Inhoudsopgave
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.3.10:2.3.10 Samenvatting doctrine
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.3.10
2.3.10 Samenvatting doctrine
Documentgegevens:
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS389659:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wetgever heeft geen regeling gegeven voor verbintenissen die voortvloeien uit beperkte rechten en heeft de rechtsvorming overgelaten aan de rechtspraak en de rechtswetenschap. Verbintenissen tussen erfpachter en erfverpachter vormden onder het OBW geen dogmatisch probleem. Deze verbintenissen konden onder het gebrekkige art. 1269 OBW over de bronnen van de verbintenis worden gebracht of vloeiden als vanzelfsprekend voort uit het wezen van het erfpachtrecht. De vraag naar de aard van de rechtsvordering deed zich in de praktijk voor bij de procesrechtelijke vraag naar de bevoegdheid van de rechter. Het onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht zoals bevestigd in het arrest Blaauboer/Berlips leek de toepassing van het verbintenissenrecht op verbintenissen uit zakelijke rechten in de weg te staan. Voor de canonverplichting bracht de rechtsfiguur van de kwalitatieve verbintenis uitkomst en werd ten behoeve van het verhaal door de erfverpachter een dubbele zekerheid aangenomen, die bestond uit het erfpachtrecht en het persoonlijke vermogen van de erfpachter. De opvatting dat het ging om kwalitatieve verbintenissen maakte een inpassing in het wettelijk stelsel mogelijk. In het ontwerp voor het nieuwe BW werd het onderscheid weer strakker aangetrokken, in de visie van Meijers waren verplichtingen uit een erfpachtrecht uitsluitend te beschouwen als een zakelijke last waarop de regels van het verbintenissenrecht niet van toepassing waren. Anderzijds werd de kwalitatieve verbintenis als tussenvorm gecodificeerd. In de opvattingen van Eggens, Rank-Berenschot en Schoordijk werden zakelijke rechten beschouwd als betrekkingen tussen personen. Zij braken een lans voor de eigen aard van verbintenissen uit een zakelijk recht die niet kan weerhouden dat die verbintenissen tegelijk onlosmakelijk zijn verbonden met het zakelijk recht waar zij uit voortkomen. De zakelijke en verbintenisrechtelijke betrekkingen zijn daarbij op te vatten als twee verschillende dimensies van dezelfde rechtsbetrekking. Het actuele beeld is divers. De aanhangers van de heersende leer houden vast aan het onderscheid tussen absolute en relatieve rechten en wijzen de toepassing van Boek 6 BW op erfpachtverhoudingen af. Struycken en Mollema zijn om deze reden terughoudend met het toepassen van verbintenissenrecht op erfpachtverhoudingen. De rechtspositieleer van Snijders staat een gedifferentieerde benadering voor waarbij de goederenrechtelijke verhouding tot het rechtsobject en de verbintenisrechtelijke verhouding tot de andere gerechtigde naast elkaar geplaatst worden. Deze visie is door Vonck uitgewerkt in criteria voor de vraag wanneer aan erfpachtvoorwaarden zakelijke werking toekomt. Mede door de contractuele herkomst van het erfpachtrecht kan het verbintenissenrecht op erfpachtverhoudingen worden toegepast mits rekening wordt gehouden met de beperkingen die Boek 5 BW stelt. Dat uit goederenrechtelijke rechten verbintenissen voor partijen jegens elkaar voortvloeien staat niet ter discussie, wel de inpassing van deze verbintenissen in het stelsel van de wet en daarmee ook de vraag of het verbintenissenrecht daarop van toepassing is. Voor de canonverplichting wordt deze vraag in het NBW beantwoord, voor andere verbintenissen blijft verschil van mening bestaan.
Voor ik deze onderscheidingen ga uitwerken onderzoek ik in de volgende paragraaf of en op welke wijze in de rechtspraak bij erfpachtgeschillen rekening wordt gehouden met de rechtsverhouding tussen grondeigenaar en erfpachter, en of bij deze oordelen het goederenrecht of het verbintenissenrecht wordt toegepast.