Vgl. HR 30 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8401 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1990/420.
HR, 01-07-2025, nr. 22/04525
ECLI:NL:HR:2025:1005
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-07-2025
- Zaaknummer
22/04525
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1005, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑07‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:477
ECLI:NL:PHR:2025:477, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑04‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1005
- Vindplaatsen
Uitspraak 01‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Aanwezig hebben van 7,3 gram hennep, art. 3.B Opiumwet. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 427.2 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG kan HR cassatieberoep van verdachte niet in behandeling nemen. CAG: Aan verdachte is overtredingsvariant van art. 3.B Opiumwet ten laste gelegd. In tll. ontbreekt immers bestanddeel “opzettelijk”. Hof heeft bewezenverklaarde echter gekwalificeerd als misdrijfvariant van dit art., zoals strafbaar gesteld in art. 11.2 Opiumwet. Die kwalificatie moet, gelet op inhoud van tll. en bewezenverklaring, worden beschouwd als kennelijke misslag. ’s Hofs arrest dient dan ook te worden aangemerkt als uitspraak betreffende overtreding a.b.i. art. 427.2 Sv. Aangezien hof geen hogere straf heeft opgelegd dan (geheel voorwaardelijke) geldboete van € 250 staat o.g.v. art. 427.2.b Sv tegen arrest geen beroep in cassatie open. Verdachte kan dan ook niet worden ontvangen in het namens hem ingestelde beroep. Dat arrest ook uitspraak op tul vordering bevat maakt dit niet anders, omdat dergelijke beslissing buiten beschouwing blijft bij beantwoording van vraag of beroep in cassatie openstaat. Verdachte n-o.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04525
Datum 1 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 november 2022, nummer 21-005059-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.E.M.C. Koudijs bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2025.
Conclusie 22‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Kwalificatie van bewezenverklaarde als misdrijf betreft kennelijke misslag. Het bestreden arrest dient te worden aangemerkt als een uitspraak betreffende een overtreding i.d.z.v. art. 427 lid 2 Sv. Nu geldboete van € 250,- is opgelegd, staat op grond van art. 427 lid 2 sub b Sv geen beroep in cassatie open. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04525
Zitting 22 april 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 18 november 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (21-005059-20), voor het vervoer/aanwezig hebben van 7,3 gram hasjiesj veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft het hof een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen.
1.2
Het cassatieberoep is op 2 december 2022 ingesteld namens de verdachte. A.E.M.C. Koudijs, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 11 november 2020 te [plaats] heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 7,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.”
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“op 11 november 2020 te [plaats] heeft vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 7,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.”
2.3
Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.”
2.4
Het bestreden arrest houdt als nadere overweging ten aanzien van het gebezigde bewijs onder meer het volgende in:
“(…) Nu bij binnenkomst in de PI diverse borden en folders te zien zijn waarop staat aangegeven dat er geen drugs meegenomen mogen worden de PI in, is het hof van oordeel dat verdachte tenminste in voorwaardelijke zin opzet had op het binnenbrengen van de hasj.”
2.5
Zoals hiervoor al aangegeven, is door het hof aan de verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250,- opgelegd.
2.6
Uit het voorgaande blijkt dat er sprake is van een discrepantie tussen de tenlastelegging en bewezenverklaring enerzijds en de bewijsoverweging en de kwalificatie anderzijds. Aan de verdachte is – en dat is ook hetgeen bewezen is verklaard – de overtredingsvariant van (onder meer) art. 3 onder B Opiumwet ten laste gelegd. In de tenlastelegging ontbreekt immers het bestanddeel “opzettelijk”.1.Het hof heeft het bewezenverklaarde echter gekwalificeerd als de misdrijfvariant van voornoemd artikel, zoals strafbaar gesteld in art. 11 lid 2 Opiumwet. Die kwalificatie moet, gelet op de inhoud van de tenlastelegging en de bewezenverklaring, worden beschouwd als een kennelijke misslag (hetgeen in feite ook geldt voor de onder 2.4 weergegeven passage uit de bewijsoverweging). Het bestreden arrest dient dan ook te worden aangemerkt als een uitspraak betreffende een overtreding in de zin van art. 427 lid 2 Sv.2.
2.7
Aangezien het hof geen hogere straf heeft opgelegd dan een (geheel voorwaardelijke) geldboete van € 250,- staat op grond van art. 427 lid 2 sub b Sv tegen het bestreden arrest geen beroep in cassatie open. De verdachte kan dan ook niet worden ontvangen in het namens hem ingestelde beroep.3.Dat het bestreden arrest ook een uitspraak op een vordering tot tenuitvoerlegging bevat maakt dit niet anders, omdat een dergelijke beslissing buiten beschouwing blijft bij de beantwoording van de vraag of beroep in cassatie openstaat.4.
3. Slotsom
3.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑04‑2025
Vgl. HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2237, rov. 2.2.
Vgl. HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2237, rov. 2.3.
HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7897, rov. 3.3, NJ 2007/601.