Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/10.4.2.2.1:10.4.2.2.1 Algemeen
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/10.4.2.2.1
10.4.2.2.1 Algemeen
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500856:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Anders bijvoorbeeld art. 14, lid 3, onder d IVBPR. Daarin is wel uitdrukkelijk een recht op kennisgeving van het recht op rechtsbijstand vastgelegd.
Spronken 2012, p. 175.
EHRM 18 februari 2010 (Aleksandr Zaichenko t. Rusland), § 52 e.v.
Speyart 2010, p. 348.
EHRM 14 oktober 2010 (Brusco t. Frankrijk), NJ 2011, 386 (m.nt. Schalken).
§ 52 e.v.
EHRM 16 juni 2015 (Schmid-Laffer t. Zwitserland).
§ 39.
EHRM 13 september 2016 (Ibrahim e.a. t. Verenigd Koninkrijk), NJB 2017/267.
§ 272.
Zie § 5.5.3.1 hiervoor.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Cautieplicht niet uitdrukkelijk in EVRM
Van de bijstand van een advocaat als waarborg tegen zelfbelasting, moet worden onderscheiden de cautie ofwel de mededeling van de vervolgende autoriteiten zelf aan de verdachte dat hij niet tot antwoorden verplicht is. De cautie is niet uitdrukkelijk in art. 6 EVRM vastgelegd. Meer in het algemeen geldt dat het EVRM geen expliciete bepaling bevat over het recht om geïnformeerd te worden over de door art. 6 EVRM gegarandeerde rechten.1 Wel kan uit de jurisprudentie van het Hof een recht op informatie over rechten voor verdachten worden afgeleid en bevat art. 6, lid 3, onder a EVRM en art. 5, lid 2 EVRM de verplichting dat de verdachte op de hoogte wordt gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging.2
Cautieplicht ligt besloten in art. 6, lid 1 EVRM
In het meer genoemde arrest in de zaak Aleksandr Zaichenko overweegt het Hof uitdrukkelijk dat het Verdrag praktische en effectieve rechten garandeert en dat de Russische politie in de gegeven omstandigheden gehouden was om de klager op of kort voor het aanvangsmoment van de criminal charge te informeren over diens recht tegen gedwongen zelfbelasting en diens recht te zwijgen.3 Dit is de eerste keer dat het Hof aangeeft dat de autoriteiten de verdachte onder omstandigheden (tijdig) de cautie zouden moeten geven. Speyart meent dat het hier gaat om een prille ontwikkeling, die nog lijkt te moeten worden bevestigd.4 Evengoed kan worden gezegd dat ’s Hofs oordeel in de onderwerpelijke zaak duidelijk genoeg is en het in art. 6 EVRM kennelijk – onder omstandigheden – een cautieplicht leest.
Aanleiding voor enige twijfel was het kort voor Aleksandr Zaichenko gewezen arrest in de zaak Brusco.5 Uit het dossier en de getuigenverklaringen in die zaak blijkt niet dat de klager aan het begin van het (getuigen)verhoor op zijn zwijgrecht was gewezen. Dit terwijl hij op grond van het Franse nationale recht pas twintig uur na het begin van zijn inverzekeringstelling kon worden bijgestaan door een advocaat. Die had daarom niet de mogelijkheid gehad om klager voorafgaand aan zijn eerste verhoor te wijzen op zijn recht om te zwijgen en niet te hoeven meewerken aan de eigen veroordeling. De advocaat had evenmin de mogelijkheid gehad om klager bij diens verhoor bij te staan. Redenen waarom het Hof oordeelt dat klagers zwijgrecht was aangetast.6 Deze overwegingen kunnen zo worden begrepen – het Hof overweegt dit niet uitdrukkelijk –, dat het een cautieplicht die in het nationale (strafproces)recht is vastgelegd, meeweegt in de vaststelling of het Straatsburgse zwijgrecht is geschonden. Dit ter onderscheiding van een in art. 6 EVRM gelezen cautieplicht, waarvoor de zojuist genoemde zaak Aleksandr Zaichenko steun geeft.
Inmiddels kan worden gewezen op de zaak Schmid-Laffer (inzake verklaringen afgelegd tegenover de politie omtrent de betrokkenheid bij een moord).7 Tijdens het eerste gesprek met de politie was de klager nog niet ‘charged with a criminal offence’ en neemt het Hof geen informatierecht aan. Tegen de tijd van het tweede verhoor was zij wel ‘charged’, zodat het volgens het Hof de taak van de politie was om haar in de gegeven omstandigheden te informeren over het haar toekomende zwijgrecht en ‘privilege against self-incrimination’.8
Zie meer recent de zaak Ibrahim e.a.9 Daarin overweegt de Grote Kamer in algemene zin dat het Verdrag praktische en effectieve rechten garandeert. Om te verzekeren dat de bescherming die het recht op bijstand, het zwijgrecht en het niet-meewerkrecht de verdachte geven praktisch en effectief is, is het cruciaal dat de verdachte van die rechten op de hoogte is. Het Hof is (daarom) van opvatting dat ‘it is inherent in the privilege against self-incrimination, the right to silence and the right to legal assistance that a person “charged with a criminal offence” for the purpose of Article 6 has the right to be notified of these rights’.10
Reikwijdte cautieplicht; directe confrontaties en spontane verklaringen
Niet duidelijk is of de door het Hof in art. 6 EVRM gelezen cautieplicht beperkt is tot directe confrontaties tussen de (verhorende) autoriteiten en de verdachte, of ook andere vragen onder uitoefening van dwang omvat (vgl. schriftelijke verklaringen). Omdat het EVRM praktische en effectieve rechten garandeert, ligt een ruime benadering voor de hand. Spontane verklaringen raken echter niet aan het EVRM-zwijgrecht.11 Een in art. 6 EVRM gelezen cautieplicht strekt zich in ieder geval niet uit tot verklaringen die de verdachte buiten het formele politieverhoor om vrijelijk heeft afgelegd.
Uit de zo-even genoemde zaken Schmid-Laffer en Ibrahim e.a. volgt, dat het informatierecht volgens het Hof niet alleen geldt voor het zwijgrecht, maar ook voor het ‘privilege against self-incrimination’. Kennelijk dienen de autoriteiten de verdachte onder omstandigheden ook bij de gedwongen afgifte van (wilsafhankelijk) fysiek materiaal te wijzen op (onder meer) het niet-meewerkrecht.