De WW en nieuwe sociale risico's
Einde inhoudsopgave
De WW en nieuwe sociale risico's (MSR nr. 62) 2014/2.3.5:2.3.5 Uitkeringsvoorwaarden
De WW en nieuwe sociale risico's (MSR nr. 62) 2014/2.3.5
2.3.5 Uitkeringsvoorwaarden
Documentgegevens:
mr. drs. K.H. Hermans, datum 28-02-2014
- Datum
28-02-2014
- Auteur
mr. drs. K.H. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS394782:1
- Vakgebied(en)
Sociale zekerheid werkloosheid / Algemeen
Internationale sociale zekerheid / Werkloosheid
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
30 juni 2008, Stcrt. 2008, 123.
Besluit van 1 december 1995, houdende regels tot verruiming van het begrip passende arbeid voor schoolverlaters en academici (Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici).
Richtlijn passende arbeid WW 2008.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om recht te hebben op een uitkering moet er voldaan worden aan de ontstaansvoorwaarden. Dit houdt ten eerste in dat men werkloos moet zijn: de werknemer moet ten minste vijf arbeidsuren verloren hebben, niet langer aanspraak kunnen maken op loon over deze uren en beschikbaar zijn om passende arbeid te aanvaarden (art. 16 WW). Ten tweede moet men voldoen aan de referte-eis die is vastgelegd in artikel 17 WW. Deze ontstaansvoorwaarde houdt in dat de werknemer in de 36 weken voordat hij werkloos wordt, 26 weken moet hebben gewerkt. Ten slotte mogen er geen uitsluitingsgronden aanwezig zijn (art. 19 WW). Een werknemer heeft geen recht op uitkering indien hij of zij een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet (art. 19 lid 1 onder a WW), de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) (art. 19 lid 1 onder b WW), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) (art. 19 lid 1 onder c WW), de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (art. 19 lid 1 onder d WW), buiten Nederland woont (art. 19 lid 1 onder e WW), niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt (art. 19 lid 1 onder f WW), rechtens zijn vrijheid is ontnomen (art. 19 lid 1 onder g WW), zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel (art. 19 lid 1 onder h WW), de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt (art. 19 lid 1 onder i WW), gemoedsbezwaren heeft (art. 19 lid 1 onder j WW), vakantie geniet (art. 19 lid 1 onder k WW), werkloos is tengevolge van werkstaking of uitsluiting (art. 19 lid 1 onder l WW), of een uitkering ontvangt op grond van de Wet arbeid en zorg (art. 19 lid 1 onder m WW).
Behalve dat de werknemer moet voldoen aan deze ontstaansvoorwaarden uit artikel 16, 17 en 19 WW, moet de werknemer ook het recht geldend maken. Dit betekent dat de werknemer ten eerste moet voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt (art. 24 lid 1 onder a WW). Iemand is verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 BW en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt (art. 24 lid 2 onder a WW). Tevens is hij verwijtbaar werkloos als een werknemer het verzoek tot beëindiging van de dienstbetrekking heeft gedaan zonder dat daar zodanige bezwaren aan verbonden waren, dat voorzetting redelijkerwijze niet van hem of haar had kunnen worden gevergd (art. 24 lid 2 onderdeel b). Ten tweede moet de werknemer voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos is of blijft doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen, nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt, door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt of in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren (art. 24 lid 1 onder b WW).
Het begrip ‘passende arbeid’ is gedefinieerd in artikel 24 lid 3 WW en verder uitgewerkt in de Richtlijn passende arbeid WW 2008.1 Als passende arbeid wordt beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke en sociale aard niet van hem kan worden gevergd (art. 24 lid 3 WW). De richtlijn bevat geobjectiveerde algemene normen over wat in redelijkheid van een werkloze werknemer kan worden gevergd bij het zoeken naar, aanvaarden van en behouden van werk. Deze normen hebben betrekking op de aard van het werk (gerelateerd aan het vroegere beroep en het niveau van het werk dat wordt bepaald door opleiding en werkervaring), de beloning voor het werk en de reisduur. Zo geldt als algemene regel dat een werknemer in beginsel een half jaar de tijd heeft om zich te richten op arbeid op hetzelfde niveau als de arbeid waarvoor hij zich door opleiding en/of werkervaring heeft gekwalificeerd en waaruit hij werkloos is geworden. Uitzondering hierop is de academicus die op grond van het Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici WW en ZW, ook werk op hbo-niveau moet accepteren.2 Voor alle opleidingsniveaus geldt dat naarmate de werkloosheid voortduurt, steeds meer arbeid als passend wordt beschouwd. Zo moet een werkloze werknemer die zich heeft gekwalificeerd voor werk op universitair of hbo-niveau na het eerste half jaar werk op mbo-niveau accepteren. Een werkloze werknemer mag zich het eerste half jaar richten op werk waarvoor de beloning niet (veel) lager is dan het voorheen verdiende loon. Ook hier geldt dat naarmate de werkloosheid langer duurt, men werk moet accepteren met een lager inkomen. Deze achteruitgang moet corresponderen met het verschil in niveau van te aanvaarden werkzaamheden en het loonniveau dient in overeenstemming te zijn met de aard en het niveau van de functie.3
De werknemer die recht heeft op een uitkering, moet op basis van artikel 24 lid 1 onder b sub 1° WW verplicht solliciteren met als doel passende arbeid te verkrijgen. Dit is vastgelegd in het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW 2009. Zoals besproken in paragraaf 2.3.2 kan de werknemer op basis van artikel 24 lid 9 en artikel 26 lid 4 in individuele gevallen tijdelijk ontheffing worden verleend voor deze verplichting, bijvoorbeeld wanneer men vrijwilligerswerk verricht of mantelzorg verleent.
Artikel 26 lid 1 onder e bepaalt dat de werknemer verplicht is mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid. Om welke activiteiten het kan gaan, staat onder andere vermeld in hoofdstuk VI van de WW (art. 72 tot en met 87). Het gaat hier om het bevorderen van arbeidsinschakeling door onder andere het aanbieden van een traject bij een re-integratiebedrijf (art. 72 lid 3), het volgen van scholing (art. 76), een proefplaats bij een werkgever (art. 76a), het opzetten van een eigen bedrijf (art. 77a) of het werken bij een reguliere werkgever met een loonkostensubsidie.
Als een werknemer niet voldoet aan de ontstaansvoorwaarden of de bovenstaande verplichtingen om het recht geldend te maken, kan het UWV de uitkering blijvend geheel weigeren (art. 27 WW).