.
39.
Ten slotte betwijfelt de verwijzende rechter in de derde plaats of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod verenigbaar is met het in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest neergelegde beginsel van effectieve rechterlijke bescherming. Dit beginsel verleent eenieder het recht op een doeltreffende voorziening in rechte die daadwerkelijk de eerbiediging van de door het Unierecht beschermde rechtspositie kan verzekeren; eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
40.
De verwijzende rechter erkent dat volgens het arrest Alassini e.a.10. bij wijze van uitzondering een schending van het recht op een effectieve rechterlijke bescherming kan worden overwogen, ‘mits deze [schending] werkelijk [beantwoordt] aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, geen onevenredige en onduldbare ingreep [impliceert], waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast’. Volgens de verwijzende rechter voldoet het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod echter niet aan deze voorwaarden. Ten eerste zijn er minder beperkende maatregelen denkbaar dan een algeheel verbod op het vorderen van schadevergoeding. Ten tweede tast het in het hoofdgeding aan orde zijnde verbod de kern aan van het recht op een effectieve rechterlijke bescherming, aangezien elke effectieve bescherming wordt ontzegd aan personen die door een mededingingsregeling kunnen worden benadeeld.
41.
In deze omstandigheden heeft het Landgericht Dortmund de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet het Unierecht, en meer bepaald artikel 101 VWEU, artikel 4, lid 3, VEU, artikel 47 van het [Handvest], alsmede artikel 2, punt 4, en artikel 3, lid 1, van [richtlijn 2014/104], aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een uitlegging en toepassing van het recht van een lidstaat waardoor het een mogelijk door een — op grond van artikel 9 van [richtlijn 2014/104] of van de nationale bepaling waarbij dat artikel is omgezet met bindende werking vaststaande — inbreuk op artikel 101 VWEU benadeelde partij wordt verboden zijn claims — met name in gevallen van massa- of strooischade — aan een erkende rechtsbijstandverlener fiduciair over te dragen, zodat deze ze gebundeld met claims van andere vermeend benadeelde partijen door middel van een ‘follow-on’-vordering doet gelden, wanneer er geen andere gelijkwaardige wettelijke of contractuele mogelijkheden bestaan om de schadevorderingen te bundelen, met name omdat zij niet leiden tot rechterlijke bevelen of om andere procesrechtelijke redenen niet praktisch zijn of om economische redenen objectief niet redelijk zijn, en bijgevolg met name de vervolging van geringe schade praktisch onmogelijk of in ieder geval uiterst moeilijk wordt?
- 2)
Moet het Unierecht in ieder geval aldus worden uitgelegd, wanneer de aan de orde zijnde schadeclaims moeten worden ingediend zonder een voorafgaand en in de zin van nationale, op artikel 9 van [richtlijn 2014/104] berustende bepalingen bindend besluit van de Europese Commissie of nationale autoriteiten betreffende de vermeende inbreuk (zogenoemde ‘stand-alone’-vorderingen), wanneer er om de in de eerste vraag reeds genoemde redenen geen andere gelijkwaardige wettelijke of contractuele mogelijkheden bestaan om de schadevorderingen met het oog op civielrechtelijke vervolging te bundelen en in het bijzonder wanneer anders een inbreuk op artikel 101 VWEU hoe dan ook niet, dus noch door middel van publieke handhaving noch door middel van private handhaving, zou worden vervolgd?
- 3)
Indien ten minste een van deze twee vragen bevestigend moet worden beantwoord, moeten dan de overeenkomstige bepalingen van Duits recht, wanneer een Unierechtconforme uitlegging is uitgesloten, buiten toepassing blijven, hetgeen tot gevolg zou hebben dat de overdrachten in ieder geval vanuit dat gezichtspunt doeltreffend zijn en een effectieve rechtshandhaving mogelijk wordt?’
42.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de partijen in het hoofdgeding, de Duitse regering en de Commissie. Met uitzondering van Otto Fuchs Beteiligungen KG (hierna: ‘Otto Fuchs’) hebben al deze partijen deelgenomen aan de terechtzitting, die op 7 mei 2024 heeft plaatsgevonden.
IV. Analyse
43.
In de onderhavige zaak heeft de verwijzende rechter drie prejudiciële vragen geformuleerd.
44.
De eerste twee vragen betreffen de verenigbaarheid met het Unierecht van de uitlegging van het nationale recht die tot gevolg heeft dat de vergoeding van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade door middel van het mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen wordt verboden. De derde vraag betreft de vraag of de verwijzende rechter nationale bepalingen die niet in overeenstemming zijn met het Unierecht, buiten toepassing kan laten. Deze laatste vraag wordt alleen gesteld indien het Hof ten minste één van de eerste twee vragen bevestigend beantwoordt.
45.
Alvorens op deze eerste twee vragen ten gronde in te gaan, lijkt het noodzakelijk enkele korte inleidende opmerkingen te maken over de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing.
A. Eerste en tweede prejudiciële vraag — mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen
1. Ontvankelijkheid
a) Eerste prejudiciële vraag
46.
Otto Fuchs, de deelstaat Noordrijn-Westfalen en de Commissie betogen dat, voor zover bij de verwijzende rechter geen ‘follow-on’-vordering maar een zelfstandige vordering werd ingesteld, de eerste vraag niet-ontvankelijk is aangezien zij kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.
47.
Ik ben het eens met dat argument.
48.
Volgens vaste rechtspraak geldt voor prejudiciële vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële verwijzing wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen.11.
49.
In het licht van deze vaste rechtspraak moeten de argumenten met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen worden onderzocht.
50.
In het onderhavige geval onderscheidt de verwijzende rechter de eerste vraag van de tweede door te verwijzen naar artikel 9 van richtlijn 2014/104. Terwijl de eerste vraag betrekking heeft op de situatie waarin een schadevordering wordt ingesteld nadat er een inbreuk op het mededingingsrecht in de zin van die bepaling ‘met bindende werking’ is vastgesteld bij een definitieve beslissing van een nationale mededingingsautoriteit of beroepsinstantie (‘follow-on-vordering’), heeft de tweede vraag betrekking op de situatie waarin een schadevordering wordt ingesteld zonder een dergelijke beslissing (‘stand-alone-vordering’).
51.
In die omstandigheden en gelet op het feit dat ASG 2 voor de verwijzende rechter één enkele vordering heeft ingesteld met betrekking tot dezelfde inbreuk op het mededingingsrecht, houdt een van de eerste twee vragen geen verband met een reëel geschil, en evenmin met het voorwerp van het hoofdgeding.
52.
In dat verband zorgen de lidstaten er op grond van artikel 9, lid 1, van richtlijn 2014/104 voor dat een inbreuk op het mededingingsrecht die door een nationale mededingingsautoriteit of door een beroepsinstantie door middel van een definitieve inbreukbeslissing is vastgesteld, geacht wordt onweerlegbaar vast te staan voor de behandeling van een voor een nationale rechter aanhangig gemaakte schadevordering uit hoofde van artikel 101 of 102 VWEU of uit hoofde van het nationale mededingingsrecht. Voorts is volgens artikel 2, lid 11, van die richtlijn een ‘inbreukbeslissing’ een besluit van een mededingingsautoriteit of een beroepsinstantie op grond waarvan een inbreuk op het mededingingsrecht wordt vastgesteld. Artikel 2, punt 12, van deze richtlijn bepaalt dat een dergelijke beslissing definitief is wanneer daartegen op grond van gangbare rechtsmiddelen niet langer beroep meer open staat.
53.
De verwijzende rechter stelt vast dat er met betrekking tot de deelstaat Noordrijn-Westfalen geen andere beslissing bestaat dan het toezeggingsbesluit van 2009.12. Derhalve moet worden vastgesteld of dit besluit een inbreuk vaststelt en bijgevolg de in artikel 9, lid 1, van richtlijn 2014/104/EG beschreven rechtsgevolgen teweegbrengt.
54.
Volgens de verwijzingsbeslissing heeft het Bundeskartellamt in het toezeggingsbesluit van 2009 voor de deelstaat Noordrijn-Westfalen specifieke drempelwaarden voor houthandelcoöperaties en maatregelen ter beperking van zijn marktpositie vastgesteld. Deze rechter merkt ook op dat het besluit is genomen op basis van § 32b GWB.
55.
Hoewel § 32b GWB in het verzoek om een prejudiciële beslissing niet is overgenomen, moet worden vastgesteld dat de bewoordingen ervan overeenkomen met die van artikel 9 van verordening (EG) nr. 1/200313., zoals het Bundeskartellamt erkent. Deze bepaling van Duits recht bepaalt, evenals artikel 9, lid 1, eerste volzin, van die verordening, dat wanneer een onderneming in het kader van een door deze autoriteit gevoerde procedure toezeggingen doet om tegemoet te komen aan de bezorgdheden die de autoriteit haar in haar voorlopige beoordeling te kennen heeft gegeven, de autoriteit deze toezeggingen bij besluit een verbindend karakter kan verlenen.14. Voorts kunnen, zoals bepaald in artikel 9, lid 1, tweede volzin, van deze verordening, de gevolgen van een dergelijk besluit in de tijd beperkt zijn15., maar het besluit bevat in ieder geval de conclusie dat er niet langer gronden voor een optreden van de betrokken autoriteit bestaan.16. Ten slotte kan het Bundeskartellamt in nagenoeg dezelfde situaties als die welke in artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1/2003 zijn opgesomd, zijn besluit intrekken en de procedure heropenen.17.
56.
Een op grond van artikel 9 van verordening nr. 1/2003 vastgesteld toezeggingsbesluit bevat geen definitieve vaststelling van een inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU. Door de beëindiging van de tegen hen ingeleide inbreukprocedure kunnen ondernemingen namelijk voorkomen dat een schending van het mededingingsrecht wordt vastgesteld en hun in voorkomend geval een boete wordt opgelegd.18. In die zin moet in dergelijke besluiten, zoals in overweging 13 van verordening nr. 1/2003 wordt verduidelijkt, worden vastgesteld dat er niet langer gronden voor een optreden van de Commissie bestaan, ‘zonder dat wordt geconcludeerd of er al dan niet een inbreuk is gepleegd of nog steeds wordt gepleegd.’ Bijgevolg is de Commissie in het kader van een uit hoofde van artikel 9 van die verordening ingeleide procedure vrijgesteld van de verplichting de inbreuk aan te wijzen en te constateren, aangezien haar rol in dat geval beperkt is tot het onderzoeken en het eventueel aanvaarden — tegen de achtergrond van in haar voorlopige beoordeling vastgestelde moeilijkheden en van de door haar nagestreefde doelstellingen — van de toezeggingen die de betrokken ondernemingen hebben voorgesteld.19.
57.
Het Hof heeft weliswaar verklaard dat de nationale rechterlijke instanties niet aan de toezeggingsbesluiten van de Commissie kunnen voorbijgaan en dat ‘de doelstelling van een doeltreffende en eenvormige toepassing van het mededingingsrecht van de Unie de nationale rechterlijke instanties ertoe [verplicht] om rekening te houden met de voorlopige beoordeling van de Commissie en om die te beschouwen als een aanwijzing, of zelfs als het begin van bewijs, van de mededingingsverstorende aard van de betrokken overeenkomst, getoetst aan artikel 101, lid 1, VWEU’20., maar deze passage kan niet zo worden begrepen dat een toezeggingsbesluit enige vaststelling van een inbreuk op het mededingingsrecht inhoudt.
58.
Deze passage heeft namelijk geen betrekking op een toezeggingsbesluit, maar op de ‘voorlopige beoordeling’ van de Commissie, die in voorkomend geval feiten aan het licht kan brengen die een zekere bewijskracht hebben voor een bij de nationale rechter ingestelde schadevordering. Zoals het Hof zelf heeft uiteengezet, is deze bewijskracht vergelijkbaar met die van een aanwijzing of een begin van bewijs, ofschoon het geen bewijs is op grond waarvan op zichzelf kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een inbreuk op het mededingingsrecht.
59.
Niets wijst erop dat een op grond van § 32b GWB vastgesteld toezeggingsbesluit naar Duits recht gevolgen zou hebben die verder gaan dan een besluit van de Commissie op grond van artikel 9 van verordening nr. 1/2003. Aangezien, onder voorbehoud van de verificaties waarvoor de nationale rechter bevoegd is, in het toezeggingsbesluit van 2009 geen inbreuk op het mededingingsrecht wordt vastgesteld, kan dit besluit dus niet de in artikel 9, lid 1, van richtlijn 2014/104 bedoelde gevolgen sorteren. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de eerste vraag geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding en bijgevolg niet-ontvankelijk is.
60.
Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door het argument van het Bundeskartellamt dat het hoofdgeding een hybride vervolgvordering vormt wegens het bestaan van het toezeggingsbesluit van 2009 en de procedures in verband met dat besluit die bij de Duitse rechter aanhangig zijn gemaakt. Volgens deze autoriteit houdt een dergelijke vordering het midden tussen een vervolgvordering (‘follow-on-vordering’) en een zelfstandige vordering (‘stand-alone-vordering’). Deze autoriteit aanvaardt weliswaar dat in het kader van een dergelijke hybride vervolgvordering het bewijs van schade zou worden vergemakkelijkt door het bestaan van een eerdere beslissing van een nationale autoriteit met betrekking tot feiten die geheel of ten dele vergelijkbaar zijn met die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, maar de partijen in het hoofdgeding zouden zich niet kunnen beroepen op de bindende werking van een besluit van een nationale autoriteit in de zin van artikel 9 van richtlijn 2014/104.
61.
De eerste prejudiciële vraag moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard. Afgezien van het argument betreffende de zelfstandige aard van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schadevordering, dat ik zojuist heb geanalyseerd, kunnen de andere argumenten van Otto Fuchs en de deelstaat Noordrijn-Westfalen niet tot de conclusie leiden dat de eerste vraag niet-ontvankelijk is. Ik zal deze argumenten echter onderzoeken aangezien, ten eerste, het onderzoek ervan nuttig kan blijken voor het geval dat het Hof het niet eens is met mijn opvatting dat de eerste vraag niet-ontvankelijk is en, ten tweede, zij worden aangevoerd ter ondersteuning van de opvatting dat ook de tweede vraag niet-ontvankelijk is.
b) Tweede prejudiciële vraag
62.
Otto Fuchs en de deelstaat Noordrijn-Westfalen voeren een reeks argumenten aan ter ondersteuning van de opvatting dat de tweede prejudiciële vraag niet-ontvankelijk is.
63.
In dit verband betogen deze partijen in de eerste plaats dat de verwijzende rechter, voor zover hij geen open vraag formuleert met de verschillende overwogen antwoorden, geen twijfel koestert over de uitlegging van het Unierecht. Deze rechter zou zich immers gebaseerd hebben op een uitlegging van het Unierecht op grond waarvan hij kon oordelen dat de nationale regeling daarmee niet in overeenstemming was.
64.
Dit argument dient te worden afgewezen. De tweede prejudiciële vraag betreft de uitlegging van het Unierecht en heeft betrekking op het hoofdgeding. Het staat uitsluitend aan de verwijzende rechter om te bepalen of hij het Hof om verduidelijking van deze vraag dient te verzoeken. De categorische formulering van bepaalde overwegingen door deze rechter doet evenmin af aan de ontvankelijkheid van zijn prejudiciële vraag. Een nationale rechter kan in zijn verwijzingsbeslissing immers ook beknopt vermelden hoe de prejudiciële vragen volgens hem zouden moeten worden beantwoord21., zonder het risico te lopen dat zijn beslissing niet-ontvankelijk wordt verklaard. In het onderhavige geval is dat precies wat de verwijzende rechter heeft gedaan.
65.
In de tweede plaats moet ook het argument worden verworpen dat de tweede vraag hypothetisch is aangezien zij betrekking heeft op zogenoemde ‘strooischade’ en uitgaat van de veronderstelling dat ‘vervolging van geringe schade praktisch onmogelijk of in ieder geval uiterst moeilijk wordt’ indien schadevorderingen wegens schending van de mededingingsregels niet gebundeld, door middel van een collectieve schadevordering, zouden kunnen worden ingesteld, overwegende dat het in het hoofdgeding noch om strooischade noch om geringe schade gaat.
66.
In dit verband moet erop worden gewezen dat de begrippen ‘strooischade’ of ‘geringe schade’ geen Unierechtelijke begrippen zijn. In de verwijzingsbeslissing zijn deze begrippen louter beschrijvend en enkel de nationale rechter is bevoegd om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen. Het begrip ‘strooischade’ (‘Streuschäden’) wordt door de verwijzende rechter gedefinieerd als schade die als kenmerk heeft dat de bij de individuele benadeelde partij veroorzaakte schade slechts gering is, maar dat de optelsom van alle benadeelde partijen een groot schadebedrag oplevert. Het begrip ‘massaschade’ (‘Massenschäden’), dat ook in de prejudiciële vragen wordt gebruikt, wordt door die rechter niet gedefinieerd, maar lijkt te verwijzen naar de situatie waarin meerdere personen stellen schade te hebben geleden in de vorm van een verlies dat is veroorzaakt door hetzelfde schadeveroorzakende feit. Volgens de rechtsleer onderscheidt massaschade zich van strooischade mede door de omvang van de door elke persoon afzonderlijk geleden schade. Massaschade zou voldoende aanzienlijk zijn voor elk individu om er belang bij te hebben vergoeding te vorderen voor de geleden schade. Het is voor elke partij echter ingewikkeld en kostelijk om voor deze schade genoegdoening te zoeken. 22.
67.
In de derde plaats verwijten Otto Fuchs en de deelstaat Noordrijn-Westfalen de verwijzende rechter dat hij zijn verwijzingsbeslissing heeft gebaseerd op de veronderstelling dat, ten eerste, er geen andere mogelijkheid is dan een collectieve schadevordering en, ten tweede, dat indien op het mededingingsrecht gebaseerde schadevorderingen niet gebundeld, door middel van een dergelijke collectieve schadevordering, kunnen worden ingesteld, het praktisch onmogelijk of in ieder geval uiterst moeilijk zou zijn om een schadevordering voor een gering bedrag in te stellen en er geen vordering wegens inbreuk op artikel 101 VWEU zou worden ingesteld, noch in het kader van publieke handhaving van de mededingingsregels, noch in het kader van particuliere handhaving ervan.
68.
Dienaangaande is het juist dat de vaststellingen met betrekking tot het feitelijke en juridische kader de premissen zijn waarop de prejudiciële vragen zijn gebaseerd. Ook is het waar dat sommige partijen opmerkingen hebben gemaakt die ertoe strekken het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding aan te vullen of te betwisten. In wezen bekritiseren deze partijen de vaststelling van de verwijzende rechter dat er naar Duits recht als doeltreffend rechtsmiddel geen andere mogelijkheid is dan het mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen, waarmee de rechten van de benadeelde partijen zouden kunnen worden beschermd.
69.
De beoordeling van het bestaan van andere mechanismen die de benadeelde partijen in staat stellen om hun rechten uit te oefenen tegen de persoon die een inbreuk op het mededingingsrecht heeft gepleegd, betreft evenwel een kwestie van uitlegging van het nationale recht. In dit verband staat het in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de rechterlijke instanties van de Unie en de nationale rechterlijke instanties niet aan het Hof om, wanneer de verwijzende rechter het feitelijke en juridische kader heeft afgebakend waarin de door hem gestelde vragen moeten worden geplaatst, de juistheid daarvan te onderzoeken.23. Evenzo kan het Hof, wat de kritiek inzake het feitelijke en juridische kader van de verwijzingsbeslissing in de onderhavige zaak betreft, zich evenmin in de plaats stellen van een nationale rechter en daarop antwoorden.
70.
Niettemin ben ik van mening dat het Hof, voor zover de feitelijke en juridische vaststellingen in de verwijzingsbeslissing premissen vormen waarop de prejudiciële vragen zijn gebaseerd, de aandacht van de verwijzende rechter op deze kritiek zou moeten vestigen zodat hij kan bepalen hoe het Unierecht, zoals uitgelegd door het Hof, moet worden toegepast. De verplichting voor het Hof om uitspraak te doen over de verwijzingsbeslissing laat immers de mogelijkheid onverlet voor de verwijzende rechter om in voorkomend geval de premissen waarop zijn prejudiciële vragen zijn gebaseerd te verifiëren.24.
71.
Onverminderd het voorgaande moet de tweede vraag ontvankelijk worden verklaard.
2. Ten gronde
72.
Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 101 VWEU, artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/104, artikel 3, lid 1, en artikel 4 van richtlijn 2014/104, en artikel 47 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een uitlegging van het nationale recht die tot gevolg heeft dat bij gebreke van een definitieve beslissing waarbij een inbreuk op het mededingingsrecht wordt vastgesteld, de fiduciaire overdracht van de rechten op vergoeding van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade door vermeend benadeelde partijen aan een erkende rechtsbijstandverlener, zodat deze de rechten gebundeld kan doen gelden, wordt uitgesloten, wanneer er geen andere gelijkwaardige wettelijke of contractuele mogelijkheden bestaan om schadevorderingen te bundelen, met als gevolg dat het praktisch onmogelijk of in ieder geval uiterst moeilijk zou zijn om een schadevordering voor een gering bedrag in te stellen en dat er geen vordering wegens inbreuk op 101 VWEU zou worden ingesteld, noch in het kader van publieke handhaving van de mededingingsregels, noch in het kader van private handhaving ervan.
a) Relevante bepalingen
73.
De tweede vraag betreft de uitlegging van artikel 101 VWEU, artikel 47 van het Handvest en de bepalingen van richtlijn 2014/104/EG. Voor zover deze vraag betrekking heeft op de uitlegging van die richtlijn, moet de temporele werkingssfeer ervan worden onderzocht. Vervolgens zal ik kort de relevantie van artikel 4, lid 3, VEU analyseren.
74.
De verwijzende rechter gaat ervan uit dat de artikel 2, punt 4, en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2014/104, waarvan om uitlegging wordt verzocht, in het onderhavige geval van toepassing zijn, ongeacht of deze bepalingen procedurele dan wel materiële bepalingen zijn. Overeenkomstig artikel 22, lid 2, van die richtlijn zijn de relevante bepalingen ervan immers van toepassing op schadevorderingen die na 26 december 2014 zijn ingesteld. Bovendien wijst die rechter erop dat de vordering in het hoofdgeding betrekking heeft op gedragingen die hebben plaatsgevonden tot en met 30 juni 2019, dus ruim na het verstrijken van de termijn voor omzetting van die richtlijn. Derhalve moeten de materiële bepalingen van die richtlijn overeenkomstig het arrest Volvo en DAF Trucks25. niet alleen worden toegepast op het deel van de kartelperiode na het verstrijken van de omzettingstermijn, maar op de gehele kartelperiode.
75.
Hoewel ik van oordeel ben dat de in de tweede prejudiciële vraag bedoelde bepalingen van toepassing zijn op het hoofdgeding, ben ik niet overtuigd door de analyse van de verwijzende rechter.
76.
Er zij aan herinnerd dat de vordering werd ingesteld op 31 maart 2020 en betrekking heeft op de vergoeding van de schade die is veroorzaakt door praktijken die zouden hebben plaatsgevonden tussen 28 juni 2005 en 30 juni 2019.
77.
Richtlijn 2014/104 moest uiterlijk op 27 december 2016 zijn omgezet (artikel 21, lid 1). Bovendien kunnen de nationale maatregelen tot omzetting van de materiële bepalingen van die richtlijn niet met terugwerkende kracht worden toegepast (artikel 22, lid 1), terwijl de nationale regels tot omzetting van andere bepalingen van die richtlijn, namelijk de procedurele bepalingen, niet kunnen worden toegepast op schadevorderingen die vóór 26 december 2014 bij een nationale rechterlijke instantie aanhangig zijn gemaakt (artikel 22, lid 2).26.
78.
Om de temporele toepasselijkheid van de bepalingen van richtlijn 2014/104 te bepalen, moet dus a priori worden vastgesteld of de betrokken bepaling al dan niet een materiële bepaling is. Wat de kwestie van de temporele toepassing van de bepalingen van die richtlijn betreft, moet echter onderscheid worden gemaakt naargelang deze bepalingen in het licht van de rechtspraak voortvloeien uit artikel 101 VWEU zelf, dan wel uitsluitend voortvloeien uit die richtlijn, zodat de toepasselijkheid ervan in de tijd moet worden bepaald aan de hand van artikel 22 van die richtlijn.27.
79.
Het recht op volledige vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade is niet vastgesteld bij richtlijn 2014/104, maar vloeit rechtstreeks voort uit de bepalingen van het primaire recht zoals het Hof die vóór de vaststelling van die richtlijn in zijn rechtspraak heeft uitgelegd. Verschillende overwegingen van die richtlijn bevestigen deze opvatting.28. Bijgevolg moeten volgens het Hof de nationale maatregelen tot omzetting van artikel 3, lid 1, van die richtlijn ‘met onmiddellijke ingang van toepassing zijn op alle schadevorderingen die binnen de werkingssfeer van voornoemde richtlijn vallen, zoals bevestigd door artikel 22, lid 2, ervan’.29. Gelet op de datum waarop de vordering in het hoofdgeding is ingesteld, namelijk 31 maart 2020, dus ruim na het verstrijken van de termijn voor omzetting van de richtlijn, valt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vordering ontegenzeggelijk binnen de temporele werkingssfeer ervan. Bijgevolg is artikel 3 van die richtlijn van toepassing in het hoofdgeding.
80.
De kwestie van de temporele toepassing van artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/104 in het hoofdgeding is ingewikkelder. Artikel 2 bevat, zoals het opschrift ervan aangeeft, de definities van de in die richtlijn gebruikte begrippen. Op het eerste gezicht is een definitie van een in een rechtshandeling van de Unie gebruikt juridisch begrip niet materieel of procedureel van aard. De aard ervan wordt veeleer bepaald door de specifieke bepaling waarop dat begrip betrekking heeft.
81.
De tweede vraag is evenwel gebaseerd op een uitlegging van artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/104 dat deze richtlijn bepaalt wie een recht op volledige vergoeding van door een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie veroorzaakte schade kan doen gelden, of eventueel hoe een dergelijk recht kan worden uitgeoefend. Voorts lijkt de verwijzende rechter van mening te zijn dat de door deze bepaling gewaarborgde werking voortvloeit uit artikel 101 VWEU, zoals uitgelegd door het Hof in zijn rechtspraak. Ik stel dus voor om artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/104 van toepassing te verklaren op het hoofdgeding overeenkomstig de oplossing die het Hof heeft geformuleerd in zijn rechtspraak over de temporele toepassing van de bepalingen van deze richtlijn die de uit het primaire recht voortvloeiende oplossingen bevestigen.30. Met andere woorden, de uitlegging die ik hierna zal geven, betreft zowel artikel 101 VWEU als de bepalingen van richtlijn 2014/104.
82.
In zijn tweede vraag verwijst de verwijzende rechter eveneens naar artikel 4, lid 3, VEU. Bij lezing van de verwijzingsbeslissing lijkt de verwijzende rechter deze bepaling gelijk te stellen met het doeltreffendheidsbeginsel of het nuttig effect van artikel 101 VWEU. Het volstaat echter om laatstgenoemde bepaling uit te leggen om te kunnen oordelen over zowel het doeltreffendheidsbeginsel als het nuttig effect van die bepaling.31. Bovendien is artikel 4 van richtlijn 2014/104 de belichaming van het doeltreffendheidsbeginsel, zodat ook die bepaling moet worden uitgelegd. Bijgevolg stel ik voor om ervan uit te gaan dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag verwijst naar artikel 101 VWEU, artikel 47 van het Handvest en artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/104, alsook naar artikel 3, lid 1, en artikel 4 daarvan.
b) Verbod op het mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen
1) Algemene opmerkingen
83.
Voor het antwoord op de tweede prejudiciële vraag moet eerst worden vastgesteld of de uitlegging van het nationale recht die tot gevolg heeft dat, bij gebreke van een definitieve beslissing waarbij een inbreuk op het mededingingsrecht wordt vastgesteld, de fiduciaire overdracht van de rechten op vergoeding van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade door vermeend benadeelde partijen aan een erkende rechtsbijstandverlener wordt uitgesloten, betrekking heeft op een aspect dat rechtstreeks door het Unierecht wordt beheerst, dan wel op een aangelegenheid die tot de rechtsorde van elke lidstaat behoort.
84.
Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod niet tot gevolg heeft dat een persoon die door een mededingingsregeling schade heeft geleden, zijn hoedanigheid van slachtoffer van een inbreuk op het mededingingsrecht verliest. Dit verbod vloeit integendeel voort uit de nietigheid van de overdracht van het recht van die persoon aan een erkende rechtsbijstandverlener die in eigen naam en op eigen kosten, maar voor rekening van de cedenten, de rechten van de cedenten gebundeld doet gelden. Voor de beantwoording van de prejudiciële vraag moet worden vastgesteld of de voorwaarden voor de geldigheid van de overdracht van het recht op schadevergoeding door het Unierecht dan wel door het toepasselijke nationale recht worden beheerst.
2) Onderscheid tussen de voorwaarden voor het bestaan van het recht op schadevergoeding en de wijze van uitoefening van dat recht
85.
Het lijkt mij aangewezen het onderscheid in herinnering te brengen dat de advocaten-generaal Kokott en Wahl hebben gemaakt tussen, enerzijds, de voorwaarden voor het bestaan van aansprakelijkheid voor een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie, of zelfs de voorwaarden voor het bestaan van het recht op schadevergoeding, en, anderzijds, de regels voor de uitoefening van het recht op vergoeding van de door de inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade. Volgens deze advocaten-generaal worden voornoemde voorwaarden rechtstreeks door het Unierecht beheerst, zodat een nationale maatregel die in strijd is met de rechtstreekse werking van het Unierecht, nietig moet worden verklaard, terwijl voornoemde regels door het nationale recht worden beheerst en onderworpen zijn aan de traditionele beperkingen van de procedurele autonomie van de lidstaten.32.
86.
Ik ben het om de volgende redenen eens met deze uitlegging.
87.
In de eerste plaats vloeit deze tweedeling voort uit de bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten. Op grond van artikel 3, lid 1, onder b), VWEU is de Unie exclusief bevoegd voor de mededingingsregels die voor de werking van de interne markt nodig zijn. Voorts vallen andere toepasselijke mededingingsregels die niet binnen de werkingssfeer van die exclusieve bevoegdheid vallen, bij gebreke van Unierechtelijke regels, onder de bevoegdheid van de lidstaten.
88.
Artikel 101 VWEU behoort tot de mededingingsregels die, zoals de regels bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b), VWEU, nodig zijn voor de werking van de interne markt.33.
89.
Het recht op vergoeding van schade veroorzaakt door een inbreuk op artikel 101 VWEU gaat echter verder dan het louter vergoeden van de door de benadeelde partijen geleden schade, aangezien het meer in het algemeen de mededingingsregels van de Unie gemakkelijker toepasbaar maakt en ervoor zorgt dat — vaak heimelijke — overeenkomsten of praktijken die de mededinging kunnen beperken of vervalsen, minder aantrekkelijk worden, hetgeen bijdraagt tot de handhaving van een daadwerkelijke mededinging in de Unie.34. Particuliere handhaving van het mededingingsrecht is ook noodzakelijk voor de werking van de interne markt. Bijgevolg moet de vaststelling van de voorwaarden voor het bestaan en de wezenlijke inhoud van het recht op vergoeding van schade veroorzaakt door een inbreuk op artikel 101 VWEU tot de exclusieve bevoegdheid van de Unie behoren. Daarentegen staat het aan elke lidstaat om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het Unierecht ontlenen.35.
90.
In de tweede plaats heeft het door de advocaten-generaal gemaakte onderscheid, hoewel niet uitdrukkelijk door het Hof erkend, weerklank gevonden in de rechtspraak van het Hof. Het heeft met name aangegeven dat, anders dan de regels inzake de beoordeling van de bewijzen en de bewijsstandaard, die bij ontbreken van Unievoorschriften ter zake in beginsel onder de procedurele autonomie van de lidstaten vallen, er sprake moet zijn van alle wezenlijke bestanddelen van de inbreuk opdat kan worden vastgesteld dat een onderneming aansprakelijk is voor een onderling afgestemde feitelijke gedraging.36. In die zin heeft het Hof zich regelmatig gebogen over de vraag wie zich kan beroepen op het recht op vergoeding van de door een dergelijke inbreuk veroorzaakte schade vanuit het oogpunt van het nuttig effect van artikel 101 VWEU.37.
91.
In de derde plaats wordt deze uitlegging bevestigd door richtlijn 2014/104. Artikel 4 van deze richtlijn, met als opschrift ‘De beginselen doeltreffendheid en gelijkwaardigheid’, bepaalt immers dat de lidstaten, overeenkomstig het doeltreffendheidsbeginsel, ervoor zorgen dat alle nationale regels en procedures betreffende de uitoefening van schadeclaims zodanig ontworpen en toegepast worden dat zij de uitoefening van het Unierecht op volledige vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade niet buitensporig moeilijk of praktisch onmogelijk maken.
92.
In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat het Unierecht de voorwaarden bepaalt voor het bestaan van een recht op vergoeding van de door een dergelijke inbreuk veroorzaakte schade.
93.
In het privaatrecht vloeit het antwoord op de vraag wie recht heeft op schadevergoeding doorgaans voort uit de gecombineerde toepassing van de voorwaarden voor het bestaan van aansprakelijkheid, namelijk het bestaan van de schade, een oorzakelijk verband tussen de schade en de vermeende gedraging en de onrechtmatigheid van de verweten gedraging, behalve wanneer een specifieke bepaling de kring van personen beperkt die als slachtoffers van een schending van een rechtsregel kunnen worden beschouwd. Op basis van deze voorwaarden kan worden vastgesteld wie de benadeelde is die recht heeft op schadevergoeding. In die zin bepaalt het Unierecht aan de hand van de voorwaarden voor het bestaan van aansprakelijkheid voor een inbreuk op het mededingingsrecht wie zich op het recht op vergoeding van de door een inbreuk op artikel 101 VWEU veroorzaakte schade kan beroepen.
94.
Indien het Unierecht bepaalt wie zich kan beroepen op het recht op volledige vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade, moet eveneens de vraag worden gesteld of het Unierecht ook de overdraagbaarheid van een dergelijk recht op vergoeding en de voorwaarden voor de geldigheid van een overdracht van dat recht bepaalt.
3) Geldigheidsvoorwaarden van de overdracht
95.
De overdraagbaarheid van een schuldvordering38., of zelfs van een recht, is een van de kenmerken die bepalen of dat recht voor cessie vatbaar is. In het privaatrecht kunnen de meeste algemene financiële rechten in principe het voorwerp uitmaken van cessie.39.
96.
Met betrekking tot de vraag of de overdracht van een schadevordering tegen de Unie geldig is, heeft het Hof geoordeeld dat een dergelijke vordering vatbaar is voor cessie, maar dat overeenkomstig het algemene beginsel dat de lidstaten gemeen hebben en dat van toepassing is in de rechtsorde van de Unie, een wederrechtelijke cessie niet kan worden tegengeworpen aan de betrokken autoriteiten.40. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat het Unierecht de voorwaarden bepaalt voor de geldigheid van elk aan het Unierecht ontleende recht op schadevergoeding. Overeenkomstig artikel 340, tweede alinea, VWEU wordt de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie immers beheerst door de algemene beginselen die de lidstaten gemeen hebben. Bijgevolg stelt de vraag van de bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten zich in de context van deze aansprakelijkheid niet op dezelfde wijze als in gevallen waarin, zoals in het onderhavige geval, het Unierecht enkel de voorwaarden voor het bestaan van de betrokken vordering bepaalt.
97.
Onlangs heeft het Hof in het kader van het door verordening (EG) nr. 261/200441. gewaarborgde recht op compensatie van luchtreizigers de overdracht van dat recht aan een derde om zich de moeilijkheden en kosten te besparen die de reiziger ervan kunnen weerhouden om persoonlijke stappen te ondernemen, aangemerkt als een wijze van uitoefening van dat recht op compensatie.42. Tegelijkertijd heeft het Hof aangegeven dat de reiziger zijn vordering aan een derde kan overdragen ‘wanneer het toepasselijke nationale recht daarin voorziet’.43. Deze overweging kan op het onderhavige geval worden toegepast, aangezien zij aantoont dat de overdracht van een recht op schadevergoeding een wijze van uitoefening van dat recht kan zijn en dat de beperkingen op een dergelijke overdracht door het nationale recht worden bepaald.
98.
De overdraagbaarheid van het recht op schadevergoeding als zodanig kan weliswaar worden geacht voort te vloeien uit de aard van dat recht en dus rechtstreeks uit het Unierecht, maar in de onderhavige zaak gaat het om de voorwaarden voor de geldigheid van de overdracht van het recht op schadevergoeding die de vermeend benadeelde partijen, net als luchtreizigers, rechtstreeks aan het Unierecht ontlenen. De overdracht van een recht op volledige vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade is dus ook een wijze van uitoefening van dat recht door de persoon die dat recht geniet. De voorwaarden waaronder een dergelijke overdracht kan plaatsvinden, worden derhalve bepaald door het nationale recht.
99.
Anders dan de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing heeft opgemerkt44., wordt aan deze uitlegging niet afgedaan door de lessen die uit artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/104 kunnen worden getrokken.
4) Artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/104
100.
Het feit dat artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/104 in het derde in die bepaling genoemde scenario verwijst naar vorderingen ingesteld door ‘een natuurlijk persoon of een rechtspersoon op wie de rechten zijn overgegaan van de partij die beweert benadeeld te zijn, daaronder begrepen de persoon die de schadeclaim heeft verworven’, brengt niet met zich dat het Unierecht de lidstaten enige vorm van overdrachtsmechanisme of specifieke voorwaarden voor de geldigheid van een dergelijke overdracht oplegt.
101.
Deze verwijzing bevindt zich immers in een bepaling die het begrip ‘schadevordering’ in de zin van richtlijn 2014/104 definieert. Zij neemt dus elke twijfel weg over de vraag of de bepalingen van die richtlijn ook van toepassing zijn op vorderingen die worden ingesteld door personen die in de rechten van de benadeelde partijen zijn getreden.45. Deze juridische definitie van een begrip houdt daarentegen, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen opmerkt, voor de lidstaten geen verplichting in om het overdrachtsmechanisme in het materiële recht in te voeren. De definitie bepaalt evenmin of, en onder welke voorwaarden, het recht op volledige vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade kan worden overgedragen door een persoon die dergelijke schade heeft geleden.
102.
Uit de verwijzing naar het nationale recht in het tweede scenario van artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/104 kan overigens evenmin een verplichting tot erkenning van het overdrachtsmechanisme worden afgeleid. Het is juist dat dit scenario een verwijzing naar het nationale recht bevat (‘iemand die optreedt namens een of meer partijen die beweren benadeeld te zijn, indien het Unierecht of het nationaal recht in deze mogelijkheid voorziet’46.), terwijl een dergelijke verwijzing ontbreekt in het derde scenario betreffende de opvolging in de rechten van de vermeend benadeelde partij.
103.
De Commissie heeft echter tijdens de terechtzitting het ontbreken van een verwijzing naar het nationale recht in artikel 2, punt 4, derde scenario, van richtlijn 2014/104 verklaard door het feit dat, toen die richtlijn werd vastgesteld, alle lidstaten de mogelijkheid van overdracht van de vordering tot schadevergoeding erkenden. Zoals ik reeds heb aangegeven47., is de overdracht van een schuldvordering die zijn oorsprong vindt in een onrechtmatige daad immers toegestaan in de rechtsorde van de Unie, aangezien dit een algemeen beginsel weerspiegelt dat de lidstaten gemeen hebben.
104.
Verder moet het feit dat het tweede scenario van artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/104, in tegenstelling tot het derde scenario, zowel naar het Unierecht als naar het nationale recht verwijst, worden uitgelegd in het licht van overweging 13 van deze richtlijn. Deze overweging stelt immers dat het recht op vergoeding wordt erkend voor iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, waarbij in die context wordt verwezen naar ‘zowel consumenten, ondernemingen als overheidsinstanties’, maar dat de richtlijn geen verplichting inhoudt voor de lidstaten om mechanismen voor collectief verhaal in te voeren voor de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU.
105.
Collectief verhaal valt momenteel binnen het toepassingsgebied van richtlijn 2020/182848.. Deze richtlijn omschrijft collectief verhaal als een vordering die namens consumenten door een bevoegde instantie wordt ingesteld.49. Tijdens de voorbereidende werkzaamheden voor de richtlijn werd gedebatteerd over de vraag of inbreuken op het mededingingsrecht in het toepassingsgebied van deze richtlijn moesten worden opgenomen. Vanwege bedenkingen over de te volgen aanpak werd uiteindelijk besloten om hiervan af te zien.50.
106.
Het feit dat tijdens de voorbereidende werkzaamheden tegenstrijdige standpunten naar voren zijn gebracht over de regeling in het Unierecht van collectief verhaal met betrekking tot inbreuken op het mededingingsrecht, illustreert dat, in tegenstelling tot de overdracht van een schuldvordering die zijn oorsprong vindt in een onrechtmatige daad, die algemeen aanvaard is in de rechtsstelsels van de lidstaten51., een specifieke vorm van dergelijk verhaal niet unaniem was aanvaard binnen de Unie. Deze omstandigheid verklaart mijns inziens waarom de wetgever in artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/104 met betrekking tot de beschikbaarheid van collectief verhaal heeft verwezen naar het nationale recht en het Unierecht.
107.
In het licht van het voorgaande moet worden geoordeeld dat de overdracht van het recht op vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade aan een erkende rechtsbijstandverlener die in eigen naam en op eigen kosten, maar voor rekening van de cedenten, de rechten van de cedenten gebundeld doet gelden, worden beschouwd als een wijze van uitoefening van dat recht.
c) Verenigbaarheid met het Unierecht van het verbod op het mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen
108.
De voorwaarden voor de geldigheid van een overdracht van het recht op vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade aan een erkende rechtsbijstandverlener worden niet beheerst door het Unierecht, maar door het toepasselijke nationale recht. Overeenkomstig het beginsel van procedurele autonomie mogen deze voorwaarden evenwel niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor gelijksoortige nationale vorderingen (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen zij niet van dien aard zijn dat zij het verkrijgen van schadevergoeding in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).52. Aangezien de verwijzingsbeslissing uitsluitend betrekking heeft op het doeltreffendheidsbeginsel, zal ik mij op dit beginsel toespitsen. Alvorens op dit beginsel in te gaan, moet worden opgemerkt dat de tweede vraag betrekking heeft op zowel het doeltreffendheidsbeginsel als artikel 47 van het Handvest. De vraag is dus of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod moet worden onderzocht vanuit het oogpunt van het doeltreffendheidsbeginsel dan wel vanuit dat van het Handvest.
1) Beginsel van effectieve rechterlijke bescherming
109.
De Commissie benadrukt dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod een van de wijzen van toegang tot de rechter beperkt door beperkingen te stellen aan de overdracht van op het mededingingsrecht gebaseerde rechten op schadevergoeding. Zij toetst dit verbod aan het doeltreffendheidsbeginsel en aan artikel 47 van het Handvest.
110.
Hoewel artikel 47, eerste alinea, van het Handvest onmiskenbaar een procedurerecht verankert53., vloeit in dit verband het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod vanuit het oogpunt van een door een inbreuk op artikel 101 VWEU benadeelde partij voort uit de nietigheid van de overdracht in materieelrechtelijke zin en betreft het derhalve het overdrachtsmechanisme dat plaatsvindt voorafgaand aan een gerechtelijke procedure. A priori zou kunnen worden gesteld dat er geen sprake is van een beperking van het recht op een effectieve rechterlijke bescherming van de persoon die door een inbreuk op het mededingingsrecht is benadeeld. In die zin zouden de procedurele gevolgen van deze nietigheid, namelijk het ontbreken van procesbevoegdheid, voor een cessionaris slechts de gevolgen zijn van de nietigheid van de overdrachtsovereenkomsten.
111.
In artikel 47 van het Handvest is echter de idee verankerd dat er een verband bestaat tussen het procedurele recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het aan het Unierecht ontleende recht. Volgens de bewoordingen van die bepaling heeft het recht op een doeltreffende voorziening in rechte immers betrekking op de situatie waarin de door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden. Het lijdt geen twijfel dat deze rechten en vrijheden van materiële aard kunnen zijn. Het staat immers vast dat de vermeende slachtoffers van een inbreuk op artikel 101 VWEU zich kunnen beroepen op het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een eerlijk proces.54.
112.
Bovendien heeft het Hof erkend dat een nationale regeling die bepaalt dat een werknemer wiens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt beëindigd met inachtneming van een opzegtermijn niet meteen schriftelijk in kennis wordt gesteld van de reden of redenen voor dat ontslag, voor bovengenoemde werknemer de toegang tot de rechter beperkt, die met name krachtens artikel 47 van het Handvest moet worden gewaarborgd. Volgens het Hof wordt deze werknemer op die manier immers informatie ontzegd die belangrijk is om te beoordelen of zijn ontslag eventueel onrechtmatig is en om in voorkomend geval een rechtszaak ter betwisting van dat ontslag voor te bereiden.55. Het ging dus om een materiële nationale regeling met procedurele gevolgen die konden worden beschouwd als een beperking van het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht.
113.
In die omstandigheden moet het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod ook worden beschouwd als een beperking van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming.
114.
Het Hof is met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel en het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, neergelegd in artikel 47 van het Handvest, geneigd na te gaan of de procedurele regeling niet leidt tot een niet te onderschatten risico dat de houders van een door de rechtsorde van de Unie gewaarborgd recht hun rechten niet zullen uitoefenen.56. Met andere woorden, het uit het doeltreffendheidsbeginsel voortvloeiende vereiste dat de uitoefening van het recht niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk mag worden gemaakt, wordt in een dergelijk geval aldus uitgelegd dat er een risico van inertie bij de rechtzoekenden bestaat.
115.
Bovendien is, zoals de verwijzende rechter opmerkt57., het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming zeker niet absoluut. Een beperking van dat beginsel moet evenwel in overeenstemming zijn met artikel 52, lid 1, van het Handvest, volgens hetwelk elke beperking op de uitoefening van een grondrecht ‘bij wet [moet] worden gesteld’ en de wezenlijke inhoud van dat recht moet eerbiedigen, maar ook, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, slechts mag worden gesteld indien zij noodzakelijk is en daadwerkelijk beantwoordt aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
116.
Zoals ik hieronder zal aantonen, kunnen er echter ook toegevingen worden gedaan ten aanzien van het vereiste dat voortvloeit uit het doeltreffendheidsbeginsel.
117.
Ik stel derhalve voor het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod gezamenlijk te onderzoeken vanuit het oogpunt van de verenigbaarheid ervan met het doeltreffendheidsbeginsel en het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming.
2) Gecombineerde toepassing van de beginselen van doeltreffendheid en effectieve rechterlijke bescherming
118.
Bij gebreke van een Unierechtelijke regelgeving ter zake is het overeenkomstig het beginsel van procedurele autonomie een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de procedureregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het Unierecht ontlenen. Het doeltreffendheidsbeginsel vereist dat de bescherming van de rechten die particulieren aan het Unierecht ontlenen, niet wordt onderworpen aan regels die de uitoefening van deze rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken.58.
119.
Ik moet erop wijzen dat de nationale maatregelen die materieelrechtelijk de geldigheid van de overdracht van een schuldvordering regelen, ‘procedureregels’ in de zin van het concept van de procedurele autonomie van de lidstaten vormen59.. Bijgevolg verzet het doeltreffendheidsbeginsel zich slechts tegen het verbod op het in het hoofdgeding aan de orde zijnde mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen voor zover dat verbod de uitoefening van het recht op volledige vergoeding van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Zoals ik heb aangegeven60., brengt artikel 47 van het Handvest bovendien mee dat dergelijke regels niet mogen leiden tot een niet te onderschatten risico dat de houders van een door de rechtsorde van de Unie gewaarborgd recht hun rechten niet zullen uitoefenen.
120.
De tweede prejudiciële vraag is gebaseerd op de veronderstelling dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod een dergelijk gevolg heeft en het instellen van een vordering tot schadevergoeding voor geringe bedragen praktisch onmogelijk of in ieder geval uiterst moeilijk maakt. Hoewel het twijfelachtig is of de vordering in het hoofdgeding betrekking heeft op dergelijke bedragen, lijkt de verwijzende rechter te oordelen dat dit het geval is.
121.
Bij de toetsing van een nationale maatregel aan het doeltreffendheidsbeginsel volstaat het hoe dan ook niet die maatregel afzonderlijk te onderzoeken. Integendeel moeten alle elementen van de betrokken nationale regeling in aanmerking worden genomen.
122.
Dienaangaande stelt de verwijzende rechter dat er naar Duits recht geen andere geldige mogelijkheid bestaat dan het in het hoofdgeding aan de orde zijnde mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen en dat de nationale wettelijke regeling een dergelijk mechanisme uitsluit en de overdracht als nietig beschouwt. Deze twee veronderstellingen worden sterk betwist door de partijen. Ik vind het niet nodig om de in dat verband geuite kritiek te herhalen.61. Hoe dan ook kan het Hof het door de verwijzende rechter vastgestelde juridische en feitelijke kader niet in twijfel trekken. Het staat daarentegen aan de verwijzende rechter om de gegrondheid van deze veronderstellingen te toetsen. Deze veronderstellingen kunnen ook door de hogere rechterlijke instanties worden getoetst.
123.
Bovendien staat vast dat personen die stellen schade te hebben geleden door een mededingingsregeling, zich voor de Duitse rechter individueel op hun rechten kunnen beroepen. Volgens de verwijzende rechter is het doen gelden van zijn rechten op vergoeding van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade echter een complexe aangelegenheid, zowel uit feitelijk als uit economisch en juridisch oogpunt, en bijgevolg een langdurig, kostbaar en riskant proces. Deze hoge investering in tijd en geld evenals het procesrisico hebben een ontmoedigend effect op kleine en middelgrote ondernemingen, wat verklaart waarom zij er over het algemeen van afzien om hun rechten voor de rechter te doen gelden op grond van de rationele overweging dat het beter is om een stilzittende houding aan te nemen.
124.
In die omstandigheden kan de vraag worden gesteld of de op individuele vorderingen toepasselijke procedureregels zelf niet in strijd zijn met de beginselen van doeltreffendheid en effectieve rechterlijke bescherming. Een regeling die de uitoefening van het door de rechtsorde van de Unie gewaarborgde recht voor de nationale rechterlijke instanties ontmoedigt, is immers niet in overeenstemming met deze beginselen.62. De verwijzingsbeslissing heeft weliswaar geen betrekking op schadevorderingen die slachtoffers van een inbreuk op het mededingingsrecht individueel instellen, maar het staat aan de verwijzende rechter om zich ervan te vergewissen dat een individuele vordering geen doeltreffend middel is om particulieren te beschermen alvorens te oordelen dat het mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen het enige geldige middel is om het recht op volledige schadevergoeding uit te oefenen.
125.
Ook in deze context lijkt de verwijzende rechter aan te geven dat de cedenten als gevolg van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod en gelet op de toepasselijke verjaringstermijnen, hoe dan ook niet langer in staat zouden zijn hun vorderingen individueel te doen gelden.63. Dienaangaande heeft het Hof verklaard dat een nationale maatregel die een rechtzoekende verplicht om een nieuwe vordering in te stellen, eventueel voor een andere rechterlijke instantie, teneinde de passende sanctie voor de schending van het Unierecht te bepalen, niet in overeenstemming is met het doeltreffendheidsbeginsel, aangezien die maatregel noodzakelijkerwijs procedurele ongemakken voor die rechtzoekende meebrengt, met name wat de kosten, de procesduur en de vertegenwoordigingsregels betreft.64.
126.
Gelet op het voorgaande en ervan uitgaande dat de veronderstellingen waarop de verwijzende rechter zich baseert vaststaan, moet worden geoordeeld dat het betrokken verbod de uitoefening van het recht op volledige vergoeding van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade uiterst moeilijk maakt en dus een niet te onderschatten risico meebrengt dat de houders van die rechten hun rechten niet zullen uitoefenen. Dit verbod is derhalve niet in overeenstemming met de beginselen van doeltreffendheid en effectieve rechterlijke bescherming.
127.
Er dient nog te worden nagegaan of dit verbod niettemin kan worden verzoend met het doeltreffendheidsbeginsel, gelet op de doelstellingen waarop het is gebaseerd.
3) Beginsel dat ten grondslag ligt aan het rechtsstelsel
128.
Bij de toetsing van nationale maatregelen aan het doeltreffendheidsbeginsel moet rekening worden gehouden met de beginselen die aan het betrokken nationale rechtsstelsel ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure.65. De bescherming van een beginsel dat aan het rechtsstelsel van een lidstaat ten grondslag ligt, staat die lidstaat evenwel niet toe het doeltreffendheidsbeginsel volledig te negeren. Daarentegen moet worden onderzocht of een nationale maatregel die in strijd is met dit beginsel, kan worden gerechtvaardigd door de eerbiediging van een dergelijk fundamenteel beginsel van het rechtsstelsel.66. Het Hof heeft ook gepreciseerd dat bij een dergelijk onderzoek in bepaalde omstandigheden rekening kan worden gehouden met de bijzonderheden van de situaties en van de in het geding zijnde belangen teneinde een evenwicht tot stand te brengen tussen het vereiste van het beginsel dat aan het betrokken rechtsstelsel ten grondslag ligt en de gevolgen die de eerbiediging van dit beginsel heeft voor de toepassing van het Unierecht.67.
129.
De toegevingen die het doeltreffendheidsbeginsel doet ten gunste van een beginsel dat ten grondslag ligt aan het betrokken rechtsstelsel moeten dus voldoen aan soortgelijke voorwaarden als die welke gelden voor beperkingen van de grondrechten. Zoals ik heb aangegeven68., moet een beperking van een grondrecht immers de wezenlijke inhoud van dat recht eerbiedigen en mag die beperking, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, slechts worden gesteld indien zij noodzakelijk is en daadwerkelijk beantwoordt aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
130.
In het onderhavige geval moet derhalve worden onderzocht of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod kan worden gerechtvaardigd met het oog op de bescherming van de afnemers van dergelijke diensten, gelet op de gevolgen die daaruit voortvloeien voor de toepassing van het Unierecht en voor de slachtoffers van inbreuken op het mededingingsrecht.69.
131.
Het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod lijkt te zijn gebaseerd op overwegingen die verband houden met de bescherming van personen die mogelijk zijn benadeeld door een inbreuk op het mededingingsrecht. Dit verbod vloeit namelijk voort uit de niet-inachtneming van het vereiste inzake de noodzakelijke deskundigheid van de rechtsbijstandverlener, dat is ingevoerd om de afnemer van de diensten te beschermen tegen niet-gekwalificeerde juridische diensten. Voorts beoogt het verbod het risico te vermijden van een belangenconflict dat de positie van de afnemers van dergelijke diensten zou kunnen schaden.70.
132.
Hoewel de verwijzende rechter zich hierover niet uitspreekt, kan niet worden uitgesloten dat de bescherming van de afnemers van juridische diensten een beginsel is dat aan het betrokken nationale rechtsstelsel ten grondslag ligt. Net als de verplichte vertegenwoordiging door een persoon die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat71., lijkt een dergelijke bescherming namelijk tot doel te hebben de eerbiediging van het recht op een eerlijk proces en een effectieve rechterlijke bescherming van de rechtzoekenden te waarborgen.
133.
Bij lezing van de verwijzingsbeslissing lijkt het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod automatisch te worden opgelegd voor elk gebruik van het mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen met het oog op het instellen van een collectieve schadevordering in mededingingszaken. Hoewel sommige partijen aangeven dat deze benadering niet overeenstemt met de nationale rechtspraak ter zake, staat het niettemin aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit verbod inderdaad automatisch wordt opgelegd dan wel of het integendeel berust op een onderzoek van het bestaan van een mogelijk belangenconflict of onbevoegdheid in hoofde van de cessionaris, gelet op het voorwerp en de kenmerken van de betrokken vordering. Ik zal mijn analyse voortzetten rekening houdend met de veronderstelling dat dit verbod automatisch wordt opgelegd. De verwijzingsbeslissing beperkt zich immers tot algemene verklaringen, zonder dat wordt vermeld of het aannemelijk is dat er sprake is van een dergelijk conflict of een dergelijke onbevoegdheid van de betrokken cessionaris. Evenmin wordt gesuggereerd dat de cessionaris nader bewijs zou kunnen leveren en de nietigheid van de overdracht zou kunnen aanvechten.
134.
De verwijzingsbeslissing geeft dus aan dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod het in alle gevallen illusoir maakt dat de door een mededingingsregeling benadeelde partijen hun door de rechtsorde van de Unie gewaarborgde rechten via het mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen kunnen uitoefenen.
135.
In die omstandigheden kan het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod, gelet op de gevolgen ervan voor de toepassing van het Unierecht en voor de slachtoffers van inbreuken op het mededingingsrecht, en gelet op de cruciale rol van de particuliere handhaving van het mededingingsrecht in de rechtsorde van de Unie72., niet worden gerechtvaardigd door het vereiste van eerbiediging van het recht op een eerlijk proces en op een effectieve rechterlijke bescherming van rechtzoekenden.
136.
Bijgevolg moeten artikel 101 VWEU, artikel 2, punt 4, van richtlijn 2014/104, artikel 3, lid 4, en artikel 4 van richtlijn 2014/104 en artikel 47 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een uitlegging van het nationale recht die, wanneer er geen andere gelijkwaardige wettelijke of contractuele mogelijkheden bestaan om schadevorderingen te bundelen, tot gevolg heeft dat bij gebreke van een definitieve beslissing waarbij een inbreuk op het mededingingsrecht wordt vastgesteld, de fiduciaire overdracht van de rechten op vergoeding van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade door vermeend benadeelde partijen aan een erkende rechtsbijstandverlener, zodat deze de rechten gebundeld kan doen gelden, automatisch wordt uitgesloten, met als gevolg dat het praktisch onmogelijk of in ieder geval uiterst moeilijk zou zijn om een schadevordering voor een gering bedrag in te stellen. Een dergelijk verbod kan niet worden gerechtvaardigd door het vereiste van eerbiediging van het recht op een eerlijk proces en op een effectieve rechterlijke bescherming van rechtzoekenden.
B. Derde prejudiciële vraag
137.
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 101 VWEU, richtlijn 2014/104 en artikel 47 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat de verwijzende rechter de nationale bepalingen die ten grondslag liggen aan het verbod op het mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen, dat niet in overeenstemming is met de beginselen van doeltreffendheid en effectieve rechterlijke bescherming, buiten toepassing moet laten.
1. Ontvankelijkheid
138.
Otto Fuchs en de deelstaat Noordrijn-Westfalen betwisten de ontvankelijkheid van de derde prejudiciële vraag. In wezen betogen deze partijen dat deze vraag, in strijd met artikel 267 VWEU, geen betrekking heeft op de uitlegging van het Unierecht, maar op de toepassing van het Unierecht op nationaal niveau in een concreet geval en op de door de verwijzende rechter te trekken conclusies met betrekking tot de te geven beslissing.
139.
De formulering van deze vraag kan inderdaad suggereren dat zij betrekking heeft op de toepassing van het Unierecht. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter evenwel te vernemen of, gelet op het beginsel van voorrang, artikel 101 VWEU, richtlijn 2014/104 en artikel 47 van het Handvest het mogelijk maken om een nationale bepaling die niet in overeenstemming is met het Unierecht, buiten toepassing te laten. Deze vraag is niet zonder belang, aangezien de eerste twee prejudiciële vragen onder meer betrekking hebben op de uitlegging van afgeleid recht en het hoofdgeding een geschil tussen particulieren betreft. Nog belangrijker is dat deze vraag betrekking heeft op de uitlegging van het Unierecht.
2. Ten gronde
140.
Blijkens mijn antwoord op de tweede prejudiciële vraag is het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod, gelet op het door de verwijzende rechter beschreven feitelijke en juridische kader, niet in overeenstemming met de beginselen van doeltreffendheid en effectieve rechterlijke bescherming.
141.
Hoewel de derde prejudiciële vraag uitgaat van de veronderstelling dat de nationale bepalingen niet in overeenstemming met het Unierecht kunnen worden uitgelegd, legt de verwijzende rechter niet uit waarom een genuanceerde uitlegging van het RDG in het onderhavige geval niet mogelijk zou zijn. In dit verband zij eraan herinnerd dat de nationale rechters bij de toepassing van het nationale recht dit recht zo veel mogelijk moeten uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken bepaling van Unierecht, met inachtneming van het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, om de volle werking van die bepaling te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling.73.
142.
Voorts is het juist dat de tweede vraag met name betrekking heeft op de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2014/104 en het hoofdgeding een geschil tussen particulieren betreft, maar deze richtlijn bevestigt slechts het door artikel 101 VWEU gewaarborgde recht op volledige vergoeding van de door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade. Het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod is dus een wijze van uitoefening van een recht dat voortvloeit uit een bepaling met rechtstreekse werking.74.
143.
Indien de verwijzende rechter zich niet in staat acht om een uitlegging te geven aan de bepalingen die ten grondslag liggen aan het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod die in overeenstemming is met de beginselen van doeltreffendheid en effectieve rechterlijke bescherming, dient hij deze nationale bepalingen buiten toepassing te laten en de overdrachten van schuldvorderingen geldig te verklaren.75.
144.
Ik stel derhalve voor om op de derde vraag te antwoorden dat artikel 101 VWEU, richtlijn 2014/104 en artikel 52 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat de verwijzende rechter de nationale bepalingen die ten grondslag liggen aan het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod dat niet in overeenstemming is met de beginselen van doeltreffendheid en effectieve rechterlijke bescherming, buiten toepassing moet laten.
V. Conclusie
145.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Landgericht Dortmund te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 101 VWEU, artikel 2, punt 4, artikel 3, lid 1, en artikel 4 van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een uitlegging van het nationale recht die, wanneer er geen andere gelijkwaardige wettelijke of contractuele mogelijkheden bestaan om schadevorderingen te bundelen, tot gevolg heeft dat bij gebreke van een definitieve beslissing waarbij een inbreuk op het mededingingsrecht wordt vastgesteld, de fiduciaire overdracht van de rechten op vergoeding van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade door vermeend benadeelde partijen aan een erkende rechtsbijstandverlener, zodat deze de rechten gebundeld kan doen gelden, automatisch wordt uitgesloten, met als gevolg dat het praktisch onmogelijk of in ieder geval uiterst moeilijk zou zijn om een schadevordering voor een gering bedrag in te stellen. Een dergelijk verbod kan niet worden gerechtvaardigd door het vereiste van eerbiediging van het recht op een eerlijk proces en op een effectieve rechterlijke bescherming van rechtzoekenden.
- 2)
Artikel 101 VWEU, richtlijn 2014/104 en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten
moeten aldus worden uitgelegd dat
de verwijzende rechter de nationale bepalingen die ten grondslag liggen aan het verbod op het mechanisme van de overdracht van schuldvorderingen dat niet in overeenstemming is met de beginselen van doeltreffendheid en effectieve rechterlijke bescherming, buiten toepassing moet laten.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑09‑2024
Oorspronkelijke taal: Frans.
Zie in verband met dit fenomeen de conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak CDC Hydrogen Peroxide (C-352/13, EU:C:2014:2443, punt 29).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB 2014, L 349, blz. 1).
BGBl.2007 I, blz. 2840.
BGBl.2023 I, blz. 1.
BGBl. I S. 1069.
Cursivering van mij.
De verwijzende rechter verwijst in dit verband naar de arresten van 20 september 2001, Courage en Crehan (C-453/99, EU:C:2001:465, punt 26); 13 juli 2006, Manfredi e.a. (C-295/04–C-298/04, EU:C:2006:461, punten 90 en 95); 12 december 2019, Otis Gesellschaft e.a. (C-435/18, EU:C:2019:1069, punt 22), en 6 oktober 2021, Sumal (C-882/19, EU:C:2021:800, punt 33).
Zie arrest van 17 juni 2021, M.I.C.M. (C-597/19, EU:C:2021:492, punt 77), en mijn conclusie in die zaak (C-597/19, EU:C:2020:1063, punt 88).
Arrest van 18 maart 2010 (C-317/08–C-320/08, EU:C:2010:146, punt 63).
Zie recentelijk arrest van 27 juni 2024, Peigli (C-41/23, EU:C:2024:554, punt 32).
Zie punt 16 van deze conclusie.
Verordening van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
Zie § 32b, eerste lid, eerste volzin, GWB.
Zie § 32b, eerste lid, derde volzin, GWB.
Zie § 32b, eerste lid, tweede volzin, GWB.
Zie § 32b, tweede lid, GWB.
Zie arrest van 29 juni 2010, Commissie/Alrosa (C-441/07 P, EU:C:2010:377, punt 48).
Zie arrest van 29 juni 2010, Commissie/Alrosa (C-441/07 P, EU:C:2010:377, punt 40).
Zie arrest van 23 november 2017, Gasorba e.a. (C-547/16, EU:C:2017:891, punt 29).
Zie ‘Aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures’ (PB 2019, C 380, blz. 1, punt 18).
Zie Wrbka, S., ‘European consumer protection law: Quo vadis? Thoughts on the Compensatory Collective Redress Debate’, in Wrbka, S., van Uytsel, S. en Siems, M. (red.), Collective Actions. Enhancing Access to Justice and Reconciling Multilayer Interests?, Cambridge University Press, Cambridge, 2012, blz. 43.
Zie in die zin arrest van 29 juni 2023, International Protection Appeals Tribunal e.a. (Bomaanslag in Pakistan) (C-756/21, EU:C:2023:523, punten 37–38).
Zie in die zin arrest van 27 juni 2018, Altiner en Ravn (C-230/17, EU:C:2018:497, punt 23).
Arrest van 22 juni 2022 (C-267/20, EU:C:2022:494).
Zo zijn de nationale maatregelen tot omzetting van de procedurele bepalingen van richtlijn 2014/104 van toepassing op vorderingen die zijn ingesteld na de datum van omzetting van die richtlijn. De lidstaten beschikten dus over een discretionaire bevoegdheid om bij de omzetting van die richtlijn te besluiten of de nationale regels tot omzetting van de procedurele bepalingen van de richtlijn ook van toepassing zouden zijn op vorderingen tot schadevergoeding die ná 26 december 2014 maar vóór de omzettingsdatum van de richtlijn aanhangig waren gemaakt. Zie arrest van 12 januari 2023, RegioJet (C-57/21, EU:C:2023:6, punt 45).
Zie arrest van 16 februari 2023, Tráficos Manuel Ferrer (C-312/21, EU:C:2023:99, punt 33).
Zoals uit overweging 4 van richtlijn 2014/104 volgt, is het recht op vergoeding van schade die voortvloeit uit inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie immers een uniaal recht. In die zin wordt in de overwegingen 11 en 12 van die richtlijn respectievelijk verklaard dat dit recht wordt gegarandeerd door het VWEU en dat met die richtlijn het acquis van de Unie betreffende het Unierecht op vergoeding van door een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie veroorzaakte schade wordt bevestigd.
Zie arrest van 16 februari 2023, Tráficos Manuel Ferrer (C-312/21, EU:C:2023:99, punt 35).
Zie punt 78 van deze conclusie.
Zie ter illustratie arrest van 22 september 2022, Vicente (Vordering tot betaling van advocatenhonoraria) (C-335/21, EU:C:2022:720, punten 54 en 75).
Zie in die zin de conclusies van advocaat-generaal Kokott in de zaken Kone e.a. (C-557/12, EU:C:2014:45, punt 23) en Otis Gesellschaft e.a. (C-435/18, EU:C:2019:651, punt 44), en de conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak Skanska Industrial Solutions e.a. (C-724/17, EU:C:2019:100, punten 40–41).
Zie naar analogie arrest van 17 februari 2011, TeliaSonera Sverige (C-52/09, EU:C:2011:83, punt 21).
Zie in die zin arresten van 20 september 2001, Courage en Crehan (C-453/99, EU:C:2001:465, punt 27), en 6 november 2012, Otis e.a. (C-199/11, EU:C:2012:684, punt 42).
Zie in die zin arrest van 20 september 2001, Courage en Crehan (C-453/99, EU:C:2001:465, punt 29).
Zie in die zin arresten van 21 juli 2016, VM Remonts e.a. (C-542/14, EU:C:2016:578, punt 21), en 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a. (C-724/17, EU:C:2019:204, punten 26–28).
Zie rechtspraak aangehaald in voetnoot 7.
Naar Duits recht bepaalde § 33, lid 2, van het Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuch (wet tot invoering van het burgerlijk wetboek), in de versie die gold tot de inwerkingtreding op 17 december 2009 van § 1 van het Gesetz zur Anpassung der Vorschriften des Internationalen Privatrechts an die Verordnung (EG) Nr. 593/2008 (wet tot aanpassing van de voorschriften van internationaal privaatrecht aan [de Rome I-]verordening) van 25 juni 2009 (BGBl. 2009 I, blz. 1574), dat ‘[h]et recht dat de gecedeerde vordering beheerst, bepaalt of zij overdraagbaar is, alsmede de betrekkingen tussen cessionaris en schuldenaar, de voorwaarden waaronder de cessie aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen en of de schuldenaar door betaling is bevrijd’. Cursivering van mij.
Zie artikel 11:302 van de beginselen van Europees verbintenissenrecht (‘Principles of European Contract Law’) en artikel III:5:109 van het ontwerp voor een gemeenschappelijk referentiekader (‘Draft Common Frame of Reference’). Zie ook von Bar, Ch., Clive, E., Schulte-Nölke, H., e.a. red.), Principles, Definitions and Model Rules of European Private Law. Draft Common Frame of Reference (DCFR), Outline Edition, Sellier European Law Publishers, München, 2009, blz. 260. In wezen verwijzen deze bepalingen van de modelregels van Europees privaatrecht naar schuldvorderingen en rechten die in beginsel niet vatbaar zijn voor cessie.
Zie arresten van 4 oktober 1979, Ireks-Arkady/EEG (238/78, EU:C:1979:226, punt 5), en 1 maart 1983, DEKA Getreideprodukte/EEG (250/78, EU:C:1983:49, punt 15). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Mancini in de zaak DEKA Getreideprodukte/EEG (250/78, EU:C:1983:5, punt 6).
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).
Zie arrest van 29 februari 2024, Eventmedia Soluciones (C-11/23, EU:C:2024:194, punt 43).
Zie arrest van 29 februari 2024, Eventmedia Soluciones (C-11/23, EU:C:2024:194, punt 44).
Zie punt 37 van deze conclusie.
De betrokken verwijzing beantwoordt dus de soortgelijke vraag die het Hof heeft onderzocht in het arrest van 17 juni 2021, M.I.C.M. (C-597/19, EU:C:2021:492, punt 77), betreffende een andere richtlijn. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat een cessionaris zich kan beroepen op de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin de betrokken richtlijn voorziet.
Cursivering van mij.
Zie punt 96 van deze conclusie.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van richtlijn 2009/22/EG (PB 2020, L 409, blz. 1).
Zie artikel 3, lid 5, van richtlijn 2020/1828.
Zie in die zin Rodger, B.J., Sousa Ferro, M., en Marcos, F., ‘A Panacea for Competition Law Damages Actions in the EU? A Comparative View of the Implementation of the EU Antitrust Damages Directive in Sixteen Member States’, Maastricht Journal of European and Comparative Law, 2019, deel 26, nr. 4, blz. 502–503. Uiteindelijk heeft richtlijn 2020/1828 overeenkomstig artikel 2, lid 1, alleen betrekking op representatieve vorderingen die worden ingesteld wegens inbreuken die de collectieve belangen van consumenten schaden of kunnen schaden. Bovendien heeft die richtlijn alleen betrekking op inbreuken op de in bijlage I daarbij vermelde bepalingen van het Unierecht en artikel 101 VWEU is daar niet in opgenomen.
Zie punt 96 van deze conclusie.
Zie in die zin arrest van 28 juni 2022, Commissie/Spanje (Schending van het Unierecht door de wetgever) (C-278/20, EU:C:2022:503, punt 33).
Zie in die zin arrest van 22 december 2010, DEB (C-279/09, EU:C:2010:811, punt 40), waarin het Hof heeft opgemerkt dat het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte voor een rechterlijke instantie is opgenomen in hoofdstuk VI van het Handvest, betreffende rechtspleging, waarin andere procedurele beginselen zijn neergelegd.
Zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Volvo (Betekening of kennisgeving van een dagvaarding op de zetel van een dochteronderneming van de verweerster) (C-632/22, EU:C:2024:601, punt 54).
Zie arrest van 20 februari 2024, X (Geen motivering van de beëindiging) (C-715/20, EU:C:2024:139, punt 78).
Zie in die zin arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska (C-176/17, EU:C:2018:711, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie punt 40 van deze conclusie.
Zie arrest van 20 september 2001, Courage en Crehan (C-453/99, EU:C:2001:465, punt 29).
Zie in die zin arrest van 3 september 2020, Delfly (C-356/19, EU:C:2020:633, punt 33), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de wijze van omrekening van de euro in een nationale munteenheid onder de procedurele autonomie van de lidstaten valt en moet voldoen aan de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.
Zie punt 114 van deze conclusie.
Zie punten 68–70 van deze conclusie.
Zie in die zin arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska (C-176/17, EU:C:2018:711, punt 68).
Zie punt 29 van deze conclusie.
Zie arrest van 14 september 2016, Martínez Andrés en Castrejana López (C-184/15 en C-197/15, EU:C:2016:680, punt 63).
Zie in die zin arrest van 27 juni 2013, Agrokonsulting-04 (C-93/12, EU:C:2013:432, punt 48).
Zie in die zin arrest van 3 september 2009, Fallimento Olimpiclub (C-2/08, EU:C:2009:506, punt 28).
Zie in die zin arrest van 20 mei 2021, X (LPG-tankwagens) (C-120/19, EU:C:2021:398, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie punt 115 van deze conclusie.
Zie naar analogie arrest van 4 oktober 2012, Byankov (C-249/11, EU:C:2012:608, punt 78).
Zie punt 29 van deze conclusie.
Zie met betrekking tot de verplichte vertegenwoordiging en de doelstellingen ervan de conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in de zaak Lancôme/BHIM (C-408/08 P, EU:C:2009:634, punt 48).
Zie punt 89 van deze conclusie.
Zie recentelijk arrest van 11 juli 2024, Plamaro (C-196/23, EU:C:2024:596, punt 42).
Zie in die zin arrest van 25 januari 2024, Em akaunt BG (C-438/22, EU:C:2024:71, punt 37).
Zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Sumal (C-882/19, EU:C:2021:800, punten 70–72).