Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.3.b
5.3.b Nader over ‘grieven’ in hoger beroep
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609524:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 2005/06, 61, p. 3959; Handelingen II 2005/06, 61, p. 3964; uiteraard hoeft een ‘schriftuur met grieven’ niet met zoveel woorden als zodanig aangeduid te zijn, zie hierover Hof Den Bosch 26 maart 2014, NJFS 2014/134.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 42; Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 6, p. 11; vgl. De Meijer & Simmelink 2013, p. 114-115.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 6, p. 11 (specifiek over verdachte die zich op zwijgrecht beroept); Handelingen II 2005/06, 61, p. 3959-3960.
Beschikbaar via www.rechtspraak.nl.
Zo ook Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 6, p. 11; dit wordt ruimhartig toegelaten, aldus Frielink 2001, p. 43.
Reijntjes 2011, p. 125.
HR 19 juni 2007, NJ 2007/626, m.nt. Mevis; HR 1 juli 2014, NJ 2014/441, m.nt. Borgers; zie voor het laatste punt ook Reijntjes 2007, p. 26.
Hof Den Bosch 7 juli 2010, NJFS 2010/292; Hof Amsterdam 14 maart NJFS 2014/157.
Aldus reeds Van Woensel 2007, p. 25.
Zie voor een zeldzame vermelding van de voorbereidingsvoordelen Handelingen II 2005/06, 61, p. 3957.
Zie hierover Pesselse 2015, p. 352.
In het huidige strafrechtelijk hoger beroep worden nauwelijks eisen gesteld aan de grieven als zodanig. Hoewel de Wet stoomlijnen hoger beroep het belang van de grieven duidelijk heeft vergroot, gaat de toelichting op de wet nauwelijks in op de betekenis van het woord ‘grieven’. Tijdens de parlementaire behandeling is benadrukt dat het niet om juridisch geformuleerde bezwaren hoeft te gaan.1 Verder lijkt de nadruk vooral te liggen op aanduiding van de onderdelen van de bestreden uitspraak waartegen men bezwaren heeft, in plaats van op motivering van dat bezwaar.2 Wat dat laatste betreft worden algemene uitlatingen als “ik ben ten onrechte veroordeeld”, of iets meer afgebakende opmerkingen als “ik heb het niet gedaan” of “ik vind de straf te hoog” door de wetgever voldoende gevonden.3 Naar aanleiding van de parlementaire discussie is voorts een grievenformulier ontwikkeld waarop enkele gelijkluidende gronden voor beroep aangevinkt en toegelicht kunnen worden.4
Deze laagdrempelige benadering van de wetgever sluit mijns inziens aan bij de algemene kenmerken van het voortbouwend appel. Immers, als op de appelzitting kan worden besproken waar het de procespartijen exact om draait – waarbij eerder opgegeven grieven kunnen worden teruggetrokken, uitgebreid of aangevuld5 – is in een schriftuur niet veel precisie nodig. De exacte afbakening van de discussie kan in het huidige hoger beroep ter zitting plaatsvinden, waar door middel van ondervraging meer duidelijkheid over de grieven kan worden bereikt.6 De Hoge Raad voegde daaraan later enkele argumenten toe: “Nu de appelschriftuur ook door de verdachte zelf kan worden ingediend […] ligt het in de rede aan de formulering van de grieven geen hoge eisen te stellen. In dat verband past de kanttekening dat in gevallen waarin alleen een verkort vonnis beschikbaar is, het formuleren van grieven tegen de bewijsvoering dan wel de verwerping van bewijsverweren niet wel mogelijk is.”7 Een duidelijkere grens dan ‘geen hoge eisen’ is in de rechtspraak van de Hoge Raad niet getrokken.
Dat in hoger beroep niet of nauwelijks eisen aan de grieven zelf mogen worden gesteld, lijkt stevig verankerd in de praktijk van het huidige hoger beroep. In de gepubliceerde rechtspraak zijn slechts enkele uitspraken te vinden waarin een hof zeer algemene of onduidelijk gemotiveerde klachten niet als grief in de zin van artikel 410 Sv beschouwt.8 Dit soort uitspraken zijn uitzonderlijk. En hoewel deze zaken een minimale ondergrens aan stelligheid en duidelijkheid markeren, is onder het voortbouwend appel van de Wet stroomlijnen hoger beroep in elk geval geen sprake van een inhoudelijke of vrije toegangsbeoordeling op grond van de grieveneis.
De zo goed als ontbrekende inhoudelijke eisen aan ‘grieven’ in hoger beroep komen vooral de inscherpings- en stroomlijningsfunctie van het bezwaarvereiste niet ten goede. Een grievenformulier kan namelijk nogal gemakkelijk worden ingevuld – met of zonder advocaat – en onder meer omdat op zitting grieven mogen worden opgegeven dan wel aangevuld, bereiden raadsheren in de praktijk in beginsel toch het gehele beroep voor.9 Toch geeft de wetsgeschiedenis van de Wet stroomlijnen hoger beroep niet een duidelijke voorkeur aan de genoemde functies van de bezwaareis,10 terwijl dat evenmin uit het (dubbelzinnige) systeem van het voortbouwend appel kan worden afgeleid. Onder de huidige wetgeving kan ik mij daarom niet goed voorstellen dat strengere eisen aan de inhoud van grieven worden gesteld. Hoe de modernisering van het Wetboek van Strafvordering hierin verandering gaat brengen, is nog onbepaald. De Contourennota spreekt van de wenselijkheid van “onderbouwde bezwaren”, waaruit een motiveringsvereiste blijkt, maar meer duidelijkheid bestaat hierover nog niet.11