Hof 's-Hertogenbosch, 23-08-2016, nr. 200.149.136, 01
ECLI:NL:GHSHE:2016:3741
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
23-08-2016
- Zaaknummer
200.149.136_01
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2016:3741, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 23‑08‑2016; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:1831
ECLI:NL:GHSHE:2016:1831, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 10‑05‑2016; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:3741
- Vindplaatsen
AR 2016/2480
AR 2016/2484
AR-Updates.nl 2016-0950
VAAN-AR-Updates.nl 2016-0950
Uitspraak 23‑08‑2016
Inhoudsindicatie
Eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden door de werkgever.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.149.136/01
arrest van 23 augustus 2016
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
verder te noemen [appellante] ,
advocaat: mr. D.G.V. Mingels te Eindhoven,
tegen
Stichting [de stichting] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [de stichting] ,
advocaat: mr. M.J. Huisman te Eindhoven,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 10 mei 2016 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven onder zaaknummer 841979 en rolnummer 12/7038 gewezen vonnissen van 14 februari 2013, 27 juni 2013 en 13 februari 2014.
5. Het verloop van de procedure
5.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 10 mei 2016;
- -
een akte vermeerdering van eis zijdens [appellante] ;
- -
het proces-verbaal van comparitie van partijen van 26 juli 2016.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
5.2.
[appellante] heeft bij akte, genomen bij gelegenheid van de gehouden comparitie, haar eis gewijzigd en vermeerderd met (onder meer) een vordering tot veroordeling van [de stichting] tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het achterstallig salaris en overige emolumenten. Ter toelichting heeft zij aangevoerd dat zij haar vordering verder wil verduidelijken door onder meer de datum van terugwerkende kracht op te nemen en tevens over het achterstallig salaris en emolumenten de wettelijke verhoging en wettelijke rente te vorderen.
5.3.
Bij gelegenheid van de gehouden comparitie heeft [de stichting] bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis, daartoe aanvoerend dat een vermeerdering van eis in dit stadium van het geding niet meer mogelijk is.
5.4.
Het hof overweegt ten aanzien van de vermeerdering van eis als volgt.
De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel beperkt de aan oorspronkelijke eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als de verandering of vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eiser is gesteld.
5.6.
Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden.
Voorts kan in het algemeen een verandering of vermeerdering van eis na het nemen van de memorie van grieven of antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde.
5.7.
Het hof stelt vast dat [de stichting] bij gelegenheid van de gehouden comparitie onder verwijzing naar de aangehaalde twee-conclusie-regel bezwaar heeft gemaakt tegen de vermeerdering van eis. Voorts stelt het hof vast dat [appellante] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die één van de genoemde uitzonderingen op de hoofdregel kunnen rechtvaardigen. Het hof zal de vermeerdering van eis daarom niet toestaan en recht doen op de eis zoals die is verwoord in het petitum van de memorie van grieven.
6. De verdere beoordeling
6.1.
Blijkens de appeldagvaarding is [appellante] in hoger beroep gekomen tegen de beide gewezen tussenvonnissen en het eindvonnis. Bij memorie van grieven merkt [appellante] echter op dat de grieven zich uitsluitend richten tegen de overwegingen en het dictum van het eindvonnis. Nu daarom tegen de tussenvonnissen expliciet geen grieven zijn gericht, zal [appellante] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de beide tussenvonnissen van 14 februari 2013 en 27 juni 2013.
6.2.
[appellante] heeft tegen het eindvonnis van de kantonrechter acht grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen, met dien verstande dat zij in hoger beroep de door haar gevorderde buitengerechtelijke kosten niet heeft gespecificeerd.
6.3.
Voor de feiten waar het in deze zaak om gaat verwijst het hof naar het tussenarrest van 10 mei 2016. Het geding betreft de vraag of van [appellante] kan worden verlangd dat zij een eenzijdige wijziging van haar arbeidsvoorwaarden door [de stichting] accepteert. Met ingang van december 2011 heeft [de stichting] eenzijdig, zonder instemming van [appellante] , haar functie, tot dan toe ingeschaald in FWG 15, ingeschaald in FWG 10.
6.4.
Het hof begrijpt de redeneerlijn van de kantonrechter in de tussenvonnissen van 14 februari 2013 en van 27 juni 2013 als volgt.
Noch enige cao, noch enig [hof: Sociaal] Plan met cao-status, noch enig specifiek beding als bedoeld in artikel 7:613 BW biedt aan [de stichting] de mogelijkheid om de met [appellante] overeengekomen arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen (r.o. 2 en 3.1 tussenvonnis 27 juni 2013). Of zij dat desondanks toch kan doen moet worden beoordeeld naar de maatstaven voor een eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden (r.o. 4.1 tussenvonnis 14 februari 2013). De te beantwoorden vraag is dan of een loonsverlaging gerechtvaardigd is, omdat het handhaven van het loon op het oude niveau (FWG 15) in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (r.o. 3.2 tussenvonnis 27 juni 2013). Omdat [de stichting] dit stelt, is het aan haar om feiten en omstandigheden te bewijzen die dat kunnen aantonen en zij dient dan ook te laten weten of zij feiten en omstandigheden kan bewijzen waaruit kan blijken dat van [appellante] kan worden gevergd dat zij deelneemt aan de opleiding tot Woonassistent A (vonnis 27 juni 2013, r.o. 8.1 en dictum).
Hieruit volgt naar het oordeel van het hof impliciet dat de kantonrechter voor de beantwoording van de door hem centraal gestelde vraag van doorslaggevende betekenis heeft geacht of [de stichting] van [appellante] kon verlangen dat zij deelnam aan de opleiding tot Woonassistent A.
6.5.
De kantonrechter heeft [de stichting] opgedragen om te bewijzen dat van [appellante] gevergd kon worden dat zij deelnam aan de opleiding tot Woonassistent A. De kantonrechter heeft in r.o. 7.1 van het eindvonnis geoordeeld dat [de stichting] in dit bewijs is geslaagd en heeft in r.o. 7.2 daaraan de conclusie verbonden dat het gevorderde moet worden afgewezen. Met grief 7 betoogt [appellante] dat de kantonrechter bij het nemen van deze beslissing in het eindvonnis geen rekening heeft gehouden met alle omstandigheden van het geval, althans niet heeft overwogen welke omstandigheden hij heeft meegewogen, en dat hij ten onrechte een doorslaggevende betekenis heeft gehecht aan zijn oordeel dat [de stichting] van [appellante] kon verlangen de opleiding tot Woonassistent A te volgen. Het hof zal deze grief, die de kern van het geschil raakt, als eerste behandelen. Daarbij zal blijken dat de grief slaagt, maar niet kan leiden tot een ander oordeel dan in eerste aanleg gegeven.
6.6.1
[appellante] voert in de toelichting op grief 7 aan dat de conclusie in r.o. 7.2. dat de vorderingen van [appellante] moeten worden afgewezen enkel is onderbouwd door een verwijzing naar het feit waarvan bewijs was opgedragen en waarvan het bewijs was aangenomen. Uit het vonnis blijkt niet, aldus de toelichting op de grief, dat de kantonrechter, andere feiten of omstandigheden bij zijn beoordeling heeft betrokken.
6.6.2.
Het hof begrijpt de grief aldus dat [appellante] hiermee bedoelt te betogen dat uit het eindvonnis niet blijkt dat de kantonrechter de juiste maatstaf heeft gehanteerd of de toepasselijke maatstaf juist heeft gehanteerd. Met [appellante] stelt het hof vast dat uit het vonnis niet blijkt dat de kantonrechter bij zijn beoordeling andere feiten en omstandigheden, waaronder de door [appellante] in de toelichting op grief 7 genoemde, heeft laten meewegen dan die waarover de getuigen hebben verklaard. Daarbij merkt het hof op dat de kantonrechter – terecht - in het eerste tussenvonnis van 14 februari 2013 (r.o. 4.1) al had overwogen dat de terugschaling en de mogelijkheid om daaraan te ontkomen getoetst moeten worden aan de maatstaven voor eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden. Uit het eindvonnis blijkt niet waarom een afweging van alle relevanten feiten langs de lat van deze maatstaf moet leiden tot afwijzing van de vorderingen. In zoverre slaagt grief 7.
6.7.
De in het tussenvonnis van 14 februari 2013 bedoelde maatstaf is door de Hoge Raad ontwikkeld in de arresten van 26 juni 1998 (ECLI: NL:HR:1998:ZC2688, Van der Lely/Taxi Hofman) en van 11 juli 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD1847, Stoof/Mammoet). In het geval van een wijziging van de arbeidsvoorwaarden door de werkgever brengen de eisen van goed werknemerschap met zich mee dat de werknemer op redelijke voorstellen van de werkgever, verband houdende met gewijzigde omstandigheden op het werk, in het algemeen positief behoort in te gaan en dergelijke voorstellen alleen mag afwijzen wanneer aanvaarding ervan redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Zulks wordt niet anders indien het zou gaan om gewijzigde omstandigheden die in de risicosfeer van de werkgever liggen. De beoordeling van de vraag of een dergelijke wijziging door de werknemer aanvaard moet worden dient plaats te vinden aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval.
6.8.
Ten aanzien van de toetsing aan de genoemde maatstaf overweegt het hof als volgt.
6.8.1.
Ten aanzien van de door [appellante] in de toelichting op grief 7 aangevoerde omstandigheden merkt het hof op dat het geschilpunt is gelegen in de vraag of [de stichting] eind november 2011 mocht beslissen om het loon van [appellante] te verlagen tot het loonniveau dat hoorde bij FWG 10. Uitgangspunt daarbij is het feit dat [de stichting] met [appellante] in augustus 2010 is overeengekomen dat zij weer haar werkzaamheden zou hervatten als Medewerker Huishoudelijke Dienst en dat daarvoor op dat moment een loon is overeengekomen op het niveau van FWG 15. Op dat moment verkeerde [de stichting] nog in een reorganisatieproces.
Over de reorganisatie zelf heeft overleg met de OR en de vakbonden plaatsgevonden, wat heeft geresulteerd in overeenstemming over een Sociaal Plan. Gelet op de instemming van de ondernemingsraad en de bonden moet voorshands worden geoordeeld dat afdoende vaststaat dat de bedrijfseconomische gronden een reorganisatie konden rechtvaardigen. Feiten of omstandigheden op grond waarvan die noodzaak ernstig in twijfel kan worden getrokken zijn door [appellante] niet aangevoerd. Dat [de stichting] in redelijkheid tot de reorganisatie kon besluiten is daarom een gegeven dat als tweede uitgangspunt kan gelden.
Voor zover [appellante] nu aanvoert dat een beroep op de bedrijfseconomische redenen niet opgaat, is het hof van oordeel dat dat argument in elk geval de beslissing om in de loop van 2010 te reorganiseren niet kan raken, hoogstens de beslissing om het loon van [appellante] in november 2011 ook daadwerkelijk te verlagen.
6.8.2.
In het kader van de reorganisatie is de functie van Woonassistent A ingevoerd en zijn functieomschrijvingen opgesteld voor deze functie en de functie van Medewerker schoonmaak. Het hof verwijst naar de pagina’s 5 en 36 van deel 2 van het Reorganisatieplan (productie B bij akte zijdens [appellante] d.d. 14 maart 2013). Tussen partijen is niet in geschil dat [de stichting] in redelijkheid kan verlangen dat het personeel dat werkzaam is of wordt als Woonassistent A daartoe een opleiding volgt.
De vraag is dan ook niet of het volgen van een opleiding op zich verlangd kon worden, maar of dit onder de gegeven omstandigheden, in het specifieke geval van [appellante] , ook van haar verlangd kon worden. Tot de van belang zijnde omstandigheden behoren dan in de eerste plaats de inhoud van de opleiding en de mate van begeleiding daarbij. De inhoud en het niveau van de opleiding dient afgestemd te zijn op de functie waarvoor zij is bedoeld. Voorts mocht [appellante] , gelet op haar eerdere ervaringen, verlangen dat de begeleiding in voldoende mate zou worden toegespitst op haar persoonlijke omstandigheden.
6.8.3.
De inhoud van de opleiding is opgenomen in een bijlage bij een e-mail van 23 november 2011 (prod. 9 bij CvA). De opleiding blijkt te bestaan uit acht dagdelen, waarbij tijdens het tweede dagdeel als aandachtspunt onder meer is opgenomen “Grenzen aan het beroep: wat doe ik als mij zaken gevraagd worden die ik niet mag?”, precies dat aspect waar [appellante] bij het volgen van de eerdere opleiding een vervelende ervaring mee had opgedaan.
De begeleiding is nader omschreven in een memo van 21 oktober 2011 (prod. 8 bij CvA) en bestaat onder meer uit een vaste werkbegeleider die de eerste vier weken twee dagen per week samen met [appellante] diensten zou draaien en daarna werkbegeleiding op afstand zou blijven verzorgen.
6.8.4.
Dat het programma van de opleiding niet relevantzou zijn of qua inhoud van dien aard dat [appellante] naar objectieve maatstaven deze opleiding niet succesvol zou kunnen doorlopen is niet gesteld of gebleken. [appellante] heeft met name bezwaar tegen de begeleiding die haar in het kader van de opleiding wordt geboden. Daartoe verwijst zij naar incidenten in een eerder opleidingstraject en heeft zij aangevoerd dat zij niet kan uitsluiten dat de begeleiding bij de voorgestelde opleiding opnieuw onvoldoende zal zijn en merkt zij op te vrezen dat zij opnieuw geconfronteerd zal worden met een noodsituatie waarbij niemand haar te hulp kan schieten.
6.8.5.
Met de grieven 1 en 2 betoogt [appellante] dat [de stichting] te weinig aandacht aan haar ervaringen heeft besteed en dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan de verklaring van de getuige [getuige 1] . Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] , aangehaald in r.o. 4 van het eindvonnis, blijkt echter dat [de stichting] wel voldoende aandacht heeft besteed aan de klachten en bezwaren van [appellante] . Enkel de verklaring van de getuige [getuige 1] is niet voldoende om te twijfelen aan de kwaliteit van de opleiding en begeleiding die aan [appellante] werd voorgesteld. De opleiding waarover zij verklaart was immers dezelfde als die waar [appellante] aanvankelijk mee was gestart. [de stichting] heeft erkend dat zij daarbij in de begeleiding tekort was geschoten en heeft juist daarom aan [appellante] een aangepast opleidingstraject aangeboden. De ervaringen van de getuige [getuige 1] zeggen dus niets over de wijze waarop bij een nieuwe start van de opleiding invulling zou worden gegeven aan de begeleiding van [appellante] . Grief 1 en grief 2 falen.
6.8.6.
Voor zover [appellante] met grief 3 betoogt dat de verklaring van de getuige [getuige 2] niet betrouwbaar zou zijn, omdat zij niet onafhankelijk is en niet rechtstreeks van [appellante] heeft vernomen van de incidenten merkt het hof op dat [appellante] niet betwist dat – zoals [getuige 2] verklaart – er drie gesprekken hebben plaatsgevonden van [appellante] met [getuige 2] , deels ook in aanwezigheid van de gemachtigde van [appellante] . De enkele omstandigheid dat [getuige 2] al jaren voor [de stichting] werkt doet aan de betrouwbaarheid van deze door [appellante] verder inhoudelijk niet betwiste verklaring van [getuige 2] niet af. Uit die verklaring volgt dat [appellante] alle gelegenheid heeft gehad om de door haar ondervonden incidenten persoonlijk met de getuige [getuige 2] te bespreken. Ook grief 3 kan niet slagen.
6.8.7.
Op grond van de gesprekken is aan [appellante] de begeleiding aangeboden door een vaste werkbegeleider die de eerste vier weken twee dagen per week samen met [appellante] diensten zou draaien en daarna werkbegeleiding op afstand zou blijven verzorgen. Gesteld noch gebleken is waarom een dergelijke begeleiding onvoldoende zou zijn om de door [de stichting] gestelde emotionele blokkade (zie de toelichting op grief 4 in de memorie van grieven) te doorbreken.
6.8.8.
Het voorgaande voert het hof tot de tussenconclusie dat de beslissing van [de stichting] om een reorganisatie door te voeren niet ter discussie staat. Om in dat verband de functie van Woonassistent in te voeren en een onderscheid te maken tussen de Woonassistent en de Medewerker schoonmaak is een beleidsmatige beslissing waarvan niet is gebleken dat een redelijk bestuur van een organisatie als [de stichting] die niet had kunnen nemen. Gelet op de inhoud van beide functies, zoals weergegeven in het Reorganisatieplan (hiervoor al aangehaald in r.o. 6.8.2) en de met die functies samenhangende verantwoordelijkheden, was het niet onredelijk om de functie van Medewerker schoonmaak op een lager loonniveau in te schalen dan die van Woonassistent A. Eén en ander is met de ondernemingsraad besproken op 21 december 2010 en die heeft ingestemd met de analyse die heeft geleid tot een functiedifferentiatie. [appellante] heeft herhaaldelijk het aanbod gekregen om een opleiding te volgen en zo in de functie van Woonassistent A op het bestaande loonniveau te kunnen blijven werken. Dat aanbod was in beginsel redelijk, omdat de functie van Woonassistent meebrengt dat [de stichting] daar een zekere opleiding voor mag verlangen. Van de inhoud van de opleiding is niet gebleken dat in redelijkheid viel te verwachten dat een medewerkster als [appellante] die niet succesvol zou kunnen afronden.
Zij heeft die opleiding niet gevolgd, maar is werkzaam gebleven in de functie Medewerker huishoudelijk dienst. Naar het hof begrijpt is deze functie na de reorganisatie aangeduid als Medewerker schoonmaak. Die functie is ingedeeld in FWG 10. Het voorstel om het loon dan terug te brengen tot dat wat behoort bij de door [appellante] feitelijk uitgevoerde functie volgt dan in principe uit haar eigen keuze om de opleiding tot Woonassistent A niet te volgen. Dat voorstel is begrijpelijk en niet onredelijk.
6.9.1.
Rest de vraag of de specifieke omstandigheden die [appellante] in het bijzonder betroffen maken dat van haar in redelijkheid niet kon worden verlangd dat zij het voorstel van [de stichting] (met inbegrip van de voorwaarde dat zij voor loonbehoud een opleiding zou volgen) zou aanvaarden. In dit verband heeft [appellante] in de toelichting op grief 7 verwezen naar de omstandigheid dat het Sociaal Plan niet meer op haar van toepassing was, dat het reorganisatieplan de functie van Medewerker schoonmaak nog waardeerde in FWG 15, dat zij na het staken van de opleiding per 1 augustus 2010 is hersteld in haar functie Medewerker huishoudelijke dienst en dat haar daarbij een loon op het niveau van FWG 15 is toegekend, hoewel de functie van medewerker Schoonmaak toen in het reorganisatieplan al was afgewaardeerd tot FWG 10, dat de OR pas op 21 december 2010 heeft ingestemd met de wijziging van de garantiesalarissen en dat een beroep op bedrijfseconomische omstandigheden niet opgaat omdat dit onvoldoende is onderbouwd. Voorts betrekt het hof hierbij de omstandigheden die hebben geleid tot het staken van de eerder begonnen opleiding.
6.9.2.
De omstandigheid dat het Sociaal Plan niet meer op [appellante] van toepassing was acht het hof niet van belang. Van belang zijn de consequenties die het voorstel heeft op het moment dat [appellante] de gevolgen ervan gaat ondervinden. Dat op dat moment het Sociaal Plan niet meer van kracht is, is daarbij een gegeven.
Dat het Reorganisatieplan nog uitging van een inschaling van de functie Medewerker schoonmaak in FGW 15 doet niet af aan het feit dat het verschil in inhoud en verantwoordelijkheden tussen de functies van Woonassistent A en Medewerker schoonmaak een verschil in beloning ten nadele van de laatste functie kan rechtvaardigen.
Voor het feit dat [appellante] in augustus 2010 nog een loon op het niveau van FGW 15 was toegekend geldt hetzelfde. Dat haar daarbij een garantie is gegeven dat dit nimmer meer aangepast zou worden aan de functie-indeling behorend bij de Medewerker schoonmaak is niet gesteld of gebleken.
Dat de ondernemingsraad pas in december 2010 heeft ingestemd met een wijziging van de garantiesalarissen acht het hof niet relevant, nu de discussie over de loonsverlaging zich nog in 2011 heeft afgespeeld en deze is geëffectueerd vanaf eind november 2011.
6.9.3.
Ten aanzien van de bedrijfseconomische omstandigheden merkt het hof op dat het financieel belang van het voorstel voor [de stichting] zeer beperkt lijkt. Daarbij spelen echter, zoals namens [de stichting] bij gelegenheid van de comparitie werd verklaard, ook andere belangen een rol, meer in het bijzonder de precedentwerking ten opzichte van de collegae van [appellante] aan wie een zelfde voorstel is gedaan en die daar wel op zijn ingegaan, dan wel de consequenties van het niet ingaan op het voorstel hebben aanvaard.
6.9.4.
Tot slot verwijst het hof voor wat betreft de ondervonden ervaringen bij de eerdere, afgebroken opleiding naar hetgeen in r.o. 6.8.5. en 6.8.7. is overwogen.
6.10.
Het hof komt tot een afronding. Onder de gegeven omstandigheden kan het voorstel van [de stichting] aan [appellante] als redelijk worden beschouwd. Hetgeen door [appellante] is aangevoerd maakt niet dat de aanvaarding daarvan in redelijkheid niet van haar kon worden verlangd. Na weigering van het voorstel om de opleiding tot Woonassistent A te volgen kon [de stichting] daarom in redelijkheid besluiten het loon terug te brengen tot het niveau passend bij FWG 10. De vorderingen van [appellante] zijn dus terecht afgewezen. Hetgeen [appellante] verder nog in de grieven, meer in het bijzonder ook de grieven 4, 5 en 6, heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Zij zijn gericht tegen de bewijswaardering door de kantonrechter en doen aan hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de vraag of [de stichting] [appellante] mocht gaan belonen naar het loonniveau behorend bij FWG 10 niets af. Grief 8 betreft een zogenaamde ‘veeggrief’ die geen zelfstandige betekenis heeft.
6.11.
Het vonnis van 13 februari 2014 zal – onder aanvulling van gronden - worden bekrachtigd. [appellante] heeft in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij te gelden en zal om die reden worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.
7. De uitspraak
Het hof:
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de vonnissen van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 14 februari 2013 en 27 juni 2013;
bekrachtigt, onder aanvulling van gronden, het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven van 13 februari 2014;
veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [de stichting] op € 704,= aan griffierecht en op € 1.264,= aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 augustus 2016.
griffier rolraad
Uitspraak 10‑05‑2016
Inhoudsindicatie
wijziging van arbeidsvoorwaarden
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.149.136/01
arrest van 10 mei 2016
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. D.G.V. Mingels te Eindhoven,
tegen
Stichting [de stichting] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [de stichting] ,
advocaat: mr. M.J. Huisman te Eindhoven,
op het bij exploot van dagvaarding van 2 mei 2014 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 14 februari 2013, 27 juni 2013 en 13 februari 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [de stichting] als gedaagde.
1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 841979, rolnummer 12/7038)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding in hoger beroep;
- -
de memorie van grieven;
- -
de memorie van antwoord met twee producties;
- -
de akte van [appellante] d.d. 18 november 2014;
- -
de antwoordakte van 16 december 2014.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De beoordeling
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
[appellante] is met ingang van 1 februari 2001 in dienst getreden van [de stichting] . Ten tijde van de dagvaarding in eerste aanleg was zij parttime (18 uur per week) werkzaam als medewerkster huishoudelijke dienst. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Verpleeg- en verzorgingshuizen en Thuiszorg van toepassing.
Begin 2010 heeft [de stichting] besloten tot het doorvoeren van een reorganisatie. Op dat moment was [appellante] ingedeeld in functiegroep (FWG) 15 met een bijbehorend salaris van € 949,50 bruto per maand bij een arbeidsduur van 18 uur per week, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. In het kader van de reorganisatie heeft [de stichting] op 17 februari 2010 met instemming van drie werknemersorganisaties het Sociaal Plan 2010-2011 vastgesteld (verder aan te halen als “het sociaal plan”). Het sociaal plan verwijst naar een op te stellen reorganisatieplan waarover het advies van de ondernemingsraad moet worden ingewonnen. Onderdeel van de reorganisatie was het invoeren van een nieuwe functie, te weten die van Woonassistent A.
In het reorganisatieplan zijn als aandachtsgebieden voor de Woonassistent omschreven:
“licht huishoudelijk werk (bed verschonen en sanitair), cliëntgebonden verzorgen van voeding/dranken; boodschappen en voorraad; afwas; was rondbrengen, halen & brengen van cliënten. Aandacht voor het welzijn, sfeer en veiligheid van de cliënten in de huiskamer (zoals toezicht); ondersteunen van de cliënt bij licht huishoudelijk werk.”
De Woonassistent is in het reorganisatieplan ingedeeld in FWG 15.
Op 4 maart 2010 heeft [de stichting] [appellante] laten weten dat haar functie van Medewerker Huishoudelijke Dienst wegens boventalligheid zou komen te vervallen. Aan de medewerkers in deze functie is de functie van Woonassistent A met bijpassend scholingsprogramma aangeboden. [appellante] heeft dit aanbod aanvaard en is per 1 juni 2010 gaan werken in de functie van Woonassistent.
Tijdens de opleiding is [appellante] geconfronteerd met een geschil tussen twee bewoners en is zij op een ander moment voor de keuze gesteld om bewoners met slikproblemen te helpen met eten – hoewel een Woonassistent A daartoe niet bevoegd is – of ze zonder eten naar bed te laten brengen. [appellante] heeft daarop aangegeven zo niet te kunnen en willen werken als Woonassistent A.
Met ingang van 1 augustus 2010 is [appellante] op eigen verzoek teruggekeerd in haar functie van medewerker huishoudelijke dienst, waarbij een salaris is overeengekomen “volgens de functionele schaal, behorend bij FWG functiegroep 15”.
Begin september 2010 heeft [de stichting] aangekondigd dat in het kader van de implementatie van de reorganisatie en in verband met de slechte financiële situatie van [de stichting] de medewerkers huishoudelijke dienst teruggeschaald zullen worden van FWG 15 naar FWG 10 (beide tabel 1 van de oude cao); die functie was opnieuw beschreven en gewogen.
Op 9 december 2010 stelt [de stichting] een memo op onder de titel “Memo afbouw garantiesalarissen”, waarin zij aankondigt dat de garantiesalarissen worden afgeschaft. [de stichting] neemt daarbij de verplichting op zich om haar werknemers met een garantiesalaris een functie op het oude salarisniveau aan te bieden, zodra daar een vacature voor zou zijn. Vervolgens zijn aan [appellante] verschillende mededelingen gedaan over een terugschaling.
Op 21 december 2010 wordt door [de stichting] met haar OR gesproken over de resultaten van een extern onderzoek naar de weging van onder meer de functie van Medewerker huishoudelijke dienst. Blijkens het bij conclusie van antwoord overgelegde verslag van deze vergadering is uit dat onderzoek gebleken dat de functie Medewerker huishoudelijke dienst scoort zoals zij doet omdat zij in feite de werkzaamheden van Woonassistent omvat, maar dat de functie eigenlijk twee functiegroepen lager uitkomt.
Bij brief van 26 mei 2011 heeft [de stichting] [appellante] een tweetal opties voorgelegd: scholing tot Woonassistent A, terwijl, kort gezegd, deze functie voor zover deze er is, zal worden aangeboden en behoud van salaris tot het moment dat genoemde functie er is, of, indien geen belangstelling bestaat voor de scholing of bij niet reageren op de brief, inschaling vanaf 1 juli 2011 als medewerker schoonmaak in FWG 10.
Bij brief van haar gemachtigde d.d. 16 juni 2011 laat [appellante] [de stichting] weten dat en waarom zij een wijziging van haar salaris niet wil accepteren en doet zij een beroep op de hardheidsclausule die is opgenomen in het sociaal plan.
In gesprekken van 7 september 2011 en 14 oktober 2011 heeft [de stichting] het beroep van [appellante] op de hardheidsclausule afgewezen. [de stichting] heeft toegezegd dat zij ten bate van [appellante] een maatwerktraject zou inzetten. Zij zendt [appellante] daartoe een memo met uitleg over dat traject.
[appellante] heeft het opleidingstraject niet in willen gaan en heeft bezwaar aangetekend bij de Commissie Sociale Begeleiding.
Tijdens een gesprek van 21 november 2011 laat [appellante] [de stichting] weten het scholingsvoorstel af te wijzen, waarna [de stichting] op 23 november 2011 dit voorstel nog eens herhaalt. [appellante] laat [de stichting] daarop weten dat zij ervan uitgaat dat [de stichting] haar niet zal terugschalen voordat de Commissie Sociale Begeleiding heeft beslist op het ingediende bezwaar. [de stichting] deelt [appellante] vervolgens op 25 november 2011 mede dat zij per 28 november 2011 zal worden teruggeschaald, wanneer zij de functie van Woonassistent A niet zou accepteren.
De Commissie Sociale Begeleiding heeft bij advies van 22 december 2011 het bezwaar afgewezen.
[de stichting] heeft [appellante] met ingang van december 2011 teruggeschaald naar FWG 10. Bij een dienstverband van 18 uur per week bedroeg het verschil aan loon tussen de nieuwe inschaling en handhaving van de bestaande inschaling een bedrag van € 31,75 bruto per maand in december 2011, oplopend tot € 64,26 bruto per maand in september 2012.
3.2.1.
In de onderhavige procedure vordert [appellante] [de stichting] te veroordelen om: primair [appellante] met terugwerkende kracht in te schalen in FWG 15, subsidiair het beroep van [appellante] op de hardheidsclausule uit het sociaal plan te honoreren, beide op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,= voor elke dag dat [de stichting] hiermee in gebreke blijft, met veroordeling van [de stichting] tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (in eerste aanleg gesteld op € 1.500,=) en met veroordeling van [de stichting] in de kosten van het geding, met nakosten en rente alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [appellante] , kort samengevat, (in eerste aanleg) primair ten grondslag gelegd dat de terugschaling in strijd is met het sociaal plan en met de nadere afspraken die met haar zijn gemaakt en neergelegd in een annex d.d. 29 juli 2010 bij haar arbeidsovereenkomst. Toestemming van de OR met een terugschaling van de functie geeft, zo die er al zou zijn, nog geen bevoegdheid om in individuele arbeidsovereenkomsten tot terugschaling over te gaan. Subsidiair heeft [appellante] een beroep gedaan op toepassing van de hardheidsclausule in het sociaal plan, omdat zij heeft geprobeerd de aan haar voorgestelde opleiding te volgen, maar deze heeft moeten afbreken als gevolg van omstandigheden die voor rekening en risico komen van [de stichting] .
3.2.3.
[de stichting] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij voert aan dat zij als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een redelijk voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden en dat aanvaarding van het voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs van [appellante] gevergd kon worden. Dat verweer en de daarvoor aangevoerde gronden zullen, voor zover in hoger beroep van belang, in een vervolg op dit arrest aan de orde komen.
3.3.
Nadat de kantonrechter in het tussenvonnis van 14 februari 2013 had verzocht om een compleet exemplaar van het sociaal plan en het reorganisatieplan in het geding te brengen, heeft hij in een tussenvonnis van 27 juni 2013 aan [de stichting] verzocht om zich uit te laten over de vraag of zij feiten en omstandigheden kan bewijzen waaruit kan blijken dat van [appellante] kan worden gevergd dat zij deelneemt aan de opleiding tot Woonassistent A. Nadat vervolgens getuigenverhoren hadden plaatsgevonden, heeft de kantonrechter op 13 februari 2014 eindvonnis gewezen. Dit vermeldt op de voorpagina als uitspraakdatum 13 februari 2013 en onder het dictum 13 februari 2014. Evident is dat de datum van het eindvonnis op de voorpagina een verschrijving bevat en de datum onder het dictum juist is. In het eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [de stichting] in het bewijs was geslaagd en dat van [appellante] gevergd kon worden dat zij om het zelfde loon te behouden de opleiding tot Woonassistent A zou doorlopen. Daarop zijn de vorderingen van [appellante] afgewezen.
3.4.
Het hof acht termen aanwezig om een comparitie van partijen te gelasten. Het hof acht het voor een goede beoordeling van dit geschil van belang dat partijen hun standpunten persoonlijk toelichten. De comparitie zal worden benut om partijen daartoe de gelegenheid te bieden, waarbij het hof met name ook geïnformeerd wil worden over de inhoud van de door [appellante] te volgen opleiding en de ontwikkelingen zoals die zich sedert februari 2014 hebben voorgedaan. Voorts wil het hof tijdens de comparitie met partijen van gedachten wisselen over mogelijkheden om het geschil door middel van een regeling te beëindigen.
3.5.
Elke verdere beoordeling en beslissing wordt aangehouden.
4. De uitspraak
Het hof:
bepaalt dat partijen – natuurlijke personen in persoon en rechtspersonen deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor mr. R.J.M. Cremers als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder 3.4 vermelde doeleinden;
verwijst de zaak naar de rol van 24 mei 2016 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 mei 2016.
griffier rolraadsheer